De verzamelaars en de private press

Deze pagina is onderdeel van de webexpositie Private Press.

Hoe mooi de uitgaven van ‘private presses’ ook zijn, het is moeilijk je iets voor te stellen bij een ‘klantenkring’. De meeste ‘private presses’ doen nauwelijks aan publiciteit, verkopen hun uitgaven niet via de reguliere boekwinkels en hebben een oplage die een gewone uitgeverij meewarig zou doen glimlachen. In interviews of studies gaat het meestal over de typografische kwaliteiten en de esthetiek. Ook over de inhoud zijn we goed ingelicht. Zelden lees je iets over de uiteindelijke bestemming van de private press-uitgave: de boekenkast van de verzamelaar. Alleen in de Geschiedenis van de Nederlandse bibliofilie is daar specifiek aandacht voor. Wat zijn dat voor mensen, verzamelaars van bibliofiel drukwerk? En hoe komen zij aan hun boeken?

Bibliofielen onder elkaar

Bibliofielen zoeken elkaar op. De verklaring daarvoor ligt voor de hand. Immers, wat voor de bibliofiel een begerenswaardige aankoop is, waarvoor hij zonder morren honderden euro’s neertelt, kan voor een ander een hoopje stoffig papier zijn. Voor iemand die verzamelt, is die gedachte al een crime. Hij of zij wil vooral met gelijkgestemden over zijn liefhebberij praten en aan medeliefhebbers zijn schatten laten zien. Al in de negentiende eeuw ontstonden daarom clubs en genootschappen van verzamelaars van boeken en vaak ook handschriften. Het zelf drukken van uitgaven hoorde daar veelal bij.

Vooral in Engeland was dit een bloeiend fenomeen. Je had daar drie soorten clubs. De zogenaamde ‘printing societies’ – dat waren genootschappen die voor de leden mooie boekjes drukten, – en ‘bibliographical societies’, die op bibliografische kennis gericht waren zoals de naam al zegt. En verder waren er de ‘book clubs’, waarin liefhebbers en bibliomanen elkaar vonden, zoals de Roxburghe Club. In Duitsland zetelde de Literarischer Verein zur Herausgabe älterer Druck- und Handschriften die iets soortgelijks beoogde, in Vlaanderen bestond de Maetschappij der Vlaamsche Bibliophielen, in Frankrijk de Societé des Bibliophiles François, en in Nederland was er de Vereeniging ter bevordering der oude Nederlandsche letterkunde, opgericht in 1843, waarvan de leden met elkaar oude handschriften en drukken verzamelden en de inhoud ervan bespraken. Sommige verzamelaars, zoals Willem Bilderdijk, deinsden er niet voor terug zelf een handschrift helemaal over te pennen, om de tekst in bezit te krijgen. Het ging daarbij dus om de inhoud, niet de vorm.

Het kwam ook voor dat een particulier, als liefhebber van mooie boeken, voor zichzelf een boek liet drukken, wat je als een vroege vorm van de private press zou kunnen beschouwen. Dat deed bijvoorbeeld J.C. Hacke van Mijnden die vele jaren had gestopt in het vertalen van Dantes Divina commedia. Het kolossale boek dat van deze arbeid het resultaat was, werd op zijn verzoek in een kleine oplage gedrukt en door de gefortuneerde vertaler verspreid over bibliotheken en instellingen.

Eind negentiende eeuw, toen meer aandacht voor boekverzorging opkwam, ontstonden opnieuw clubs en gezelschappen, nu vooral met het oogmerk de kwaliteit van het drukwerk te stimuleren door tentoonstellingen te organiseren. Tot de hervormers behoorden boekbinders en kunstenaars, later ook auteurs, maar kennelijk geen bibliofielen. Een van die clubs is de Vereeniging Kunst toegepast op boekbanden, opgericht in 1895. Het aantal leden in het boekjaar 1897-1898 was ‘42 gewone en 30 belangstellende leden’. De vereniging gaf een tijdschrift uit, De boekband, en organiseerde enkele tentoonstellingen.

Het drong langzamerhand tot de kringen van boekenliefhebbers door dat de buitenkant van een boek niet los gezien kon worden van de binnenkant. ‘De echte boekenliefhebber,’ zo zei typograaf A.W. Barten in 1904, is ‘dus hij die niet alleen inhoud waardeert, maar ook gevoel heeft voor de bewerking, zooals druk, illustreering, bindwerk, hetgeen door kunstenaarshanden in overeenstemming met den inhoud is gebracht’.

Aan het begin van de twintigste eeuw werd het streven om met vereende krachten de kwaliteit van het drukwerk te vergroten breed opgepikt. Enkele ambachtelijke verenigingen werden opgericht, vaak van mensen die aan een grafische opleiding of tijdschrift verbonden waren. In Ons vakblad. Maandblad voor de boekdrukkunst in Nederland, dat in 1909 voor het eerst verscheen, worden ze genoemd: de vakverenigingen of ‘studieclubs’, zoals de ‘vereeniging tot veredeling der grafi¬sche kunst Studieclub “Amsterdam”’ of de typografische studiekring ‘Voor Vak en Kunst’ te Nijmegen.

Maar ook in Bergen op Zoom, Haarlem en Zaandam was dit soort clubs actief. Daar organiseerde men dan tentoonstellingen en wedstrijden en stelden de aangeslotenen zich op de hoogte van nieuws over technische zaken. De letterontwerper S.H. de Roos trad in deze vroege periode al op als jurylid bij wedstrijden. De leden van deze clubs waren jonge mensen werkzaam in de drukkerij; of zij ook zelf verzamelden is maar de vraag. Die hobby was financieel misschien niet voor deze groep weggelegd. Achter andere clubs, zoals de Vereeniging Boekband & Bindkunst of de Vereniging ter bevordering der Graphische Kunst, lijkt een hogere sociale klasse schuil te gaan. Van de Vereniging ter bevordering der Graphische Kunst waren bijvoorbeeld veel kunstenaars lid. (LK)

Vignet door Joh. B. Smits uit:De boekband, 2 (1897), nr. 3 (15 juni), p. 17. KB: BAND ALGE 06BB. (KB)

Vignet door Joh. B. Smits uit:De boekband, 2 (1897), nr. 3 (15 juni), p. 17. KB: BAND ALGE 06BB. (KB)

Tentoonstelling Nederlandsch Verbond van Boekenvrienden in het Gemeentelijk Museum vanaf 1 maart 1927. 1927. MM: NVB 4 E 2. Foto. (MM)

Tentoonstelling Nederlandsch Verbond van Boekenvrienden in het Gemeentelijk Museum vanaf 1 maart 1927. 1927. MM: NVB 4 E 2. Foto. (MM)

Bibliofielenclubs

Een voorbeeld voor Nederlandse bibliofielenclubs in de twintigste eeuw moet The Limited Editions Club (LEC) zijn geweest, opgericht in New York in 1929. Die vereniging, feitelijk een soort bibliofiele boekenclub, telde maar liefst 1500 leden, die voor een vast bedrag mooie, geïllustreerde boeken kregen toegestuurd. Een Nederlandse club van bibliofielen was de Bibliofielen-Liga Eelderwolde (aanvankelijk ‘Den Enck’ genoemd).

De club was opgericht door de latere Van Gorcum-uitgever H. Prakke en de leden kwamen geregeld bij elkaar. Het waren boekenliefhebbers in de breedste zin des woords. Want niet alleen lazen ze, ze maakten ook een krantje onder de niet nader te verklaren titel De eikel dat bestond uit ‘een curieuze combinatie van knip-, plak- en drukwerk’. Later werd met behulp van een ‘oude copieerpers’ een gezamenlijke productie gemaakt, Het open veld, in 1923, waaraan ook Hendrik Werkman en Bertus Smit meewerkten. De oplage bedroeg 25 genummerde en gesigneerde exemplaren.

Verzamelaars vonden elkaar ook in het Nederlandsch Verbond van Boekenvrienden, opgericht in 1925; het archief wordt bewaard in Museum Meermanno.

De oprichter van het verbond zou Menno Hertzberger zijn geweest, leden waren mensen uit het vak: een antiquaar, een bibliothecaris, een uitgever, een typograaf en een wetenschapper, kortom liefhebbers met een professionele achtergrond.

Ook H. Prakke van de Bibliofielen-Liga was lid. ‘Kiest men als leden bij voorkeur rijke bibliophielen? Of komt er voor in aanmerking iemand zooals ik, in mijn quali¬teit van boekbindster (specialiteit: repareeren van oude banden)’, zo kreeg het bestuur als vraag voorgelegd. De boekbindster kon lid worden. Toch zijn in totaal niet meer dan honderd mensen lid geweest van deze club. De contributie bedroeg vijf gulden, in ruil daarvoor organiseerde het verbond tentoonstellingen en lezingen. De belangstelling liep nogal uiteen: van middeleeuwse manuscripten tot volksboeken.

De grootste groep waren de liefhebbers van de ‘schone letteren’, dus de uitgaven van De Zilverdistel en andere typografische hoogstandjes. Korte tijd hadden de leden een eigen krantje, Voor onze boekenvrienden, waarvan de kopij ‘geleend’ was van een ander boekenblad, Het boek. Een niet verwezenlijkt plan waren de ‘praatavonden’ die bij een particuliere verzamelaar thuis gehouden zouden worden. Wat wel tot de wapenfeiten hoort, zijn de boekententoonstellingen die het verbond organiseerde. Ook de verkiezing van Best Verzorgde Boeken – overigens niet de ‘private presses’, maar boeken van professionele uitgevers – is te danken aan het verbond.

Dat er meer geïnteresseerden dan leden waren, blijkt uit het feit dat in 1931 in twee weken tijd maar liefst 849 bezoekers de tentoonstelling van Best Verzorgde Boeken waren gaan bekijken. In 1932 zag het Nederlandsch Verbond van Boekenvrienden zich genoodzaakt te fuseren met de Vereeniging ‘Museum voor de grafische vakken’, maar deze samenwerking werd in 1938 weer opgezegd. Tussen 1940 en 1942 verschenen nog enkele afleveringen van een eigen tijdschrift van het verbond voor boekenvrienden, genaamd Imp. Een mooi blad, dat vanwege de kleine oplage nu natuurlijk zelf ook weer een geliefd verzamelaarsobject is. Maar andere initiatieven op het gebied van de boekverzorging trokken een breder publiek.

‘Ik kan mij niet herinneren gedurende mijn jeugd andere boeken in handen te hebben gehad dan boeken van de Wereldbibliotheek’, zei Johan Polak. Hij zou uitgroeien tot de meest vermaarde Nederlandse verzamelaar van na de Tweede Wereldoorlog. ‘Ik kan de bandjes nog precies beschrijven’.

Wat was er zo speciaal aan de boeken van deze uitgeverij? De Wereldbibliotheek, ook wel geheten de ‘Maatschappij voor goede en goedkoope lectuur’, was een poging om ook de gewone man enige bibliofilie bij te brengen. Het ging niet om private press-uitgaven maar de WB had zich wel geïnspireerd op Engelse ‘private presses’.

De directeur, Leo Simons, had geruime tijd in Engeland vertoefd. Zijn Wereldbibliotheek bracht smaakvol gebonden boeken uit, met verantwoorde literatuur, tegen een lage prijs. Dat kon, omdat de oplagen hoog waren. Het lijkt erop dat die aanpak heeft gewerkt, dat men dankzij de boeken van de WB een vleugje bibliofilie mee kon krijgen. Voor Johan Polak stond dat in elk geval vast.

Voor de eerste Nederlandse private press, de Zilverdistel, leek zo’n club met leden ook een uitkomst. Niet vanwege het sociale gehalte maar wel om klandizie voor elk verschenen drukwerk te genereren. Er werd een prospectus verspreid om te komen tot een Vereeniging der Vijftig, ‘welker leden zich verbinden tot inteekening op door De Zilverdistel uit te geven Nederlandsche werken’. Dat deed men dan voor minimaal twee jaar, om zo de pers een beetje financiële zekerheid te geven.

Leden waren behalve boekhandelaren als Scheltema & Holkema en Meijer – die de boeken waarschijnlijk doorverkochten aan particulieren – ook bekende kunstenaars als R.N. Roland Holst en Rie Cramer. Verder staat op de lijst W.A. Engelbrecht, die firmant was van een cargadoorsbedrijf in Rotterdam maar daarnaast bibliofiel. Hij nam niet alleen als lid van de Vereeniging der Vijftig de uitgaven af van de Zilverdistel, maar steunde de pers ook financieel.

Deze havenbaron was zelf niet zozeer verzamelaar van private press-uitgaven, maar veeleer van oude atlassen, reisbeschrijvingen en -journalen. Die verzameling had in 1931 een brand en in 1953 de watersnoodramp te verduren gehad. Toch kon de collectie na zijn dood in 1965 op maar liefst drie miljoen gulden getaxeerd worden.

Een andere vroege vereniging is de Vereeniging Joan Blaeu, opgericht in 1916. De groep ontstond als reactie op de uitgave van een boek over grafische kunsten in Nederland, dat in een beperkte oplage een groot enthousiasme had veroorzaakt. De oprichters kwamen uit diverse richtingen, er zaten uitgevers bij zoals C.A.J. van Dishoeck, schrijvers zoals P.C. Boutens, kunstenaars als Jan Veth en later R.N. Roland Holst, maar ook verzamelaars, zoals D. Scheurleer. Doel was het opwekken van belangstelling voor mooi verzorgde boeken, door de leden bijzondere boeken aan te bieden.

In het eerste jaar slaagde de vereniging erin om honderd leden te werven. Nog meer dichters en uitgevers werden lid, ook de ‘private presses’. Het hoogst behaalde aantal was tweehonderd leden. Na 1921 zakte de vereniging een beetje in en in 1931 waren er nog maar 49 leden. De vereniging maakte uiteindelijk slechts vier boekjes en één tentoonstelling, met bijbehorende catalogus. Een van die boeken was een tweedelige uitgave van Bredero’s gedichten in 250 exemplaren, die ook buiten de leden om werden verkocht. Maar dit deel werd door kenners afgekraakt.

In 1938 werd de Vereeniging Joan Blaeu opgeheven en in datzelfde jaar ging de Nederlandsche Vereeniging voor Druk- en Boekkunst van start. Doel was het uitgeven van typografisch mooi verzorgde werken en het samenbrengen van belangstellenden daarvoor. De vereniging slaagde erin zo’n 250 leden te werven. Zij droegen jaarlijks f. 15,- af . In 1961 was de vereniging op sterven na dood, maar in 1995 werd ze weer nieuw leven ingeblazen.

Ook deze vereniging was productief, dat wil zeggen dat er iets gemaakt werd, dat vervolgens in de boekenkasten van de leden terecht kwam. Je zou het ook kunnen omschrijven als een ‘abonnement’ dat de leden hadden op nieuw te verschijnen drukwerk. In 1955 wilde de vereniging een ledenwerfactie opzetten, onder andere op scholen. Het idee was jongeren te interesseren voor het mooie boek, daarom konden jongeren al voor f. 4,- lid worden. Het is niet duidelijk of de ledenwerfactie is uitgevoerd.

Nog zo’n ‘productieve’ vereniging is Stichting De Roos (vanaf 1945), die voor 175 leden twee à drie uitgaven per jaar maakte. Bestuur en leden ontmoeten elkaar bij de ‘Rooslunches’ die tegenwoordig eens in de twee jaar worden georganiseerd. Van de drie oprichters waren er twee zelf verzamelaars van bibliofiele boeken en grafiek: Chris Leeflang en G.M. (‘Bep’) van Wees. De laatstgenoemde was eveneens lid van de Nederlandsche Ex-libris Kring.

De belangstelling na de oorlog voor het werk van de Stichting was overweldigend. ‘De bestaande boekenhonger uitte zich blijkbaar ook op deze wijze – goede boeken waren schaars en hier zag men een kans ze te bemachtigen’. Er was zelfs enige tijd een wachtlijst. Dat gewone boeken er vanwege de papierschaarste slecht en armoedig uitzagen, zal meegespeeld hebben bij de belangstelling. De huidige ledenlijst omvat merendeels gewone ‘particuliere’ bibliofielen, waarvan er enkele in België wonen. Ook professionelen uit het boekenvak en instellingen zoals bibliotheken zijn lid.

Van heel andere aard is het Genootschap voor Tegennatuurlijke letteren, een literaire sociëteit die werd opgericht in Nijmegen en waarvan naast coryfeeën als (eertijds) Johan Polak en Robert Long ook onder meer enkele eigenaars van ‘private presses’ lid zijn of waren. Die drukpers-leden hebben gezamenlijk hun uitgaven in 1987 geëxposeerd: Ger Kleis, Ton Leenhouts, Johan Polak, David Simaleavich, Paul Snijders en G.M. van Wees. Onder het imprint ‘Amor Vincit’ zijn door het Genootschap zelf enkele boekjes uitgegeven. Kenmerk van de club is de belangstelling voor homoseksualiteit.

De laatste jaren is het Nederlands Genootschap van Bibliofielen het meest opvallende gezelschap, maar de belangstelling van de circa 150 leden gaat, op enkele uitzonderingen na, vooral uit naar het oude boek. In het Jaarboek van het Nederlands Genootschap van Bibliofielen, dat sinds 1992 verschijnt, is weinig aandacht voor ‘private presses’.

Verzamelclubs gericht op één enkele auteur hebben dikwijls een bibliofiel randje, zoals de actieve club van mensen die werk van en over Boudewijn Büch verzamelen. Dat hangt samen met de hoeveelheid bibliofiele drukjes die van het werk van zo’n auteur bestaan. Bij Boudewijn Büch is die hoeveelheid zeer groot.

Naast Boudewijn Büch heeft ook Gerard Reve actieve verzamelaars, die behalve in bibliofiele uitgaven en roofdrukken ook geïnteresseerd zijn in stukjes teennagel en andere parafernalia van de grote schrijver. Reve zelf stuurde vaak in zijn brieven wat haar of een stukje nagel mee. Reve-verzamelaars zijn verenigd in onder meer het Gerard Reve Genootschap. De Büchianen, die opgesplitst zijn in The Blue Poet Society en ‘Büchmania’, zijn bereid de verre reizen die hun verzamelobject maakte, over te doen en bewaren op dvd’s zelfs de Lassierijst-televisiereclames waarin Büch figureerde.

Particuliere verzamelaars: de auteurs

Waren de particuliere verzamelaars begin negentiende eeuw nog vooral op zoek naar oude boeken en handschriften, ten tijde van de Tachtigers groeide de belangstelling voor unieke en bijzondere exemplaren. Het zijn de schrijvers zélf die zich inspannen om van hun werk een mooi en ‘allerindividueelst’ boek te maken. Zij zijn zelf ook liefhebber van mooie boeken, en zulks niet noodzakelijkerwijs in verenigingsverband. Zo had Willem Kloos een voor die tijd spectaculaire bibliotheek van ongeveer 17.000 titels. Daaronder bevonden zich prachtige geïllustreerde werken van en over negentiende-eeuwse dichters, zoals de door T. Nieuwenhuis ‘vercierde’ tweede druk van de Gedichten van Jacques Perk. Ook Henriette Roland Holst verzamelde bibliofiele boeken, ze had er althans een vijftigtal in haar bezit.

Schrijvers zijn, als je het hele spectrum van boekenliefhebbers van de afgelopen honderd jaar bekijkt, een opvallende categorie bibliofiele verzamelaars. Schrijvers zijn liefhebbers én belanghebbenden. Soms staan zij aan de basis van een private press, zoals bij De Zilverdistel. Onder de grote verzamelaars tref je altijd enkele schrijvers aan. In de tegenwoordige tijd valt te denken aan bibliofielen als Gerrit Komrij, die daarover eens een paar krasse uitspraken deed: ‘De bibliofiel is een veelvraat, een slokop, een ordinaire opstapelaar. Boeken zijn voor hem geen doel maar een middel. Een middel om zich, in een mantel van beschaving, te gedragen als een wilde die met een pijl en boog door het oerwoud rent om hitsig alles neer te leggen wat hem voor de voeten loopt’. Komrij heeft met Sub Signo Libelli, de pers van Ger Kleis, vele uitgaven tot stand gebracht. Bijvoorbeeld door op bestelling een cyclus ‘homoseksuele gedichten’ te schrijven.

De schrijvers die aan de wieg stonden van De Zilverdistel, waren zoals gezegd zelf verzamelaars. P.N. van Eyck bijvoorbeeld had behalve uiteraard de Zilverdistels, de complete Palladiumreeks, bovendien in onberispelijke staat. Ook bezat hij enkele reeksen van A.A.M. Stols. In 1972 - hij was toen al achttien jaar dood - werd zijn bibliotheek geveild bij veilinghuis J.L. Beijers. Hoe groot de bibliotheek van dichter en criticus Greshoff was, is niet bekend, maar hij afficheerde zich aanvankelijk nadrukkelijk als bibliofiel en publiceerde regelmatig over bibliofiele onderwerpen. Later schreef hij: ‘Ofschoon ik van de bibliofilie totaal vervreemd ben, belet mij dit niet om tegenover de tollenaren het Schone Boek te verdedigen’.

Ook J.C. Bloem had een aanzienlijke bibliotheek en stond bekend als bibliomaan. Hij was eenvoudigweg verslaafd aan boeken, en kocht meer dan hij kon betalen zodat hij torenhoge schulden had. Net zo hoog wellicht als de stapels boeken in zijn bibliotheek die als geheel, volgens zijn levensgezellin Clara Eggink, oogde als een ‘miniaturen wolkenkrabberstad van boeken’. Uiteraard had hij Palladium en Zilverdistels. Hij gaf ze een speciale behandeling.

Aan Van Eyck schreef hij: ‘Overmorgen breng ik de Doolhof, de Sterren en Uitzichten naar Amsterdam om ze bij Brandt te laten binden. Je zult dan wel zoo goed willen zijn om de dedicaties in Doolhof en Sterren voor mij te willen overschrijven: ik zal ze er uit scheuren om je te laten zien wat er stond’. Ook had Bloem uitgaven van A.A.M. Stols, uit de reeks Trajectum ad Mosam en uit de Halcyon-reeks.

Van later datum zijn bibliofiele uitgaven van de Zondagsdrukkers, de private press van Simon Carmiggelt en Reinold Kuipers. Het lijkt er op dat Bloem zijn bibliofiele uitgaven doorgaans van de betreffende auteurs had gekregen want er staan opdrachten in, van de auteurs aan Bloem. Hij bezat ook diverse boekjes gedrukt voor rekening van E. du Perron.

In de jaren twintig en dertig had de schrijver en criticus Du Perron diverse uitgaven laten drukken bij een Brusselse drukker: privébloemlezingen uit het werk van Slauerhoff, Roland Holst en Jan van Nijlen, onder anderen. Het ging hem niet om de schoonheid maar om de perfectie van de samenstelling, de selectie voor de bloemlezing. ‘Hij vind het gewoon prettig enige boekjes die hij aardig vond aan zijn vrienden te schenken’, zei Jan van Nijlen.

G.H. ’s-Gravesande was net als Greshoff literair criticus en bezat een grote hoeveelheid private press-uitgaven. En ook hij publiceerde graag over zijn hobby, onder meer het boek De herleving van de Nederlandsche boekdrukkunst sedert 1910, dat verscheen in 1925. Zijn hobby, die uitgroeide tot een ware passie, begon nadat hijzelf in 1909 (hij was 27 jaar oud) een gedicht van eigen hand had uitgegeven voor een select gezelschap. In zijn necrologie werd zelfs het woord ‘passie’ nog te licht bevonden en sprak men van ‘een diepe trouw, ja, een liefde die een cultus, een eredienst geleek’.

Hij moet een wonderschone collectie hebben gehad, waaruit hij veel levensvreugde putte: ‘Wat het leven hem aan geluk en vreugde onthield, dat scheen een tekst in de sierlijke, nieuwe letters van de meester-drukkers S.H. de Roos of Jan van Krimpen op smetteloos papier van Van Gelder in een fraaie editie van De Zilverdistel, Palladium, de Kunera Pers, de Trajectum-ad-Mosam- of de Halcyonreeks hem tienvoudig terug te geven’. De collectie ’s-Gravesande werd geveild in 1966 en telde toen circa 4000 titels.

Gerrit Komrij, 2010, door Dolf Verlinden. (Dolf Verlinden)

Gerrit Komrij, 2010, door Dolf Verlinden. (Dolf Verlinden)

Ex-libris van P.N. van Eyck, door Engelina Reitsma-Valença. MM: B 02688. (MM)

Ex-libris van P.N. van Eyck, door Engelina Reitsma-Valença. MM: B 02688. (MM)

J.C. Bloem, maart 1956. LM: B00634IV-036. (KB)

J.C. Bloem, maart 1956. LM: B00634IV-036. (KB)

Particuliere verzamelaars: de mecenassen

Behalve de schrijvers en de grafici was er nog een opvallende categorie liefhebbers en verzamelaars van bibliofiele drukken. Dat waren de well to do liefhebbers/mecenassen zoals W.A. Engelbrecht, Paul May, M.R. Radermacher Schorer, Bob Nijkerk, E. van der Borch van Verwolde en Johan Polak – en nog enkele anderen die niet in de openbaarheid zijn getreden. Het ging, en gaat, om mensen, veelal mannen, met een goed gevulde portemonnee die zich graag met cultuur omgaven. Tegenwoordig tellen rijke Nederlanders een fortuin neer voor een plaats in de skybox van een voetbalstadion, maar dat was in de decennia vlak voor en vlak na de Tweede Wereldoorlog wel anders. Toen spendeerden deze geluksvogels niet zelden hun geld aan boeken.

Niet alle private press-uitgaven zijn duur, maar Zilverdistels zijn dat wel. Ze kosten inmiddels tussen de 500 en 1000 euro. Uitgaven van Stichting De Roos kunnen ook prijzig zijn. Uitgever Stols, een van de grootste en een van de – al klinkt het bijna als een contradictie – meest commerciële ‘private presses’, had dat goed gezien toen hij een van zijn reeksen ‘To the happy few’ noemde. Wie waren deze happy few?

Over Paul May is niet veel bekend. Deze bankier bij van Lippmann, Rosenthal & Co in Amsterdam investeerde in de Heuvelpers en moet een groot liefhebber van bibliofiel drukwerk zijn geweest. Hij pleegde op 15 mei 1940 samen met zijn vrouw zelfmoord. Zijn boekenverzameling, waaronder niet alleen moderne bibliofilie zoals de Kelmscott Press, de Heuvelpers, de Bremer Presse en De Zilverdistel, maar ook veel achttiende-eeuwse boeken, werd in 1940 getaxeerd op ruim 63.000 gulden, voor die tijd een fors bedrag. De collectie werd geveild in Zwitserland, pas jaren na zijn dood.

M.R. Radermacher Schorer was directeur van een brandverzekeringsbedrijf en daarnaast ‘bibliophiel’. In zijn Utrechtse woning had hij vier ‘bibliotheekkamers’ voor zijn circa 10.000 boeken. Hij had ze (Johan Polak deed dat later ook) op formaat ingedeeld, met een ladder tegen de kasten zodat hij ook bij de bovenste plank kon. Radermacher Schorer ging de geschiedenis in als een invloedrijk mecenas. Hij hield in zijn Utrechtse woning een ‘salon’ aan huis en nodigde daar kunstenaarsvrienden zoals Charley Toorop, Jan Engelman en anderen voor uit.

In 1947 probeerde hij, geïnspireerd door Zwitserse bibliofielen, de handen ineen te slaan om de Nederlandse liefhebbers van het schone boek te verenigen. Een groot verzamelaar dus, maar zelf zag hij dat anders. ‘Kijk, ik ben geen verzamelaar’, zei hij. ‘Ik loop niet het vuur uit mijn sloffen voor een eerste druk en ik ben niet bereid daar overdreven prijzen voor te betalen, al geef ik toe dat soms een eerste druk de sfeer van de tijd onnavolgbaar uitdrukt’, legde hij in 1949 uit aan de lezers van De groene Amsterdammer. Hij gaf niet alleen geld aan armlastige kunstenaars, maar adviseerde ook hoe ermee om te gaan. Zo beheerde hij voor J.C. Bloem bijvoorbeeld het geld dat hem in de vorm van de Constantijn Huygensprijs was overgemaakt.

Radermacher Schorers passie voor private press-uitgaven moet ook als een vorm van mecenaat worden gezien. Door de uitgaven te kopen, meestal direct van de uitgever, kunstenaar of typograaf, steunde hij de drukkers en de schrijvers. Hij kreeg overigens ook boeken cadeau van A.A.M. Stols. Voor Radermacher Schorer waren de ‘private presses’ broedplaatsen van typografische vernieuwingen en verdienden ze daarom zijn volle steun. ‘Hier worden de proeven genomen, hier worden experimenten gewaagd’, zei hij en hij vergeleek de bibliofiele drukkerijen met ‘laboratoria’. Daarbij waren zijn aankopen een manier om in contact te blijven met mensen die hem boeiden: ‘Door de vorming van mijn uitgebreide boekenschat, waarin ook de allerjongsten een plaats hebben verworven, maakte ik met velen kennis’. Hij kocht dus ruimhartig aan, gemiddeld zo’n 300 uitgaven per jaar die hij overigens als een amateur-bibliothecaris zorgvuldig administreerde én (wat tegenwoordig geen bibliofiele eigenschap meer is) met signatuurstickers beplakte.

Omgerekend in geld komt de aanwas van zijn collectie neer op een jaarlijkse besteding van 2500 gulden in een tijd dat de gulden nog zeven keer zoveel waard was als de euro nu. Met een mathematische precisie probeerde hij volledigheid na te streven. Een groot deel van zijn collectie is via de Koninklijke Bibliotheek in Museum Meermanno beland. Hij wierp zich ook op als adviseur van A.M. Hammacher die voor het Museum Kröller-Müller een bibliotheek met bibliofiele uitgaven wilde inrichten. Dat plan is niet verwezenlijkt. Evenmin uitgevoerd werden Radermacher Schorers plannen voor de vereniging ‘Het Schone Boek’.

Toevallig werd Emile baron van der Borch van Verwolde geboren in het jaar dat de Zilverdistel van start ging; een groot boekenverzamelaar was hij zeker, vooral van bibliofiele uitgaven. Bibliofilie zat in de familie, ook zijn oom M.P. Voûte was een geducht verzamelaar zij het meer om de inhoud dan om de vorm. De jonge Emile had private press-uitgaven als verzamelgebied, en spendeerde daar al zijn geld aan. Hij was rechtenstudent en had niet veel te verteren, maar hij kocht vrijwel alles wat A.A. M. Stols uitgaf.

Op 9 oktober1931 berichtte Stols aan John Buckland Wright dat ‘ene Emile baron.. enz 30 exx van Rimbaud wil laten drukken (2 verzen)’. Hij was ‘very rich and enthousiastic’, schreef Stols. ‘We shall have to lead him with care’. De moeder van Emile vond achteraf dat ze dat niet goed genoeg gedaan hadden. Ze hadden drukwerk geleverd, en op krediet afspraken gemaakt, voor geld dat de jongen nog niet had. Zijn rekeningen over 1931 en 1932 tonen aan dat de toen amper 21-jarige Emile bij Stols meer uitgaf dan het jaarinkomen van een geschoold vakman.

Zijn maandgeld was bij lange na niet toereikend, maar hij beschikte nog wel over een legaat van zijn grootvader. Hij liet zijn aankopen door Elias P. van Bommel fraai in leer binden. Een Swinburne-uitgave, Dolores, heeft zijn moeder uiteindelijk opgekocht; Emile had zoveel schulden dat hij onder curatele werd gesteld. Hij ging bij Stols als volontair aan de slag – dat moet wel een beetje de kat op het spek binden zijn geweest. In 1940 studeerde hij alsnog af. In de oorlog nam hij deel aan verzetsactiviteiten, werd verraden en gefusilleerd in 1943. Zijn moeder stierf in 1966, waarna alsnog de laatste Swinburne-exemplaren op de markt kwamen.

Ex-libris van Paul May, door L.W.R. Wenckebach. MM: V 00557. (MM)

Ex-libris van Paul May, door L.W.R. Wenckebach. MM: V 00557. (MM)

M.R. Radermacher Schorer, 1946, door Nico Jesse. (Nederlands Fotomuseum, Rotterdam)

M.R. Radermacher Schorer, 1946, door Nico Jesse. (Nederlands Fotomuseum, Rotterdam)

Ex-libris van Emile van der Borch van Verwolde door J. Buckland Wright en A.A.M. Stols. MM: SA 07057. (MM)

Ex-libris van Emile van der Borch van Verwolde door J. Buckland Wright en A.A.M. Stols. MM: SA 07057. (MM)

Johan Polak en M.B.B. Nijkerk

Ook uitgever Johan Polak (1928-1992) kreeg steun van zijn moeder, met wie hij nog samenleefde toen hij al lang volwassen was. Naar eigen zeggen had hij op zeer jonge leeftijd lezen geleerd en was hij daardoor zo vol eerbied voor het boek. De firma Polak-Schwarz had voor de oorlog een fabriek voor geur- en smaakstoffen en doordat directeur Dolf Schwartz als ‘chemisch genie’ in staat was kunstsuiker te maken, werden sommige familieleden door bijzondere maatregelen behoed voor deportatie naar een Duits concentratiekamp. Niettemin werden verschillende familieleden gearresteerd of geïnterneerd of moesten sommige van hen onderduiken.

Johan Polak werd dankzij het familieaandeel in de fabriek in 1961 op 33-jarige leeftijd miljonair. Daarvoor had hij stage gelopen bij uitgever Geert van Oorschot, wiens gelijknamige uitgeverij bekend staat om haar esthetisch verzorgde fonds, en studeerde hij klassieke talen. Zijn geld ging op aan boeken.

‘Zijn bibliotheek’, zo formuleerde biograaf Möller het fraai, ‘was niet alleen burcht tegen de buitenwereld, maar vooral ook altaar waarop hij zijn eigen “literaire” eucharistie placht te vieren’. Anderen mochten de bibliotheek niet betreden. Voor Polak zat de essentie van zijn bibliofilie in het dichterbij halen van de geest van de dichter: door de boeken aan te raken en omhoog te houden kon hij die geest, tot troost van zichzelf, even aanwezig maken. Wie de boeken wilde zien, moest schone handen hebben en zijn schoenen uitdoen – zo kon hij de boeken onbezoedeld en geheiligd laten.

Eenzelfde soort gedrag kenmerkte ook de baron van Westreenen, de vroegnegentiende-eeuwse verzamelaar die de basis legde voor het Museum Meermanno in Den Haag: hij verplichtte zijn gasten ‘eerst splinternieuwe kamerjaponnen over hunne kleeding en splinternieuwe muilen over hun schoeisel’ aan te trekken, alvorens zij de boeken mochten bekijken.

Een bibliotheek is voor de verzamelaar wat een kerk is voor de vromen. Dat is kennelijk een vrij algemeen gevoelen bij verzamelingen: in de Hermitage in Sint Petersburg was het nog tot eind negentiende eeuw de gewoonte dat heren een witte stropdas omdeden alvorens naar binnen te gaan. Nederlandse televisiekijkers bewaren levendige herinneringen aan de optredens van Boudewijn Büch, die met witte handschoenen aan bijzondere boeken tevoorschijn haalde. Kenners menen overigens dat het beter is een kwetsbaar boek zónder handschoenen aan te pakken.

Er is nog een overeenkomst met de baron. Net als deze verzamelde Johan Polak meer dan alleen boeken: ook Egyptische kunstvoorwerpen, oude meesters en hedendaagse kunst. Hij had een zwak voor uitgaven van de dichter Leopold, die net als hij classicus was. Polak kocht verschillende sets aan van de gedichten van Leopold die waren uitgegeven door De Zilverdistel en de Kunera Pers, Cheops en Oostersch. Deze uitgaven waren bijzonder geliefd bij verzamelaars. Uit de sterfkamer van Leopold werd nota bene een exemplaar van Oostersch ontvreemd.

Behalve voor de boeken van de Zilverdistel, Palladium, Nypels en Stols had Polak een zwak voor de private press van Ger Kleis (Sub Signo Libelli) en die van Jaap Meijer. Hij kocht niet alleen de uitgaven zelf, maar als er een prospectus van bestond en in de handel kwam, kocht hij die ook. In zijn bibliotheken waren de boeken deels op formaat en serie gerangschikt, zodat het geheel een strakke aanblik bood.

Na zijn dood in 1992 werd een deel van de boeken van Polak geveild bij veilinghuis Beijers in Utrecht. Toen bleek dat hij niet alleen talrijke private press-uitgaven bezat, waaronder Zilverdistels, Palladiumdeeltjes, veel van Stols, maar ook 49 uitgaven van de belangrijke Venetiaanse drukker Aldus Manutius en vier incunabelen. De verzameling bracht meer dan twee miljoen gulden op. Sindsdien kwamen in golven nieuwe delen uit de collectie op de markt, bijvoorbeeld de vele luxe uitgaven die Polak van het werk van de dichter Boutens verzamelde.

Een van de Leopold-handschriften in Polaks bezit was oorspronkelijk van een andere verzamelaar geweest. M.B.B. Nijkerk ruilde het handschrift met Polak tegen een exemplaar van het zeldzame Naenia van P.C. Boutens, dat Nijkerk wilde hebben (zoon Karel Nijkerk schonk het in 2005 aan Museum Meermanno).

De verzameling van Bob Nijkerk (1894-1987), een metaalhandelaar, was legendarisch. Hij had een

zwak voor de uitgaven van A.A.M. Stols die hij in complete reeksen bijeenbracht. Verder bezat hij de uitgaven van de Kunera Pers, de Zilverdistel, Folemprise en Palladium, kortom het puikje van de bibliofiele persen. Daarnaast verzamelde hij de meer moderne ‘private presses’, zoals Sub Signo Libelli en de Eliance Pers. Zoals zoveel verzamelaars liet hij enkele fraaie ex-libris vervaardigen, onder anderen door de graficus John Buckland Wright. Voor dergelijke ex-librissen bestaat overigens ook weer een verzamelcircuit.

Nijkerk heeft in een niet uitgegeven lezing onthuld hoe hij tot verzamelen gekomen was. Toen hij als jongeling verzeild raakte in een discussie met leeftijdgenoten over volksverheffing, wansmaak en massaproductie, kwam het gesprek op het belang van het uiterlijk voor de beleving van het innerlijk van boeken. Een van de discussianten had hem aangestoten en gezegd: is dat niet wat voor jou, bibliofiele boeken. Dit omdat bekend was dat de familie Nijkerk ‘well to do’ was. ‘Góéd’, zei Nijkerk: ‘Ik ben aan het verzamelen geslagen, éérst natuurlijk, zoals élke verzamelaar, op de verkéérde manier, denkende dat ik, snuffelende bij de boekenstalletjes, wel wat vínden zou; maar al doende heb ik geleerd, dat dít de manier niet was’.

Wat wel een manier was, kun je omschrijven als het opbouwen van een netwerk. Nijkerk kende iedereen in het wereldje en investeerde flink in zijn dure hobby. In 1935 zette hij samen met Stols en Greshoff een nieuwe reeks op, ‘Ursa minor’. Hij kocht voor Stols zelfs een set Fleischman-matrijzen afkomstig van de prestigieuze Parijse Societé des Bibliophiles François, voor 750 gulden. Als hij de boeken niet kocht bij een winkel of uitgever, dan liet hij ze wel zelf maken.

Zoals wel meer verzamelaars hechtte ook Nijkerk eraan zijn verzameling in kaart te brengen. Hij besteedde dit karwei uit aan Rien Marsman, de echtgenote van dichter H. Marsman met wie de Nijkerks goed bevriend waren. Zij verdiende daar f. 0.75 per uur mee, een honorarium dat het slechtbehuisde dichtersgezin goed kon gebruiken. Terwijl Rien aan de keukentafel de boeken aan het beschrijven was, zat de dichter boven in de kinderkamer aan zijn poëzie te werken. Of bibliofilie erfelijk is, staat niet vast maar het is een feit dat Karel Nijkerk, de zoon van Bob, ook verzamelde. De collectie van zijn vader ging overigens over naar het Stedelijk Museum in Amsterdam en naar Museum Meermanno.

Johan Polak, oktober 1989, door Rik H.J. van Dam. (KB)

Johan Polak, oktober 1989, door Rik H.J. van Dam. (KB)

Ex-libris M.B.B. Nijkerk, door John Buckland Wright

Ex-libris M.B.B. Nijkerk, door John Buckland Wright

Andere verzamelaars

Een bijzondere collectie was die van bibliograaf Dirk de Jong (1910-1973), wiens naslagwerk Het vrije boek in onvrije tijd over clandestiene uitgaven uit de Tweede Wereldoorlog deels gebaseerd werd op zijn eigen collectie. ‘De honderden ondergrondse prenten, tijdschriften en boeken’ die hij tijdens de oorlog verzamelde, ‘stonden in zijn huis in het Haagse Bezuidenhout open en bloot in de boekenkast’ en overleefden twee bombardementen. Eerst werd op 1 maart 1945 de achtergevel van zijn huis getroffen, zoals hij zich herinnerde: ‘Ik heb toen deze collectie, die bedolven was onder puin en kalk, schoongemaakt en in een andere kamer op mijn bureau neergezet. Toen op 3 maart het blok, waarin ik woonde, geheel verdween, stond boven op de berg puin van ongeveer 13 meter... mijn bureau met deze collectie op keurige stapeltjes, alsof er niets gebeurd was. En het geheel werd tegen plunderaars beschermd door twee S.S.-ers’. Zijn collectie is nu onderdeel van de bibliotheek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde in Leiden.

Boudewijn Büch (1948-2002), die veel enthousiasme tentoonspreidde voor de uitgaven van Sub Signo Libelli en die in 1982 de eerste televisiereportage maakte over bibliofilie in Nederland, had blijkens de veilingscatalogus van die pers ook toen hij stierf nog enkele uitgaven in zijn bezit. Ook resteerden er uitgaven van de Avalon Pers, de Klencke Pers, A.A.M. Stols en had hij één Zilverdistel (Novalis). Op zijn totale bezit van meer dan 100.000 boeken lijken de private press-uitgaven een erg klein deel uitgemaakt te hebben, maar al tijdens zijn leven verkocht Büch zijn bibliofiele collectie aan antiquariaat Aenigma, enkele jaren nadat boekbinder David Simaleavich hetzelfde had gedaan.

Büch lijkt meer een passie voor bibliotheken te hebben gehad en omdat die altijd gesloten zijn als je ze nodig hebt, was hij er zelf een begonnen. ‘Wat ik in de loop der decennia heb samengebracht, kan een eclectische verzameling worden genoemd’, ‘een hoeveelheid boeken, kunst en andersoortige artefacten die ontstaan is vanuit mijn eigen nieuwsgierigheid’. Büch onthulde ook dat hij niet zelf naar veilingen ging, maar ‘agenten’ naar een veiling stuurde omdat de prijzen omhoog gingen als hij zelf ging bieden. Büch was veeleer bibliomaan dan bibliofiel.

Wie mocht denken dat fanatieke verzamelaars wel altijd gefortuneerde mensen zullen zijn, heeft het mis. Nol Sanders van boekwinkel Minotaurus vertelt dat hij niet de indruk heeft dat zijn klanten per definitie puissant rijk zijn: ‘Een echtpaar uit het oosten des lands komt regelmatig iets kopen. Hij werkt bij TNT, ze moeten er echt voor sparen,’ zo geeft hij als voorbeeld.

Recent verschenen bibliofiel drukwerk is inderdaad goed betaalbaar, maar wie gaat verzamelen en het jachtinstinct heeft geactiveerd zal wel dieper in de buidel moeten tasten. Een oorspronkelijke oplossing voor dit probleem werd door Simaleavich bedacht: als boekbinder werkte hij voor bijna alle moderne Nederlandse persen en hij vroeg (in ruil voor een lagere rekening) voor zijn collectie van elke uitgave een exemplaar in de verschillende uitvoeringen: gebrocheerd, gebonden en luxe gebonden. Zijn verkoopcatalogus bevatte uitgaven van Sub Signo Libelli, de Regulierenpers, In de Bonnefant, de Literaire loodgieters, AMO, Ser J.L. Prop en andere drukkers.

Handelaren die zich speciaal richten op het private press-boek zijn vaak verzamelaars, zoals Steven A. Bakker van Antiquariaat De Zilverdistel, en ook de drukkers zelf zijn veelal verzamelaars. Van Royen bezat een rijke bibliotheek met Engelse, Amerikaanse en Duitse uitgaven: Kelmscott Press, Vale Press, Doves Press, Eragny Press, Ashendene Press, Woolly Whale, Bremer Presse, Janus Pesse. De collectie is nu verspreid onder nazaten en deels geveild.

Ook een contemporaine ‘margedrukker’, zoals Hans van Eijk (In de Bonnefant) manifesteert zich als verzamelaar. Van Eijk legde een collectie Nonesuch Press, Rampant Lions Press en bovenal Officina Bodoni aan. Hij is een van de Nederlandse leden van de internationale Private Libraries Association.

Binnen de gelederen van het Nederlands Genootschap van Bibliofielen zijn slechts enkele verzamelaars van private press-boeken actief, zoals Jaap Schipper, drukker van de Statenhofpers, die een brede collectie internationale private press-boeken heeft verzameld.

Lid is ook Adri K. Offenberg, die jarenlang werkte voor de Bibliotheca Rosenthaliana van de Amsterdamse Universiteitsbibliotheek en later consultant was bij de British Library. Hij bezit het complete werk van een collega van de universiteit, drukker Jaap Meijer, en bovendien representatieve selecties van uitgaven van de Bayard Pers, Carlinapers, Eliance Pers, Mercator Press, Sub Signo Libelli en de Tuinwijkpers.

Verkoop, handel en distributie

Een in bibliofiel drukwerk geïnteresseerde Nederlander kan in een Selexyz boekwinkel lang maar tevergeefs zoeken naar ‘fine printing’. Dat wordt daar niet verkocht. Een enkele uitzondering daargelaten zijn de uitgaven van ‘private presses’ niet te koop bij reguliere boekhandels. Men moet ervoor naar beurzen, naar speciale winkels, naar antiquariaten of internetadressen.

Zo’n speciale winkel is Minotaurus, gevestigd in de Amsterdamse Sint Antoniesbreestraat. De winkel is volgens een van de oprichters, Nol Sanders, in Nederland enig in zijn soort. Al ruim twintig jaar neemt hij drukwerk van ‘private presses’ in consignatie; de winkel is vijf middagen per week geopend. Het is een vorm van hobbyisme, want van de anderhalve klant per dag die gemiddeld de winkel betreedt, kan hij natuurlijk niet leven.

Wat zijn dat voor klanten? Op die vraag kan Sanders geen eenduidig antwoord geven. Het zijn meestal mannen, maar er zit ook wel eens een vrouw tussen, meestal wat ouder, maar de jonge acteur Roef Ragas behoorde ook tot zijn clientèle. Vaak zijn mensen die het werk van ‘private presses’ kopen, zelf ook in de weer met een eigen pers. Men treft elkaar op beurzen maar bijvoorbeeld ook op de vriendendag van Museum Meermanno. Verzamelaars hoeven niet naar de winkel in Amsterdam, ze kunnen dikwijls ook bij de drukkers zelf terecht.

Veel ‘private presses’ zijn aangesloten bij de Stichting Drukwerk in de Marge, die gezamenlijk activiteiten onderneemt onder meer om de verkoop van het drukwerk te bevorderen. Via het stichtings-Bulletin en de Nieuwsbrief worden zulke uitgaven aangekondigd en gedistribueerd. De Stichting is vertegenwoordigd op beurzen en tentoonstellingen. Daar kunnen de bibliofiele uitgaven onder de aandacht van een geïnteresseerd publiek worden gebracht. Zo is de Stichting aanwezig op het Small Press Festival in Utrecht, bij Poetry International en ook was de Stichting in de beginjaren aanwezig op de Frankfurter Buchmessse. In 1979 organiseerde de Stichting een eigen markt en op 22 augustus 1981 was er zelfs in het warenhuis De Bijenkorf in Den Haag een margemarkt. Met De Bijenkorf was de stichting erin geslaagd een laagdrempelige verkoopplaats te realiseren.

In de jaren tachtig waren er met grote regelmaat verkoopbeurzen en margemarkten, wel zo’n vijf per jaar. Ernst Braches verbond daar deze conclusie aan± ‘In de loop van de jaren bleek dat de kopersvoorkeur op de manifestaties en margemarkten niet zozeer uitging naar het typische produkt van de minipresse (het snel geproduceerde alternatieve produkt), maar veeleer naar het steeds meer verzorgde werkresultaat van de typografische margedrukkers’. Hij bedoelde dat het activistische drukwerk minder in trek was bij de kopers dan het bibliofiele.

Ger Kleis van Sub Signo Libelli heeft de ‘private presses’ commerciëler zien worden: ‘De handel is er ongemerkt in geslopen. Er zijn verzamelaars die koste wat het kost alles willen hebben, je ziet dat met name bij drukken van reguliere Nederlandse schrijvers. Dat geeft een kleur die niet altijd even plezierig is. Er komt ruzie van. Anderzijds: je moet het wél hebben van de verzamelaars’. Bij Sub Signo Libelli was het de gewoonte dat voor het gereedkomen van een nieuwe uitgave een ‘vernissage’ werd georganiseerd waar auteur, illustrator, vertaler, binder en geïnteresseerden bij elkaar kwamen in een collectieve ‘verheerlijking van het boek’.

Uiteraard is het mogelijk om private press-uitgaven op veilingen aan te schaffen waar ze meestal onder een aparte categorie ‘fine printing’ zijn samengebracht. Tegenwoordig zijn de Zilverdistels zo duur dat ze doorgaans stuk voor stuk geveild worden. In 1972 werd bij veilinghuis Beijers de bibliotheek van P.N. van Eyck geveild. Uiteraard bezat hij een fraaie verzameling ‘fine printing’ en ook zestien Zilverdistels: de complete reeks. De veilingmeester wilde de deeltjes stuk voor stuk inzetten, toen Bob Nijkerk in de zaal opstond en daartegen protesteerde. Hij vond dat de Zilverdistels en bloc verkocht moesten worden, omdat ze ook zo verzameld waren. In de zaal ontstond rumoer want men was het niet met hem eens. Zo zei verzamelaar Henri Dirkx dat het juist goed was dat andere verzamelaars hun eigen collectie Zilverdistels met de losse delen konden aanvullen. Naar het margedrukwerk van na de oorlog was in de jaren tachtig veel vraag, maar de hausse schijnt inmiddels voorbij te zijn en de prijzen zijn genormaliseerd.

Nieuwsbrief Stichting Drukwerk in de Marge (1977), 2, voorzijde. MM: T 084. (MM)

Nieuwsbrief Stichting Drukwerk in de Marge (1977), 2, voorzijde. MM: T 084. (MM)

Nieuwsbrief Stichting Drukwerk in de Marge, (2002) 101, omslag gedrukt door Alex Barbaix (Pastei). MM: T 084. (MM)

Nieuwsbrief Stichting Drukwerk in de Marge, (2002) 101, omslag gedrukt door Alex Barbaix (Pastei). MM: T 084. (MM)

Nieuwsbrief Stichting Drukwerk in de Marge, (2003), 105, omslag gedrukt door Frans de Jong en Martijn van de Griendt. MM: T 084. (MM)

Nieuwsbrief Stichting Drukwerk in de Marge, (2003), 105, omslag gedrukt door Frans de Jong en Martijn van de Griendt. MM: T 084. (MM)

Nieuwsbrief Stichting Drukwerk in de Marge, (2007), 119, omslag gedrukt door Tineke Zaadnoordijk. MM: T 084. (MM)

Nieuwsbrief Stichting Drukwerk in de Marge, (2007), 119, omslag gedrukt door Tineke Zaadnoordijk. MM: T 084. (MM)

Nieuwsbrief Stichting Drukwerk in de Marge, (2009), 129, omslag gedrukt door Roel van Dijk (Presse d' Escargot). MM: T 084. (MM)

Nieuwsbrief Stichting Drukwerk in de Marge, (2009), 129, omslag gedrukt door Roel van Dijk (Presse d' Escargot). MM: T 084. (MM)

Prospectussen en catalogi

Verzamelaars kunnen uiteraard ook terecht bij een antiquariaat. Zo ging de verzamelaar H.W. Bosscha geregeld bij Gijsbers & Van Loon te Arnhem of bij Beijers te Utrecht langs om te vragen naar ‘een dun boekje, met iets bijzonders erin, een opdracht of zo’. De antiquaren kennen hun vaste klanten natuurlijk wel en attenderen hen op exclusieve uitgaven. Sommige antiquariaten gaven zelf opdrachten aan private press-drukkers. Willem Huijer publiceerde zo zeven boekjes. Andere antiquaren hadden de alleenverkoop van bepaalde uitgaven: André Swertz verhandelde de uitgaven van Sub Signo Libelli in de Utrechtse periode van drukker Ger Kleis.

Sommige antiquariaten zijn gespecialiseerd in private press-uitgaven en sturen naar hun vaste klantenkring van tijd tot tijd een catalogus waarin de boeken aantrekkelijk beschreven worden. Fanatieke verzamelaars houden de catalogi goed in de gaten. Een verzamelaarster vertelde hoe het er dan soms aan toegaat als twee mensen op hetzelfde boek in de catalogus hun oog hebben laten vallen: ‘Je wordt razend wanneer je een streek wordt geleverd. Op de Rai-beurs mogen ze bijvoorbeeld niet van tevoren verkopen, wel mag je iets laten vasthouden om het eerst te kunnen bekijken. Ik had van tevoren het antiquariaat gebeld en gezegd: “zodra het opengaat, kom ik het boek bekijken en gelijk kopen.” Het ging om In de[n] keerkring van Boutens. [...] Ik kom aanrennen en die man staat dat boek te verkopen aan iemand anders!’

Sommige antiquariaten staan bekend om de kwaliteit van hun catalogi, die van belangwekkende bibliografische informatie zijn voorzien. Dat geldt bijvoorbeeld voor de catalogi van de firma Schuhmacher. Antiquariaat Schuhmacher heeft veel private press-uitgaven voorradig, onder meer verworven door de aankoop van complete bibliotheken van schrijvers die zelf ook verzamelaar waren. Halfbroer en -zus Schuhmacher kochten de bibliotheken op van de dichters Jan van Nijlen, Jan Engelman, A. Marja en enkele anderen. ‘Ik vind verkopen van boeken iets dat pas op de tweede plaats komt. In eerste instantie zijn we verzamelaars en willen we alles van een boek afweten’, zei Max Schuhmacher die in 2007 overleed. Wilma Schuhmacher runt de zaak nu.

In Klein uitgeven, een soort catalogus van enkele Nederlandse ‘private presses’, zoals Helikon, Mikado pers, Exponent enzovoort, geeft Theo Gaasbeek de resultaten van een enquête onder de kleine uitgevers. Daaruit komt naar voren dat de kopers van uitgaven van deze persen via direct contact benaderd zijn of via de erkende boekhandel aan hun trekken komen. Private presses maken voorts veel gebruik van directmailacties. Ook gaan de drukkers op beurzen staan, waar ze ‘optreden met eigen werk’ zoals de verkooptentoonstelling wordt genoemd.

Drukwerk in de Marge organiseerde haar eigen Margemarkt, die van 1988 tot en met 1997 in de Koningszaal van Artis gehouden werd. Nol Sanders, een van de initiatiefnemers van de beurs, moest een punt achter het jaarlijkse evenement zetten omdat Artis de huur sterk verhoogde.

Sinds 1999 is er de Leidse Boekkunstbeurs, die de Stichting jaarlijks € 11.000 kost, waarvan een deel terugverdiend wordt door de inkomsten van de standhuur en entreeprijzen. Tijdens die beurs wordt de Puetmannprijs uitgereikt aan een fraaie nieuwe uitgave. De Beurs van Kleine Uitgevers, ontstaan in 1977, heeft een lange adem en bestaat nog steeds. Behalve de verzamelaars kopen daar ook de private press-uitgevers bij elkaar.

Menige verzamelaar ís drukker. Het wereldje is klein. Ger Kleis herinnert zich de sfeer op de eerste margemarkten: ‘Op de boekenmarkten ontmoette je nu ook de verzamelaars. Vaak interessante lieden met wie je in veel gevallen een jarenlange correspondentie onderhield. Wat was het spijtig dat je soms te lezen kreeg, dat hun echtgenotes een halt aan hun verzamelwoede toeriepen. Er waren er zelfs die schriftelijk hun hele particuliere bestaan ontvouwden; voor wie het plezier in onze uitgaven een aangename compensatie voor hun soms alledaags bestaan inhield’.

Deze klanten werden door de drukkers ook rechtstreeks benaderd via de distributie van een prospectus, vanwege de porti voorheen een kostbare zaak, tegenwoordig via e-mail een fluitje van een cent. Sommige prospectussen gaven een getrouw beeld van de aangekondigde uitgave, door lettertype, lay-out en papierkeuze van het boek in het klein over te nemen, of door een specimenpagina toe te voegen, wat bijvoorbeeld bij De Zilverdistel gebeurde.

Voor de Tweede Wereldoorlog werden zulke prospectussen in meerdere talen gedrukt en internationaal verspreid en werd voor de uitgaven vaak geadverteerd in boekminnende tijdschriften. Na de oorlog verschenen pas in de jaren zeventig weer prospectussen, veelal op willekeurige restjes papier gedrukt, soms zelfs eenvoudig getypt en gekopieerd.

Prospectussen die gedrukt worden vóor het boek gereed is, bevatten vaak onjuistheden of valse beloften; vooral de aangekondigde oplagen moeten met een korreltje zout worden genomen. Gedurende de jaren tachtig waren de uitgaven zo populair (vooral van vooraanstaande auteurs), dat een deel van de oplage al vooraf besproken was en de verzamelaar een prospectus ontving met de aantekening van de drukker dat de luxe uitgave ‘reeds uitverkocht’ was. In die tijd werden prospectussen ook naar dagbladen en tijdschriften gestuurd, die nieuwe uitgaven signaleerden. NRC Handelsblad en het tijdschrift Het oog in ’t zeil bespraken die uitgaven vaak ook, vermeldden daarbij het contactadres, leverden bestellingen op en maakten zo soms zelfs een herdruk noodzakelijk: Sub Signo Libelli bracht in 1981 een tweede druk uit van enkele sonnetten van Kloos.

Hoewel prospectussen vaak in grotere oplagen werden gedrukt dan het boek zelf (soms enkele honderden) om in bredere kring als reclame dienst te doen, zijn ze nu zelf ook een verzamelobject geworden. Een bijkomende functie van het prospectus ligt in de mogelijkheid met een handgeschreven opmerking of groet de relatie drukker-klant persoonlijk te onderhouden, wat voor de verkoop nooit slecht geweest kan zijn.

Een typologie van verzamelaars

Volgens antiquaar Max Schuhmacher zijn mensen met het sterrenbeeld ‘Maagd’ allemaal verzamelaars, iets wat hij waarschijnlijk meer intuïtief dan onomstotelijk bewezen achtte. Zo’n typering smaakt naar meer. Is er iets wat de verzamelaars gemeenschappelijk hebben, anders dan hun voorliefde voor private press-uitgaven? Een karakteristiek, een eigenschap of sociale klasse of zoiets? Verschillende psychologen en sociologen hebben daarnaar onderzoek gedaan. Verzamelen is immers op te vatten als een soort instinct.

Socioloog Jaco Berveling heeft alle mogelijke secundaire literatuur over het verzamelen onder de loupe genomen en komt met enkele interessante theorieën. Zo is volgens hem het verzamelen zelfs biologisch te verklaren: het is een relict van een oeroud instinct dat we met eekhoorns en veldmuizen gemeen hebben: hamsteren. Je kunt wel zeggen dat verzamelen in de menselijke genen besloten zit. Daarnaast geeft het kopen van iets wat je mooi vindt een ‘kick’. Je lichaam beloont je met andere woorden door je een lekker gevoel te geven. Dat zoiets door kan schieten in een afwijking is neurologisch vast te stellen. Dwangmatig verzamelen is kortom het gevolg van een afwijking in de hersenen.

Max Schuhmacher had de indruk dat verzamelaars ook graag zelf op zoek gaan naar bibliografische details van hun verworven schatten. ‘De particulier wil zélf zijn vondsten doen, zélf de illusie hebben van “wat ben ik knap”’. Het prototype van de verzamelaar wil zich in een bepaald onderwerp thuis voelen, hij wil een kwestie onder controle krijgen, een bepaald verzamelgebied beheersen. Daarin schuilt, voor een deel, ook het plezier.

Boudewijn Büch zag het als iets strikt persoonlijks: ‘Het bibliofiele boek wordt bij voorkeur niet gelezen, het is een object van liefde en begeerte en uitlenen is al helemaal taboe’.

Voor de mysterieuze H.W. Bosscha, omschreven als een ‘aristocratisch ogende, niet direct rijke vrijgezel’, was de boekenverzameling als een geheime liefde, die hij zelfs voor zijn familie verborgen had weten te houden. Hij hield ondertussen wél van al zijn aankopen een soort journaal bij. In geheimcode schreef hij daar in op wat hij had aangekocht. Hij liet testamentair vastleggen dat zijn collectie na zijn dood anoniem geveild moest worden, hetgeen gebeurde.

Verzamelaar en acteur Roef Ragas (1965-2007) zei: ‘Het klinkt gezwollen maar je kunt er een bepaalde schoonheid bij ervaren’. Hij had vooral veel werk van private press Kickshaws: ‘vuurwerk voor een beperkte groep’ noemde hij die uitgaven. Zijn boekenverzameling was een middel om ‘in je eigen wereldje, de chaos te beheersen’.

De Vlaamse verzamelaar Henri Dirkx zei op zijn vijfenzeventigste verjaardag dat hij als bibliofiel het boek vereerde als een lustobject en dat dit niet zo ver afstond van ‘erotische perversiteit’. Hij gebruikte zijn ‘lustobjecten’ dus ook niet om eruit te lézen. Daarvoor had hij doodgewone goedkope pockets: ‘want je eet toch ook niet van een Delfts bord’.

Volgens Freud, die overigens zelf ook van alles verzamelde, bestaat verzamelen uit een erotische compensatie. Of je nu een hond aanschaft of je met snuifdozen omringt, zo zei hij, ‘every collector is a subsititute for a Don Juan Tenerio’. De bibliofiel als Don Juan?

Boudewijn Büch noemde de liefde voor het boek een ‘tegennatuurlijke vorm van seksualiteit’. Hij vervolgde: ‘Bibliofielen doen het met een boek. Ze beruiken het, strelen het, leggen het een poos op een centrale plaats en werpen er verliefde blikken naar’. Büch verklaarde in ernst dat volgens hem alle bibliofielen, op een paar uitzonderingen na, homoseksueel zijn. ‘Al was het alleen al om het simpele feit dat hetero’s met een gezin zich de aandacht en de financiële aderlatingen niet kunnen permitteren’.

Is de wereld van het bibliofiele boek een ‘nichtenwereld’, zoals Boudewijn Büch het noemde? Hans Hafkamp gaf een opsomming van befaamde homoseksuele boekenliefhebbers, die te denken geeft. Een prototype is de verfijnde estheet uit J.-K. Huysmans’ decadente laatnegentiende-eeuwse roman À rebours (Tegen de keer). Deze Des Esseintes is in het verhaal een verzamelaar van bijzondere bibliofiele uitgaven. Er zijn natuurlijk genoeg heteroseksuele bibliofielen en ook voor bijvoorbeeld de drukkers lijkt de stelling op een enkeling na niet op te gaan. Maar toch. In een tijd dat homoseksualiteit niet openlijk beleden kon worden, waren kleine particuliere uitgaven waarin vrijuit over de herenliefde gespeculeerd kon worden, een passende uitlaatklep. Het blijft dan wel merkwaardig dat dit onder lesbiennes niet gebeurde. Het lijkt er meer op dat dit soort uitgaven kan worden gerekend tot de in het verborgene gedrukte teksten, zoals erotica in het algemeen veelal in kleine oplagen werden geproduceerd.

Ger Kleis geeft als een van de redenen om zijn private press Sub Signo Libelli te beginnen: ‘ik wilde wèl al teksten uitgeven waar ik een band mee had’. Dat waren voor hem ‘decadente’ literatuur of teksten op het gebied van homoseksualiteit. ‘Ik had op dat moment het gevoel dat ik me nooit de mond hoefde te laten snoeren omdat ik altijd nog teksten zou kunnen drukken die ik zou willen uitgeven, en daarbij dacht ik heel duidelijk aan homoseksualiteit’.

We kunnen niet in de toekomst kijken maar het lijkt waarschijnlijk dat de private press-verzamelaars niet in aantal zullen afnemen. Naarmate boeken toegankelijker worden en meer en meer als massaproduct tot ons komen via de boekensupermarkt of digitaal via internet, zal datgene wat zeldzaam is en authentiek steeds meer waardering krijgen. Internet is de grote gelijkmaker en digitalisering ontdoet een boek van zijn authenticiteit. Iets wat handgemaakt is, is niet te vergelijken met een PDF. Verzamelaars van bijzondere boeken, van private press-uitgaven en andere zeldzaamheden zullen wél met groter gemak hun kostbaarheden kunnen bestellen, de drukkers kunnen op internet hun waren etaleren en de liefhebbers vinden elkaar op vriendenpagina’s of blogs zoals het Boudewijn Büchmuseum of Boekengek. Maar voor het overige zal het de private press wel lukken om ‘private’ te blijven. (LK)

Terug naar de indexpagina van de webexpositie Private Press.