Het bijzondere boek in de Tweede Wereldoorlog

Deze pagina is onderdeel van de webexpositie Private Press.

In september 1944 publiceerde de dichter Bertus Aafjes (1914-1993) zijn Kleine katechismus der poëzie. Die begon hij badinerend met de opmerking: 'Als men heden ten dage uitgaat om een lezer te zoeken, komt men met tien auteurs thuis'. Was hij uitgever geweest, dan had Aafjes op net zo spottende manier een soortgelijke opmerking kunnen maken over het surplus aan clandestiene uitgeverijtjes die tijdens de Tweede Wereldoorlog floreerden. Aafjes zelf was tijdens de oorlog een van de productiefste auteurs op dat vlak. Zijn Kleine katechismus der poëzie verscheen bij A.A. Balkema, maar clandestiene uitgaven van zijn hand verschenen ook bij A.A.M. Stols, G.W. Breughel, Mansarde Pers, Molenpers, Piet Worm, Contact, Klaas Woudt, G.A. van Oorschot en Arya Plaisier, terwijl hij tegen het eind van de oorlog zelfs nog een bundel in eigen beheer uitbracht. Sommige van die uitgevers, zoals Stols, behoorden tijdens de oorlog tot degenen met de hoogste clandestiene productie, andere hielden het bij een enkel uitgaafje.

De vormgeving van reguliere uitgaven werd gaandeweg de oorlog steeds soberder. Behoorlijk papier werd schaars en uitgevers werden steeds vaker gedwongen hun uitgaven op houthoudend papier te drukken. Ook de kwaliteit van het zetwerk had te lijden onder het gebrek aan lettermateriaal. Bij Stols, die voor de oorlog een van de belangrijkste bibliofiele uitgevers was, verschenen nog wel enkele delen in zijn Halcyon-reeks, maar dit waren (naast teksten die bij het uitbreken van de oorlog al in productie waren genomen) voornamelijk Duitse klassieken en de jeu was er wel af. L.J.C. Boucher hervatte zijn reeks Folemprise pas na de oorlog en de voorgenomen tweede reeks van Ursa Minor, waarvan net als bij Folemprise in 1939 het laatste deel verschenen was, kwam er niet. Bijzonder drukwerk was te vinden bij de ruim 1000 clandestiene uitgaven die er tijdens de oorlog verschenen en waarbij de beperkende maatregelen van de bezetter konden worden omzeild. Mondjesmaat, dat wel.

Clandestien en illegaal

De eerste clandestiene uitgeverij in Nederland is waarschijnlijk De Blauwe Schuit met haar uitgave van het gedicht Het jaar 1572 van M. Nijhoff. De Blauwe Schuit behoorde mét Balkema, De Bezige Bij, Jaap Romijn en Stols tot de uitgevers die het grootste aantal clandestiene publicaties op hun naam kregen. Het gedicht van Nijhoff, een rijmprent, werd eind december 1940 door H.N. Werkman gedrukt in een oplage van 100 exemplaren en geïllustreerd met een houtdruk door Jan Wiegers.

Er bestaat een onderscheid tussen clandestien en illegaal drukwerk. Het laatste richtte zich rechtstreeks tegen de bezetter en was in de minderheid. De Blauwe Schuit, Stols en andere collega-uitgevers verspreidden niet of nauwelijks illegale uitgaven. Hoewel ook van de uitgaven van de Mansarde Pers beweerd werd dat met de opbrengst een aantal onderduikers in leven werd gehouden, hebben vermoedelijk toch alleen de uitgaven van De Bezige Bij een illegaal karakter, doordat de opbrengst ten goede kwam aan het verzet. Van de 54 clandestiene uitgaven van Stols zijn er bijvoorbeeld slechts vijf als illegaal aan te merken, gericht tegen de bezetter, de overige hadden een min of meer onschuldig karakter.

Volgens Stols' toenmalige medewerker Huib van Krimpen liet hij nooit de opbrengsten van zijn uitgaven ten goede komen aan het verzet of aan ondergedoken schrijvers, al stond in het colofon van het gedicht Visie (1945) van Elisabeth van Maasdijk dat de opbrengst bestemd was 'voor slachtoffers van de huidige tyrannie'. De journalist en schrijver H.M. van Randwijk deed tijdens de oorlog in het verzetsblad Vrij Nederland het merendeel van de clandestien uitgegeven bundeltjes die niet expliciet tot verzet opriepen af als 'esthetische ijdeltuiterij'. Ook de dichter Klaas Heeroma, zelf actief met zijn uitgeverijtje In Signo Piscium, zag achteraf weinig heldhaftigs in de meeste clandestiene uitgaafjes en verdacht zijn collega-uitgevers ervan dat ze die vooral om zakelijke redenen publiceerden. De argwaan van Van Randwijk en Heeroma had stellig enige grond, want zelfs Werkman leek niet vrij van commerciële bijbedoelingen met De Blauwe Schuit. Half 1944 schreef hij aan Ate Zuithoff (met August Henkels en Adri Buning verantwoordelijk voor deze uitgeverij): 'Je kunt per saldo ook te veel hooi op de vork nemen en niets anders gaan doen dan omslagjes drukken maar daar voel ik toch niet bijster veel voor. Wij moeten de B.S. [Blauwe Schuit] niet in gevaar brengen en daarvoor bestaat wel gevaar. De uitgevers komen bij legio te voorschijn en om daar alleen wat aan te verdienen zonder je hart er aan te verpanden doe ik liever niet om zooveel mogelijk tijd te houden voor het drukken van de unica die ook hun geld opbrengen met weinig moeite'.

Dat clandestiene uitgaven vooral een commercieel doel dienden, blijkt uit de vaak hoge prijs die ervoor gevraagd werd, daarbij gebruikmakend van de schaarste aan boeken. Zelfs de altijd in geldnood verkerende Aafjes vond de prijs van 50 voor zijn bij de Mansarde Pers verschenen bundel Omne animal te gortig: 'een vreselijke prijs', schreef hij aan uitgever Bert Bakker: iedereen dacht nu dat hij 'in de zwarte handel der letters gegaan' was.
W.Gs. Hellinga, die met A.A. Balkema en Jan van Krimpen verantwoordelijk was voor de Vijf Ponden Pers, zei later: 'Er was geen moed voor nodig voor het doen verschijnen van deze boekjes en evenmin voor het verspreiden ervan'. Maar Jaap Romijn, die in Utrecht vanaf april 1942 de clandestiene Schildpad-reeks publiceerde, beklemtoonde in een interview dat de voornaamste impuls voor de clandestiene uitgaven toch 'het gevoel van vrijheid in een onvrije tijd' is geweest.

Gevaar

Drukkers van clandestiene literaire uitgaafjes liepen in het algemeen niet zo’n heel groot gevaar. Werkelijk gevaar dreigde voor de drukkers van illegale publicaties. Jaap Romijn vertelde echter over de Utrechtse drukker Jan Hendriks: ‘Alhoewel Jan Hendriks in de vijf oorlogsjaren, achter een ondergordijntje waar iedereen overheen kon kijken, bijna niets anders gedrukt heeft dan illegalia’ - waaronder Vrij Nederland, Je maintiendrai, Het parool, De waarheid en uitgaven van De Bezige Bij – ‘heb ik hem nooit onrustig gezien. Toen twee straten verder twee drukkers waren gegrepen – die op het eind van die dag op het fort De Bilt werden doodgeschoten – en hem werd aangeraden een straatje om te lopen, vond hij dat niet nodig omdat de legitimatiekaarten voor de B.S. [Binnenlandse Strijdkrachten], die hij juist, alvast voor na de Bevrijding, gedrukt had, in de kelder onder de kolen lagen’.

Elders vertelde hij het verhaal net iets anders en gaf hij meer gegevens over dit incident, dat betrekking heeft op het door hem uitgegeven en door Fedde Weidema geïllustreerde Vier gorgelrijmen (1944) van C. Buddingh’, ‘de mooiste en grootste van al mijn oorlogsuitgaven’: ‘Het binnenwerk van het boek werd gedrukt door Jan Hendriks, aan de Van Asch van Wijkkade te Utrecht, het omslag door de UTA, een kleine coöperatieve drukkerij aan de Ambachtsstraat’ – dat was de Utrechtsche Typografen Associatie, die ook veel drukte voor De Bezige Bij. ‘Toen daar de afgedrukte omslagen tezamen met een exemplaar van het binnenwerk gereed lagen, vond er een inval plaats. Voor de balie troffen de twee mannen van de Grüne Polizei een zekere Geuze aan, directielid van de grote Utrechtse drukkerij P. van Boekhoven, die toevallig was komen aanlopen. Hij werd gefouilleerd en uit zijn zakken kwam illegaal drukwerk tevoorschijn. Het drukkerijtje werd overhoop gehaald en het resultaat was voor de mannen voldoende om de enig-aanwezige drukker, Zuiderdorp, mede-eigenaar te arresteren. Samen met Geuze werd hij afgevoerd en in de middag van dezelfde dag werden zij op het fort De Bilt doodgeschoten. Behalve “De Stilte der Zee” van Vercors, een uitgave van De Bezige Bij, moeten de Duitsers bij de UTA het vouw-model van “Vier gorgelrijmen” gevonden hebben’.

Romijn zelf ondervond echter van zijn clandestiene uitgaven nooit hinder. De bij de Mansarde Pers betrokken Bert Bakker bood zelfs zijn clandestiene uitgaafjes gewoonweg aan bij de reguliere boekhandel. Drukkerij Trio, waar Stols in 1943 werkte, drukte slechts één van zijn illegale uitgaven, een strofe uit het Wilhelmus. Andere werden gedrukt bij Boosten & Stols of bij drukkerij Ando van zijn Haagse collega Fokko Tamminga. Bij vier van zijn vijf illegale uitgaven liep Stols daarom niet of nauwelijks risico. Het is daarnaast opmerkelijk dat in veel clandestiene publicaties zonder enige schroom auteursnaam en drukker werden vermeld. In alle Blauwe Schuit-uitgaven bijvoorbeeld staat nadrukkelijk de naam Werkman als drukker.

Werkman formuleerde in mei 1944 dat hij liever unica drukte die hem weinig moeite kostten en die geen gevaren opleverden, ‘zooals sluiting van de zaak of inbeslagneming van papier- en lettervoorraad met een boete’. Het geeft aan dat de Blauwe Schuit-onderneming vooral een bibliofiele was, niet bedoeld om de bezetter in enig opzicht schade toe te brengen. Wel zag Henkels in zijn herinneringen hun uitgaven als ‘kantteekeningen naast het wereldgebeuren van die dagen; een implicatieve commentaar, speculeerend op het begrip van de goede verstaander, die aan een half woord genoeg heeft’.

Henkels stelde nadrukkelijk dat ‘het aesthetische’ niet was wat De Blauwe Schuit zocht: ‘Wij drukten niet op kostbaar papier, want dat bezaten wij niet, en stelden ons tevreden met pakpapier en wat er toevallig te voorschijn kwam uit het kleine magazijn in een uithoek der zolders van het pakhuis. Om zeldzame lettersoorten gaven we niet; de lettervoorraad ter drukkerij was ook zeer beperkt’. De kleine oplagen ‘sproten niet voort uit snobisme, maar waren geboden door de methode van werken, die Werkman er vanouds op na hield: elk exemplaar is met de hand verlucht en dat laat geen groote oplagen toe’.

Juni 1943 schimpte hij tegenover Zuithoff over Balkema en consorten, die louter om esthetische redenen hun uitgaven zouden publiceren, dat de ‘5 Ponds-Pers’ (Vijf Ponden Pers) ‘een gezelschapje in Amsterdam’ was, ‘dat experimenteert om nieuwe wegen te vinden voor de drukkunst. “Actueele” en “implicatieve” beteekenis hebben hun edities niet; ze gokken alleen op de zogenaamde vrijheid die je hebt beneden de 5 ponds papier’.

Ook Henkels’ compagnon Zuithoff maakte onderscheid tussen De Blauwe Schuit en de concurrerende Groningse uitgeverij In Agris Occupatis en haar voornaamste reeks door te beweren dat ‘de opzet van De Blauwe Schuit totaal anders was in zijn doelstelling, namelijk geestelijk verzet: de Volière-reeks was enkel literair van inhoud’.

Henkels stelde de zaak achteraf heldhaftiger voor dan ze destijds werd ervaren. Dat bleek toen hij in juli 1943 aan Zuithoff over nieuwe plannen schreef en daarbij over De doode zwanen van S. Vestdijk meldde: ‘“Gevaar” zit in laatstgenoemde dingen heelemaal niet’, en dat terwijl Vestdijk zijn gedicht tijdens zijn gevangenschap in Sint-Michielsgestel had geschreven na de executie van een aantal gijzelaars. Ook werd de dan nog gegijzelde Vestdijk in augustus 1942 openlijk als vertaler genoemd in het colofon van Paul Verlaines Ballade van de twee olmen. Datzelfde overkwam Hendrik de Vries een maand later bij zijn Walhalla, dat zonder enige schroom werd uitgegeven met openlijke vermelding van auteursnaam en drukker.

Van Nijhoff is bekend dat hij moeite had met naamsvermelding of zelfs met het omfloerste ‘dichter’ of ‘schepeling’ van De Blauwe Schuit, dat de colofons soms opsierde. Nijhoffs bezwaar was vooral ingegeven door het feit dat hij zich niet bij de Kultuurkamer had aangemeld en dus een publicatieverbod had. Aan Henkels schreef hij over zijn vertaling van Charles d’Orléans’ Gebed om vrede: ‘als je denkt dat de B.S. [Blauwe Schuit] er niet buiten kan, neem het dan maar. Doch zend dan eens een voorstel aangaande de Colophon. Termen als “dichter van de B.S.” kunnen niet meer, sinds den vorige publicaties’.

C. Buddingh’,Vier gorgelrijmen.Met tekeningen van Radboud de Cadt. Utrecht, Jac P. Romijn, 1944, p. 4-5. MM: DJ 0130. (MM)

C. Buddingh’, Vier gorgelrijmen. Met tekeningen van Radboud de Cadt. Utrecht, Jac P. Romijn, 1944, p. 4-5. MM: DJ 0130. (MM)

C. Buddingh’,Vier gorgelrijmen.Met tekeningen van Radboud de Cadt. Utrecht, Jac P. Romijn, 1944, p. 8-9. MM: DJ 0130. (MM)

C. Buddingh’, Vier gorgelrijmen. Met tekeningen van Radboud de Cadt. Utrecht, Jac P. Romijn, 1944, p. 8-9. MM: DJ 0130. (MM)

De Kultuurkamer en censuur

Voor uitgevers, schrijvers en drukkers werden er tijdens de oorlog gaandeweg ettelijke belemmeringen opgeworpen. Allereerst was er het verplichte lidmaatschap van de Kultuurkamer (Verordeningenblad voor het bezette Nederlandsche gebied, 1941/211). Uitgevers, schrijvers en illustratoren moesten zich uiterlijk per 1 april 1942 aanmelden. De meeste reguliere uitgevers deden dat, want anders konden zij hun bedrijf niet langer uitoefenen. Dat ging niet altijd van harte.

‘Ik werd op het departement ontboden en mij werd voorgehouden dat ik niet ingeschreven stond bij de Kultuurkamer’, beweerde Stols in zijn herinneringen: ‘Ik kon er toen moeilijk onderuit om ter plekke officieel deze aanvrage in het bijzijn der heren in te vullen en me “op te geven”’, en: ‘Ik heb mij niet “aangemeld”, maar ben gedwongen daar op bovenomschreven manier te handelen’. Auteurs hadden er echter wel begrip voor als hun uitgever toetrad tot de Kultuurkamer. Zo schreef Ab Visser, die zelf weigerde toe te treden, aan Bert Bakker, directeur van de Haagse firma D.A. Daamen: ‘Ik begrijp dat je als uitgever bij ’t gilde moet, dat het tegenover je personeel zelfs een zedelijke plicht is’.

De Kultuurkamer werd onderverdeeld in een aantal gilden, die elk een bepaald vakgebied bestreken. Voor schrijvers die zich niet bij het Letterengilde aanmeldden, gold een publicatieverbod. Maar ook schrijvers die zich niet aanmeldden en dus formeel niet meer mochten publiceren, zagen soms kans quasi-legaal de Duitse maatregelen te ontduiken, doordat hun uitgevers tijdens de oorlog hun publicaties in een aantal gevallen antedateerden.

Tijdens de oorlog slaagden de meeste uitgevers er zonder veel problemen in hun magazijnvoorraden aan het hongerige lezerspubliek kwijt te raken. Ondanks de beperkingen gingen de zaken bij de meeste uitgevers tijdens de oorlog voorspoedig. Bakker verkocht in de oorlog bijvoorbeeld een voorraad van 5.000 exemplaren van het in 1923 door D.A. Daamen uitgegeven boek bij het zilveren jubileum van koningin Wilhelmina.

Geert van Oorschot, tijdens de oorlog werkzaam bij de Amsterdamse uitgeverij Querido, vertelde dat er een gretige markt was voor herdrukken, die vaak zwart, tegen contante betaling werden verkocht aan vertrouwde boekhandels. Sommige titels mochten niet langer verkocht worden.

Op Stols’ in augustus 1940 aangepaste ‘Fondscatalogus voorjaar 1940’ prijkte een etiketje met de wat omfloerste tekst: ‘N.B. Deze catalogus bevat enkele uitgaven, die door de tijdsomstandigheden uit de circulatie zijn genomen’. Niettemin was zijn omzet in de jaren 1941 tot en met 1943 een veelvoud van die in de jaren ervoor. Stols’ omzetcijfers lijken nog nooit zo gunstig te zijn geweest. En ze waren waarschijnlijk nóg rooskleuriger, want naast de officiële cijfers was er een aanzienlijke zwarte markt van zogenaamd uitverkochte of, soms (zoals in het geval van Bertus Aafjes) buiten medeweten van de auteur, clandestien herdrukte uitgaven (op een ‘verzwegen’ papiervoorraad), die tegen verhoogde prijzen van de hand gingen. Na de bevrijding ontving Stols over de oorlogsjaren volgens de destijds bij hem werkzame Jan Vermeulen een forse navordering van de belastingen.

Naarmate de bezettingstijd vorderde, raakten de voorraden echter uitgeput. De legale productie in de Nederlandse uitgeverij kelderde dramatisch van 10.000 nieuwe titels en herdrukken in 1938 naar 2000 in 1944. Stols’ productie van nieuwe uitgaven besloeg in 1940 nog geen twintig boeken, steeg in 1941 naar bijna vijftig, maar in 1943 en 1944 zakte dat aantal weer terug. Stols adverteerde op 30 april 1942 in het Nieuwsblad voor den boekhandel dat van zijn vóór 1942 verschenen uitgaven slechts 2 exemplaren per keer met een maximale korting van 25% konden worden besteld. Andere uitgeverijen schortten wegens grote vraag regelmatig de uitlevering van bestellingen op of weigerden nieuwe bestellingen aan te nemen.

Naast het verplichte lidmaatschap van de Kultuurkamer was er nog een aantal belemmerende zaken, zoals de censuur. Stols had daarmee, zoals de meeste uitgevers, regelmatig te maken, soms op initiatief van de bezettingsautoriteiten, soms ook op eigen initiatief. Daarbij vroeg hij regelmatig zonder enige gêne advies aan F.M. Huebner, van wie hij begin jaren dertig in de Halcyon-reeks een bundel publiceerde en die in Den Haag werkzaam was bij het Sonderreferat für Kulturaustausch en vervolgens Verwalter werd bij Kunstzaal Van Lier in Amsterdam. Bij dit soort kwesties voegden de uitgevers zich uit commerciële motieven zonder enig bezwaar naar wat de ambtenaren van het Departement van Volksvoorlichting en Kunsten voorschreven.

Fysieke belemmeringen

Schadelijker dan de Kultuurkamer en de censuur, waren echter de fysieke belemmeringen die de uitgevers en drukkers ondervonden. De latere uitgever Reinold Kuipers memoreerde in een terugblik dat drukkers gedurende de oorlog lood moesten inleveren, dat drukpersen niet werden opgeknapt of vernieuwd, dat letters en zetmachinematrijzen niet konden worden aangeschaft: ‘In een toch respectabele drukkerij functioneerde bijvoorbeeld een pers waar een vel papier scheef moest worden ingelegd om haar haaks bedrukt weer uit te krijgen’. Voor binderijen golden soortgelijke handicaps.

Van de moeilijkheden die drukkers in deze periode ondervonden, gaf het colofon van het door Johan van Eikeren vertaalde en geïllustreerde De legende van Krakus en de draak van C.K. Norwid genadeloos blijk. Deze clandestiene uitgave verscheen bij de Kameleon Pers van F.G. Kroonder en werd in 1944 gedrukt bij J.K. Smit en Zn. in Amsterdam. In dat colofon staat te lezen: ‘Gebrek aan stroom en lettermateriaal, een nijpend tekort aan voedsel en verwarming, razzia’s die de weg onveilig maakten, dit alles bracht steeds opnieuw wekenlange vertraging. Op een klein handpersje kon niet meer dan één pagina tegelijk worden afgedrukt en het was ook de beperking die dwong tot het gebruik van de niet als boekletter bedoelde Atlas- en Nobelletter’.

Ook Fokko Tamminga, die onder meer de uitgaven van de Mansarde Pers drukte, ondervond soortgelijke moeilijkheden. Er resteerden Tamminga nog maar enkele drukpersen toen hij in 1944 Omne animal van Aafjes drukte. Bij het begin van de oorlog beschikte Ando naast de gebruikelijke proefpers, voor zover bekend, over een oude Terno boekdrukpers, een of twee Heidelbergers, een Koenig & Bauer snelpers, twee Mercedes cilinderdrukautomaten en een Tip Top degelpers. Doordat de stroomvoorziening was afgesloten, moest Tamminga vanaf half juni 1943 de drukkerij sluiten. Na de sluiting moest een deel van zijn persen worden ontmanteld en naar Duitsland getransporteerd. Hij kon echter desondanks tot het einde van de oorlog met twee medewerkers op halve kracht doorwerken, want hij tapte clandestien stroom af bij het achterliggende militair hospitaal: ‘Zo hadden we tenminste stroom voor onze Terno die met een motor werd aangedreven. Dat was trouwens een machine met handinleg. Dus op de dagen dat de SS zijn controle verscherpt had, konden wij met de hand draaien’.

Bert Bakker omschreef het wordingsproces van Omne animal van de Mansarde Pers op een soortgelijke manier als Van Eikeren deed: Bij ‘gebrek aan voldoende letter’ werden de gedichten ‘gezet in stukken. B.v. eerst tien regels. Dan was de voorraad uitgeput. Gevolg, dat eerst dat gezette fragment moest worden gedrukt. Daarna werd het stuk uit elkaar gegooid. En met dat materiaal werd de rest gezet. Dat moest zonder onderbreken gebeuren’. Bakker schreef: ‘Een dag, dat ik verhinderd was en de zaak voortgang moest hebben, heeft Tamminga een vers gecorrigeerd. Gevolg: een fout. De boel was afgedrukt. Overdrukken van dat vel zou beteekend hebben: drie dagen stilstand en een verlies van 275 vel kostbaar Simili Japon’. Dergelijke barre omstandigheden vormden natuurlijk geen vruchtbare bodem voor bibliofiel drukwerk.

De eerste anderhalf jaar van de bezetting ging het er nog redelijk normaal aan toe. Stols bijvoorbeeld ontvouwde nog in februari 1941 aan J. Greshoff, zijn kort voor de oorlog naar Zuid-Afrika geëmigreerde voornaamste adviseur tijdens het Interbellum, een ambitieus programma. Er kon die eerste periode nog vrij papier worden gekocht uit de ruime voorraden die bij grossiers en papierfabrikanten aanwezig waren. Wel moest sinds half januari 1942 van elke nieuwe uitgave de kopij of de drukproef voorgelegd worden aan de Afdeeling Boekwezen van het Departement van Volksvoorlichting en Kunsten. Daarbij moest ook worden aangegeven hoeveel papier voor die uitgave nodig was. Een reguliere uitgeverij als Van Loghum Slaterus, die zich bij de Kultuurkamer had aangemeld, moest haar activiteiten drastisch beperken, zoals ze aan een van haar auteurs liet weten: ‘Wij hebben onze werktijd al ingekrompen, daar wij geen van allen nog wat te doen hebben, bij wijze van spreken, tenzij er wat schot in het geval komt’. De noodzaak van uitgaven van beperkte omvang in kleine oplage was voornamelijk ingegeven door papierschaarste of om de censuur en het verplichte lidmaatschap van de Kultuurkamer te omzeilen.

Papierschaarste

Een belangrijke belemmering bij het uitgeven was de al spoedig ingestelde papierdistributie, waardoor gaandeweg het benodigde papier voor uitgaven moeilijker kon worden verkregen. Uitgaven die met papier uit voorraad werden gedrukt, vielen buiten die regeling. Dat bood drukkers onbedoeld enige ruimte. Ook voor uitgaven waarvoor niet meer dan vijf kilo, later vijf pond papier nodig was, was geen toestemming nodig. De Amsterdamse boekhandelaar A.A. Balkema bracht om die reden een deel van zijn clandestiene uitgaven uit onder de uitdagende naam Vijf Ponden Pers. Van 1942 tot 1945 gaf hij vijftig clandestiene uitgaven uit, waarvan er zo’n twintig verschenen onder dat imprint. Initiatiefnemer voor de reeks was de toenmalige leraar Nederlands, later hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam, Wytze Gs. Hellinga, die ook de teksten uitkoos. Bij een aantal delen kregen zij voor de grafische vormgeving de medewerking van Jan van Krimpen die er ook voor zorgde dat enkele uitgaven bij Enschedé konden worden gedrukt.

De maatregelen van de bezetter werden echter soms ook gewoonweg ontdoken. Werkman ritselde het voor De Blauwe Schuit benodigde papier via zijn reguliere drukopdrachten. Dat baarde hem wel enige zorg. Zo schreef hij aan Henkels: ‘Ik moet in elk geval de uitgaven van de B.S. uit de boeken houden, niet om te ontduiken maar om te voorkomen dat ze in verkeerde handen vallen’. Toen tweeëneenhalf jaar later De Blauwe Schuit al 28 van de in totaal 40 uitgaven het licht had doen zien, was de toestand wat dit betreft ongewijzigd en schreef hij aan Henkels’ compagnon Zuithoff: ‘Om allerlei redenen worden de B.S. uitgaven buiten de boeken gehouden, ware het alleen al daarom dat er nooit toestemming gegeven zou worden om dit te drukken en dan nog op de luxueuze manier waarop dat gebeurt. Je hebt er geen idee van hoe kinderachtig men te werk gaat bij de bezuinigingsvoorschriften en tegelijk hoe willekeurig ook weer. Vorige week had ik een klein verslag, 100 ex. 16 pag. + omslag. Omslag moest vervallen, aantal pag. terug tot 12, oplage hoogstens 75 ex. Dat is gewoon belachelijk, om 25 vel papier te sparen. Maar het is leerzaam want dergelijke dingen vraag je niet meer aan. Toch schijnt de toestand zoo te zijn dat bij vrij gebruik alle papier binnen een paar maanden opgebruikt zou zijn’.

Werkmans oplossing werd door veel drukkers en uitgevers toegepast. Bert Bakker bleek daarbij in sommige gevallen nog brutaler en roekelozer dan zijn collega’s. In november 1942 bereidde hij een postume uitgave voor van J.K. van Eerbeeks Pontus en de dieren. De inleiding voor de bundel werd geleverd door Gerrit Kamphuis, die niet tot de Kultuurkamer was toegetreden en dus niet mocht publiceren. Bakker loste dit probleem op door het hoofd van de afdeling Boekwezen, J. van Ham, slechts de kopij van Van Eerbeek ter goedkeuring voor te leggen. Van Ham wees daarop goedkoop houthoudend papier toe, maar dat was Bakkers eer te na. De door Henk Krijger voor het boek gemaakte illustraties vond hij beter uitkomen op houtvrij papier; bovendien drukte hij 50 exemplaren op geschept papier. Er volgden geen repercussies.

Ook bemachtigde Bakker soms voor Tamminga, met wie hij de Mansarde Pers dreef, op miraculeuze wijze papier. Tamminga beschikte over ‘alleen maar handelspapier’, zoals de eveneens bij de pers betrokken tekenaar Cees Bantzinger vertelde: 'Op de een of andere manier, hoe, daar kwam je nooit achter, wist Bert [Bakker] aan Van Gelder-papier te komen. Dat werd gejat door mensen van Van Gelder. Je moest die lui natuurlijk besmoezen dat je iets ging doen tegen de moffen en dan zorgden die jongens dat je zoveel vel mooi papier kreeg’.

Andere clandestiene uitgevers kozen voor een drastischer aanpak. ‘Papier, ah, om te zoenen, houtvrij, prachtig gesatineerd, bestemd voor het blad “De Zwarte Soldaat”, op onverklaarbare wijze in mijn drukkerij verzeild, auf Nimmerwiedersehen. Ik moet oppassen, dat ik na den oorlog weer een fatsoenlijk mensch word’, schreef Jan Hendriks in zijn herinneringen.

Geert Lubberhuizen roofde een papierpakhuis leeg voor de rond maart 1943 gestarte illegale uitgeverij De Bezige Bij. Jan Vermeulen, die sinds mei 1944 in Leiden uitgaf onder de naam de Molenpers, ging zo ver niet als zijn collega’s van De Bezige Bij, maar bedelde om papier bij kennissen.

Jaap Romijn, een Utrechtse journalist die sinds 1944 assistent (en later directeur) was bij uitgeverij Bruna, paste het formaat van zijn uitgaven aan om papier te besparen. Zo ontstond de tweedelige Handpalm-reeks, die zo heette omdat de boekjes zo klein waren dat je ze voor de bezetter in je hand kon verbergen: ‘Maar ook waren ze zo klein aangezien ze geproduceerd werden in de Hongerwinter, toen er nauwelijks nog papier te verkrijgen was. Trouwens energie was er ook niet, zodat de teksten met de hand werden gezet en op een aangezwengelde pers in blauw en zwart werden gedrukt’. Een van die delen was Praeter gallum cantat (1944) van C. Buddingh’: ‘Het staat er niet in, maar het was Drukkerij Den Daas in de Oude Kamp te Utrecht, die zich al die moeite getroostte’. (Een andere bron vermeldde J.R. van Rossum, Utrecht, als drukker).

In april 1942 was Romijn de Schildpad-reeks begonnen met voornamelijk eigentijdse Nederlandse literatuur. De oplagen varieerden van honderd tot tweehonderd exemplaren, die ieder afzonderlijk werden gesigneerd door de auteur. Behalve de zesentwintig delen in de Schildpad-reeks en de twee delen van de Handpalm-reeks gaf hij enkele afleveringen van een literair tijdschrift, een plaquette, drie rijmprenten en vier boekjes uit. De boeken en boekjes werden gedrukt door Pieter Vijlbrief, kunstenaar en drukker in Utrecht, en na diens onderduik door Jan Hendriks.

Baudelaire, Le vin.Cinq poëmes choisis dans Les fleurs du mal.Avec des compositions en taille-douce par Jeanne Bieruma Oosting. Amsterdam, A.A. Balkema, 1943, titelpagina. KB: 347 G 49. (KB)

Baudelaire, Le vin. Cinq poëmes choisis dans Les fleurs du mal. Avec des compositions en taille-douce par Jeanne Bieruma Oosting. Amsterdam, A.A. Balkema, 1943, titelpagina. KB: 347 G 49. (KB)

Baudelaire,Le vin. Cinq poëmes choisis dans Les fleurs du mal.Avec des compositions en taille-douce par Jeanne Bieruma Oosting. Amsterdam, A.A. Balkema, 1943, uitgeversvignet (colofon). KB: 347 G 49. (KB)

Baudelaire, Le vin. Cinq poëmes choisis dans Les fleurs du mal. Avec des compositions en taille-douce par Jeanne Bieruma Oosting. Amsterdam, A.A. Balkema, 1943, uitgeversvignet (colofon). KB: 347 G 49. (KB)

J.K. van Eerbeek,Pontus en de dieren en ander proza. Met teekeningen, initialen en vignetten van Henk Krijger. ’s-Gravenhage, Daamen, 1942, p. 24-25. KB: 1463 A 62. (KB)

J.K. van Eerbeek, Pontus en de dieren en ander proza. Met teekeningen, initialen en vignetten van Henk Krijger. ’s-Gravenhage, Daamen, 1942, p. 24-25. KB: 1463 A 62. (KB)

J.K. van Eerbeek, Pontus en de dieren en ander proza. Met teekeningen, initialen en vignetten van Henk Krijger. ’s-Gravenhage, Daamen, 1942, p. 15. KB: 1463 A 62. (KB)

J.K. van Eerbeek, Pontus en de dieren en ander proza. Met teekeningen, initialen en vignetten van Henk Krijger. ’s-Gravenhage, Daamen, 1942, p. 15. KB: 1463 A 62. (KB)

Bertus Aafjes, Elf sonnetten op Friesland. Leiden, Molenpers, 1944, titelp. MM: DJ 0007. (MM)

Bertus Aafjes, Elf sonnetten op Friesland. Leiden, Molenpers, 1944, titelp. MM: DJ 0007. (MM)

Ab Visser, Bezet gebied. Utrecht, Jac.P. Romijn, 1943 (Schildpad-reeks 3), titelp. KB: 347 J 291. (KB)

Ab Visser, Bezet gebied. Utrecht, Jac.P. Romijn, 1943 (Schildpad-reeks 3), titelp. KB: 347 J 291. (KB)

Ab Visser, Bezet gebied. Utrecht, Jac.P. Romijn, 1943 (Schildpad-reeks 3), p. 22-23. KB: 347 J 291. (KB)

Ab Visser, Bezet gebied. Utrecht, Jac.P. Romijn, 1943 (Schildpad-reeks 3), p. 22-23. KB: 347 J 291. (KB)

Lettermateriaal

Naast de papierschaarste was er het tekort aan lettermateriaal. Het lood daarvan was voor de Duitse oorlogsindustrie zeer begerenswaardig en veel verdween dan ook naar de oosterburen. Henkels memoreerde dat ze bij De Blauwe Schuit niet gaven om ‘zeldzame lettersoorten’, ook al omdat het lettermateriaal waarover Werkman kon beschikken daarvoor te beperkt was. Bij het drukken van het eerste deel van de Chassidische legenden (1942) moesten de begeleidende teksten van Martin Buber zelfs in zes gedeelten worden gezet, omdat er van het gebruikte lettertype slechts weinig voorhanden was: de halfvette Hollandsche Mediaeval voor titels en geciteerde Duitse teksten, en de vette Egyptienne (corps 10) voor de broodtekst.

Dat Henkels en Zuithoff betrekkelijk weinig aandacht voor dit aspect van hun uitgaven aan de dag legden, blijkt wel uit het feit dat beiden in hun herinneringen nauwelijks aandacht besteedden aan het zetsel van de uitgaven van De Blauwe Schuit. Die onachtzaamheid wordt niet alleen veroorzaakt door de moeilijke omstandigheden, want een uitgeverij als De Bezige Bij streefde wél naar perfect zetwerk en zeulde tussen de diverse vestigingen letters als de Bodoni of de Garamond heen en weer om maar over de juiste letter te kunnen beschikken.

Aan zijn compagnon Charles van Blommestein schreef Lubberhuizen aan het einde van de oorlog onnavolgbaar goochelend: ‘Rut [Matthijsen] kreeg letter voor je: Bodoni. De 10 pt houd ik voorlopig hier voor de SdZ [De stilte der zee van Vercors (1944)] als aanvulling op mijn hoeveelheid 10 pt. Je krijgt daarvoor in de plaats mijn 12 pt wat goed uitkomt, omdat Rut voor jou al vrij veel 12 pt kreeg en met ’t mijne erbij je nu aardig wat kunt zetten’.

Of Fokko Tamminga, die soms ook voor De Bezige Bij drukte, eveneens deelde in de geneugten van deze transporten is onbekend, maar Simon Carmiggelt, die tot over zijn oren bij illegale blad Het Parool was betrokken, wist te melden dat in 1943 de Lettergieterij ‘Amsterdam’ Tamminga ‘nog een complete kast splinternieuwe kopletters’ leverde. Dat verklaart misschien het gemak waarmee Tamminga de Lettergieterij ‘Amsterdam’ zo gek kreeg speciaal voor Aafjes’ Omne animal de exotische Excelsior te gieten.

Van Eikeren, die een aanzienlijk aantal clandestiene uitgaven typografische verzorgde en daarom tijdens de oorlog met veel verschillende drukkers van doen had, vertelde een ander verhaal. Hij schreef dat de meeste drukkers gedwongen werden een flink deel van hun loden letters in te leveren en regelmatig controle kregen. Ze moesten dus voorzichtig te werk gaan: ‘zo konden bepaalde lettertypen, waarvan bekend was dat zij maar bij enkele drukkerijen in Nederland op de machine waren, niet meer worden gebruikt. Gill’s prachtige Perpetua durfde men niet meer te gebruiken en daarvoor in de plaats nam men de veel algemeenere Baskerville. Een rijmprent die in de fraaie Weiss Antiqua was ontworpen werd in de Hollandse Mediaeval, die toch ieder hebben kon, gedrukt’.

Toen de (niet-gerealiseerde) uitgave van Vestdijks De schuttersmaaltijd bij De Blauwe Schuit onderhanden was, schreef Werkman aan Henkels: ‘Het papier voor de Schuttersmaaltijd is aangekomen. Nu wacht ik nog op een zending nieuwe letter van Tetterode om de proef daarvan te laten zien’. En over een evenmin gerealiseerde uitgave, een fragment uit Aafjes’ Vroolijke vaderlandsche geschiedenis (naar de maatstaven van De Blauwe Schuit net zo omvangrijk als de Chassidische legenden), deelde Werkman aan Henkels mee dat de kopij van Aafjes ‘dadelijk’ onderhanden genomen kon worden, ‘wat het zetten betreft. Als het op kwarto formaat komt mag de letter gerust een 12 punts zijn en dan is de Egyptienne daarvoor een mooie letter. Als de nieuwe letter van Tetterode gauw komt zet ik daarvan ook een kleine proef’.

Die proef is niet overgeleverd, dus het is onbekend of Werkman inderdaad de negentiende-eeuwse Egyptienne van Lettergieterij ‘Amsterdam’ v/h N. Tetterode zou hebben gebruikt. Kort daarop moest Werkman bovendien melden dat de helft van zijn nog aanwezige lettermateriaal was gevorderd. Anderhalf jaar eerder hadden alle drukkers al eens 200 kg moeten inleveren, volgens Werkman ongeveer 15% van zijn totale voorraad. ‘Het is natuurlijk een gunst dat ze niet dadelijk alles nemen, want het is al lang met beslag gelegd,’ schreef hij bij die eerste gelegenheid aan Henkels.

Werkman beschikte naast de Egyptienne in elk geval over sommige corpsen van de door S.H. de Roos ontworpen Hollandsche Mediaeval van Lettergieterij ‘Amsterdam’, de Groteske (inclusief de Annonce) en de Nobel van dezelfde lettergieterij, alsook de door H. Hoffmann getekende Block van lettergieterij H. Berthold, die hij maar liefst alle in december 1941 voor de Turkenkalender 1942 benutte. Wat het pure zet- en drukwerk betreft, prees Henkels in zijn herinneringen ruimhartig Werkmans knecht Wieberen Bos, die sinds 1910 bij Werkman in dienst was.

Boekverzorging

Bij zoveel moeilijkheden om goed papier, fraai lettermateriaal en bandlinnen te bemachtigen, verbaast het niet dat het merendeel van de clandestiene uitgaven niet opvalt door de uiterlijke verzorging. Het zetwerk bij uitgaven van bijvoorbeeld Balkema, In Signo Piscium of de Molenpers was prima in orde, maar uitgaven met bijzonder drukwerk en met illustraties verschenen vooral bij De Bezige Bij, De Blauwe Schuit en de Mansarde Pers. Niet toevallig trad bij de laatste twee een van de eigenaren zelf ook op als drukker en waren de illustraties ook van een van de uitgevers zelf. Verder sprongen er niet veel uitgeverijtjes uit. De Semaphore Pers van de Dordtse dichter Anthony Bosman paste tweekleurendruk toe, voorzag zijn uitgaven van illustraties en slaagde erin om, net als G.W. Breughel, sommige van zijn uitgaven fraai te binden. De tekenaar Piet Worm nam prachtig ingekleurde illustraties op in zijn uitgaven.

Bij de meeste uitgaven was de typografie echter saai. ‘De typografie van Jans clandestiene uitgeverijtje zou misschien meer indruk op mij gemaakt hebben als ik zou hebben geweten dat de eenvoud ervan was ontwrongen aan drukkerijen van welke in de regel qua letters en arrangementen banalers werd verwacht. Jans waarmerk van later is er bij de afgedwongen puurheid voor wie wil reeds aan te zien,’ oordeelde Kuipers over Jan Vermeulens Molenpers achteraf.

Gerrit Achterberg, Morendo. Gedichten.Molenpers, 1944, p. 14-15. MM: DJ 0026. (MM)

Gerrit Achterberg, Morendo. Gedichten. Molenpers, 1944, p. 14-15. MM: DJ 0026. (MM)

Gerrit Achterberg, Morendo. Gedichten. Molenpers, 1944, prospectus, p. 1. MM: DJ 0026. (MM)

Gerrit Achterberg, Morendo. Gedichten. Molenpers, 1944, prospectus, p. 1. MM: DJ 0026. (MM)

Gerrit Achterberg, Morendo. Gedichten. Molenpers, 1944, prospectus, p. 2-3. MM: DJ 0026. (MM)

Gerrit Achterberg, Morendo. Gedichten. Molenpers, 1944, prospectus, p. 2-3. MM: DJ 0026. (MM)

A.A.M. Stols en het tijdschrift Halcyon

Van een uitgever als Stols kon meer verwacht worden, maar zijn oorlogsuitgaven waren bijna nooit opmerkelijk. Een uitzondering vormden misschien de Franse uitgaven. Nadat in 1940 een sollicitatie als typografisch adviseur bij de PTT was mislukt, bekleedde Stols vanaf begin 1941 een soortgelijke functie bij uitgeverij Nijgh & Van Ditmar. Begin 1941 werd hij bovendien typografisch adviseur van de Haagse drukkerij Trio. Beide functies vervulde hij tot het einde van de oorlog. Midden 1940 verscheen zijn eerste (en in dat jaar enige) clandestiene uitgave. Over de oorlog verspreid waren dat er vervolgens twee in 1941, acht in 1942, vijftien in 1943, tweeëntwintig in 1944 en zes begin 1945. Van die 54 zijn er 24 Franse uitgaven waaraan Stols zich niet echt een buil kon vallen. Daarnaast werd voor De Bezige Bij bij Trio in maart 1944 het essaybundeltje Sparsa van Arthur van Schendel naar ontwerp van Stols gedrukt.

Ook voor sommige andere clandestiene uitgevers verzorgde Stols wel eens uitgaven. Voor zijn plaatsgenoot Dirk de Jong werd naar ontwerp van Stols bij Boosten & Stols de dichtbundel Novemberland (1943) van Koos Schuur gedrukt, aan Jaap Romijn gaf hij vanaf midden 1943 typografische, gehonoreerde adviezen voor een aantal delen van diens Schildpad-reeks, bij drukkerij Meijer in Wormerveer werd in 1944 naar ontwerp van Stols voor G.H. ’s-Gravesande diens Verzen van een eenzaam man gedrukt en ten slotte werkte hij onder de imprint Halewijn-Pers in november 1944 en februari 1945 voor een tweetal clandestiene uitgaafjes samen met Fokko Tamminga van drukkerij Ando.

Naast zijn clandestiene uitgaven had hij ook nog een regulier fonds. Behalve de Franstalige uitgaven die Stols zelf uitgaf – waarvoor hij onder meer de imprint Pierre Mangart te Rosières gebruikte – gaf hij van maart tot en met september 1944 bovendien samen met de in Vichy-Frankrijk werkzame Pierre Seghers een drietal clandestiene uitgaafjes uit. Alle drie werden ze gedrukt bij Trio; het eerste boekje heeft als imprint A.A.M. Stols & Pierre Seghers, de twee andere gaan schuil achter respectievelijk de imprints ‘Pour les Amis du Chien de Pique’ en ‘Pour les Amis de Génétrix’.

Al met al gaf Stols tijdens de oorlog veel uit, legaal en clandestien, maar heel bijzonder was het niet, of het zou Valery Larbauds Questions militaires moeten zijn, dat bij Trio werd gedrukt en met prachtig gekleurde litho’s door Piet Worm werd geïllustreerd. Zijn fonds oogde misschien wat saai, maar wel slaagde Stols er op miraculeuze wijze in een van de meest opmerkelijke bibliofiele projecten tijdens de oorlog te realiseren: het tijdschrift Halcyon.

Eind 1941 verdween een groot aantal tijdschriften wegens papierschaarste en van de wel verschijnende tijdschriften moesten de redacteuren lid worden van het Persgilde van de Kultuurkamer. Stols werd daarom gedwongen zijn poëziereeks Helikon te stoppen, al gaf hij vervolgens nog wel een onregelmatig verschijnende reeks losse gedichtenbundels uit onder de titel Atlantis. Maar Stols begon in mei 1940 ook het typografisch bijzonder fraaie Halcyon, een ‘driemaandelijksch tijdschrift voor boek-, druk- en prentkunst’. De laatste aflevering verscheen zeer vertraagd in juli 1944. Het tijdschrift werd voorgefinancierd door papierleverancier G.H. Bührmann. Er verschenen twaalf afleveringen (waarvan twee dubbelnummers), elk bestaande uit een aantal losse bijdragen in een omslag. De bijdragen werden gedrukt bij verschillende drukkers, op verschillend papier en gezet uit een andere letter, terwijl de bijdragen ook in de meeste gevallen overvloedig werden geïllustreerd.

Hoe Stols erin slaagde het tijdschrift door de oorlog te loodsen, is een raadsel. Het was zogenaamd een wetenschappelijk tijdschrift. Stols schreef dan ook met een gerust hart aan de typograaf S.H. de Roos: ‘Over je medewerking behoef je je niet ongerust te maken: Halcyon is een vaktijdschrift en medewerking daaraan brengt geen verplichting inzake de K.K. [Kultuurkamer] mede’.

Maar het was ook een tijdschrift dat spotte met alle beperkende Duitse maatregelen. Mogelijk had Stols hoge beschermers in de persoon van F.M. Huebner, Ed. Gerdes (hoofd van de afdeling Beeldende Kunst, Bouwkunst en Kunstnijverheid, plaatsvervangend secretaris-generaal van het Departement van Volksvoorlichting en Kunsten) of van de kunstcriticus Erhard Göpel, die najaar 1943 een bijdrage over de typograaf S.H. de Roos aan Halcyon bijdroeg en verbonden was aan het Referat für Sonderfragen. In die hoedanigheid roofde Göpel Nederlandse kunst ten behoeve van het op te richten Führermuseum in het Oostenrijkse Linz. Zelfs onder de beroerde oorlogsomstandigheden koesterde Stols in 1941 nog hoop zijn tijdschrift naar het buitenland te kunnen verkopen. Aan Greshoff schreef hij: ‘Verder heeft mijn tijdschrift voor boek- en prentkunst “Halcyon” veel succes, doch het zal pas loonend worden als ik het naar het buitenland kan exporteeren. Het begint nu naar België te gaan’.

De dichter Theo van Baaren en zijn vrouw Gertrude Pape overtroffen Stols echter nog met hun tijdschrift De schoone zakdoek, dat in slechts één exemplaar verscheen met bijdragen in handschrift en typoscript, collages, tekeningen van een keur aan medewerkers. Het blad kon slechts ten huize van de uitgevers worden ingezien.

Valery Larbaud,Questions militaires.Lithographies de Piet Worm. La Haye, A.A.M. Stols, 1944, titelp. KB: 347 K 122. (KB)

Valery Larbaud, Questions militaires.Lithographies de Piet Worm. La Haye, A.A.M. Stols, 1944, titelp. KB: 347 K 122. (KB)

Valery Larbaud, Questions militaires.Lithographies de Piet Worm. La Haye, A.A.M. Stols, 1944, p. 10-11. KB: 347 K 122. (KB)

Valery Larbaud, Questions militaires.Lithographies de Piet Worm. La Haye, A.A.M. Stols, 1944, p. 10-11. KB: 347 K 122. (KB)

Schiller, Das Lied von der Glocke. Haag, Halcyon Presse, 1942, titelp. en frontispice. KB: 2299 B 7. (KB)

Schiller, Das Lied von der Glocke. Haag, Halcyon Presse, 1942, titelp. en frontispice. KB: 2299 B 7. (KB)

Schiller, *Das Lied von der Glocke*. Haag, Halcyon Presse, 1942, colofon. KB: 2299 B 7. (KB)

Schiller, Das Lied von der Glocke. Haag, Halcyon Presse, 1942, colofon. KB: 2299 B 7. (KB)

Halcyon. Driemaandelijksch tijdschrift voor boek-, druk- en prentkunst. Vierteljahrschrift für Buchkunst, Druckkunst und Graphik. A quarterly devoted to book production and the graphic arts. Revue trimestrielle consacrée à l’art du livre et de la gravure. 1 (1940)-3 (1942). KB: 48 D 1-3. (KB: JU)

Halcyon. Driemaandelijksch tijdschrift voor boek-, druk- en prentkunst. Vierteljahrschrift für Buchkunst, Druckkunst und Graphik. A quarterly devoted to book production and the graphic arts. Revue trimestrielle consacrée à l’art du livre et de la gravure. 1 (1940)-3 (1942). KB: 48 D 1-3. (KB: JU)

Uitgeverij De Bezige Bij

Een relatief groot aantal van de clandestiene publicaties tijdens de oorlog nam De Bezige Bij voor haar rekening. Ze kwam tot een aantal van bijna zeventig uitgaven en liet daarmee Stols met vierenvijftig, Balkema met vijftig en De Blauwe Schuit met veertig clandestiene uitgaven achter zich. De Bezige Bij onderscheidde zich echter niet alleen door het aantal, maar ook door het vaak illegale karakter van de uitgaven, gericht tegen de Duitse bezetter. De uitgaven van andere uitgevers waren voornamelijk bibliofiel, vooral door de kleine oplagen. De Bezige Bij onderscheidde zich met name doordat de uitgaven in haar fonds vaak net als bij De Blauwe Schuit rijkelijk geïllustreerd waren. Fraaie voorbeelden zijn het veertig bladzijden tellende Moffenspiegel. Een boekje over Adolf de Eerste (en de laatste) en zijn trawanten (1944), met bijtende karikaturen door Karel Links, en het in datzelfde jaar verschenen gedicht Rondeel van Han G. Hoekstra met tekeningen door Fedde Weidema.

De Bezige Bij ontstond midden 1942 uit idealistische motieven om joodse kinderen de oorlog door te helpen. Aan het eind van dat jaar werd Geert Lubberhuizen aangetrokken om te helpen gelden bijeen te brengen. Om potentiële geldschieters iets aan te bieden in ruil voor hun giften werd besloten het gedicht De achttien dooden van de kort tevoren in Neuengamme omgekomen Jan Campert uit te geven. De aanleiding voor het gedicht was de executie van achttien verzetsstrijders; daardoor én door de inhoud had het een duidelijk politiek karakter. Het gedicht werd talloze malen herdrukt en kreeg een symboolfunctie voor het verzet. Er verschenen duizenden exemplaren van de rijmprent en nog eens duizenden nagedrukte exemplaren.

De Bezige Bij was niet de enige clandestiene uitgeverij die met een uitgave duidelijk stelling nam. De Blauwe Schuit in Groningen gaf in december 1940 het gedicht Het jaar 1572 van M. Nijhoff als rijmprent uit, en zo zijn er tijdens de oorlog sporadisch meer uitgevers geweest die via een verwijzing naar historische gebeurtenissen impliciet een oordeel gaven over de oorlogstijd.

De meeste clandestiene uitgevers brandden zich meestal niet aan actuele gebeurtenissen, zoals die welke ten grondslag lagen aan Camperts De achttien dooden. Ook hier was het overigens De Blauwe Schuit die in mei 1944 met de uitgave van het gedicht De doode zwanen van S. Vestdijk een soortgelijke, zij het minder felle geloofsverklaring afgaf, aangezien Vestdijks gedicht werd geschreven onder de indruk van de executie van een aantal gijzelaars in Sint-Michielsgestel. Anders dan De achttien dooden werd Vestdijks in slechts 60 exemplaren gedrukte tekst niet bedoeld om fondsen ten behoeve van het verzet bijeen te brengen.

Moffenspiegel. Een boekje over Adolf de Eerste (en de laatste) en zijn trawanten. Met karikaturen door Karel Links. Utrecht, De Bezige Bij [Charles E. van Blommestein en G. Lubberhuizen], 1944, p. 30-31. KB: 347 J 39. (KB)

Moffenspiegel. Een boekje over Adolf de Eerste (en de laatste) en zijn trawanten. Met karikaturen door Karel Links. Utrecht, De Bezige Bij [Charles E. van Blommestein en G. Lubberhuizen], 1944, p. 30-31. KB: 347 J 39. (KB)

M. Swaertreger [Theun de Vries].WA Man. Met tekeningen van Fedde Weidema. Utrecht, De Doezende Dar [De Bezige Bij], 1943, titelp. en frontispice. KB: 347 H 183. (KB)

M. Swaertreger [Theun de Vries]. WA Man. Met tekeningen van Fedde Weidema. Utrecht, De Doezende Dar [De Bezige Bij], 1943, titelp. en frontispice. KB: 347 H 183. (KB)

Hendrik de Vries, Robijnen. Utrecht, De Bezige Bij, 1944 (Quousque Tandem, 13), titelp. MM: DJ 0908. (MM)

Hendrik de Vries, Robijnen. Utrecht, De Bezige Bij, 1944 (Quousque Tandem, 13), titelp. MM: DJ 0908. (MM)

Hendrik de Vries, *Robijnen*. Utrecht, De Bezige Bij, 1944 (Quousque Tandem, 13), voorzijde omslag. MM: DJ 0908. (MM)

Hendrik de Vries, Robijnen. Utrecht, De Bezige Bij, 1944 (Quousque Tandem, 13), voorzijde omslag. MM: DJ 0908. (MM)

Hendrik de Vries, Robijnen. Utrecht, De Bezige Bij, 1944 (Quousque Tandem, 13), colofon. MM: DJ 0908. (MM)

Hendrik de Vries, Robijnen. Utrecht, De Bezige Bij, 1944 (Quousque Tandem, 13), colofon. MM: DJ 0908. (MM)

Jan Campert,De achttien dooden. Met teekeningen van Coen van Hart. Amsterdam, De Bezige Bij, 1943. KB: 347 H 100. (KB)

Jan Campert,De achttien dooden. Met teekeningen van Coen van Hart. Amsterdam, De Bezige Bij, 1943. KB: 347 H 100. (KB)

De Blauwe Schuit

Op 10 april 1945, drie dagen voor de bevrijding van Groningen, werden op het Mandeveld bij Bakkeveen tien mannen door de Duitsers doodgeschoten. Onder hen was de 63 jaar oude Groningse drukker-kunstenaar Hendrik Nicolaas Werkman, de drukker van de clandestiene uitgeverij De Blauwe Schuit. Deze uitgeverij werd opgericht in het najaar van 1940 door de predikant August Henkels, de chemicus Ate Zuidhoff en de lerares klassieke talen Adri Buning. Van december 1940 tot aan Werkmans dood drukte Werkman veertig uitgaven voor De Blauwe Schuit.

De belangrijkste en meest indrukwekkende uitgave was de Chassidische legenden, twee portefeuilles van elk tien bladen, gedrukt in een oplage van twintig exemplaren. Tegenwoordig brengt deze uitgave op een veiling (zoals onlangs bij Christie’s) meer dan honderdduizend euro op. De uitgaven van De Blauwe Schuit onderscheidden zich van andere clandestiene publicaties vooral door de vorm, waarop Werkman trots was. Aan August Henkels schreef hij (tijdens de tentoonstelling De verluchte bladzijde gedurende de oorlog): ‘Uit Amsterdam kreeg ik een brief van iemand [fotograaf Paul Guermonprez] die schreef dat de wand waarop mijn producten hangen hem de ervaring had gebracht dat deze het tegenover de incunabelen beter uithouden dan al dat perfecte werk van Stols e.a. Zonder dat te kunnen of te willen beamen heeft hij hetzelfde gevoeld als ik bij het zien van al dat onberispelijke drukwerk dat in al zijn aestetiserende pretenties aan karakter inboet. Prima letter, prima inkt en prima papier in de handen van eerste klas vaklui op de allerbeste persen is toch ook niet je ware. Wij hebben een heel andere basis’.

Werkman bekommerde zich nooit speciaal om de pure typografie van de literaire teksten die hij drukte. Het meeste drukwerk dat hij voor De Blauwe Schuit maakte, was in dat opzicht nogal conservatief en eentonig, soms net zo klungelig gezet als zijn voor/oorlogse drukwerk. Die gezapigheid zien we ook bij zijn drukwerk voor In Agris Occupatis, de Groningse concurrent van De Blauwe Schuit, een uitgeverij van A. Marja, W.H. Nagel en W.H. Overbeek. Toen Werkman Gerrit Achterbergs bundeltje Meisje (1944) voor haar Volière-reeks had gedrukt, zei hij daarover zelf: ‘Deze heeren willen meer in zee sturen, als ze maar oppassen niet in het zog van de B.S. te komen. Maar ze hebben heel andere copy, blijven klein van formaat en geven gewoon papier met een paar luxe ex.’

Zelfs een bewonderaar als Henkels gaf Werkmans typografisch onvermogen onomwonden toe: ‘Werkman was heelemaal geen typograaf, ook niet een typograaf die eigen wegen zocht. Hij was eerder een heel slecht typograaf. Ik zou dienaangaande verrassende dingen kunnen laten zien, aan de hand van door mij afgekeurde – en terécht afgekeurde! – proeven van later werk voor ons. Hij was minder dan een bijzonder typograaf. En meer. Hij was een kind, dat speelde! Speelde met letters, blokjes en met verf’.

Jaloers op andere drukkers was Werkman niet. Toen hij midden 1944 de beide laatstverschenen uitgaafjes van de Vijf Ponden Pers in handen kreeg – vermoedelijk het in april 1944 verschenen Helena’s inkeer. Een fragment van A. Roland Holst, dat door Jan van Krimpen was vormgegeven, en het twee maanden later gepubliceerde Ten poems van Emily Dickinson – schreef Werkman aan Henkels: ‘het was me of ik producten van lettergieterijen in handen had. Wat is dat allemaal onberispelijk van uitvoering en wat is dat van uiterlijk en innerlijk weergaloos select. Je slaat je handen van verbazing ineen als je zooiets ziet in deze tijd. In déze tijd waarin je haast geen vel goed papier machtig kunt worden. Maar is dat niet allemaal een beetje te mooi? Veel te mooi, hoewel de inhoud het verdient dat moet ik eerlijk zeggen. Wil je wel gelooven dat ik nooit zooiets voor mijn plezier zou maken? Dat is gewoon gesublimeerd vakmans-drukkerswerk zonder een grein artisticiteit of zelfs van persoonlijkheid. Het zou op den duur saai zijn daarvan veel in de boekenkast te hebben. Zooiets gaat lijnrecht in tegen de B.S. lijkt het me soms toe. En soms denk ik: hou je maar gauw stil want je kunt het zoo niet. Ja eerlijk gezegd: het is te zakelijk, de drukpers spreekt er te veel in mee’.

Over een Bezige Bij-uitgave van Hendrik de Vries schreef hij: ‘De robijnen van Hendrik de Vries van de Bezige Bij zijn toch weer een beetje anders, dank zij misschien het verlangen van de auteur om roode druk op geel papier en rood omslag. Maar nu hebben ze in dat omslag een kijkgat geponst en nu is het weer zoo echt mooi’.

De uitgaven van De Blauwe Schuit vielen dus niet op door hun typografie, maar waren uniek door de manier waarop Werkman ze met zijn druksels illustreerde. Na de eerste uitgave van De Blauwe Schuit –Nijhoffs Het jaar 1572 geïllustreerd door Jan Wiegers – deed de uitgeverij geen beroep meer op andere kunstenaars; alle volgende uitgaven werden geïllustreerd door Werkman zelf. Dat was deels uit nood geboren, want het had onder meer te maken met Werkmans beperkte technische mogelijkheden als drukker. Toen Henkels het fragment uit Vroolijke vaderlandsche geschiedenis van Bertus Aafjes en de illustrator Piet Worm aan Werkman stuurde, schreef deze hem op 19 juli 1944: ‘Dat kan na de oorlog een mooie uitgave worden als de illustrator even goed werk levert als de auteur. Ik vrees dat de B.S. uitgave er niet bij in de schaduw kan staan, want de verluchting die ik er bij moet maken dient natuurlijk heel wat beperkter te geschieden dan wat Piet Worm zich zal kunnen veroorloven. Aafjes geeft het in het manuscript wel goed aan met de krabbeltjes maar dat kan ik in mijn techniek natuurlijk niet zoo uitvoeren en natuurlijk lang niet zoo uitvoerig illustreren’.

Werkmans beperking als illustrator was ook sommige auteurs van De Blauwe Schuit wel duidelijk. Zo gaf Vestdijk zijn opinie over Henkels’ Ballade voor een gevangen dichter en zijn eigen De terugkomst: ‘Ik vind Werkman dit keer nogal geslaagd, vooral de ballade, met het kanariepietje naast de dubbelzinnige figuur die op tralies loopt in plaats van op beenen. Dit is als symboliek een vondst; dergelijke vondsten mis ik nogal eens bij W. Als zuivere “decoratie” vind ik zijn dingen niet “mooi” genoeg; zij moeten dus wat “beteekenen”, en soms doen zij dat, en soms niet’.

Ook Nijhoff had dergelijke bezwaren tegen Werkmans illustraties. Toen hij Henkels liet weten dat hij een rijmprent voor De Blauwe Schuit aan het maken was, vroeg hij ongerust: ‘Heb je een teekenaar? Want kleuren zijn Werkman’s fort, maar teekenen niet’. Achterberg daarentegen schreef aan Jan Vermeulen, de uitgever van de Molenpers, naar aanleiding van Werkmans tekening bij Allegretto innocente van Vestdijk dat verschenen was bij In Agris Occupatis: ‘De teekening van Werkman op dat bundeltje van Vestdijk is erg merkwaardig, heel anders, je kunt er lang naar kijken als iets bijzonders waarbij je gelukkig wordt’.

Turkenkalender 1942. Groningen, De Blauwe Schuit, 1941, uitgeversvignet (colofon). MM: Obj. 0471. (MM)

Turkenkalender 1942. Groningen, De Blauwe Schuit, 1941, uitgeversvignet (colofon). MM: Obj. 0471. (MM)

Turkenkalender 1942. Groningen, De Blauwe Schuit, 1941, voor- en achterzijde omslag. MM: Obj. 0471. (MM)

Turkenkalender 1942. Groningen, De Blauwe Schuit, 1941, voor- en achterzijde omslag. MM: Obj. 0471. (MM)

Turkenkalender 1942. Groningen, De Blauwe Schuit, 1941, p. ‘januari’. MM: Obj. 0471. (MM)

Turkenkalender 1942. Groningen, De Blauwe Schuit, 1941, p. ‘januari’. MM: Obj. 0471. (MM)

Turkenkalender 1942. Groningen, De Blauwe Schuit, 1941, p. ‘mei’. MM: Obj. 0471. (MM)

Turkenkalender 1942. Groningen, De Blauwe Schuit, 1941, p. ‘mei’. MM: Obj. 0471. (MM)

Turkenkalender 1942. Groningen, De Blauwe Schuit, 1941, [prent tussen ‘juni’ en ‘juli’]. MM: Obj. 0471. (MM)

Turkenkalender 1942. Groningen, De Blauwe Schuit, 1941, [prent tussen ‘juni’ en ‘juli’]. MM: Obj. 0471. (MM)

Turkenkalender 1942. Groningen, De Blauwe Schuit, 1941, p. ‘november’. MM: Obj. 0471. (MM)

Turkenkalender 1942. Groningen, De Blauwe Schuit, 1941, p. ‘november’. MM: Obj. 0471. (MM)

Turkenkalender 1942. Groningen, De Blauwe Schuit, 1941, p. ‘O Hollant’ (drukproef, detail). MM: B 002 A 006:03. (MM)

Turkenkalender 1942. Groningen, De Blauwe Schuit, 1941, p. ‘O Hollant’ (drukproef, detail). MM: B 002 A 006:03. (MM)

Chassidische legenden. Een suite van H.N. Werkman. Groningen, De Blauwe Schuit, 1942-1943, I, 6. KB: SMC 2. (KB)

Chassidische legenden. Een suite van H.N. Werkman. Groningen, De Blauwe Schuit, 1942-1943, I, 6. KB: SMC 2. (KB)

Chassidische legenden. Een suite van H.N. Werkman. Groningen, De Blauwe Schuit, 1942-1943, II, 4. KB: SMC 2. (KB)

Chassidische legenden. Een suite van H.N. Werkman. Groningen, De Blauwe Schuit, 1942-1943, II, 4. KB: SMC 2. (KB)

Chassidische legenden. Een suite van H.N. Werkman. Groningen, De Blauwe Schuit, 1942-1943, II, 9. KB: SMC 2. (KB)

Chassidische legenden. Een suite van H.N. Werkman. Groningen, De Blauwe Schuit, 1942-1943, II, 9. KB: SMC 2. (KB)

Chassidische legenden. Een suite van H.N. Werkman. Groningen, De Blauwe Schuit, 1942-1943, II, 9. KB: SMC I, 1. (KB)

Chassidische legenden. Een suite van H.N. Werkman. Groningen, De Blauwe Schuit, 1942-1943, II, 9. KB: SMC I, 1. (KB)

Gerrit Achterberg,Meisje. Groningen: In Agris Occupatis, 1944 (Volière-reeks 2), voorplat. MM: B 003 B 022:02. (MM)

Gerrit Achterberg, Meisje. Groningen: In Agris Occupatis, 1944 (Volière-reeks 2), voorplat. MM: B 003 B 022:02. (MM)

Hendrik Marsman,De zee. Verlucht door H.N. Werkman. Heerenveen, De Blauwe Schuit, 1942. KB: 2281 A 269. (KB)

Hendrik Marsman, De zee. Verlucht door H.N. Werkman. Heerenveen, De Blauwe Schuit, 1942. KB: 2281 A 269. (KB)

H.N. Werkman en de ‘schippers’ van De Blauwe Schuit aan de pers, van links naar rechts: Ate Zuithoff, August Henkels, H.N. Werkman en Adri Buning. LM: Blauwe Schuit, NG-I:1. (KB)

H.N. Werkman en de ‘schippers’ van De Blauwe Schuit aan de pers, van links naar rechts: Ate Zuithoff, August Henkels, H.N. Werkman en Adri Buning. LM: Blauwe Schuit, NG-I:1. (KB)

Schippers van de Blauwe Schuit inspecteren de proefdrukken van de Chassidische legenden, met de klok mee: August Henkels (boven rechts), Ate Zuithoff, H.N. Werkman en Adri Buning. LM: Blauwe Schuit, NG-I:2. (KB)

Schippers van de Blauwe Schuit inspecteren de proefdrukken van de Chassidische legenden, met de klok mee: August Henkels (boven rechts), Ate Zuithoff, H.N. Werkman en Adri Buning. LM: Blauwe Schuit, NG-I:2. (KB)

De Mansarde Pers

De dichter Achterberg werd door veel clandestiene drukkers uitgegeven. Een belangrijk aandeel in die uitgaven had de Mansarde Pers, een samenwerkingsverband tussen de uitgever Bert Bakker, de drukker Fokko Tamminga en de tekenaar C.A.B. Bantzinger, die op de zolder van Tamminga’s drukkerij zat ondergedoken. Op de dag van de oprichting schreef Bakker aan Achterberg, die de reeks moest openen: ‘Alles (formaat, papier, etc.) is reeds bepaald. Sommige komen in twee kleuren. Het worden boeken, zooals Nederland ze nauwelijks heeft gezien. Het zijn alle uitgaven van de Mansarde-Pers, die gister door Tamminga, Kees Bantzinger en mij is opgericht en waar jouw boekjes de eerste nummers van zijn. Deze Mansarde-Pers (hoe vind je de naam? – zolderpers, schuilzolderpers in het oorlogsjaar ’43 – idee van Kees) demonstreert het nauwe verband tusschen woord en beeld’. Dat dit soort uitgaafjes in Nederland ‘nauwelijks’ te zien was, was een beetje grootspraak van Bakker – alleen al gelet op de uitgaven van De Blauwe Schuit.

Een van de opmerkelijkste uitgaven van de Mansarde Pers was de dichtbundel Omne animal die in juni 1944 als laatste uitgave verscheen. ‘Het is een prachtig boek geworden, m.i. een van de mooist-gedrukte, die van de pers kwamen, mooier dan “Les Fleurs du Mal”’, schreef Bakker aan Aafjes. Aafjes’ bundel omvatte veertien gedichten, verdeeld over 64 pagina’s. Elk van de veertien gedichten werd geïllustreerd met een pentekening door Bantzinger. Voor Omne animal werd het forse formaat van 32 cm hoog bij 24 cm breed gekozen – heel andere koek dan de kleine Handpalm-reeks van Jaap Romijn. De in 275 genummerde exemplaren op Simili Japon gedrukte bundel bestond uit acht onafgesneden katernen van afwisselend twee bedrukte en twee blanco bladen. De randen van voor- en achterplat zijn geschubd, wat nog eens de chic van de uitgave extra benadrukte. Al dat moois werd enigszins teniet gedaan door de Excelsior Schrijfletter. Verzamelingen

Ondanks de fysieke belemmeringen slaagden uitgevers als De Bezige Bij, De Blauwe Schuit, de Mansarde Pers, A.A. Balkema, Jaap Romijn en sommige anderen er met kunst en vliegwerk in bibliofiele uitgaven te maken. Bibliofiel niet in de zin van kleine oplages, maar bibliofiel in de zin van indrukwekkend zetwerk of bijzondere illustraties. In Het clandestiene boek 1940-1945 schatte Lisette Lewin het aantal clandestiene uitgeverijen en reeksen in Nederland op zo’n negentig. De bibliografie van Dirk de Jong Het vrije boek in onvrije tijd (1958) telde ruim duizend titels. De belangrijkste collectie bevindt zich in de universiteitsbibliotheek Leiden, gebaseerd op de verzameling van Dirk de Jong, maar ook de Amsterdamse universiteitsbibliotheek en de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag bezitten zeer uitgebreide verzamelingen. Iedere poging om gedurende de oorlog een goede tekst op een fatsoenlijke manier te drukken woog op tegen de niet aflatende stroom onderdrukkende publicaties die sinds de bezetting in 1940 over Nederland werd verspreid door de bezetter en collaborateurs. De verzamelingen zijn daarvan de weerslag. (SvF)

Bertus Aafjes,Omne animal. Tekeningen van C.A.B. Bantzinger. ’s-Gravenhage, Mansardepers, 1944, p. 6-7. MM: DJ 0013. (MM)

Bertus Aafjes, Omne animal. Tekeningen van C.A.B. Bantzinger. ’s-Gravenhage, Mansardepers, 1944, p. 6-7. MM: DJ 0013. (MM)

Bertus Aafjes,Omne animal. Tekeningen van C.A.B. Bantzinger. ’s-Gravenhage, Mansardepers, 1944, p. 6-7. MM: DJ 0013. (MM)

Bertus Aafjes, Omne animal. Tekeningen van C.A.B. Bantzinger. ’s-Gravenhage, Mansardepers, 1944, p. 6-7. MM: DJ 0013. (MM)

Bertus Aafjes, Omne animal. Tekeningen van C.A.B. Bantzinger. ’s-Gravenhage, Mansardepers, 1944, p. 21 (detail). MM: DJ 0013. (MM)

Bertus Aafjes, Omne animal. Tekeningen van C.A.B. Bantzinger. ’s-Gravenhage, Mansardepers, 1944, p. 21 (detail). MM: DJ 0013. (MM)

Markant: H.N. Werkman, Sabbatgesänge

De veertig uitgaven die door Hendrik Nicolaas Werkman van 1940 tot en met 1944 voor De Blauwe Schuit – bestaande uit August Henkels, Ate Zuithoff en Adri Buning – zijn gedrukt, behoren tot de mooiste die de Tweede Wereldoorlog aan clandestien drukwerk heeft opgeleverd. Het absolute hoogtepunt vormen de twee suites van de Chassidische legenden, maar ook de Turkenkalender 1942 was een onderneming die grote bewondering afdwingt. Dat de uitgaven van De Blauwe Schuit hun faam niet ontlenen aan typografische kwaliteiten maar vooral aan de druksels op omslagen en als illustraties, werd ook eerder al geconstateerd.

Wat dat betreft vormt de Sabbatgesänge geen uitzondering. Deze vierde uitgave was oorspronkelijk bedoeld als Paasuitgave voor 1941, dreigde niet op tijd gereed te komen en werd op het laatste moment als zodanig door het wat minder bewerkelijke Alleluia vervangen. De compilatie van oude Sabbatsliederen bevat werk van Jehuda Halevi in de vertaling van Franz Rosenzweig, een psalmvertaling van Martin Buber en een paar anonieme evergreens. De combinatie van een groot corps Iris voor de titels met de vette Egyptienne voor de liederen, de wijze waarop de tekst over de bladzijden is verdeeld, en de toevoeging van een toelichting door Henkels op een achterin vastgenaaid half velletje in een afwijkende papiersoort, zijn geen schoolvoorbeeld van goede typografie en vormgeving. Werkmans motivering voor de indeling in een brief aan Henkels is niet helemaal overtuigend. Zelfs de druksels op de voor- en achterzijde van het omslag zijn niet de mooiste die Werkman voor De Blauwe Schuit vervaardigde. Voor dat predikaat komen bijvoorbeeld eerder de prachtige illustraties bij De zee van H. Marsman uit 1942 in aanmerking.

Dat hier toch de Sabbatgesänge centraal gesteld wordt heeft een bijzondere reden. In 2010 wist Museum Meermanno uit de nalatenschap van Ate Zuithoff drie van de sjablonen met behulp waarvan de twee illustraties gemaakt zijn, te verwerven. Voor zover bekend zijn deze ogenschijnlijk nutteloze stukken papier (ooit door Zuithoff op de drukkerij uit de prullenbak gevist?) uniek en maken ze het mogelijk de totstandkoming van de druksels bijna op de voet te volgen.

Tot de parafernalia van de Werkmancollectie van het Groninger Museum behoort de portemonnee van de drukker. Geld zit er niet meer in, maar wel een ouderwets scheermesje. Daarmee placht Werkman de sjablonen te snijden, zo ook dat van de drie personen, gebruikt voor het vooromslag. Hier begon hij met de handrol een lichte blauwe achtergrond aan te brengen, waarbij het tafelblad onderaan een aparte handeling vergde. Vervolgens legde hij het sjabloon pas met de rand van de tafel, en drukte de drie personen met een vrij matig geïnkte rol. Vervolgens verschoof hij het sjabloon iets naar rechts en drukte dezelfde voorstelling nogmaals, nu wat krachtiger. En zo staat er daar plotseling die imponerende, zwijgende groep aan de sabbatstafel. De laatste handeling was het verdiepen van het blauw aan de kopse kant van de tafel.

De illustratie op het achteromslag – de zevenarmige menora: de sabbatlamp – oogt eenvoudiger maar vergde toch vier handelingen, omdat Werkman voor de menora drie sjablonen sneed, waarvan helaas die van de linkerarmen ontbreekt. Dat hij dit deed hangt samen met de techniek: als je vrij dekkend wil drukken, moet je met de handrol behoorlijk wat kracht zetten. Was de kandelaar als één geheel uitgesneden dan was het sjabloon veel te kwetsbaar geworden met als groot gevaar dat het papier aan de rol gingen plakken. De meest logische volgorde bij de kandelaar was eerst het middenstuk en dan de twee zijstukken. Met welke techniek de vlammetjes zijn aangebracht? Waarschijnlijk handmatig want ze verschillen van exemplaar tot exemplaar.

Het belang van de drie sjablonen beperkt zich niet tot de technische kant, je ziet de drukker bijna aan het werk, vooral door de vele vingerafdrukken op het blauwe sjabloon. Iets wat nog meer gaat leven als je weet dat Werkman zich in een brief aan Henkels beklaagd had over de moeite die het kostte om die donkerblauwe inkt weer van zijn vingers te krijgen. (KT)

Sabbatgesänge. Met prenten van H.N. Werkman. Heerenveen, De Blauwe Schuit, 1941, vooromslag met sjabloon. MM: B 006 G; GV 3076 (sjabloon). (MM)

Sabbatgesänge. Met prenten van H.N. Werkman. Heerenveen, De Blauwe Schuit, 1941, vooromslag met sjabloon. MM: B 006 G; GV 3076 (sjabloon). (MM)

Sabbatgesänge. Met prenten van H.N. Werkman. Heerenveen, De Blauwe Schuit, 1941, achteromslag met sjablonen. MM: B 006 G; GV 3076 (sjabloon). (MM)

Sabbatgesänge. Met prenten van H.N. Werkman. Heerenveen, De Blauwe Schuit, 1941, achteromslag met sjablonen. MM: B 006 G; GV 3076 (sjabloon). (MM)

Terug naar de indexpagina van de webexpositie Private Press.