Enkele karakteristieke private presses vanaf ca. 1970

Deze pagina is onderdeel van de webexpositie Private Press.

Sinds de jaren zeventig van de twintigste eeuw waren meer dan honderdveertig drukkers in de marge actief en daarbij komen nog minstens enkele tientallen niet bij Drukwerk in de Marge aangesloten kleine drukkers en uitgevers. Uit die veelheid worden, aansluitend op de eerder gegeven typering, acht persen voor het voetlicht gebracht, die de diversiteit van het marginale drukken vertegenwoordigen. Het is een compacte bloemlezing, niet een complete encyclopedie. Veel andere individuele drukkers zijn overigens geportretteerd in tijdschriften, zoals Boekenpost.

Sub Signo Libelli

Als student Nederlandse taal- en letterkunde geïnspireerd door de colleges van de befaamde hoogleraar Hellinga over zetten en drukken in de zeventiende eeuw, kocht Ger Kleis in 1969 een handdegel en wat lettermateriaal met het ideaal om zelf teksten te zetten en te drukken die hij interessant vond en die niet eerder waren verschenen. Vanaf 1974 – inmiddels was hij werkzaam als leraar Nederlands aan het Barlaeus Gymnasium in Amsterdam – beschikte hij daarnaast over twee trapdegelpersen en een handcilinderpers en verschenen de eerste uitgaven onder het aan zestiende- en zeventiende-eeuwse oude drukken herinnerend impressum Sub Signo Libelli (Onder het zegel van de libel). Behalve de persen vergaarde hij in de loop van de jaren een indrukwekkend aantal lettertypen uit bijna vijf eeuwen, met een uitgesproken voorkeur voor de mooiste Nederlandse ontwerpen, zoals de Cancellaresca bastarda en de Romanée van Jan van Krimpen.

Veel boeken werden geïllustreerd met originele grafiek als litho’s en etsen, soms met tekeningen. Snel zou zijn pers, gevestigd in Geesbrug in Drenthe, uitgroeien tot het toonbeeld van de klassieke private press in Nederland. Lettertype, papier, illustratie en de bindwijze zijn uiterst fijnzinnig op elkaar afgestemd, alles in dienst van de tekst. Een fonds van ‘decadente’ literatuur en teksten stond hem voor ogen, met bijzondere aandacht voor homoseksualiteit. Sub Signo Libelli heeft, samen met bijvoorbeeld Jaap Meijer, Ser J.L. Prop en de Avalon Pers, een relatief grote betekenis voor de Nederlandse literatuur.

Kleis bouwde bewust aan een fonds en drukte nieuw werk van Nederlandse literatoren zoals Kees Ouwens, Boudewijn Büch, Frédéric Bastet, Anton Korteweg, Kees Winkler, Maarten Biesheuvel, Tom van Deel, Tom Lanoye, en vooral van Gerrit Komrij die bijvoorbeeld op speciaal verzoek van Kleis tien homo-erotische gedichten schreef die gebundeld verschenen als Capriccio in 1978, gedrukt in 75 exemplaren. Vijftien exemplaren werden voorzien van een ets door Komrij’s levensgezel Charles Hofman.

Maar ook de buitenlandse literatuur had zijn belangstelling. Zo drukte hij in 1982 de Gedichte *van Leopold Andrian en in 1987 Are you in the wintertree *van James Purdy, in een oplage van 65 exemplaren waarvan 16 met een litho van Chris Buursen. ‘Op zoek naar de klassieke perfectie’ heette de tentoonstelling die bij het vijfentwintigjarig bestaan in 1999 in Museum Meermanno aan SSL werd gewijd. Zijn werk werd toen al ruimschoots gewaardeerd: bestemd voor een kleine kring van estheten en verzamelaars brachten sommige uitgaven op veilingen en in antiquariaten nooit vermoede prijzen op.

Gerrit Komrij,Capriccio. Amsterdam, Sub Signo Libelli, 1978, titelpagina en frontispice. MM: SSL 042. (KB: JU)

Gerrit Komrij,*Capriccio. *Amsterdam, Sub Signo Libelli, 1978, titelpagina en frontispice. MM: SSL 042. (KB: JU)

Gerrit Komrij,Capriccio. Amsterdam, Sub Signo Libelli, 1978, documenten uit het drukkersarchief. MM: pp ned Sub Signo Libelli 1977. (KB: JU)

Gerrit Komrij,*Capriccio. *Amsterdam, Sub Signo Libelli, 1978, documenten uit het drukkersarchief. MM: pp ned Sub Signo Libelli 1977. (KB: JU)

Prospectus voor Leopold Andrian,Gedichte. Amsterdam, Sub Signo Libelli, 1982. MM: pp ned Sub Signo Libelli 1982.03. (KB)

Prospectus voor Leopold Andrian,*Gedichte. *Amsterdam, Sub Signo Libelli, 1982. MM: pp ned Sub Signo Libelli 1982.03. (KB)

Leopold Andrian,Gedichte.Amsterdam, Sub Signo Libelli, 1982. MM: pp ned Sub Signo Libelli 1982.03. (KB: JU)

Leopold Andrian,Gedichte.Amsterdam, Sub Signo Libelli, 1982. MM: pp ned Sub Signo Libelli 1982.03. (KB: JU)

H.G. Liebentrau,Verval. Eulogy, eclogue, epitaph. Geesbrug, Sub Signo Libelli, 1989. MM: pp ned Sub Signo Libelli 1989.01. (KB: JU)

H.G. Liebentrau,*Verval. Eulogy, eclogue, epitaph. *Geesbrug, Sub Signo Libelli, 1989. MM: pp ned Sub Signo Libelli 1989.01. (KB: JU)

Ger Kleis aan de pers, 1983, door Marco Sweering. (Spaarnestad Photo)

Ger Kleis aan de pers, 1983, door Marco Sweering. (Spaarnestad Photo)

Ger Kleis met de zethaak, 1983, door Marco Sweering. (Spaarnestad Photo)

Ger Kleis met de zethaak, 1983, door Marco Sweering. (Spaarnestad Photo)

Zetsel in de drukkerij van Ger Kleis, 1982, door Ton Leenhouts. (KB:JU)

Zetsel in de drukkerij van Ger Kleis, 1982, door Ton Leenhouts. (KB:JU)

Statenhofpers

De radioloog Jaap Schipper is literatuurliefhebber en verzamelde op bescheiden wijze ook bibliofiele uitgaven. Een direct contact met Jan Keijser was fataal: het drukkersvirus sloeg toe en zo ontstond in 1994 de Statenhofpers. De combinatie van zelf drukken en het steeds fanatieker verzamelen van ook buitenlandse specimina van drukkunst was een gelukkige. Inmiddels is een fonds gevormd dat als een huis in de klassieke traditie staat. Zo worden er vrijwel alleen nog niet eerder gepubliceerde teksten gedrukt van auteurs van naam (C.O. Jellema, Frédéric Bastet, Rudy Kousbroek, Patty Scholten), en vaak wordt een kunstenaar aangezocht voor frontispice of tekstillustraties (Joost Veerkamp, Peter Lazarov, Olivia Ettema, Frans de Jong). Als de uitgave zich ertoe leent wordt een deel van de oplage luxueus gebonden (Philipp Janssen, Frans den Breejen) en geregeld wordt daarbij een speciaal ontworpen drukkersmerk en/of bandvignet toegepast. Was Schipper tijdens het echte loodtijdperk werkzaam geweest, dan zou hij zonder twijfel ook een eigen letter voor de pers hebben laten snijden.

Vooral de samenwerking met Joost Veerkamp is heel vruchtbaar. Begon het in 1999 nog ingetogen met een tekst van Veerkamp over het ontwerpen van postzegels (Papieren magneten), in 2002 rolde het monumentale V-boek van de pers. Veerkamp maakte in de jaren zeventig een aantal mezzotinten van koeien die deels ongebruikt bleven. In het V-boek zijn zij – begeleid door sonnetten van Patty Scholten – alsnog afgedrukt en aangevuld met nieuwe illustraties. In 2005 volgde Over luiken van Rudy Kousbroek, een tekst over de teloorgang van de traditionele luiken in het Parijse straatbeeld, waarin Veerkamp de auteur in zijn overvolle werkkamer discreet achter een paar – met lasertechniek uitgestanste – luiken heeft vereeuwigd. Jan Hidding, Vissen met vader (2007) is vooralsnog het laatste gezamenlijke product.

Christopher Smart,Jeoffry. Linosnedes Olivia Ettema. Den Haag, Statenhofpers, 2004, p. 8. MM: pp ned Statenhof 2004.01. (MM)

Christopher Smart,Jeoffry. Linosnedes Olivia Ettema. Den Haag, Statenhofpers, 2004, p. 8. MM: pp ned Statenhof 2004.01. (MM)

C.O. Jellema,De locatie. Houtgravures Peter Lazarov. Den Haag, Statenhofpers, 2006, colofon met drukkersmerk. MM: pp ned Statenhof 2006.01. (MM)

C.O. Jellema, De locatie. Houtgravures Peter Lazarov. Den Haag, Statenhofpers, 2006, colofon met drukkersmerk. MM: pp ned Statenhof 2006.01. (MM)

Patty Scholten, Joost Veerkamp,V-boek.Den Haag, Statenhofpers, 2001. MM: pp ned Statenhof 2001.02. (MM)

Patty Scholten, Joost Veerkamp, V-boek. Den Haag, Statenhofpers, 2001. MM: pp ned Statenhof 2001.02. (MM)

Patty Scholten, Joost Veerkamp,V-boek.Den Haag, Statenhofpers, 2001, p. 12-13. MM: pp ned Statenhof 2001.02. (MM)

Patty Scholten, Joost Veerkamp, V-boek. Den Haag, Statenhofpers, 2001, p. 12-13. MM: pp ned Statenhof 2001.02. (MM)

Rudy Kousbroek, Joost Veerkamp,Over luiken. Den Haag, Statenhofpers, 2005. MM: pp ned Statenhof 2005.01. (KB: JU)

Rudy Kousbroek, Joost Veerkamp, Over luiken. Den Haag, Statenhofpers, 2005. MM: pp ned Statenhof 2005.01. (KB: JU)

Rudy Kousbroek, Joost Veerkamp,Over luiken.Den Haag, Statenhofpers, 2005. MM: pp ned Statenhof 2005.01. (KB: JU)

Rudy Kousbroek, Joost Veerkamp, Over luiken. Den Haag, Statenhofpers, 2005. MM: pp ned Statenhof 2005.01. (KB: JU)

Avalon Pers

Dat doen we toch even en Klooien met letters/Rammen maar zijn de titels van de dozen die Jan Keijser bij zijn vijftigste en zestigste verjaardag present kreeg en ze zeggen iets over de manier waarop de drukker tegenover zijn passie staat. Begon het in 1974 met een simpele plano met een gedicht van Gerrit Achterberg, in de daarop volgende decennia rolden vele honderden uitgaven van zijn persen. Het ‘klooien met letters’ is verslavend en wie zich met een goed plan te Woubrugge meldt, krijgt vrijwel standaard te horen: ‘dat doen we toch even’.

Dat ‘even’ wil nogal eens tegenvallen. Zo kent het Achterberg Genootschap veel donateurs, hebben de Vrienden van het Museum van het Boek heel wat begunstigers, en heeft die aardige man die om een nieuwjaarswens komt wel erg veel vrienden. De indrukwekkendste onderneming in dit verband is het Jaarboek van het Nederlands Omar Khayyam Genootschap, waarvan in 2009 deel 5 verscheen. 71 pagina’s, waarvan meer dan 60 met louter tekst, volledig met de hand gezet in een 10 punts Garamond. En dat voor een club van nauwelijks acht leden.

Gelukkig is dit maar één aspect van de pers. De tomeloze liefde van Jan Keijser, socioloog en in zijn werkzaam leven rijksambtenaar, voor de Nederlandse en buitenlandse letterkunde heeft tot veel uitgaven geleid, vaak met nog niet eerder gepubliceerde teksten. Naast auteurs als J. Bernlef, Maarten Biesheuvel, Marga Minco, K. Schippers en Leo Vroman hebben ook leden van de Dadabeweging een ruime plaats in zijn fonds gekregen.

Een mooi voorbeeld uit de eerste enumeratie is Kind van Maarten Biesheuvel uit 1994. Een 20 cm hoog boekje van 70 pagina’s, met een door Biesheuvel getekend frontispice, in simpel zwart linnen gebonden met leeslint. De oplage van 75 exemplaren bleek niet toereikend voor alle Biesheuvelfans en daarmee is het een ‘gezochte’ titel geworden.

Een recent bewijs van Keijsers vakmanschap vormt de monumentale uitgave De houtsneden van Jan Franken Pzn. met een inleiding en bibliografie door Willem Keizer. Voor dit boek drukte hij in 2008 en 2009 tientallen houtsneden van de originele blokken tot aan een formaat van 31x21,5 cm toe. De uitgave integreert ook de moderne techniek: voor de platte tekst, reproducties van schilderijen en niet beschikbare blokken werd een professionele printer ingezet. (KT/CdW)

Lord Alfred Douglas,Oscar Wilde: a plea and a reminiscence. Woubrugge, Avalon Pers, 2002, titelpagina. MM: pp ned Avalon 2002.05. (MM)

Lord Alfred Douglas,Oscar Wilde: a plea and a reminiscence. Woubrugge, Avalon Pers, 2002, titelpagina. MM: pp ned Avalon 2002.05. (MM)

Lord Alfred Douglas,Oscar Wilde: a plea and a reminiscence. Woubrugge, Avalon Pers, 2002, drukkersmerk (colofon). MM: pp ned Avalon 2002.05. (MM)

Lord Alfred Douglas,Oscar Wilde: a plea and a reminiscence. Woubrugge, Avalon Pers, 2002, drukkersmerk (colofon). MM: pp ned Avalon 2002.05. (MM)

Jaarboek Nederlands Omar Khayyam Genootschap.1-4. Woubrugge, Avalon Pers, 1992-2006. MM: pp ned Avalon 1992.04; pp ned Avalon 1995.10; pp ned Avalon 2000.02; pp ned Avalon 2006.04. (KB: JU)

Jaarboek Nederlands Omar Khayyam Genootschap.1-4. Woubrugge, Avalon Pers, 1992-2006. MM: pp ned Avalon 1992.04; pp ned Avalon 1995.10; pp ned Avalon 2000.02; pp ned Avalon 2006.04. (KB: JU)

J.M.A. Biesheuvel.Kind. Woubrugge, Avalon Pers, 1994, titelpagina en frontispice. KB: KW DPK 0166. (KB)

J.M.A. Biesheuvel. Kind. Woubrugge, Avalon Pers, 1994, titelpagina en frontispice. KB: KW DPK 0166. (KB)

Mercator Press

Aangestoken door het enthousiasme van Jan Keijser begon Willem Kramer in 1981 een eigen pers. Zijn klassieke achtergrond klinkt al door in de naam van zijn pers: ‘mercator’ is het latijnse woord voor ‘kramer’. Ook het fonds dat hij in loop der jaren opbouwde is klassiek van karakter. Niet alleen door de vormgeving van zijn boeken die hij graag eigenhandig van een passend frontispice voorziet, maar ook door de tekstkeuze. Werk van contemporaine auteurs wordt afgewisseld met de groten uit de wereldliteratuur, waarbij Kramer niet schroomt zonodig een letterkast Grieks uit de bok te trekken. Regelmatig treedt hij daarbij zelf als vertaler op.

Een typerend voorbeeld uit het fonds vormt Emily Dickinson, Six poems, Zes gedichten uit 2009, zij het dat in dit geval de vertalingen van Els Proost zijn. Is dit qua maatvoering een bescheiden boekje, de Mercator Press schuwt ook groter werk niet. Tussen 1982 en 1999 werden door een anonymus in Amsterdam acht speelse beeldjes geplaatst variërend van ‘het boomzagertje’ (Leidsebosje) tot en met ‘borsten’ (Oudekerksplein). In de indrukwekkende uitgave (39x29 cm), Beelden anoniem, die in 2004 bij de pers verscheen, zijn alle beelden op sublieme wijze gefotografeerd en voorzagen auteurs als Toon Tellegen, Nicolaas Matsier en Menno Wigman de foto’s van een toepasselijk gedicht.

Kramer was tijdens zijn werkzaam leven leraar klassieke talen en in Schoolherinneringen (2006) en De reünie (2009) keek hij in, vaak ironische, gedichten op die periode terug. Een bijzonderheid was dat beide uitgaven vergezeld gingen van een CD waarop de gedichten ook beluisterd konden worden.

Hester Verkruissen

Hester Verkruissen, bibliotheekmedewerkster bij de Universiteitsbibliotheek Groningen, behoort tot de vroege marginalen. Al in 1973 begon zij onder eigen naam met drukken, geregeld zijn ook eenmalige nicknames als ‘Eau & Gaz’, ‘Dubbelmans’s kisten’ en dergelijke in het impressum te vinden, maar de laatste jaren lijkt ‘Bureau Claxon’ favoriet.

In de eerste selectie van Mooi marginaal was zij met maar liefst vier uitgaven vertegenwoordigd en in de derde was ze wederom met twee boekjes present. De waardering voor haar werk is terecht, want wat zij drukt is op positieve wijze direct herkenbaar. Sleutelwoorden zijn ritme en evenwicht. Voortdurend zoekt zij de (on)mogelijkheden op van de combinatie van eenvoudige ornamenten en lijnen met de mise en page van de woorden. Om met dat laatste te beginnen: om een strak beeld te krijgen worden niet zelden schreefloze letters, Egyptiennes of zelfs een schrijfmachineletter gebruikt. Interlinie en spatiëring zijn soms extreem groot waardoor de woorden zelfstandige blokjes lijken. Een goed voorbeeld daarvan is Alan Bennett, The sardine tin of life uit 1997 waarin de regels bovendien nog van elkaar worden gescheiden door dunne gele lijnen.

Strak geometrisch gebruik van ornamenten is zeer geslaagd in het door Cor Aerssens op Japanse wijze gebonden Tweemaal James Grieve van K. Schippers uit 2001. Op de versozijden staan vierkante blokjes in theedoekmotief, op iedere verso komt er een blokje bij in een nieuwe kleur, die middels een over de sneden heen gedrukt verticaal gestreept lijntje wordt aangekondigd. Een heel ander effect wordt bereikt in Etages van Peter Bichsel uit 2002. Daar zijn lijnen en ornamenten gebruikt om fleurige interieurmotieven te verbeelden. Dat kleine hoekjes op iedere pagina de zetspiegel aangeven is weer zo’n typisch Verkruissengrapje. (KT/CdW)

Arie van den Berg,2sprong. Santpoort, Mercator Press, 2007, voorzijde omslag. MM: pp ned Mercator 2007.05. (MM)

Arie van den Berg, 2sprong. Santpoort, Mercator Press, 2007, voorzijde omslag. MM: pp ned Mercator 2007.05. (MM)

Emily Dickinson,Six poems. Zes gedichten.Met een illustratie van Mercator. Santpoort, Mercator Press, 2009, titelpagina en frontispice. KB: KW DPK 1304. (KB)

Emily Dickinson,Six poems. Zes gedichten.Met een illustratie van Mercator. Santpoort, Mercator Press, 2009, titelpagina en frontispice. KB: KW DPK 1304. (KB)

Emily Dickinson,Six poems. Zes gedichten.Met een illustratie van Mercator. Santpoort, Mercator Press, 2009, p. 8-9. KB: KW DPK 1304. (KB)

Emily Dickinson,Six poems. Zes gedichten.Met een illustratie van Mercator. Santpoort, Mercator Press, 2009, p. 8-9. KB: KW DPK 1304. (KB)

Gilbert & George. The sculptors, say. A selection. Groningen, Hester Verkruissen, 1985, boekband door Pau Groenendijk. MM: pp ned Verkruissen 1985.01 nr 33. (KB: JU)

Gilbert & George. The sculptors, say. A selection. Groningen, Hester Verkruissen, 1985, boekband door Pau Groenendijk. MM: pp ned Verkruissen 1985.01 nr 33. (KB: JU)

K. Schippers,Tweemaal James Grieve.Groningen, Hester Verkruissen, 2001, detail. MM: pp ned Verkruissen 2001.02. (KB: JU)

K. Schippers, Tweemaal James Grieve. Groningen, Hester Verkruissen, 2001, detail. MM: pp ned Verkruissen 2001.02. (KB: JU)

K. Schippers,Tweemaal James Grieve. Groningen, Hester Verkruissen, 2001, snede. MM: pp ned Verkruissen 2001.02. (KB: JU)

K. Schippers, Tweemaal James Grieve. Groningen, Hester Verkruissen, 2001, snede. MM: pp ned Verkruissen 2001.02. (KB: JU)

Bucheliuspers

De productie van de in 1983 gestarte Bucheliuspers is niet groot, maar wie het adagium, ‘het moet leuk zijn’, van de neerlandicus Arjaan van Nimwegen in Pastei en hoerenjong leest, begrijpt dat: niet drukken in opdracht, geen deadlines, niet voor het geld, geen grote oplagen, en zeker geen slaafse navolging van typografische voorschriften.

En het werk van de pers ís leuk. Neem alleen al Aries kleine restantenreeks (1987-2003). Gedurende 16 jaar ontvingen gelukkige intekenaren geregeld een paar – ludiek vormgegeven – plano’s met geestige kwatrijnen waarin de drukker ook zichzelf regelmatig op de hak nam.

Van Nimwegen houdt alles in eigen hand, dus ook het brocheer- en bindwerk en daarbij bereikt hij vaak verrassende resultaten. Zo suggereert de band van Bij een klassefoto van F.M. Philippi (1991) door een subtiel gebruik van kapitale O’s een dergelijke foto en vormt het lijnenstelsel op het omslag van het door de drukker zelf geschreven Verwant (1995) een stamboom. Bepaald uitbundig is Clown van wUm (1993). De met vrolijke stippen bedrukte gele band en het fleurige titeletiket wekken verwachtingen die in het boek zelf meer dan waargemaakt worden. Met behulp van in rood, geel, blauw en zwart gedrukte stukken uit de blikvangerskast en kleine clichés wandelt een clown door de tekst, tot aan het colofon toe.

Voorlopig hoogtepunt van de zelfwerkzaamheid vormt het uitbundig geïllustreerde Vaistoinu uit 2003, geschreven in het Waafs, waarin men kennis maakt met staatkundige inrichting, ligging, geschiedenis en bevolking van het fictionele Wavië, dat net achter ‘de einder van onze kwalijke, lelijke en vooral dodelijk saaie realiteit’ ligt...

De Uitvreter

De uitbundige wijze waarop Kees Thomassen, in het dagelijks leven conservator moderne handschriften bij de Koninklijke Bibliotheek, gebruik maakte van de drukfaciliteiten en de gastvrijheid van de Avalon Pers bracht hem in 1989 tot de keuze van ‘De Uitvreter’ als persnaam. In de jaren daarna bouwde hij, eerst in Leiden, daarna in Zoeterwoude en tegenwoordig in ’t Woold, een fonds op van bijna 300 titels, die door de veelzijdigheid in tekstkeuze en uitvoering niet gemakkelijk onder een noemer zijn te brengen.

Het plezier in het drukken prevaleert, grote oplagen worden zonodig niet geschuwd en een extra drukgang is geen probleem. Een mooi voorbeeld daarvan is Suusje Pietz uit 2002, geschreven en geïllustreerd door Wim Hofman, en deels in meerdere kleuren op de handpers gedrukt in maar liefst 550 exemplaren.

Luimige teksten van negentiende-eeuwers (Tollens, Piet Paaltjens), nieuw werk van contemporaine letterkundigen (Ingmar Heytze, Gerrit Komrij, Patty Scholten), rollen net zo gemakkelijk van de pers als evergreens van Annie M.G. Schmidt. De uitvoering is vaak speels; zo is er een drukje in de vorm van een fotocamera, een peepshow en zelfs van een kasteeltoren compleet met vluchttouw.

Illustraties variëren van fraaie lino’s van de vaste illustratrice Lonneke N., al dan niet speciaal voor een uitgave vervaardigde clichés tot en met ingeplakte foto’s. Typerend voor de pers is Kunst van Theo van Doesburg (1993): het omslag toont (zogenaamd...) een onbekende voorstudie van diens Compositie VII (‘De koe’) en aan elk boekje bungelt een stompje potlood.

Overigens kent het fonds ook een aantal strikt klassiek vormgegeven uitgaven. De pers stelt zich dienstbaar op; bij menige gebeurtenis (jubilea, openingen van tentoonstellingen, bijeenkomsten van letterkundige clubs) werden de aanwezigen verblijd met ‘een uitvretertje’. Vooral het Letterkundig Museum mocht daarvan profiteren. Hoogtepunt is Dat is wat blijft als je weggaat: 60 gedichten van evenzovele dichters in een door Frans den Breejen vervaardigde cassette in 110 exemplaren gedrukt ter gelegenheid van het afscheid van Anton Korteweg als directeur van het museum in januari 2009.

wUm [Willem],Clown. Utrecht, Bucheliuspers, 1993, colofon. KB: KW DPZ 0077. (KB)

wUm [Willem],Clown. Utrecht, Bucheliuspers, 1993, colofon. KB: KW DPZ 0077. (KB)

Aryâna vae Nïvêgenus,Vaistoinu.Utrehtas, Presu Bucêliusu, 2003. MM: pp ned Buchelius 2003.01. (KB: JU)

Aryâna vae Nïvêgenus,Vaistoinu.Utrehtas, Presu Bucêliusu, 2003. MM: pp ned Buchelius 2003.01. (KB: JU)

Theo van Doesburg. Kunst. Leiden, De Uitvreter, 1993, omslag. MM: pp ned Uitvreter 1993.02. (KB: JU)

Theo van Doesburg. Kunst. Leiden, De Uitvreter, 1993, omslag. MM: pp ned Uitvreter 1993.02. (KB: JU)

Marjolijn Februari,Schrappen.Zoeterwoude, De Uitvreter, 2005. MM: pp ned Uitvreter 2005.03. (KB: JU)

Marjolijn Februari,Schrappen.Zoeterwoude, De Uitvreter, 2005. MM: pp ned Uitvreter 2005.03. (KB: JU)

In de Bonnefant

Tot de persen met een inmiddels lange traditie behoort ook In de Bonnefant van de anglist Hans van Eijk, gevestigd te Banholt. Daarmee herbergt dit 1020 zielen tellende Limburgse dorpje maar liefst twee belangrijke persen want ook Ser J.L. Prop is er werkzaam. Opgericht in 1977 telt het fonds inmiddels al meer dan 300 titels die vrijwel allemaal een literair karakter hebben.

In de Bonnefant is een van de weinige persen in Nederland die sterk internationaal gericht is, en zelfs in de bakermat van het bibliofiele drukwerk – Engeland – enige bekendheid geniet. Maar dat wil niet zeggen dat Van Eijk Nederland links laat liggen; zijn sterauteur is Hans van de Waarsenburg van wie hij al meer dan vijftig poëziebundeltjes verzorgde. En zelfs Friesland wordt niet vergeten, getuige het ingetogen vormgegeven Boerehiem/Boerenerf, gedichten van Douwe Hermans Kiestra met vertalingen van D.A. Tamminga uit 1998.

Van Eijk streeft naar perfectie, de boeken hebben een hoge kwaliteit waarbij het typografische experiment niet geschuwd wordt; voor de illustraties wordt samengewerkt met moderne kunstenaars. Een van de hoogtepunten uit zijn werk is The golden bough van Vergilius, vertaald door Seamus Heaney (1992), een samenwerkingsproject van de drukker met de, sinds 1978 in Mexico Stad werkzame, kunstenaar Jan Hendrix. Diens intrigerende, met goudfolie verzorgde illustraties passen wonderwel bij de sfeer van Heaney's vertalingen.

Een ander hoogtepunt is de door Rigby Graham van een houtsnede voorziene Under the barrage van Peter Scupham uit 1988, en ook het in twee versies (Italiaans/Engels en Italiaans/Nederlands) verschenen Nell’atto di partire van Paolo Ruffilli uit 2003, mag hier niet onvermeld blijven. In beide - uit de Meidoorn gezette - versies worden origineel en vertaling van elkaar gescheiden door een op vliesdun Japans papier gedrukt katern met zes zeefdrukken van Jan Hendrix. Maar, zoals Hans van Eijk zelf zegt: ‘Het mooiste boek is het volgende’.

Tarek Eltayeb,*Das gläserne Gespräch. Brittle conversation. *Banholt, Im Bonnefanten, 2007

Tarek Eltayeb,*Das gläserne Gespräch. Brittle conversation. *Banholt, Im Bonnefanten, 2007, titelpagina. MM: pp ned In de Bonnefant 2007.03. (MM)

Tarek Eltayeb,*Das gläserne Gespräch. Brittle conversation.*Banholt, Im Bonnefanten, 2007

Tarek Eltayeb,Das gläserne Gespräch. Brittle conversation.Banholt, Im Bonnefanten, 2007, drukkersmerk in colofon. MM: pp ned In de Bonnefant 2007.03. (MM)

Hans van de Waarsenburg,*Nachtdichten.*Banholt, In de Bonnefant, 2006

Hans van de Waarsenburg,Nachtdichten.Banholt, In de Bonnefant, 2006, gedicht 9 en 10. MM: pp ned In de Bonnefant 2006.03. (MM)

Vergil,*The golden bough. *Translation Seamus Heaney. With screenprints by Jan Hendrix. Mexico, Los Tropicos; Banholt, In de Bonnefant, 1992

Vergil,*The golden bough. *Translation Seamus Heaney. With screenprints by Jan Hendrix. Mexico, Los Tropicos; Banholt, In de Bonnefant, 1992, title page and frontispiece. MM: pp ned In de Bonnefant 1992.05. (KB: JU)

Vergil,*The golden bough. *Translation Seamus Heaney. With screenprints by Jan Hendrix. Mexico, Los Tropicos; Banholt, In de Bonnefant, 1992

Vergil,*The golden bough. *Translation Seamus Heaney. With screenprints by Jan Hendrix. Mexico, Los Tropicos; Banholt, In de Bonnefant, 1992. MM: pp ned In de Bonnefant 1992.05. (KB: JU)

Vergil,*The golden bough. *Translation Seamus Heaney. With screenprints by Jan Hendrix. Mexico, Los Tropicos; Banholt, In de Bonnefant, 1992

Vergil,*The golden bough. *Translation Seamus Heaney. With screenprints by Jan Hendrix. Mexico, Los Tropicos; Banholt, In de Bonnefant, 1992, watermerk. MM: pp ned In de Bonnefant 1992.05. (KB: JU)

Vergil,*The golden bough. *Translation Seamus Heaney. With screenprints by Jan Hendrix. Mexico, Los Tropicos; Banholt, In de Bonnefant, 1992

Vergil,*The golden bough. *Translation Seamus Heaney. With screenprints by Jan Hendrix. Mexico, Los Tropicos; Banholt, In de Bonnefant, 1992, colofon met handtekening. MM: pp ned In de Bonnefant 1992.05. (KB: JU)

Jorge Esquinca, Jan Hendrix,*Piedra. *Gualdalajara, Petra Ediciones, 2003

Jorge Esquinca, Jan Hendrix,*Piedra. *Gualdalajara, Petra Ediciones, 2003, boekband. MM: pp ned In de Bonnefant 2003.11. (KB: JU)

Paolo Ruffilli,*Nell’atto di partire. In het vertrek. *Serigrafie di Jan Hendrix. Trad. olandese di Willem van Toorn. Banholt, In de Bonnefant, 2003,

Paolo Ruffilli,*Nell’atto di partire. In het vertrek. *Serigrafie di Jan Hendrix. Trad. olandese di Willem van Toorn. Banholt, In de Bonnefant, 2003, p.19. MM: pp ned In de Bonnefant 2003.08. (KB: JU)

Paolo Ruffilli,*Nell’atto di partire. In het vertrek. *Serigrafie di Jan Hendrix. Trad. olandese di Willem van Toorn. Banholt, In de Bonnefant, 2003

Paolo Ruffilli,*Nell’atto di partire. In het vertrek. *Serigrafie di Jan Hendrix. Trad. olandese di Willem van Toorn. Banholt, In de Bonnefant, 2003. MM: pp ned In de Bonnefant 2003.08. (KB: JU)

De grote Nederlandse letterproef

Van de meer dan 50 projecten die sinds 1981 door wisselende groepen drukkers zijn uitgevoerd, nemen die van De Blauwe Scheen een bijzondere plaats in. Achter deze naam gaan Jan Keijser en Hans van Eijk schuil. De naam is geïnspireerd door De Blauwe Schuit, het legendarische collectief rond de drukker H.N. Werkman, door het gedicht ‘De Lof van een Blauwe Scheen’ van Roemer Visscher, en – niet in de laatste plaats – doordat een scheen (‘kooi’) een drukkersattribuut is om loodzetsel in een raam vast te zetten.

Van de vijf projecten die tot op heden door het tweetal zijn georganiseerd, is De grote Nederlandse letterproef uit 1998 het indrukwekkendst. Dat heeft verschillende redenen. Allereerst de inhoudelijke samenhang. Wordt bij een project vaak een thema opgegeven waarbij elke drukker zelf maar moet zien hoe hij dat invult, bij de Letterproef kreeg iedereen een van de prozateksten van Jacob Israël de Haan, die in de periode 1905-1909 in verschillende tijdschriften waren gepubliceerd. Het enthousiasme voor deelname was echter zo overweldigend dat het tekstcorpus moest worden uitgebreid met een selectie uit een serie ‘Reisverhalen voor kinderen’, die De Haan in 1903 en 1904 schreef voor het Zondagsblad van Het volk. Zo konden niet minder dan 60 drukkers aan een tekst worden geholpen, een aantal dat door geen enkel ander project ooit is gehaald.

Wat echter het project zo bijzonder maakt, is dat het – zoals de naam al aangeeft – tevens een letterproef is. Elke drukker kreeg een letter toegewezen en werd geacht naast het prozafragment een zo compleet mogelijke polis van ‘zijn’ letter te geven (dat wil zeggen alle beschikbare tekens: onderkast, kapitalen, kleinkapitalen, cijfers, diakrieten, ligaturen, enzovoort) en iets over het ontstaan en de ontwerper mee te delen.

Het resultaat is verbluffend, want een mooiere staalkaart van letters die aan het einde van het loodtijdperk in de drukkerijen voorhanden waren, bestaat er niet. Natuurlijk was er geen drukkerij die zo'n grote variëteit in huis had, maar doordat de margedrukkers bij hun jacht naar letters heel Nederland hebben afgegraasd, is er toch veel meer bewaard gebleven dan de eeuwige Garamond, Bodoni, Hollandsche Mediaeval en Nobel, om maar een paar klassieken te noemen. De combinatie van tekst en polis verleent de uitgave een bijzondere charme. Worden in letterproeven meestal slechts enkele regels tekst weergegeven om een indruk van de letter te krijgen, hier kan men elke letter aan de hand van een langer fragment goed op zich laten inwerken.

Bij ieder project zijn er deelnemers die met een minimum aan inspanning hun bijdragen tot stand brengen, en deelnemers die werkelijk alles uit de kast halen. Gelukkig overheersen bij de Letterproef de doorzetters, en het plezier in het vormgeven en drukken spreekt uit bijna iedere bijdrage. Hoelang zal Arjaan van Nimwegen van de Bucheliuspers hebben zitten zweten op een silhouetportret van Paul Verlaine, opgebouwd uit louter vierkante blokjes? En wat te denken van Gert van Oortmerssen/De Dwarsbomen die voor zijn bijdrage zelfs eigen papier vervaardigde?

Veelzeggend wat betreft de benodigde inspanningen is de uiterst fleurig geïllustreerde bijdrage van De vergulde maatlat/Treemapers van Karel Treebus, die de Libra voor zijn rekening nam. In het colofon staat te lezen: ‘Voor “De zee en de dwaze vrouw” werden in de herfst van 1997 35 drukgangen gemaakt, de eerste op prinsjesdag en de laatste met sinterklaas. Wegens een te geringe lettervoorraad moest de tekst per alinea gezet en gedrukt worden’...

Een andere bijdrage waarbij niet op een uurtje is gekeken, is die van Gerard Post van der Molen. Wie zijn soloproject Het groeiboek kent, zal het niet verbazen dat hij de Hollandsche Mediaeval voor zijn rekening nam, en hoe! De letter is in negen corpsgroottes te bewonderen, zo mogelijk in romein en cursief. Verder bevat zijn bijdrage naast het eigenlijke fragment veel lezenswaardigs over de letter en enige – met veel zorg opnieuw gezette – ‘facsimiles’, waaronder een van de oorspronkelijke aankondiging van de Hollandsche Mediaeval uit 1912. Een ‘dringende oproep’ aan de lezer om De Ammoniet te helpen met de completering van zijn bezit van deze hele grote en gevarieerde letterfamilie sluit het geheel op passende wijze af.

Overigens gaat het pad van de organisatoren van een project niet altijd over rozen. Eén drukker had er niets van begrepen en zond een kinderrijmpje ‘Bloemkweeken’ in, met de bekende regel ‘Klein kleuterke, klein kleuterke, wat doet gij in mijn hof?’ Verder ging er wat fout met de nummering en klopt de chronologische volgorde niet overal, maar een kniesoor die daarover valt. Ernstiger was dat twee drukkers hun bijdrage niet op tijd gereed hadden. ‘Tegoedbonnen’ attendeerden de bezitters erop dat hun doos nog niet compleet was. De hevige aandrang van collegadrukkers en de ‘talloze brieven, sommige zelfs in juridische termen gesteld’ hadden uiteindelijk resultaat; in de zomer van 2001 rolden gelukkig ook de Ehrhardt en de Times van de pers.

De laatste reden waarom de Letterproef zo bijzonder is, vormt de door Frans den Breejen vervaardigde dubbele doos. Een lichtblauwe linnen overslagdoos waarop in reliëf drie letterstaafjes zijn aangebracht, en daaromheen een zilvergrijs kistje, ook in de vorm van een letterstaaf; een kapitale H zoals het losse deksel laat zien. Een door de gelukkige bezitters van het project meer dan eens – louter voor de lol! – herhaalde handeling is de overslagdoos in het kistje laten glijden: het zuigende geluid dat hierbij zachtjes weerklinkt is van een muzikale schoonheid!

*De grote Nederlandse letterproef.*Banholt, Woubrugge, De Blauwe Scheen, 1998.

De grote Nederlandse letterproef.Banholt, Woubrugge, De Blauwe Scheen, 1998. MM: pp ned Blauwe Scheen 5.00-b. (KB: JU)

*De grote Nederlandse letterproef. *Banholt, Woubrugge, De Blauwe Scheen, 1998

*De grote Nederlandse letterproef. *Banholt, Woubrugge, De Blauwe Scheen, 1998. MM: pp ned Blauwe Scheen 5.00-b. (KB: JU)

*De grote Nederlandse letterproef. *Banholt, Woubrugge, De Blauwe Scheen, 1998

*De grote Nederlandse letterproef. *Banholt, Woubrugge, De Blauwe Scheen, 1998. MM: pp ned Blauwe Scheen 5.00-b. (KB: JU)

Margedrukkers en hun buren

Verspreiding en verkoop

Drukken is één, een afzetmarkt voor de producten vinden is heel wat moeilijker. De rubriek ‘Nieuwe uitgaven’ in de Nieuwsbrief van de Stichting Drukwerk in de Marge is een goede mogelijkheid. Belangrijker is de jaarlijkse, tweedaagse verkoopbeurs die de Stichting in samenwerking met de Stichting Handboekbinden organiseert. Zo’n beurs is er niet alleen voor om contact met potentiële klanten te leggen, in het beste geval uitmondend in een permanente afname van nieuwe uitgaven; er wordt door de drukkers onderling ook heel wat geruild.

Ook de antiquariaten spelen nog steeds een rol: Antiquariaat Schuhmacher (sinds 1952) in Amsterdam, Fokas Holthuis (sinds 1994) in Den Haag en André Swertz (sinds 1976) in Utrecht hebben veel private press-uitgaven in voorraad. Sinds 1979 fungeerde ‘De Utrechtsche’ van Arjaan van Nimwegen als gespecialiseerde boekwinkel. Er waren in 1983 maar liefst duizend titels van 160 persen uit voorraad leverbaar. De winkel bleek niet levensvatbaar, de deur werd in 1988 gesloten. Sinsdien is er de oorspronkelijk met de Stichting verbonden Minotaurus Boekwinkel in Amsterdam, gedreven door Nol Sanders, waar ook kleine tentoonstellingen gehouden worden over marginale drukkers en uitgevers.

Het internet is er recent bijgekomen. De website van Stichting Drukwerk in de Marge bevat onder meer een overzicht van alle actieve margedrukkers, een levendige rubriek ‘Vraag en aanbod’ van persen en letters, en een rubriek ‘nieuw verschenen’. Via een gratis attenderingssysteem kan iedere geïnteresseerde van nieuwe uitgaven op de hoogte blijven. Daarnaast hebben hoe langer hoe meer drukkers hun eigen website.

Roofdrukken

Een enkele drukker verklaart de bescheiden productie van de pers met het argument dat er zo moeilijk aan goede teksten te komen is, maar dat is eerder luiheid. Als een margedrukker zich bij een schrijver meldt met het verzoek ‘iets’ te mogen drukken, is de reactie zelden negatief. Daarnaast is de Nederlandse en buitenlandse letterkunde uit voorbije eeuwen zo overstelpend rijk dat ook daarin vele parels kunnen worden gevonden.

Lastiger ligt het bij literatuur waarvan de auteur korter dan zeventig jaar tevoren is overleden. Net als bij nog levende auteurs rust er op dat werk kopijrecht en dat betekent dat het niet zonder uitdrukkelijke toestemming van de erven mag worden gedrukt. Ontbreekt die toestemming, dan is er sprake van een illegale uitgave, doorgaans roofdruk genoemd. Het aantal roofdrukken in Nederland valt mee en een enkele keer verschijnt zo’n uitgave niet uit onwil maar uit argeloze onwetendheid.

Er is echter een duidelijke uitzondering en dat betreft het werk van Gerard Reve. Om de een of andere reden vindt men het spannend om teksten (hoe onbeduidend soms ook) van hem in het licht te geven. Zonder twijfel hangt dit samen met de afkeer die de auteur van dit genre had en die hem meer dan eens tot gerechtelijke stappen heeft gedreven.

Spectaculair vooral was een rechtszaak in 1984 tegen een 22-jarige student J.F. die een uitgave van enige niet-gebundelde brieven van Reve in Hollands diep had gemaakt, en de handelaar A.S. die een aantal exemplaren in verkoop had genomen. Niet alleen werd Reve in het gelijk gesteld en kregen drukker en handelaar een forse boete opgelegd, het leidde tevens tot de uitgave van Schoon schip 1945-1984, samengesteld door Reve’s partner Joop Schafthuizen. Het boek bevatte al het verspreid verschenen werk uit die jaren voor zover nog niet eerder gebundeld. Deze poging om de drukkers de wind uit de zeilen te nemen had echter weinig resultaat en het aantal ‘reefdrukken’ bedraagt inmiddels circa 200 titels. Dieptepunt was het jaar 1995 waarin niet minder dan 57 illegale uitgaven het licht zagen.

Bibliofiele uitgaven en kunstenaarsboeken

Het onderscheid tussen het van oorsprong Franse ‘livre d’artiste’ en de uit Engeland afkomstige term private press is voor de eerste helft van de twintigste eeuw nog vrij gemakkelijk te maken maar vanaf de jaren vijftig begint het te vervagen. Moderne kunstenaars die diverse grafische technieken toepassen en daarmee niet alleen grafiek maar ook boeken, boekjes en plano’s vervaardigen, maken zelf geen onderscheid en spreken van kunstenaarsboeken of van bibliofiele uitgaven.

In het algemeen rekenen wij de boeken van commerciële bibliofiele uitgeverijen als Bébert, Picaron Editions en Galerie Petit niet tot de private press-uitgaven maar tot de commerciële kunstenaarsboeken. Het zijn uitgeverijen die zich richten op de luxe markt met dure kunstuitgaven waarin bijvoorbeeld oorspronkelijke, met de hand gesigneerde en genummerde grafiek is opgenomen.

De fraaie boeken van de bibliofiele uitgeverij Arethusa Pers van Herber Blokland in Baarn, opgericht in 1959, worden gedrukt door andere, soms commerciële, soms private press-drukkers. Dat geldt ook voor de uitgaven van de commerciële uitgeverij AMO in Amstelveen die meer dan tweehonderd edities op de markt heeft gebracht die vaak door ‘private presses’ werden gedrukt, zoals die van Hein Elferink, Bram de Does en In de Bonnefant.

Naast het maken van kunstboekbanden en het binden van bibliofiele uitgaven in zijn Binderij Phoenix bracht David Simaleavich ook zelf bibliofiele boeken uit. Onder de namen Phoenix Editions en Dirty Trix liet hij tussen 1981 en 1991 een aantal boeken drukken bij professionele drukkerijen maar ook door private press-drukkers als Ger Kleis van Sub Signo Libelli, Ben Hosman van De Regulierenpers en vooral Rob Cox van De Veerpers. Veel werk was geïllustreerd en het bindwerk werd vaak verzorgd door Binderij Phoenix.

In de jaren tachtig en negentig verschenen er in enkele Nederlandse provincies bibliofiele projecten, waarbij de gemeenten in die provincie centraal stonden. Zo'n project bevatte per gemeente een bibliofiele uitgave van een literaire tekst met een origineel grafisch kunstwerk, gemaakt door mensen die iets met de betreffende gemeente te maken hadden. Zo publiceerde de Stichting Beeldende Kunst Gelderland te Arnhem van 1987 tot 1990 Gelderland in proza, poëzie en prenten in negentig delen, gedrukt door Het Drukhuis in Oosterbeek, in een oplage van 120 exemplaren met illustraties in zeefdruk.

De privé-uitgave De blijde en onvoorziene week die Hugo Claus en Karel Appel maakten in Parijs in 1950, werd eenvoudig vermenigvuldigd op een kopieermachine en door Appel met de hand ingekleurd in een oplage van 200 exemplaren. Het is één van de eerste Nederlandse ‘artists books’. Typerend voor dit genre is, dat het gehele boek, de inhoud en de vormgeving, in handen is van de kunstenaar. De boeken en boekjes worden gemaakt door een jonge generatie van kunstenaars, in allerlei vormen, in soms heel kleine en soms zeer grote oplagen, en in allerlei technieken van lino en litho tot zeefdruk en kleurenprint en met typografie in lood en laserprint. Zij gaan een steeds groter en aantrekkelijker deel van die bijzondere boekcultuur van het marginale boek uitmaken. Ze worden uitgegeven in eigen beheer en commerciële overwegingen zijn over het algemeen ver te zoeken.

De kleine niet-commerciële uitgeverij Snood van de kunstenares Els ter Horst in Amsterdam die, meestal alleen, soms met anderen, één à twee boekjes per jaar produceert, is een voorbeeld van zo’n uitgeverij van kunstenaarsboeken die weinig verschilt van een hedendaagse private press die volop gebruik maakt van kleurrijke zeefdrukken.

Avantgardisten en surrealisten

Veel avant-gardestromingen en bewegingen in de twintigste eeuw, zoals futurisme, dada, CoBrA, Fluxus en conceptualisme, brachten eigen uitgaven voort, van boeken en pamfletten tot tijdschriftjes en plano’s in allerlei typografische en grafische technieken. Het meest bezig met dit soort uitgeefactiviteiten waren de surrealisten.

Onder het uitgeversmerk Éditions surréalistes en tientallen andere imprints verschenen vanaf 1926 in Frankrijk en al snel over de gehele wereld door de surrealisten zelf geproduceerde boeken en tijdschriften. Het gaat om uitgaven in eigen beheer, van de auteur en/of de kunstenaar, op hun aanwijzingen vervaardigd of geheel zelf geproduceerd. Het zijn kunstenaarsboeken, min of meer kostbare genummerde en gesigneerde boekuitgaven met oorspronkelijke grafiek, maar ook ‘livres-objet’, plano’s, tijdschriften, eenvoudige, soms primitieve producties die vermenigvuldigd zijn door middel van stencil, klein-offset en xerografie.

In Nederland maakte vanaf 1961 de surrealistische schilder en ontwerper J.H. Moesman enkele bijzondere drukwerken, zoals in 1975 een aflevering van het tijdschrift Brumes blondes onder de titel Op engelvoeten/À pas de loup, gezet uit de door hem zelf ontworpen letter Petronius. Het internationale tijdschrift Brumes blondes was opgericht in 1964 door Her de Vries en Laurens Vancrevel, eerst gestencild, later in offset, en onder hetzelfde imprint verschenen ook enkele surrealistische boeken waaronder de handgezette portefeuille Geschonden woud (1975) met tekst van Laurens Vancrevel en litho’s van de schilder Rik Lina die ook de initiatiefnemer was van het tussen 1987 en 1992 verschenen tijdschrift Droomschaar.

De Amsterdamse kunstenaar en apotheker Oey Tjeng Sit maakte vele boeken, boekjes en plaquettes, met tekeningen, teksten, lino’s, scheursels, de meeste onder het imprint De Vingerpers, zijn eenmansuitgeverij die actief was tussen 1971 en 1986. En dan zijn er nog de ‘livres-objet’ als een sigarenkistje of een fles water en ‘feuilles-volantes’, intrigerende plaquettes, vreemde tijdschriftjes, collages, ongewone letters en materialen; de boeiende surrealistische uitgeefwereld is grenzeloos. Het tijdschrift Brumes blondes en de gelijknamige bibliofiele uitgeverij laten sinds 2004-2005 weer een groeiende activiteit zien. (KT/CdW)

Karel Appel, Hugo Claus,*De blijde en onvoorziene week. *Parijs, Cobra-bibliotheek, 1950

Karel Appel, Hugo Claus,*De blijde en onvoorziene week. *Parijs, Cobra-bibliotheek, 1950. KB: 43 F 25. (KB: JU)

Geurt van Dijk, Els ter Horst,*Omtrent ’t onvermijdelijke, wat moet dat moet. *Amsterdam, Uitgeverij Snood, 1986.

Geurt van Dijk, Els ter Horst,*Omtrent ’t onvermijdelijke, wat moet dat moet. *Amsterdam, Uitgeverij Snood, 1986. MM: Ku 0068. (KB: JU)

Jan Tschichold,*Typotrash. *Antwerpen, Het Gonst, 2003.

Jan Tschichold,*Typotrash. *Antwerpen, Het Gonst, 2003. MM: pp ned Gonst 2003.02. (KB: JU)

Grafische musea en grafische werkplaatsen

Enkele hedendaagse drukkers in de marge, zoals de Avalon Pers van Jan Keijser en De Ammoniet van Gerard Post van der Molen, werken actief en bewust mee aan de instandhouding van het oude ambacht en het bewaren van grafische technieken en materialen. Daarmee vertonen zij een belangrijke overeenkomst met de grafische musea die als hoofddoelstelling hebben het behoud van grafisch erfgoed in Nederland.

Er bestaat in Nederland geen nationaal grafisch museum. De plannen die in de jaren dertig van de vorige eeuw bestonden voor een Museum voor de Grafische Vakken in Utrecht liepen na de Tweede Wereldoorlog op niets uit. Er is geen museum in Nederland waar de bezoeker de rijke geschiedenis van de Nederlandse boekdrukkunst en grafische technieken tentoongesteld vindt, met internationaal bekende namen als die van Blaeu, Janssonius, de Enschedé’s, Jan van Krimpen en vele anderen.

Wel zijn er in Nederland een kleine dertig grafische musea, waar technieken als hoogdruk, steendruk en soms ook boekbinden en papiermaken in stand worden gehouden en aan een geïnteresseerd publiek worden gedemonstreerd. Zij verschillen onderling sterk, van klein en amateuristisch (in de beste zin van het woord), tot omvangrijk en professioneel, met enthousiaste medewerkers, meestal vrijwilligers en oud-grafici, zoals het Grafisch Museum in Groningen of de drukkerijmusea in Meppel en Etten-Leur.

Drukkerij Die Haghe in Voorburg was een museum-drukkerij: een oud bedrijf gedreven door liefhebbers van het vak, die bijzondere opdrachten voor klanten verwerkten en zo probeerden het oude bedrijf in stand te houden. Verreweg de belangrijkste historisch-grafische collectie in Nederland is die van het Museum Enschedé, waar de complete en unieke bedrijfsgeschiedenis van de firma Joh. Enschedé & Zonen, de drukker van onder meer de bankbiljetten en de postzegels, vanaf de achttiende eeuw wordt bewaard en waar zich onder andere één van de grootste en meest veelzijdige collecties stempels en matrijzen ter wereld bevindt.

Er zijn in Nederland tenminste twintig grafische werkplaatsen. Kunstenaars en liefhebbers kunnen er aan de slag met materialen en persen, er worden cursussen en workshops gegeven, demonstraties gehouden, soms kleine tentoonstellingen georganiseerd en eigen producties vervaardigd. Als er behalve etstechnieken, litho en zeefdruk ook hoogdruk en typografie wordt beoefend, liggen ze dicht tegen de margedrukkers aan en in feite is er lang niet altijd een duidelijk onderscheid te maken, of het moet liggen in het individuele van de private press tegenover het collectief van de werkplaats.

Maar ook de werkplaats heeft zijn individuele kanten: het volstrekt eigen en unieke werk van Hester Verkruissen werd lange tijd gedrukt op de persen van het Grafisch Centrum in Groningen. Ook zijn de werkplaatsen vaak de bakermat van het experiment, de creatieve broedplaatsen waar typografen en kunstenaars elkaar ontmoeten, zoals het Drukhuis en Typotent, maar tegelijk zijn zij net als de grafische musea en de drukkers in de marge tot op zekere hoogte ook de bewaarders van het grafische erfgoed. Ook aan de kunstopleidingen zijn vaak (typo-)grafische werkplaatsen verbonden waar boeken en boekjes worden gemaakt door docenten en studenten grafische vormgeving.(KT/CdW)

*Letterproef. Grafisch Centrum Groningen. *Groningen, Grafisch Centrum Groningen, 2004

*Letterproef. Grafisch Centrum Groningen. *Groningen, Grafisch Centrum Groningen, 2004. p. ‘Arsis corps 28 en 36’. MM: Obj. 1002. (MM)

*Letterproef. Grafisch Centrum Groningen. *Groningen, Grafisch Centrum Groningen, 2004

*Letterproef. Grafisch Centrum Groningen. *Groningen, Grafisch Centrum Groningen, 2004. p. ‘Horn van Loevezijn’. MM: Obj. 1002. (MM)

Institutionele verzamelaars

Behalve particuliere verzamelaars zijn er enkele instellingen in Nederland die private press-uitgaven verzamelen en bewaren. Allereerst is er de Koninklijke Bibliotheek. In het Depot van Nederlandse publicaties, waar sinds 1974 van alles wat in Nederland verschijnt één exemplaar wordt bewaard, bevindt zich de grootste openbare collectie Nederlandse private press. Dat komt doordat van meet af aan een groot aantal drukkers in de marge tamelijk trouw één exemplaar heeft toegestuurd. Daarin schuilt een wederzijds belang: niet alleen wordt één exemplaar goed bewaard, maar ook wordt de titel opgenomen in de Nederlandse bibliografie en laat het boek zo een klein maar niet onbeduidend spoor achter in de Nederlandse cultuurgeschiedenis.

Ver vóór de oprichting van het Depot was de KB begonnen met het verzamelen van private presses. Aan in het begin van de twintigste eeuw bestonden er in de KB plannen voor een ‘museum van het boek’ waarin ook eigentijdse bibliofiele uitgaven een plaats hadden. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de KB op veel van de bibliofiele series uit de jaren twintig en dertig een abonnement had genomen. Vaak was dat exemplaar nummer 13: het getal 13 was nu eenmaal geen aantrekkelijk nummer voor een particuliere verzamelaar.

In de jaren vijftig verwierf de KB veel binnen- en buitenlandse private press-uitgaven, bestemd voor een op te richten Museum van het Boek in Museum Meermanno dat toen met de KB verbonden was. Hoogtepunt daarbij was de verwerving van de gehele productie van de Kelmscott Press van Wiliam Morris in een in zijn atelier vervaardigde kast. Maar veruit de belangrijkste collectie was die van M.R. Radermacher Schorer, geschonken in 1956, die bij de opening van het Museum van het Boek in 1960 de basis van de moderne collectie boekkunst vormde.

Vanaf 1960 ontwikkelde Museum Meermanno een actief verzamelbeleid voor private press-uitgaven. Al snel leverde een groot aantal drukkers in de marge om niet een exemplaar aan Museum Meermanno en mede daardoor is het belang van de collectie Nederlandse private press vergelijkbaar met die van de KB. Maar de unieke positie van Museum Meermanno op het gebied van de moderne boekkunst komt niet alleen door de collectie Nederlandse private press-uitgaven, maar ook door de aanwezigheid van een groot aantal archieven en van een omvangrijke en representatieve verzameling buitenlandse persen.

Museum Meermannno is onmiskenbaar het centrum van de Nederlandse boekcultuur. De grondslag daarvoor wordt gevormd door de rijke collecties middeleeuwse handschriften, incunabelen en oude kostbare werken, en de moderne verzamelingen bibliofiele uitgaven en private press-boeken, maar ook door de grootste ex-librisverzameling ter wereld en de verzameling industriële boekbanden. Ook voert Museum Meermanno al jaren een dynamisch tentoonstellingsbeleid en een lezingen- en evenementenprogramma, waardoor de Nederlandse en buitenlandse bibliofilie en boekkunst, maar ook vele afzonderlijke ontwerpers, kunstenaars en persen onder de aandacht van een geïnteresseerd publiek worden gebracht.

Andere omvangrijke collecties in Nederland bevinden zich bij de Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam waarbij met name genoemd kunnen worden de verzamelingen van de Koninklijke Vereniging van het Boekenvak en van de Lettergieterij ‘Amsterdam’. In de Universiteitsbibliotheek van Leiden bevindt zich een verzameling bibliofiele uitgaven, als onderdeel van de bibliotheek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde. De Zeeuwse Bibliotheek in Middelburg bezit een grote collectie drukwerk in de marge dankzij het jarenlange actieve verzamelbeleid van conservator Ronald Rijkse. Het Stedelijk Museum in Amsterdam kreeg in 1932 en latere jaren een groot deel van de bibliofiele collectie Nederlandse boekkunst van M.B.B. (Bob) Nijkerk ten geschenke.

De grootste verzamelingen in het buitenland bevinden zich meestal in de nationale bibliotheken: in Engeland in The British Library, hoewel hierbij ook St Bride Library in Londen en The Bodleian Libray in Oxford genoemd moeten worden, in Duitsland de Deutsche Nationalbibliothek (Berlijn, maar vooral Leipzig met daarbij het Deutsches Buch- und Schriftmuseum), in Frankrijk de Bibliothèque nationale en in België de Koninklijke Bibliotheek Albert I in Brussel, maar ook de Erfgoedbibliotheek Hendrik Conscience in Antwerpen. (KT/CdW)

Het hybride boek, het digitaal vervaardigde boek

In het midden van de jaren tachtig brak Desk Top Publishing (DTP) definitief door. In 1985 bestond DTP uit drie componenten: de Apple Macintosh Computer (1984), de Apple LaserWriter (1985) en het programma PageMaker (1985). Al snel volgden de concurrenten met vergelijkbare systemen; vooral Microsoft, dat daarbij de Windows interface ontwikkelde voor het MS-DOS-systeem voor de IBM-personal computer en zijn talrijke klonen.

Al eerder was de personal computer een betaalbare ‘thuiscomputer’ geworden met tekstverwerkingsprogramma’s als WordPerfect maar de verbinding van de computer met de printer was lange tijd een probleem: tekst- en pagina-opmaak, en soms verschillende lettertypen verschenen wel op het scherm maar kwamen niet uit de printer. Die was in de jaren tachtig dan ook heel wat simpeler dan nu: een printer met inktnaaldjes die letters opbouwden, of een ronddraaiend wieltje als opvolgers van de elektrische IBM-typemachines met correctiemogelijkheden, of een printer met inktspuitmondjes, een vereenvoudiging van dure grafische printers en de voorloper van de deskjetprinter. DTP van Apple, de PostScript-letters en -opmaak van Adobe Systems, later in samenwerking met Microsoft gevolgd door TrueType (1991) en OpenType (1996) betekenden, samen met het PDF-formaat (circa 1993) van Adobe, een revolutie in de grafische wereld.

Hoewel in eerste instantie ontwikkeld voor het grafische bedrijf en de typografisch ontwerper, bleek al snel dat hier een veel grotere markt voor was: bedrijven, kantoren, verenigingen en instellingen en ten slotte particulieren, die zelf een huisstijl, reclame, nieuwsbrieven en klein-drukwerk vervaardigden. Er ontstond een hausse aan zelf ontworpen letters en vormgeving, die overigens enige jaren later weer tot bedaren kwam toen bleek dat dit toch vakwerk was. In snel tempo kwamen er steeds betere printers op de markt, met steeds grotere snelheden en steeds hogere resoluties, en steeds beter betaalbaar, van grote zware zwart-wit-laserprinters tot simpele bureau-uitvoeringen en colorlaser-printers, en, in het kielzog van de digitale fotografie, steeds geavanceerdere deskjetprinters met fotoprint-techniek voor steeds meer grijstonen.

Word van Microsoft werd het standaard tekstverwerkingsprogramma, PDF van Adobe de standaard voor documentuitwisseling en beide konden uitstekend communiceren met allerlei soorten printers. Voor de gevorderden is er grafische software als InDesign en Photoshop van Adobe die ook voor leken beschikbaar kwam. Tegenwoordig kan iedereen met een niet al te grote investering in apparatuur en software en met een flinke dosis enthousiasme heel behoorlijk eigen drukwerk en boekjes maken.

Sommige private press-drukkers zagen in deze ontwikkelingen al vroeg een kans. Voor grote stukken tekst, of juist voor iets extra’s, een experiment of een grapje, of om wat anders in lood werd gedaan, nu eens geheel op de computer te doen, verschenen al in de jaren negentig allerlei combinaties van lood en digitale techniek: het hybride boek. Eén stap verder betekende een geheel in digitale technieken tot stand gekomen boek.

Zoals bij het begin van de beweging van drukwerk in de marge in de jaren zeventig zijn er ook nu bij het begin van het digitaal vervaardigde boek verschillende richtingen zichtbaar. Zo zijn er de grafische kunstenaars die met printtechnieken als piëzografie of met digitale fotografie en professionele kleurenprint een nieuwe weg inslaan, en zo boeken maken die als ‘artists’ books’ de wereld ingaan. Daarnaast zijn er de typografisch ingestelde private press-drukkers die met de computer en de printer de klassieke typografie in lood nastreven, of willen evenaren en zelfs overtreffen. Dan gaat het als vanouds over de keuze van het lettertype, de lay-out, fraai papier, en een aansprekende tekst.

Zo bezien is er met het digitale private press-boek niets nieuws onder de zon: het plezier van het boeken maken, het streven naar kwaliteit, het gebruik van de beste materialen, een bijzondere aandacht voor tekst en vormgeving en een zekere mate van creativiteit en exclusiviteit; het zijn kenmerken die voor het private press-boek in welke techniek dan ook gewoon blijven gelden. Maar de fervente aanhangers van het lood zullen wel altijd misprijzend blijven neerzien op het digitale boek, dat immers geen ‘moet’ vertoont, niet zo scherp en diep zwart in de inkt is, en zijn beperkingen bij de papierkeuze heeft. (KT/CdW)

Drukkers/printers van het hybride boek

Een van de eersten die de moderne elektronica omhelsden, was Cees van Dijk die eerst samen met Sem Hartz op de Tuinwijkpers drukte en in 1972 de Carlinapers was begonnen. Na zijn verhuizing naar Oosterhesselen in Drenthe in de jaren tachtig werkte hij daar met een elektronische schrijfmachine voor zijn Agri Montis Pers en vanaf 1990 gebruikte hij een computer en laserprinter voor De Klencke Pers.

Karli Frigge, bekend als marmerkunstenares, maakte in de jaren negentig enkele boeken waarvan de tekst op de computer is vormgegeven en waarin monsters of proeven van haar marmerpapier zijn geplakt. Het zijn inmiddels gezochte verzamelobjecten, evenals de handgeschreven boekjes met haar marmermonsters die verschenen in oplagen van vier en acht exemplaren. Ben Hosman van De Regulierenpers schakelde begin jaren negentig over van het lood op de computer, eerst in zwart-wit, later ook in kleur.

Bert van Kempen, docent aan de Academie voor Beeldende vorming in Tilburg maakte met behulp van diverse printers in eigen beheer een serie boekjes over typografie en poëzie. De serie noemde hij Prototypen en tussen 1997 en 2007 verschenen meer dan dertig delen in meestal zes tot acht, en maximaal tien exemplaren (bijna compleet aanwezig in de Koninklijke Bibliotheek door een schenking na zijn overlijden). In Prototype 33 uit 2003, vormgegeven in QuarkXPress en geprint op een Epson Stylus Photo, vertelt hij over zijn kennismaking met letters, schrift en boek en over bibliofiel drukwerk en het uitgeven in de marge. Ook de Haagse Althaea Pers (Jos Swiers) maakt voor de meer dan honderd uitgaven uitsluitend gebruik van moderne technieken.

Onder de vijftig mooiste marginale uitgaven uit 2002-2003 was van 34 uitgaven het binnenwerk geheel gedrukt in boekdruk, 4 waren in boekdruk en zeefdruk, en 4 in boekdruk in combinatie met een digitale printtechniek (3 x inkjet en 1x piëzografie). Vier jaar later, in 2006-2007, was van de vijftig mooiste marginale uitgaven het binnenwerk van 25 uitgaven, nog maar de helft dus, geheel in boekdruk gedrukt, 4 in boekdruk en een digitale printtechniek, 3 geheel met de laserprinter en 4 geheel met een andere digitale printtechniek (de overige zijn in zeefdruk, linosnede, offset, alleen of in combinatie met boekdruk).

Zo zond René Bakker van de Atalanta Pers een bundel nagelaten gedichten van Pierre Kemp in, Kleine avond (2007), een ‘klassieke’ uitgave van een ‘klassieke’ pers, zoals de jury zegt ‘een verfijnd samenspel van kleur, typografie en tekst’, gedrukt in piëzoprint, laserprint en boekdruk. Iets geheel anders is Maybe Postmodern (2007), door Hyo Kwon geschreven en vormgegeven, geheel geprint in 279 bladzijden in 4 exemplaren, waarbij de jury opmerkt: ‘Men kan spreken van een typografische polyfonie’, of het Typografisch handboek (2007), vormgegeven door 34 studenten Grafisch ontwerpen van de Artez Hogeschool voor de Kunsten Arnhem, gedrukt in laserprint in vijftig exemplaren. De tijd van de dochter (2006) van Willem Wout de Klerk werd vormgegeven door Studio Braam en gedrukt (688 bladzijden) door stencildrukkerij KNUST in zestig exemplaren in digitale stencildruk, volgens de jury ‘nu reeds een collector’s item’.

Wie met enige regelmaat de Boekkunstbeurs bezoekt, of wie de portrettengalerij van 1985 vergelijkt met die van 2000, kan het niet ontgaan: het lood vergrijst, de drukkers worden ouder en er is weinig nieuwe aanwas. Het ziet ernaar uit dat steeds minder jonge mensen tijd, ruimte en geduld genoeg hebben om met lood te werken. Bovendien zullen de mogelijkheden steeds beperkter worden: wie nu nog loden letter en een pers wil aanschaffen is aangewezen op wat drukkers in de marge die ermee stoppen, op de markt brengen, al het overige is praktisch verdwenen.

De nieuwe generatie liefhebbers van het boeken maken koopt gemakkelijker een computer en een kleurenprinter. Of zij gaan gebruik maken van illustratietechnieken als zeefdruk of digitale fotografie. Ook lijkt de moderne Nederlandse literatuur wat weg te ebben uit het drukkerscircuit en zijn de ‘private presses’ minder dan voorheen de voorhoede van hedendaagse poëzie of de brengers van nog onontdekte parels. Daar staat tegenover dat de samenwerkingsprojecten van de drukkers onderling een uniek verschijnsel in de internationale private press-wereld vormen en vaak prachtige resultaten opleveren.

Bij het tienjarig bestaan van de Stichting Drukwerk in de Marge in 1985 schreef Ernst Braches: ‘Is straks een Drukwerk in de Marge denkbaar dat alleen uit typografen bestaat? Mij dunkt van niet. De huidige ontwikkelingen in de offsetdruk, reproduktietechnieken, het fotografisch zetten en de niet te versmaden ontwikkelingsmogelijkheden van printer en microcomputer houden een wereld van ongekende alternatieve mogelijkheden in’. Het bleken profetische woorden.

Nu, vijfentwintig jaar later, bloeit de private press in Nederland als nooit tevoren. Wel zien wij een verschuiving van het drukken in lood en hoogdruk naar laserprinter en kleurenprinter. Hoe het over vijfentwintig jaar zal zijn, zal niemand durven voorspellen maar wel zullen er nog steeds mensen zijn die met veel zorg en liefde mooie boeken en boekjes maken, met aandacht voor typografie, lay-out en papier, in allerlei verschillende technieken, en een zekere mate van creativiteit en exclusiviteit. (KT/CdW)

Vier uitgaven van De Klencke Pers, Oosterhesselen, 1990-1991: J.C. Bloem, Clara Eggink, A.A.M. Stols,*Vriendschap en verwijdering. Brieffragmenten.*1990, wrapper (KB: KW DPA 0248); C. van Dijk,*Sjoerd H. de Roos. Vóór zijn letters hem beroemd maakten.*1991, titelpagina en frontispice (KB: KW KPA 0385); H.G. Cannegieter,*’t Is altijd wat moeilijk over zichzelf te praten. Een gesprek met Jan van Krimpen.*1990 (KB: KW DPA 0243); Ernst Braches,*Invaart.*1990

Vier uitgaven van De Klencke Pers, Oosterhesselen, 1990-1991: J.C. Bloem, Clara Eggink, A.A.M. Stols,Vriendschap en verwijdering. Brieffragmenten.1990, wrapper (KB: KW DPA 0248); C. van Dijk,Sjoerd H. de Roos. Vóór zijn letters hem beroemd maakten.1991, titelpagina en frontispice (KB: KW KPA 0385); H.G. Cannegieter,’t Is altijd wat moeilijk over zichzelf te praten. Een gesprek met Jan van Krimpen.1990 (KB: KW DPA 0243); Ernst Braches,Invaart.1990 (KB: KW DPA 0074). (KB)

Leo Vroman,*Achtduizend seizoenen*. Baarn, Atalanta Pers, 1999

Leo Vroman,Achtduizend seizoenen. Baarn, Atalanta Pers, 1999, p. 10-11. MM: pp ned Atalanta 56. (MM)

Bert van Kempen (second from left), in the painters’ class of the trade school Tilburg, 1956

Bert van Kempen (second from left), in the painters’ class of the trade school Tilburg, 1956. KB: KW DPK 1318. (KB)

Bert van Kempen,*Prototype 33: enkele opmerkingen over mijn kennismaking met letters, schrift en boek; over bibliofiel drukwerk en het uitgeven in de marge. *Moergestel, Bert van Kempen, 2003

Bert van Kempen,*Prototype 33: enkele opmerkingen over mijn kennismaking met letters, schrift en boek; over bibliofiel drukwerk en het uitgeven in de marge. *Moergestel, Bert van Kempen, 2003, title page. KB: KW DPK 1318. (KB)

Charles Ricketts,* Een nieuwe God. *Den Haag, Tight End Press, Canto Pers, 1995

Charles Ricketts, *Een nieuwe God. *Den Haag, Tight End Press, Canto Pers, 1995, p. 8. KB: KW DPA 1366. (KB)

Terug naar de indexpagina webexpositie Private Press.