Private press: eerst helft twintigste eeuw

Deze pagina is onderdeel van de webexpositie Private Press.

De Zilverdistel: mythe, herinnering en realiteit

Het ontstaan van de eerste Nederlandse private press, De Zilverdistel, is in nevelen gehuld door gebrek aan archivalia, bewuste mythevorming én conflicterende herinneringen. Alles aan de oprichting is betwistbaar. Het jaar van oprichting kan 1909 of 1910 zijn geweest, het aantal betrokkenen vanaf dag één werd op twee en dan weer op drie gehouden, de exacte data waarop de oprichters kennis met elkaar maakten is onbekend en de oorsprong van de naam is raadselachtig. Nog voor het eerste boek verscheen was er verwarring.

De eerste vier uitgaven werden: Worstelingen van P.N. van Eyck (gedrukt in december 1910), Naar 't geluk van Jan van Nijlen (april 1911), Experimenten van Geerten Gossaert (oktober 1911) en Het eigen rijk van Albert Verwey (november 1912). Betrokken bij de eerste periode van de uitgeverij waren de drie dichters J.C. Bloem, Jan Greshoff en P.N. van Eyck.

Bloem (1887-1966) studeerde rechten, werkte als ambtenaar en griffier, maar was in de eerste plaats een dichter, wiens eerste bundel pas in 1921 verscheen. Met de jaren werden de bundels dunner, de stijl meer geserreerd en somber, met als motto: 'Ik heb van 't leven vrijwel niets verwacht'. Greshoff (1888-1971) werkte als journalist en criticus, woonde vanaf 1939 in Kaapstad en gedurende de oorlog in New York en was de motor achter veel bibliofiele reeksen en plannen. 87-1954) studeerde eveneens rechten, publiceerde vanaf 1909 poëzie, werkte als journalist in Rome en Londen en volgde in 1935 zijn leermeester, de dichter Albert Verwey, op als hoogleraar Nederlandse letterkunde in Leiden. De karakters van het drietal - de indolente Bloem, de rusteloze Greshoff, de streberige Van Eyck - bepaalden mede het begin van De Zilverdistel.

Portretfoto Jan Greshoff, uit:Den gulden winckel, 10 (1910), (15 februari), p. 24. KB: T 2173. (KB)

Portretfoto Jan Greshoff, uit:Den gulden winckel, 10 (1910), (15 februari), p. 24. KB: T 2173. (KB)

Foto met v.l.n.r. J.G. Veldheer, Jan Greshoff, Anja en Gerda von Mendelsohn, uit:Den gulden winckel, 13 (1914), (15 november), p. 169. KB T 2173. (KB)

Foto met v.l.n.r. J.G. Veldheer, Jan Greshoff, Anja en Gerda von Mendelsohn, uit:Den gulden winckel, 13 (1914), (15 november), p. 169. KB T 2173. (KB)

Geworstel met reclame

Jan Greshoff – in november 1910 was hij 21 jaar – wierp zich op de reclame voor de nieuwe uitgeverij, met verwarring en irritatie tot gevolg. In zijn gedichtenbloemlezing Het jaar der dichters (1911) zette hij deze advertentie: ‘Bij “De Zilverdistel” te Gouda is verschenen: Worstelingen Dialogisch gedicht door P.N. van Eyck. Dit werk, op de persen van de firma Joh. Enschedé te Haarlem gedrukt, verschijnt in een oplage van 40 door den schrijver genummerde en geteekende exempl. Met alle typographische zorg behandeld, wordt het werk gedrukt op kwarto formaat echt-van Gelder met een zeer fraaie zeventiend’eeuwsche letter. In Ingres omslag f 5.- Te bestellen bij het Secretariaat van “de Zilverdistel”: Wachtelstraat, Gouda of bij den Schrijver: Columbusstraat 223, ’s-Gravenhage’. Het boek was toen nog niet gereed. Het gedicht Worstelingen schreef Van Eyck in juni 1909, het was datzelfde jaar gepubliceerd in het literaire tijdschrift De gids.

Greshoff, die Den Haag als woonplaats had verruild voor Apeldoorn, koesterde opnieuw verhuisplannen toen hij de advertentie opstelde, maar verhuisde nooit naar Gouda. Intussen trok die advertentie de aandacht. De Haagse krant Het Vaderland publiceerde het bericht dat ‘eenige jonge Hollandsche letterkundigen (o.a. Jan Greshoff, P.N. van Eyck, Jules Schürmann)’ een uitgeverij hadden opgericht ‘te Gouda’. Het is de eerste keer dat we iets lezen over het doel van De Zilverdistel: ‘de bijzonder zorgvuldige uitgave van oude en nieuwe drukwerken’.

Men smokkelde nu een onbekende literator De Zilverdistel binnen: Jules Bernard Schürmann (1873-1927), operazanger, dichter en publicist. Hij reageerde vrijwel meteen, maar maakte het er niet duidelijker op: ‘Met de uitgaven van “de Zilveren Distel” heb ik niets uitstaande. Ik wilde mij alleen interesseren voor Baudelaire en andere groote buitenlandsche dichters. Denkelijk trek ik mij nu uit de geheele combinatie terug’. Dat laatste lijkt te impliceren dat hij met geld in de onderneming gemoeid was, maar van een dergelijke inschrijving gebaseerd op aandelen is niets bekend. Kennelijk tekende hij in op alle uitgaven vanwege een toekomstige editie van Baudelaire (hij had in Parijs gewoond).

Schürmann vocht zijn betrokkenheid bij verschillende kranten aan, maar het Nieuwsblad voor den boekhandel kreeg er lucht van en meldde dat het verhaal ‘van a-z onjuist’ was. Greshoff had hen bijgepraat. Het ging De Zilverdistel om ‘zorgvuldig en mooi uitgevoerde boeken, zoowel oorspronkelijke als in herdruk, en van elk een zeer beperkt getal, 20 tot 100, exemplaren, die volstrekt buiten den handel gehouden worden. Winstbejag is uitgesloten; de inschrijvers betalen gezamenlijk de kosten’. In de praktijk betaalden de uitgevers (soms met de auteurs) de kosten.

De term ‘combinatie’ werd overgenomen door drukkerij Enschedé en moet een bedenksel van de dichters zijn geweest. Wellicht schermden zij hiermee om een zakelijke, solvabele indruk te maken op de kopers en de drukkerij. Greshoff schreef dat de Zilverdistel het plan had ‘in combinatie werken uit te geven’, die van een ‘bibliophilische waarde’ waren. Het Nieuwsblad en Het vaderland vochten nog even door over details.

Met dit gekrakeel had Greshoff De Zilverdistel onder de aandacht gebracht van het grote publiek, terwijl er maar veertig exemplaren gedrukt werden. En dat vóór het eerste boek verscheen. Het zou niet zijn laatste advertentiekwestie zijn. In de tweede jaargang van Het jaar der dichters verscheen opnieuw een advertentie, die binnen De Zilverdistel onenigheid bracht. Greshoff nummerde de uitgaven Opus I tot IV. Bloem was ‘ontsticht’ over deze ‘poenige advertentie’, die de indruk wekte van ‘ondegelijkheid, van charlatanerie, autokléophilie’. Van Eyck vond dat ook, maar een rectificatie bleef uit. Greshoff gebruikte de aanduiding ‘Opus’ eerder in augustus 1911 – de heren reageerden toen niet – in een recensie van de tweede Zilverdistel-uitgave en ontleende de term wellicht aan de Duitse Einhornpresse die in december 1909 een ‘Opus I’ aankondigde.

Een begin met en zonder Gelderse worst

De drie uitgevers waren jong: Bloem was met 23 jaar de oudste van het stel. Greshoff zei later dat het erom ging ‘kunstenaar en technicus, ontwerper en uitvoerder in één persoon’ te verenigen. Greshoffs herinneringen zijn notoir onbetrouwbaar en laat gepubliceerd (1969). Eerder, in 1914, beweerde hij dat De Zilverdistel was opgericht als een poging om ‘modern drukwerk van eenige waarde’ te maken en dat dit niet kon worden overgelaten aan ‘de echte typographen, de technicussen’ en dat daarom ‘jonge kunstenaars’ het zelf deden.

De jonge schrijvers leerden elkaar niet kennen als uitgevers, maar als dichters en poëzieredacteuren. Greshoff kende Van Eyck sinds eind 1908; hun debuten verschenen in 1909. Wanneer J.C. Bloem met hen kennismaakte is onduidelijk: het kan 1909 zijn geweest, maar toen had hij nog geen gedicht gepubliceerd. Pas eind maart 1910 schreef Van Eyck vriendschappelijk over Bloem en stuurde Bloem gedichten aan een tijdschrift waarvan Greshoff redacteur was.

Later wilde Greshoff duidelijk maken dat zij niet als drietal samen De Zilverdistel oprichtten, maar dat Van Eyck er iets later bij betrokken raakte. Het eerste aanwijsbare document over de uitgeverij dateert uit najaar 1910 en dat komt overeen met hun brieven: in augustus 1910 noemden Van Eyck en Greshoff De Zilverdistel nog niet; Bloem deed dat in een brief aan Van Eyck uit september 1910 wél en uit die brief blijkt dat zij er toen beiden als uitgevers bij betrokken waren. In de tussentijd werd Van Eyck een Zilverdistelaar. In een advertentie uit november 1911 schreef Greshoff dat Bloem en hijzelf ‘in het najaar 1910’ tot hun plan waren gekomen, later sprak hij zichzelf tegen. Zijn sympathieke details waren misleidend. Er zou een bespreking op zijn Haagse kamer zijn geweest, op Sinterklaasavond, waarbij zij een Gelderse worst soldaat maakten.

De uitgave van Worstelingen zou in september 1910 serieus ter hand genomen worden en gezien de productietijden in die jaren ligt een oprichtingsdatum rond die tijd voor de hand. Greshoff schreef dat De Zilverdistel als bibliofiel genootschap was opgericht (wellicht in navolging van de Duitse Hundertdrucke, die sinds 1909 met voorinschrijving werkte) en dat hij daarvoor met Bloem naar Joh. Enschedé en Zonen ging (waar enkele van die Hundertdrucke werden gedrukt). Er is daarvoor geen enkel bewijs. Eén ding was zeker, volgens Greshoff: Van Eyck at niet mee van de Gelderse worst en alleen Bloem en Greshoff ondernamen ‘de eerste stappen’, namelijk een bezoek aan drukkerij Enschedé. Dus waren ‘Bloem en ik’ de oprichters. De eerste Nederlandse private press was achteraf prestigieus genoeg om op te eisen.

De Zilverdistel als private press

De Zilverdistel verschilde van eerdere ondernemingen, zodat daarmee eerst van een private press sprake was. P.C. Boutens (de oudere generatie) pakte het als uitgever van eigen werk en vertalingen anders aan: hij handelde alleen en had tot het jaar waarin De Zilverdistel begon uitsluitend eigen werk laten drukken. Na 1910 publiceerde hij in eigen beheer ook werk van collega’s, wellicht in navolging van De Zilverdistel.

De Zilverdistel was het werk van een groep en gaf voornamelijk werk van anderen uit. Alleen Van Eyck publiceerde bij De Zilverdistel, Bloem en Greshoff niet. Daarenboven formuleerden zij in advertenties een programma met voorgenomen publicaties. Ze wensten ook de internationale markt te bedienen met Franse en Duitse teksten (Baudelaire, Andrian).

Ter onderscheid van de toenmalige Duitse en Engelse persen richtte De Zilverdistel zich aanvankelijk op contemporaine literatuur. Volgens het Nieuwsblad voor den boekhandel (december 1910) waren er plannen voor een vertaling van Petronius’ Satyricon (niet verschenen) en gedichten van J.J. de Stoppelaar (elders verschenen). Deze titels werden ingefluisterd door Greshoff, die probeerde het beleid naar zijn hand te zetten.

De Zilverdistel had geen vignet, al koesterde Greshoff daarvoor belangstelling. Alle exemplaren van de vroege Zilverdisteluitgaven werden in handschrift genummerd en gesigneerd door de auteurs. Dit was geen private press-praktijk in Engeland, wel een bibliofiel gebruik in Duitsland en ook was het voor luxe deeloplagen in Nederland usance. Andere typische private press-karakteristieken waren dat de boeken ‘volstrekt buiten den handel’ bleven, dat de teksten als exclusief werden bestempeld – ‘nieuwe onuitgegeven bundel’, ‘voorloopig geene gewone uitgave’ – en dat ‘winstbejag’ was uitgesloten. Maar winst was er wel degelijk.

Uit advertenties en berichten bleek bovendien dat de auteurs een ideaal van typografische perfectie nastreefden. Sterker nog, R.T.A. Mees, een generatiegenoot die alle betrokkenen kende, beweerde in 1917 dat de oprichters van De Zilverdistel eigenlijk zelf een drukkerij hadden willen inrichten – er zijn evenwel geen bewijzen voor. Het plan ‘om zelf een handpers en goed lettermateriaal aan te schaffen’ bleek te kostbaar en tijdrovend.

De Zilverdistel toog niet naar de eerste de beste drukker op de hoek, maar naar de meest gerenommeerde drukkerij van Nederland, die met gebruik van unieke lettertypen zijn sporen verdiend had op bibliofiel terrein. Getuigden de edities voor Franse uitgevers vóór 1900 niet van uitzonderlijke typografie, in de jaren negentig van de negentiende eeuw werden bij Enschedé enkele mijlpalen van de Nieuwe Kunst gedrukt, zoals Kunst en samenleving en Sonnetten en verzen in terzinen geschreven. Sinds Otto Julius Bierbaum in november 1909 en Hans von Weber (met de Hundertdrucke) vanaf mei 1910 opdrachten verleenden aan Enschedé, waren er voor de Duitse bibliofiele markt enkele imposante uitgaven verzorgd.

De keuze voor oude Nederlandse lettertypen onderstreepte het ideaal van een Nederlandse private press. De oorsprong van de naam De Zilverdistel is onbekend. Een verwijzing naar de landelijke flora sloot naadloos aan bij de decoratiestijlen van de Nieuwe Kunst. P.N. van Eyck verklaarde in 1918 voor het eerst dat hij de naam had bedacht. Greshoff wilde wel geloven dat dit juist was. De zakelijke afspraken van Bloem, Greshoff en Van Eyck waren eenvoudig. Ze hadden elk recht op één exemplaar en op een derde van de winst, die soms nog werd gedeeld met de auteur, zoals in het geval van Van Nijlen, die de helft van de oplage opkocht. Ook Verwey had volgens afspraak recht op de helft van de winst. Het drietal belegde geen vergaderingen en stelde afspraken niet op schrift, reden waarom Bloem kon vragen: ‘Hoe zijn nu precies de plannen van de distel?’

Uit het archief van Joh. Enschedé en Zonen: het eerste contact

De eerste brief van J. Greshoff aan de drukker Joh. Enschedé en Zonen te Haarlem van 22 september 1910 ging verloren, maar niet het antwoord daarop van 28 september 1910. Dit eerste document over De Zilverdistel luidt in extenso:

‘In het bezit van Uwe geachte letteren van 22 dezer, danken wy U voor Uwe geëerde aanvrage, in verband met het drukken van pracht-uitgaven van dichtwerken van P.N. van Eyck & Baudelaire (Fleurs du Mal). Wat het eerstgenoemde werk betreft, is het uit den aard der zaak voor ons eenigszins moeilyk eene prysberekening te maken zonder het juiste formaat te kennen en de copy te hebben gezien; wy hebben echter, in de wetenschap dat U dezelfde letter wenscht als voor het “Schöne Mädchen von Pao” gebezigd, ook aangenomen, dat U dezelfde regelwydte als daar toegepast gevolgd wenscht, met uitzondering dan dat er nu slechts 15 regels op een pagina behoeven te staan. - Dit doet een formaat veronderstellen niet grooter dan 4º Schryf, maximum 4 º Bykorf; beide zyn formaten waarop van Gelder Hollandsch papier in voorraad heeft. - De prys per vel van 16 pags:zal plus minus F. 23.- bedragen, exclusief papier. - De prys voor laatstgenoemd hangt af van de zwaarte en is eerst te bepalen, wanneer U uwe keuze zult hebben gevestigd. - Wellicht ook wenscht U zelf voor het papier te zorgen? Wat Baudelaire’s “Fleurs du Mal” betreft, dit valt ons eenigszins gemakkelyker, daar wy dit dichtwerk, dus ook den omvang er van kennen. Momenteel hebben wy n.l. voor een Duitschen uitgever hetzelfde werk onderhanden. Daar dit een speciale uitgave is, gelooven wy niet, dat bedoelde uitgever tegen een druk op onze persen van Uwe uitgave, zoolang het werk voor hem niet is afgeloopen, bezwaar zal maken. - Mocht dit wel het geval zyn, dan zouden wy het voor U niet onderhanden kunnen nemen. Uitgevoerd zooals U het wenscht, schatten wy het echter op maximum 18 vel, waarby wy dan eene fraaie 18de eeuwsch Augustyn-letter op het oog hebben; met een text letter van dezelfde soort zal het waarschynlyk uitloopen tot maximum 20 vel. - De drukprys per vel van 16 pags gr:Med: 4º, eveneens exclusief papier, zal plus minus F. 27.50 bedragen. - Gaarne zien wy voor eene meer definitieve prysberekening en vastlegging van het papier Uwe uitvoerige gegevens, vergezeld van copy, tegemoet, en teekenen onder aanbeveling’.

De offerte vertelt dat De Zilverdistel een voorbeeld nam aan een Duitse uitgave en dat een Franstalige uitgave van Baudelaire in september een serieuze optie was, nog voor enige andere titel werd overwogen en nog voor de kranten daarover berichtten.

Het Duitse 'voorbeeld'

Das schöne Mädchen von Pao van Bierbaum met illustraties door Franz von Bayros was in 1909-1910 bij Enschedé gedrukt voor Georg Müller in München. Een recensie verscheen in het Beiblatt der Zeitschrift für Bücherfreunde (augustus/september 1910), het werk was te zien op de tentoonstelling ‘Het boek’ in Amsterdam (juni-augustus 1910). Enschedé kan het aan Greshoff en Bloem hebben getoond. In Duitsland werden de oude lettertypen hoog gewaardeerd. In formaat en typografie zouden de Zilverdistel-uitgaven anders worden; het boek fungeerde alleen als oriëntatiepunt. Wel maakte ook De Zilverdistel gebruik van de oude lettertypen van Enschedé.

De opdracht voor een Baudelaire-uitgave vormde een probleem voor Enschedé, die juist werkte aan een Baudelaire-editie voor Hans von Weber. Enschedé vroeg Von Weber voor de zekerheid toestemming om voor ‘Eine Kombination von drei Niederländischen Bibliophilen’ een luxe Baudelaire te drukken. Een proefpagina voor De Zilverdistel-uitgave werd gemaakt en op 9 november 1910 verzonden aan Van Eyck (die deze niet toonde aan Bloem). De Zilverdistel-Baudelaire zou echter later elders gedrukt worden.

De bemoeienissen van Bloem en Greshoff

Na september 1910 correspondeerde Greshoff niet meer met Enschedé. Het uitgeversvak was hem ‘niet sympathiek’, schreef hij later. Bij de productie van het eerste Zilverdistelboek kreeg P.N. van Eyck de leiding: het was ten slotte zijn tekst. Bij latere boeken namen auteurs ook rechtstreeks contact op met de drukker.

Bloem bemoeide zich nauwelijks met de productie, wél met de tekstkeuze en de typografie. Hij informeerde geregeld naar de situatie van ‘onze ezelsbeminde plantendruk’ en de term ‘Zilverdistelaars’ schijnt door hem te zijn verzonnen. Zijn belangstelling had aardse redenen, want hij deelde in de opbrengst. Vandaar dat hij in zijn vriendenkring aanhoudend reclame maakte voor de uitgaven. Bovendien had Bloem recht op een gratis exemplaar, een niet uit te vlakken voordeel voor een bibliofiel.

Bij de tekstkeuze was Bloem nauw betrokken, zoals blijkt uit zijn voornemen in Den Haag ‘met Jan en jou nog vele Zilverdistelarijen te brouwen!’ Najaar 1911 stelde hij een gedichtenbundel van Henriette Labberton-Drabbe voor, waarbij hij een schatting maakte van de omvang (‘3 à 4 vellen’) en de mogelijke winst. Hij wilde zich bovendien ‘geheel met de e.v. Zilverdistel uitgave belasten’.

De onjuiste gedachte dat Bloem en Greshoff zich niet met de uitgaven bezig hielden, is wellicht ingegeven doordat Van Eyck in september 1912 zijn mede-uitgevers vroeg zich uit De Zilverdistel terug te trekken. Het kwam hem goed uit dat Greshoff meer een plannenmaker was dan een harde werker en dat Bloem tevreden was met gezellige bijeenkomsten en cadeaus voor zijn boekenverzameling. Van Eyck was ambitieus genoeg om de onderneming naar zich toe te trekken zodra de gelegenheid zich voordeed. Greshoff noemde zijn manier van praten gespannen, haastig en doodserieus. Hij had geen behoefte aan ‘revanche en repliek’, maar zijn ‘discours’ was ‘altijd substantieel en altijd interessant’. Zijn ijver en nauwkeurigheid zouden de teksten ten goede komen, maar voor bijzondere typografische ideeën was de latere inbreng van J.F. van Royen nodig.

Markant: P.N. van Eyck, Worstelingen

De Zilverdistel streefde naar ‘pracht-uitgaven’ en de offerte die Greshoff op 22 september 1910 aanvroeg bij drukkerij Joh. Enschedé en Zonen in Haarlem voor het drukken van P.N. van Eyck’s gedicht ‘Worstelingen’ werd weliswaar binnen een week beantwoord, maar bleek lastig op te stellen. De drukker beschikte niet over de kopij noch over een indicatie van het formaat. Werd de schatting gemaakt op basis van gesprekken over voorbeelden uit het fonds van Enschedé?

De uitgevers kozen eerst voor het lettertype van Das schöne Mädchen von Pao. De drukker nam aan dat als formaat kwarto werd gekozen, waarvoor Van Gelder papier leverbaar was. De drukkosten per vel (16 pagina’s) zouden dan ongeveer ƒ23.- gaan bedragen en het papier zou ƒ24,- kosten. Het boek besloeg uiteindelijk zeven vel. Van Eyck behartigde verder de zaken; de naam Greshoff werd doorgestreept in het opdrachtenboek (zonder een nieuwe bij te schrijven). Van Eyck zou aan het einde van de rit elke post op de rekening betwisten. Het voorbeeld van Bierbaum verdween snel naar de achtergrond. De Zilverdistel vermeed illustraties en koos voor een andere letter en een ander formaat. Voor de tekst werd dat een letter van Fleischman (nr. 68), romein, corps 16, voor de opdracht en persoonsaanduidingen werd de cursief, corps 16, gebruikt (nr. 69), andere teksten (waaronder de tussenvoegsels in proza en het impressum en het colofon) werden gezet in corps 12 (nr. 50). Deze letters, alle van J.M. Fleischman werden gesneden in 1739 en 1732. Voor de titel en auteursnaam werden 24 en 18 punts kapitalen (nr. 795 en 800) van J.-F. Rosart uit 1743 en 1756 gekozen. De eerste Zilverdistel-uitgave was fors en maakte een vierkante indruk (28,7x22,8 cm). Enschedé drukte de eerste boeken voor De Zilverdistel niet op een handpers, maar op de snelpers. Het woord ‘handpers’ viel niet in de correspondentie; het was voor de uitgevers (nog) geen kwestie.

Korte productietijd

Worstelingen (opgedragen aan jeugdvriend M.A. van Eck) bevatte aan het slot het gedicht ‘Terugblik’, gedateerd 20 oktober 1910. Het boek kwam eind december 1910 tot stand. Op 15 oktober 1910 zond Enschedé volgens afspraak een proefpagina in een door de drukker geschikt bevonden letter en formaat. Op 3 november volgde een ‘voorlopige proef’ met het verzoek die te corrigeren. Van Eyck wilde lettertype, papiersoort en formaat vaststellen, maar de drukker vond het raadzaam eerst de tekst compleet te zetten en dan nadere beslissingen te nemen. Op 9 november 1910 kwam een ‘gewyzigde proef’. De omvang liep op tot 56 pagina’s: ‘3½ vel van 16 pagina's’. Enschedé drukte op halve vellen van acht pagina’s, het werden dus zeven vellen die ‘het boekje aardig opdikken’. De proef werd gedrukt op ‘het door U voor de oplaag gekozen papier’ en men wilde horen of het drukkersvignet in rood of zwart gedrukt moest worden. Van Eyck had inmiddels de drukkerij bezocht en mogelijk een steunkleur ter sprake gebracht.

Het gehele boek, inclusief het drukkersvignet, werd in zwart gedrukt. Op 24 november vroeg de drukkerij nogmaals om de correcties. Mede-Zilverdistelaar J.C. Bloem informeerde naar de ontwikkelingen, zinspeelde op de titel Worstelingen en vroeg aan Van Eyck: ‘wanneer komen je gymnastische oefeningen?’ Hij probeerde kopers te werven, maar had daarvoor een exemplaar nodig: ‘dat maakt altijd kooplustiger’.

Op 23 december 1910 verzond drukkerij Enschedé aan Van Eyck ‘onder kruisband’ twee exemplaren van Worstelingen, één in marmer en één in blauw Hollands omslag. Van Eyck had ‘by Uw bezoek alhier’ geen keuze gemaakt. Het werd een grijs omslag van Ingres-papier. Van Eyck informeerde naar de mogelijkheid het boek te laten binden in een ‘Magnus’-band bij C.J. Mensing in Amsterdam. Worstelingen werd gebrocheerd uitgebracht. Veel exemplaren kregen later een privéband. Voor de jaarwisseling ontving de auteur/uitgever de gehele oplage.

De afrekening

Bij een verkoopprijs van ƒ5,00 en een oplage van veertig was de maximale opbrengst ƒ200. De rekening van 31 december 1910 bedroeg in eerste instantie ƒ130,05 (omgerekend naar nu circa €1300). Er zouden 26 exemplaren verkocht moeten worden om uit de kosten te komen en de winst kon groeien tot ongeveer zeventig gulden, minus auteurshonorarium (in dit geval wellicht achterwege gelaten), porto- en advertentiekosten. Het orderboek vermeldde: ‘40 Worstelingen door PN van Eyck 7 Vel. In grijs Ingres, omslag voorzien van etiquet. 128.50. Een kist F 1.50’. (Een belastingzegel kostte vijf cent.) Die kist was nodig voor de verzending van de gehele oplage.

Van Eyck begreep niet waarom de kosten hoger uitkwamen dan de oorspronkelijke prijsopgave. Op 3 februari 1911 antwoordde de drukker dat de wijze van innaaien was veranderd, er waren omslagetiketten gedrukt en er was zwaarder papier gebruikt, maar het lag voornamelijk aan de extra correctie: ‘Correctie niet van U maar van ons. - Deze luxe werkjes worden byzonder verzorgd. - Alles wordt nog eens nagezien, van minder goede en foutieve letters gezuiverd, en als dan de vorm op de pers ligt, wordt de afdruk op nieuw aan eene revisie onderworpen en op nieuw van ongerechtigheden ontdaan’. Ook de interlinie werd extra goed bekeken. De kosten daarvoor konden pas achteraf berekend worden, maar Enschedé was bereid de offerte aan te houden (ƒ110). Wel rekende Enschedé ƒ8,50 voor onvoorziene uitgaven en bleven de kosten van emballage op de rekening staan. Daarmee kwamen de drukkosten op ƒ120. Een akkoord over de prijs werd bereikt op 18 februari 1911, nadat Enschedé verduidelijkte dat de ‘speciale lettersoorten’ bij het zetten én drukken extra aandacht vereisten. Van Eyck noteerde in zijn kasboek een bedrag van ƒ111,50, met daarbij nog ƒ4,50 aan onkosten. De gehele productie had iets meer dan drie maanden in beslag genomen. De auteur nummerde alle exemplaren in het colofon en voorzag ze van zijn handtekening.

P.N. van Eyck,*Worstelingen. *’s-Gravenhage, Uitgegeven door de “De Zilverdistel”, 1910

P.N. van Eyck,*Worstelingen. *’s-Gravenhage, Uitgegeven door de “De Zilverdistel”, 1910, colophon. MM: B 001 D 034. (MM)

De eerste kopers

Op 4 januari 1911 feliciteerde Bloem Van Eyck ‘met de waardige uitgave van dit uw kunstwerk. Ik keek het onder het opensnijden even door en zag zoo reeds prachtige fragmenten…’ Het leek wel of Bloem het gedicht nu voor het eerst zag en zelfs nu las hij niet meteen de hele tekst. Waarschijnlijk was Worstelingen dus een initiatief van Greshoff of Van Eyck.

Er werd vooral geprobeerd vrienden en kennissen exemplaren te laten kopen, zoals de dichter Geerten Gossaert en de romancier Aart van der Leeuw. Een prospectus of ‘circulaire’ werd niet gedrukt, de reclame door Greshoff had wellicht voldoende de aandacht getrokken. Een studiegenoot van Bloem, de scheikundige R.T.A. (Reint) Mees (1890-1972) kocht Worstelingen én ‘heeft zich verbonden om alle toekomstige uitgaven v/d Zilverdistel te nemen’. Mees publiceerde artikelen over private press-boeken, die hij ook verzamelde. In juli 1914 bezocht hij Cobden-Sanderson en gaf hij zich in Londen ‘helemaal over aan boekkunst’, maar eind 1914 moest hij door ‘financiëele moeilijkheden’ intekeningen op de Doves Press afzeggen.

De invloed van De Zilverdistel ging verder. ‘Sindslang bestaat bij mij het ideaal drukker te worden en misschien ook uitgever daarbij. Mijn plannen, die eerst ook in de richting waren van de private presses, zijn eenigszins in democratische richting veranderd’. Hij bedoelde iets als Everyman’s Library en was er door anderen (zoals De Roos) van overtuigd ‘dat goed drukken eigenlijk niet duurder behoeft te wezen dan slecht drukken’. Mees werd geen uitgever (zijn broer C.A. Mees wel), maar hoofd-ingenieur bij de Octrooiraad. Hij zou De Zilverdistel tot na de Eerste Wereldoorlog blijven volgen, waarna zijn contacten met Van Eyck, Greshoff en Van Royen verwaterden.

Bloem hoopte op afzet via antiquaren, zoals Meijer Elte in Den Haag. De distributie verliep echter langzaam. Van Eyck stuurde aan de door hem bewonderde dichter Albert Verwey (van de generatie van Tachtig) pas in september 1911 een exemplaar, misschien omdat een aankoop door Verwey maandenlang uitbleef: ‘Het is in elk geval mooi gedrukt, echt Enschedé-werk’, schreef hij en Verwey vond het ‘fraai’.

In november 1911 adverteerde Greshoff voor de eerste drie delen van De Zilverdistel in Het jaar der dichters van 1912, met details over lettertype, papier, en formaat, oplage en prijs. In mei 1912 werd geadverteerd in De witte mier. In augustus 1912 waren nog exemplaren te koop, in 1915 was het boek uitverkocht. Eind jaren twintig zouden andere verzamelaars, zoals Hendrik Boekenoogen, de eerste Zilverdistelboeken proberen te kopen als een retrograde completering van hun collectie Nederlandse private press-boeken. Tegen die tijd verliep de verkoop van zulke uitgaven moeizaam.

De typografie van De Zilverdistel, 1910-1912

Greshoff belastte zich aanvankelijk met de reclame en de tekstkeuze. Hij ijverde voor een uitgave van de Vlaamse dichter en generatiegenoot Jan van Nijlen (1884-1965), waarvoor Bloem en Van Eyck weinig voelden. Van Eyck ontplooide zich intussen als tekstredacteur en administrateur. Er zijn echter van hem geen schetsen voor de lay-out of typografische aantekeningen bewaard. In het begin bemoeide Bloem zich met de typografie.

In 1911 kwamen de drie uitgevers samen of los van elkaar tot willekeurige keuzes – een getuige daarvan is het eigenzinnige advertentiebeleid van Greshoff. Bij de typografische keuzes werden ook de auteurs betrokken en de boeken werden, in tegenstelling tot wat vaak beweerd is, niet ‘geheel aan de zorgen’ van de drukkerij overgelaten. De lay-out werd aldus bepaald door persoonlijke voorkeuren en dit composiet van smaken was een afdwaling van het private press-ideaal, waarbij de vormgeving werd overgelaten aan één individuele kunstenaar.

Opvallend voor die tijd – maar identiek aan de eerdere typografische pogingen van Boutens – was dat illustraties en decoraties achterwege bleven, een kenmerk van de moderne boekkunst die zich concentreerde op het lettertype. Eveneens kenmerkend voor een trio zonder eigen drukpers was dat er stevig geleund werd op de tradities van de drukkerij.

De vier eerste Zilverdistels ‘missen eigen en oorspronkelijk karakter’, schreven latere critici, die alleen het formaat ‘indrukwekkend’ vonden. Bij de latere uitgaven van De Zilverdistel ging Van Royens bemoeienis veel verder en het contrast tussen de vroege en latere Zilverdistels werkt in het nadeel van de eerste Zilverdistels. Deze vier boeken –aangeduid als ‘de eerste periode van De Zilverdistel’ – werden wel degelijk door de uitgevers en auteurs met zorg omringd. Het resultaat had desondanks iets negentiende-eeuws: het kwartoformaat gaf een ouderwetse, monumentale indruk, mede door ‘het zware oud-Hollandsche papier’, de oude letter, de ‘ruime interlinie en zeer ruime marge’.

Invloed op afstand: Jan van Nijlen

Van Nijlens Naar ‘t geluk werd met de drukker besproken op 18 februari 1911 en op 6 maart was de kopij binnen. De auteur (op 7 februari in het huwelijk getreden) reisde niet naar Haarlem om persoonlijk aanwijzingen te geven. Het boek leek sterk op Worstelingen. Lettertype, papier, formaat en indeling werden deels gesuggereerd door de drukker en vastgesteld door Van Eyck. Voor het omslag werd echter overlegd met Van Nijlen, die de keuze kreeg uit twee monsters en de proef voor het omslag moest goedkeuren. Maar Van Eyck corrigeerde de tekst en op 5 april kon hij zijn imprimatur geven. Op 6 mei bleek het gedrukte boek ‘niet in orde’. Van Eyck beschreef op ingewikkelde wijze wat er fout was en doorzag niet hoe eenvoudig het probleem was. Het eerste katern was door de binder verkeerd gevouwen, de oplage ging terug en de fout werd hersteld.

De dichtbundel, gereed in mei 1911, zou De Zilverdistel enige invloed in België bezorgen. F.V. Toussaint van Boelaere wilde redacteur van De Zilverdistel worden. Ary Delen en hij vonden Naar ’t geluk weliswaar ‘duur’, maar ‘superb’. Enkele maanden later vatten zij het plan op om in Vlaanderen een vergelijkbare reeks boeken te publiceren onder de naam ‘Zonnewende’. Dat mislukte. (PvC)

P.N. van Eyck,Worstelingen. ’s-Gravenhage, Uitgegeven door de “De Zilverdistel”, 1910, p. 14-15. MM: B 001 D 034 2b. (MM)

P.N. van Eyck,Worstelingen. ’s-Gravenhage, Uitgegeven door de “De Zilverdistel”, 1910, p. 14-15. MM: B 001 D 034 2b. (MM)

Een auteur en zijn letterkeuze: Geerten Gossaert

In de correspondentie over De Zilverdistel golden titels van Duitse en Nederlandse boeken als voorbeeld. Engelse of Amerikaanse voorbeelden, die in Het drukkersjaarboek *uitgebreid aan de orde waren geweest, werden niet als zodanig bestempeld. Het begin van de Nederlandse private press sloot aan op de Duitse, meer dan op de Engelse, ‘revival of printing’. Toch weken formaat en letter af van eventuele Duitse voorbeelden, zoals *Das schöne Mädchen von Pao (1910) en de uitgaven van Hans von Weber – Der Nibelunge Nôt (1910) en Kudrun (1911) die bij Enschedé werden gedrukt. Ook kwamen ze niet overeen met oudere Nederlandse uitgaven, zoals de door Bloem genoemde dichtbundel van Verwey: Uit de lage landen bij de zee (in 1904 bij Enschedé gedrukt voor uitgeverij Versluys).

Uitgerekend Bloem stelde in januari 1911 voor deze Verwey-uitgave als voorbeeld te nemen voor de derde Zilverdistel-uitgave: Experimenten van Gossaert. Hij verlangde ernaar om naar Den Haag te reizen om ‘meteen vorm, papier en letter van onze 3 voorbereide werken’ vast te stellen. Hij stelde minstens één luxe editie op Japans papier voor en wilde Experimenten laten drukken met de letter van Uit de lage landen bij de zee, ‘als Enschedé die tenminste nog heeft’.

Voor Experimenten werd uiteindelijk een cursieve letter van Fleischman gekozen, in samenspraak tussen uitgever, auteur en drukker. Gossaert – pseudoniem van zakenman en historicus F.C. Gerretson, (1884-1958) – maakte zelf eind augustus 1911 in de drukkerij afspraken met de ‘meesterknecht’. Enschedé verontschuldigde zich later: hij was met vakantie en miste zo een gesprek over typografie en mooi drukwerk met Gossaert. Gossaert dacht het formaat te kiezen van Vondels *Adam in Ballingschap *(door Enschedé gedrukt voor de Utrechtse uitgeverij Oosthoek, 1910). Er werd niet in octavo, maar in kwarto gedrukt en daarmee kreeg het boek een kleiner formaat dan de eerdere Zilverdistels.

Van Eyck stelde in juli 1911 een cursieve letter van Gando (1795) voor, Gossaert koos voor de cursieve letter van de Bierbaum-uitgave – zowel de Bierbaum als de Vondel werden hem waarschijnlijk in de drukkerij voorgehouden – maar de drukker boog de belangstelling om in de richting van de Fleischman (corps 16, cursief) en raadde het gebruik van ‘onrustige’ initialen af. In feite bracht Enschedé via deze auteur variatie aan in de lay-out van het Zilverdistel-fonds. Men kon de letter van Worstelingen en Naar ’t geluk wéér gebruiken, ‘maar U en ik willen nu wel eens wat anders’.

De positie van Gossaert was meer dan die van auteur. Enschedé bedankte hem ‘voor Uw opdracht’ voor het zetten en drukken van* Experimenten*, aan Van Eyck schreef men dat de opdracht daartoe door bemiddeling van Gossaert was ontvangen; Van Eyck gaf opdracht voor veertig exemplaren, Gossaert later voor zestig. Het boek werd uiteindelijk bij de auteur thuis in Rotterdam afgeleverd. Enschedé kwam ‘formaat, soort van letter, papier, enz’ met de auteur overeen en rapporteerde dat aan Van Eyck, die daarover met Gossaert in contact stond. Zo groeide er een driehoek van typografisch overleg, waarin de drukker zijn vrijheid opeiste.

De pagina-indeling van Gossaert was door ongelijke lengte van de gedichten ‘ongelukkig’, wegens te grote tussenruimten werd bijvoorbeeld gedicht XVI opnieuw gezet, waardoor enkele strofen (pagina’s 41-43) moesten worden afgebroken. ‘Aan den typograaf moet eenige vryheid gelaten worden, omdat ook hy zyn eischen heeft’. De driehoek werkte niet steeds naar behoren; Gossaert vergat het colofon en Van Eyck verweet dat manco aan de drukker.

Bloem bekritiseerde na afloop het drukwerk, dat ‘niet vlekkeloos’ was. In een van de exemplaren (nummer 22) was het gedicht ‘Het verlaten landhuis’ te bleek gedrukt en in alle exemplaren schemerde de tekst van de keerzijde door. ‘Dat mag toch niet bij een bibliophilen-uitgave’. De zestig exemplaren werden ingenaaid in rood kammarmer, beplakt met een etiket. Bij dit boek werd voor het eerst in het orderboek van de drukkerij de naam van De Zilverdistel genoteerd. Gossaert wilde één exemplaar gedrukt hebben op perkament, maar dat was door de haast van De Zilverdistel om het boek op 1 oktober te publiceren niet beschikbaar en er werd één exemplaar gedrukt op Japans papier (tegenwoordig in de Koninklijke Bibliotheek). Het werd door bemiddeling van de drukkerij gebonden in perkament. Gossaert was ontevreden, omdat het ‘door zorgeloosheid des drukkers of binders is bedorven’. Inderdaad is op veel plaatsen de nog natte inkt overgezet op de tegenoverliggende pagina, maar de drukker wees op de haast van de uitgever, normaal zou hij het boek eerst goed hebben laten drogen.

G. Gossaert,Experimenten. ’s-Gravenhage, Uitgegeven door “De Zilverdistel”, 1911, p. 18-19. KB: 50 F 11. (KB)

G. Gossaert, Experimenten. ’s-Gravenhage, Uitgegeven door “De Zilverdistel”, 1911, p. 18-19. KB: 50 F 11. (KB)

G. Gossaert,Experimenten.’s-Gravenhage, Uitgegeven door “De Zilverdistel”, 1911, colofon. KB: 50 F 11. (KB)

G. Gossaert, Experimenten. ’s-Gravenhage, Uitgegeven door “De Zilverdistel”, 1911, colofon. KB: 50 F 11. (KB)

G. Gossaert,Experimenten. ’s-Gravenhage, Uitgegeven door “De Zilverdistel”, 1911, vooromslag met etiket. MM: B 001 E 035 (MM)

G. Gossaert, Experimenten. ’s-Gravenhage, Uitgegeven door “De Zilverdistel”, 1911, vooromslag met etiket. MM: B 001 E 035 (MM)

Langdurig overleg: Albert Verwey

Voor de vierde uitgave overlegde Van Eyck regelmatig met de auteur, Albert Verwey, wiens wensen steeds door Van Eyck gepareerd werden met nieuwe voorstellen. Verwey had bepaalde opvattingen over typografie, Van Eyck echter andere. Verwey wilde bijvoorbeeld geen cursieve kapitalen gebruikt zien, ‘behalve alleen voor het woord Inhoud’. In augustus 1912 kwam de offerte van de drukker en riposteerde Van Eyck: ‘Ik zou U niet aanraden boven aan de pagina de ondertitels te drukken’. Die titel zou gaan zwemmen ‘heelemaal bovenaan in de leegte’. Ook werd de titel gecentreerd en het gedicht niet, waardoor het zou lijken of de titel teveel ‘opzij’ stond.

Dat Van Eyck ervoor kon kiezen de titel alleen optisch in het midden te zetten, besefte hij niet. Er werd geredetwist over de kopregel, een verouderde gewoonte waaraan Verwey bleek te hechten: hij verwees naar zeventiende-eeuwse boeken waarin de kopregel de pagina in balans hield. Het paginacijfer onder aan de pagina vond hij ‘leelijk’ en voor het formaat gaf hij nieuwe suggesties.

Verwey wilde dat het boek leek op zijn bundel Uit de lage landen bij de zee. De Roos omschreef dat boek in 1910 als een ‘meer geslaagde druk’, al was de typografie niet in balans. De zetspiegel van Het eigen rijk werd anders. De gedichten werden niet verticaal gecentreerd, anders begon een kort gedicht lager op de pagina, wat Van Eyck een typografische fout vond: ‘Door ’t heele boek houd ik consequent vast aan de zelfde hoogte voor ’t begin’. Het betekende wel dat sommige gedichten niet op één pagina pasten. Gedichten met lange regels werden ‘compacter’ gezet.

Na talloze directieven van de dichter (die hij als zijn leermeester beschouwde), kreeg Van Eyck alle vrijheid: ‘Intusschen bedoel ik niets voor te schrijven’, Van Eyck moest zijn eigen oordeel volgen en een echte Zilverdistel maken. Maar Verwey’s goedkeuring was nodig voor ongeveer alles, tot aan de prijs toe. Hij verlangde zes presentexemplaren (normaal was drie) uit een oplage van zestig. Uiteindelijk werden er officieel 100 exemplaren gedrukt (in feite 105). Die grote oplage was wellicht een vergissing, want in 1925 was de editie nog niet uitverkocht.

Voor deze vierde Zilverdistel werd voor het eerst een prospectus gedrukt (oplage: 250) en begin oktober 1912 verzonden. Bloem stelde ruim een jaar eerder al voor een prospectus te laten drukken voor de niet gerealiseerde uitgave van Labberton-Drabbe. Hij vroeg Van Eyck toen om ‘50 of 60 circulaires’. Bij de derde uitgave vroeg Gossaert door wie ‘de bestelkaart’ zou worden verzonden, maar in de orderboeken en de correspondentie met Enschedé was geen sprake van bestelkaarten. Vanaf de vierde Zilverdistel verscheen voor elk boek een prospectus met bestelkaart, waarvan de oplage varieerde tussen 100 en 320.

Het drukkersmerk van Enschedé hoefde niet gebruikt te worden, maar het kon geen kwaad, want het was een erkend kwaliteitsmerk. Van Eyck vond dat het geen extra nadruk hoefde te krijgen, omdat het geen ‘uitgeversmerk’ was. Deze opmerking kon beduiden dat hij in 1912 van De Zilverdistel een echte uitgeverij wilde maken, met een eigen vignet. (PvC)

Prospectus voor Albert Verwey, Het eigen rijk. ‘s-Gravenhage, De Zilverdistel, 1912, p. 1. Particuliere collectie. (MM)

Prospectus voor Albert Verwey, Het eigen rijk. ‘s-Gravenhage, De Zilverdistel, 1912, p. 1. Particuliere collectie. (MM)

Albert Verwey,Het eigen rijk. ‘s-Gravenhage, De Zilverdistel, 1912, titelpagina. KB: 1771 C 121. (KB)

Albert Verwey,Het eigen rijk. ‘s-Gravenhage, De Zilverdistel, 1912, titelpagina. KB: 1771 C 121. (KB)

Albert Verwey,Het eigen rijk. ‘s-Gravenhage, De Zilverdistel, 1912, p. 92-93. KB: 1771 C 121. (KB)

Albert Verwey, Het eigen rijk. ‘s-Gravenhage, De Zilverdistel, 1912, p. 92-93. KB: 1771 C 121. (KB)

Albert Verwey,Het eigen rijk. ‘s-Gravenhage, De Zilverdistel, 1912, p. 144 (met colofon). KB: 1771 C 121. (KB)

Albert Verwey,Het eigen rijk. ‘s-Gravenhage, De Zilverdistel, 1912, p. 144 (met colofon). KB: 1771 C 121. (KB)

Oude Nederlandse lettertypen

Bij Enschedé beschikte men over zoveel lettertypen uit de zeventiende en achttiende eeuw, dat een keuze voor een leek onbegonnen werk was. De enige kenners destijds zaten bij de drukkerij. Directeur Charles Enschedé (1855-1919) publiceerde in 1908 zijn overzicht van de lettertypen waarover de drukkerij kon beschikken. De keuze voor oude lettertypen voor moderne poëzie is op het eerste gezicht vreemd, maar in 1910 kon men nog geen beroep doen op moderne Nederlandse lettertypen, waarvan de eerste ten slotte pas in 1912 verscheen: de Hollandsche Mediaeval van De Roos. De drukkerij wees er met regelmaat op dat het werken met de oude letters niet zonder problemen was. Soms moesten er extra letters opnieuw worden gegoten, zoals voor Het eigen rijk in oktober 1912.

Bij de eerste vier uitgaven van De Zilverdistel waren noch formaat noch lettertype standaard. De typografie werd voor elk boek opnieuw bepaald, in overleg tussen drukker en uitgever en tussen uitgever en auteur. De verzorging van de druk stond op het niveau van het beste wat in die tijd in Nederland verscheen bij commerciële uitgeverijen als Brusse, Versluys en Van Kampen, en daarmee stegen de uitgaven uit boven het gemiddelde drukwerk, zoals dat van de grote uitgevers Veen en de Wereldbibliotheek.

De stem van de auteur gold zaken als zetfouten, papier, omslagpapier, lettertype, formaat en lay-out. Formaat en lettertype werden ook voorgesteld door de drukker. De uitgever deed over alle onderdelen zijn zegje. Bij sommige boeken had de drukker meer invloed op de lay-out dan bij andere. Overeenkomsten in de opmaak van de eerste Zilverdistel met andere door Enschedé gedrukte boeken waren de ruime marges, de opmaak van de titelpagina (waarop zowel horizontaal als verticaal gecentreerd werd) en het als standaard uitvullen van het impressum met kruisjes. (PvC)

Afwijkend was bijvoorbeeld de paginering: van links- en rechtsboven tot midden onder. Sectie-einden werden soms niet benadrukt (Gossaert, Verwey), dan weer door een liggend streepje onderaan (Van Eyck) of door een liggend streepje boven én onder elk gedicht (Van Nijlen). Ook titels boven gedichten, inhoudsopgave en colofon varieerden. Bij de Gossaert-uitgave ontbreken zowel colofon als inhoudsopgave. De uitgevers (Van Eyck vooral) waren technisch niet voldoende op de hoogte om de mogelijkheden en moeilijkheden te doorzien en andersom werden Van Eycks aanwijzingen niet steeds begrepen. Soms beging Enschedé typografische doodzonden in de ogen van Van Eyck. Toen er voor Het eigen rijk te weinig letter was, stelde Enschedé voor een tweede lettertype in te zetten voor de inhoudsopgave:

‘Drukkers zijn heel rare menschen, en de oude heer Charles Enschedé, de typographische leider der zaak, in ’t bijzonder’, schreef Van Eyck: ‘Dat is ook een erge zonde v. Enschedé: zooveel lettersoorten te gebruiken (liefst op een titelpagina)’. Enschedé moest wel, want de grote corpsen van de Rosart waren voor de Fleischman niet voorhanden. De drukker opereerde als een diplomaat, met hart voor de aspiraties van de jonge dichters, maar zonder zijn zakelijke belangen te vergeten. Hij redigeerde de wensen van de uitgevers tot een aanvaardbaar resultaat, maar het initiatief lag bij De Zilverdistelaars en de keuze die zij maakten voor Enschedé was een verstandige. De vormgeving van de eerste vier boeken was uiteindelijk te veel een mengsel van smaken om de ware private press-idee uit te dragen.

Jan van Nijlen, Naar ’t geluk. ‘s-Gravenhage, Uitgegeven door “De Zilverdistel”, 1911, p. 36-37. KB: 165 D 7. (KB)

Jan van Nijlen, Naar ’t geluk. ‘s-Gravenhage, Uitgegeven door “De Zilverdistel”, 1911, p. 36-37. KB: 165 D 7. (KB)

Jan van Nijlen, Naar ’t geluk. ‘s-Gravenhage, Uitgegeven door “De Zilverdistel”, 1911, colofon. KB: 165 D 7. (KB)

Jan van Nijlen, Naar ’t geluk. ‘s-Gravenhage, Uitgegeven door “De Zilverdistel”, 1911, colofon. KB: 165 D 7. (KB)

De Zilverdistel, 1912-1914

In 1912 onderzocht Van Eyck de mogelijkheid om – alleen – van De Zilverdistel te leven: ‘Er zit verdienste in’, niet in Nederlandse poëzie, maar in Duitse, Franse of Engelse teksten. De Zilverdistel kwam vlak voor de Eerste Wereldoorlog in turbulent vaarwater: Greshoff en Bloem traden uit, Van Royen trad met nieuwe typografische ideeën aan.

Hoewel Van Eyck de opbrengst niet langer wilde delen met Greshoff en Bloem, tekende hij binnen het jaar een contract met J.F. van Royen, die deelde in de winst. Vervolgens vertrok hij voor de Nieuwe Rotterdamsche courant als correspondent naar Rome (april 1914). Eind december 1915 keerde hij terug in Nederland. Tijdens zijn afwezigheid werd veel overgelaten aan Van Royen, die als enige leider van de uitgeverij optrad. Dat zou tot een schisma leiden, maar eerst tot een verdieping van de idealen van De Zilverdistel, die stap voor stap het pad aflegde naar de handpers, een eigen letter en ten slotte een eigen drukpers. Het drukkersmerk van Enschedé verscheen niet langer in de uitgaven.

Het driemanschap ontbonden

Net als hun klanten waren de drie uitgevers van De Zilverdistel verzamelaars met een ex-libris en collecties die later geveild werden of nagelaten werden aan bibliotheken. Greshoff keerde zich af van gelimiteerde edities. Bloem bleef zich bekommeren om typografie, maar hij verkocht bijvoorbeeld zijn zeldzame Boutens-editie van Leopolds Verzen, toen er een nieuwe handelseditie verscheen. Bloem was als verzamelaar een stapelaar en een schuldenmaker. Van Eyck spendeerde veel geld aan zijn collectie, soms ten koste van de huisvesting. Hij toonde zijn ‘mooie bibliophiel-uitgaven’ vol trots aan bezoekers. Reint Mees, die het drietal goed kende en ook bevriend raakte met Van Royen, kwam bij hen over de vloer om ‘zeer veel te zien op ’t gebied der boekkunst’. Hij zag bij Van Royen en Van Eyck veel ‘Engelsche boekkunst’; Greshoff en Van Royen bezaten al vroeg ook Duitse boeken.

Liefde voor literatuur was natuurlijk geen zakelijke basis voor een uitgeverij. Er was behoefte aan technische kennis en die werd het sterkst gevoeld door Greshoff, hoewel die zich met de technische productie niet bezighield. Hij onderbouwde zijn interesse in de typografie met praktische vakkennis. In 1911 leerde hij de etstechniek en produceerde enkele landschapjes en bloemstudies.

Nadat hij De Zilverdistel verliet, ging hij in juni 1912 in de leer bij de destijds vooruitstrevende drukkerij van Franciscus Nicolaas MacDonald (1887-1960) aan de Broerstraat 58 in Nijmegen. Greshoff stond er ‘zelf aan de zetkast’. Dit kwam ten goede aan zijn werk voor het typografische tijdschrift De witte mier en zijn samenwerking met de Apeldoornse uitgever C.M.B. Dixon tussen 1912 en 1917. Van Eyck bezondigde zich een enkele keer aan de tekenkunst door in een oude Baudelaire-uitgave een sierrand te tekenen. Later tekende hij de initialen voor Verlaine’s Romances sans paroles (De Zilverdistel, 1914).

In september 1912 schreef Van Eyck: ‘Waarschijnlijk wordt De Zilverdistel van mij alleen’. In november maakte Greshoff publiek dat Bloem en hij zich terugtrokken uit De Zilverdistel, zodat Van Eyck zijn ideeën over boekkunst kon verwezenlijken. Van Eyck wilde ‘mooie en zeldzame boeken’ uitgeven en streefde naar ‘zuivere, onversierde boekkunst’.

De invloedssfeer veranderde. De voorbeelden waren niet langer Duits, maar Engels. Bovendien waren niet Morris of Ricketts maatgevend, maar Cobden-Sanderson. Van Eyck had het intussen te druk met zijn rechtenstudie, zijn verloofde en literaire artikelen, om De Zilverdistel alleen aan te voeren. Voor de inkomsten stortte hij zich op de Baudelaire-editie.

‘Mijn Baudelaire kost mij duur, maar ik heb kans op een mooie winst’. Winst zou voorkomen dat hij een baantje moest zoeken: ‘Wil ik spoedig na mijn promotie kunnen trouwen, dan heb ik de winst van een paar geslaagde uitgaven absoluut noodig’. Zoveel tijd kostte een uitgeverij immers niet? ‘Wanneer trouwens het boek eenmaal opgebouwd is, dan gaat alles van zelf. Proeven kan ik desnoods onder de maaltijden nazien’.

Greshoff haakte als eerste en zonder voorwaarden af; zijn contract met Dixon stond geen tweede uitgeversrol toe. Terugtreden vond Bloem geen probleem, omdat hij toch al weinig uitvoerde, maar wel wilde hij de zaken goed geregeld hebben: ‘zooals de toestand nu is krijgen wij ieder een exemplaar van onze uitgaven gratis en wordt de winst tusschen ons drieën verdeeld’. Van Eyck wilde geen presentexemplaren meer verstrekken. Bloem vond het ongehoord dat hij zich zonder vergoeding moest terugtrekken uit ‘een handelsfirma – want dat zijn we dan toch, zij het ook in ’t klein’. Hij bleef recht hebben op een gratis exemplaar van alle Zilverdistel-uitgaven.

Dat Greshoff geen gratis exemplaar meer ontving, was uit ‘overdreven zakelijkheid’, hij kreeg vijftig procent korting. In juni 1913 ontving Bloem met een eindafrekening nog ƒ25. De zaken werden niet contractueel geregeld, waardoor in 1916 nog werd getwist over het recht op een aandeel in de winst.

In december 1912 was de zaak beklonken. Er werd een vaste klantenkring aangetrokken door te beginnen met een Vereeniging der Vijftig (het effect kwam pas enkele jaren later). Van Eyck publiceerde een (te) ambitieus uitgeversprogramma, met een reeks van twaalf middeleeuwse teksten. Alleen Lanseloet en Suster Bertken werden (met grote vertraging) gerealiseerd. Een tweede niet gerealiseerde reeks betrof Nederlandse dichters uit de Gouden Eeuw (Vondel, Hooft, Bredero, Poot). Ook wilde hij ‘uitblinkende moderne werken’ publiceren, maar toch in de eerste plaats Engelse, Duitse en Franse literatuur.

Achtereenvolgens verschenen in deze periode: Leopold Andrian, Der Garten der Erkenntnis (juli 1913), Leopold Andrian, Gedichte (augustus 1913), P.N. van Eyck, Bevrijding (colofon: augustus 1913; verschenen september 1913), Charles Baudelaire, Les fleurs du mal (colofon: 25 oktober 1913; verschenen: november 1913), Een abel spel van Lanseloet van Denemerken (colofon: september 1913; verschenen december 1913), Paul Verlaine, Romances sans paroles (colofon: 30 oktober 1913; verschenen april 1914) en Novalis, Die Gedichte (colofon: juni 1915; verschenen augustus 1915).

Ets door Jan Greshoff, 1911, gedateerd en gesigneerd: ‘ J.Gr. 9-V-11’. MM: EPH 369. (MM)

Ets door Jan Greshoff, 1911, gedateerd en gesigneerd: ‘ J.Gr. 9-V-11’. MM: EPH 369. (MM)

Paul Verlaine, Romances sans paroles. La Haye, De Zilverdistel, 1913, p. 3, detail. KB: 52 E 22. (KB)

Paul Verlaine, Romances sans paroles. La Haye, De Zilverdistel, 1913, p. 3, detail. KB: 52 E 22. (KB) ****

Paul Verlaine, Romances sans paroles. La Haye, De Zilverdistel, 1913, p. 48 (colofon). KB: 52 E 22. (KB)

Paul Verlaine, Romances sans paroles. La Haye, De Zilverdistel, 1913, p. 48 (colofon). KB: 52 E 22. (KB)

Leopold Andrian, Gedichte. Haag, De Zilverdistel, 1913, p. 26-27. KB: 165 D 9. (KB)

Leopold Andrian, Gedichte. Haag, De Zilverdistel, 1913, p. 26-27. KB: 165 D 9. (KB)

Leopold Andrian, Gedichte. Haag, De Zilverdistel, 1913, p. 28-29 (colofon). KB: 165 D 9. (KB)

Leopold Andrian, Gedichte. Haag, De Zilverdistel, 1913, p. 28-29 (colofon). KB: 165 D 9. (KB)

Charles Baudelaire, Les fleurs du mal. La Haye, De Zilverdistel (Paris, M.A. Blaizot distr.), 1913, p. 272-273. MM: B 002 D 017. (MM

Charles Baudelaire, Les fleurs du mal. La Haye, De Zilverdistel (Paris, M.A. Blaizot distr.), 1913, p. 272-273. MM: B 002 D 017. (MM

Charles Baudelaire, Les fleurs du mal. La Haye, De Zilverdistel (Paris, M.A. Blaizot distr.), 1913. KB: 50 D 18. (KB: JU)

Charles Baudelaire, Les fleurs du mal. La Haye, De Zilverdistel (Paris, M.A. Blaizot distr.), 1913. KB: 50 D 18. (KB: JU)

Zilverdistelboeken, uitgegeven en in bewerking, MCMX-MCMXIV. 's-Gravenhage, De Zilverdistel, 1915, p. 6. MM: B 002 D 022. (MM)

Zilverdistelboeken, uitgegeven en in bewerking, MCMX-MCMXIV. 's-Gravenhage, De Zilverdistel, 1915, p. 6. MM: B 002 D 022. (MM)

De komst van J.F. van Royen

Greshoff kende Jean François van Royen uit de Haagse ‘Arts and Crafts’-kringen, ontlokte hem artikelen voor De witte mier en tutoyeerde hem al snel. In 1912 leerde Van Royen ook Van Eyck kennen en op 10 september 1912 kreeg hij van hem een – laat besteld – exemplaar van Worstelingen. Van Royen (1878-1942) was destijds al een actieve verzamelaar van private press-boeken, die hij rechtstreeks aankocht bij de Eragny Press en de Doves Press (juli 1912) of bij de Hyperion Verlag en de Januspresse, maar hij kocht ook via handelaren. Hij verdiepte zich in kalligrafie aan de hand van Edward Johnstons Writing & illuminating, & lettering in juli 1913. Hij was in 1904 in dienst getreden van de PTT, waar hij zich vanaf 1912 bezighield met de esthetische vormgeving.

In 1920 volgde met terugwerkende kracht zijn benoeming tot ‘algemeen secretaris’ en werd hij verantwoordelijk voor de ‘huisstijl’. Hij gaf opdrachten aan kunstenaars, onder andere voor postzegels en meubilair, maar zijn taak omvatte ook het aanschrijven van gemeentebesturen over ‘het straatwerk na kabellegging’. Zijn invloed groeide mede door zijn bestuurlijke betrokkenheid in tal van organisaties op het terrein van de toegepaste kunst, zoals de VANK (Nederlandsche Vereeniging voor Ambachts- en Nijverheidskunst) en de Haagsche Filmliga.

Volgens Mees werd zijn advies al door De Zilverdistel gevraagd toen Verwey’s Het eigen rijk ‘reeds persklaar’ was (1912). Er werd echter pas een contract tussen Van Eyck en Van Royen getekend op 22 juni 1913. Dat regelde het ‘onder de gemeenschappelijke naam “De Zilverdistel” te zamen’ uitgeven van ‘boeken van bibliophilisch karakter’. De winst werd in drieën verdeeld: eenderde werd in de onderneming geïnvesteerd, de rest werd fifty-fifty uitgekeerd aan de partners. Ook kreeg elk van hen vijf presentexemplaren. (Bloem ontving volgens statuut 8 één exemplaar). Eenzijdige opzegging van het contract was ongeldig, zelfs in geval van overmacht en daartoe rekende men het verhuizen naar een andere plaats, zoals Van Eycks verblijf in Rome en later in Londen.

Het merendeel van het werk kwam algauw neer op Van Royen. Vanaf 1913 wisselde Van Royen meer brieven met drukkerij Enschedé dan Van Eyck; vanaf 12 maart 1914 was er alleen nog contact met Van Royen. De manier waarop zij hun werk voor de uitgeverij deden, verschilde enorm. Van Eyck ontwierp een boek door knip- en plakwerk (‘de boekvorm met al de plakkerijen, die dat meebrengt’), bij de Verlaine vond hij het ‘lastig met die motto's allemaal en die smalle verzen’. Hij probeerde het proces te beheersen via lange missieven en tientallen correcties, en bracht zelden een bezoek aan de drukkerij.

Van Royen was een actieve netwerker. In mei 1913 bezocht hij Lucien en Esther Pissarro in Londen, met wie hij en zijn vrouw Gusta een levenslange vriendschap zouden onderhouden. De jaren erna zou hij zijn Londense contacten intensiveren: hij vroeg advies aan C.H. St.J. Hornby, Cobden-Sanderson, J.H. Mason en anderen en wist zich gesterkt door hun vriendelijke oordelen over De Zilverdistel. Van Royen waagde zich steeds vaker op de werkvloer in de drukkerij. Tussen juni en december 1913 bracht hij tien bezoeken, waarschijnlijk in verband met de Verlaine-uitgave. Voor de Novalis-uitgave spoorde hij tussen februari 1914 en juni 1915 tweeëntwintig keer naar Haarlem, waarvan alleen al elf keer in mei. Hij begon een nieuwe uitgave in 1913 met een ‘uitvoerig rapport over den druk van Lanseloet’.

Ondanks deze verschillende werkwijzen werd er nauw samengewerkt. In januari 1913 werd het werk keurig verdeeld: ‘Telkens tegelijk neemt dhr Van Royen één, ik een ander boek’ onder handen. De praktijk was grilliger. Van Eyck bemoeide zich bijvoorbeeld ook met de door Van Royen uit te voeren Lanseloet-uitgave en hij corrigeerde proeven. Enschedé sprak niet alleen met Van Royen over typografische kwesties bij dit boek, maar polste ook Van Eyck over de de lay-out, omdat het ‘gelyke onder en bovenwit by de persoonsnamen’ de drukker tegenstond. Van Royen occupeerde zich ook met de Andrian-edities die Van Eyck voorbereidde.

Intussen werd er niet uitsluitend gewerkt met drukkerij Enschedé. Van Eyck informeerde naar de drukkosten van Ipenbuur & Van Seldam, maar bracht twee Zilverdistel-boeken later onder bij G.W. van der Wiel & Co in Arnhem. In december 1912 werd over de Baudelaire-uitgave overeenstemming bereikt (er was al een deel gezet bij Enschedé) en ook Van Eycks eigen bundel Bevrijding werd daar gedrukt, beide in de Hollandsche Mediaeval.

De Baudelaire-uitgave, met een oplage van 310 exemplaren, werd een winstgevende publicatie, deels doordat 150 exemplaren werden gedistribueerd door boekhandel Blaizot in Parijs, deels omdat ook hier de kosten binnen de perken bleven. Van Eyck vocht namelijk de rekening aan en wist er tien procent van af te krijgen. Er werden 293 exemplaren verkocht voor meer dan ƒ3000, waarvan de helft winst was. Voor deze uitgave werden instructies gegeven door Van Royen én Van Eyck; bovendien gaf ook S.H. de Roos aanwijzingen. Maar drukker Van der Wiel had het meest te stellen met Van Eyck. Hij verklaarde ‘nog nimmer voor iemand te hebben gewerkt, die zooveel eischen stelde’.

Foto van J.F. van Royen, 1896, Bezuidenhout 189, Den Haag. Particuliere collectie. (MM)

Foto van J.F. van Royen, 1896, Bezuidenhout 189, Den Haag. Particuliere collectie. (MM)

Portretfoto van J.F. van Royen, uit:Persoonlijkheden in het Koninkrijk der Nederlanden in woord en beeld: Nederlanders en hun werk.Amsterdam, Van Holkema & Warendorf’s U.M., 1938, p. 1261. KB: LHO AW.B 11 NL PERS. (KB)

Portretfoto van J.F. van Royen, uit: Persoonlijkheden in het Koninkrijk der Nederlanden in woord en beeld: Nederlanders en hun werk. Amsterdam, Van Holkema & Warendorf’s U.M., 1938, p. 1261. KB: LHO AW.B 11 NL PERS. (KB)

Satirisch portret van J.F. van Royen door Ton van Tast (pseudoniem van Anton van der Valk). Particuliere collectie. (MM)

Satirisch portret van J.F. van Royen door Ton van Tast (pseudoniem van Anton van der Valk). Particuliere collectie. (MM)

Willem Kloos, Verzen. Amsterdam, Versluys, 1894, met drukvel voorEen boecxken gemaket van Suster Bertken (1918) als omslag. MM: Obj. 1397. (MM)

Willem Kloos, Verzen. Amsterdam, Versluys, 1894, met drukvel voor Een boecxken gemaket van Suster Bertken (1918) als omslag. MM: Obj. 1397. (MM)

Paul von der Aelst,Blumm und Außbund Allerhandt Außerlesener Weltlicher, Züchtiger Lieder und Rheymen.München, Hyperion-Verlag, 1912, p. 423. KB: 3 A 1. (KB)

Paul von der Aelst,Blumm und Außbund Allerhandt Außerlesener Weltlicher, Züchtiger Lieder und Rheymen.München, Hyperion-Verlag, 1912, p. 423. KB: 3 A 1. (KB)

A.F.A. van Royen-Saltet,‘Voorhofje “The Brook”, Hammersmith’, 1949, tekening op blad 15 in schetsboek. Particuliere collectie. (MM)

A.F.A. van Royen-Saltet,‘Voorhofje “The Brook”, Hammersmith’, 1949, tekening op blad 15 in schetsboek. Particuliere collectie. (MM)

A.F.A. van Royen-Saltet, ‘Achterhuis “The Brook”, 1949,tekening op blad 16 in schetsboek. Particuliere collectie. (MM)

A.F.A. van Royen-Saltet, ‘Achterhuis “The Brook”, 1949,tekening op blad 16 in schetsboek. Particuliere collectie. (MM)

P.N. van Eyck,Bevrijding. Verzen.’s-Gravenhage, De Zilverdistel, 1913, titelpagina. MM: B 002 E 066. (MM)

P.N. van Eyck,Bevrijding. Verzen.’s-Gravenhage, De Zilverdistel, 1913, titelpagina. MM: B 002 E 066. (MM)

P.N. van Eyck,Bevrijding. Verzen.’s-Gravenhage, De Zilverdistel, 1913, p. 2-3. MM: B 002 E 066. (MM)

P.N. van Eyck, Bevrijding. Verzen. ’s-Gravenhage, De Zilverdistel, 1913, p. 2-3. MM: B 002 E 066. (MM)

P.N. van Eyck,Bevrijding. Verzen. ’s-Gravenhage, De Zilverdistel, 1913, colofon. MM: B 002 E 066. (MM)

P.N. van Eyck, Bevrijding. Verzen. ’s-Gravenhage, De Zilverdistel, 1913, colofon. MM: B 002 E 066. (MM)

De Duitse markt

De Zilverdistel wilde naast de Franse ook de Duitstalige markt veroveren en probeerde dat met twee uitgaven van Leopold Andrian (1875-1951), die als Oostenrijks diplomaat in Warschau gestationeerd was. Andrian had zijn eigen teksten niet bij de hand en dat zorgde voor moeilijkheden tijdens de productie. Er waren zoveel correcties waarmee Van Eyck niet kon instemmen, dat hij bij Der Garten der Erkenntnis besloot 35 auteursexemplaren in de door Andrian gewenste versie te laten drukken en de overige honderd in de versie die hijzelf prefereerde. Dit noemde hij tegenover de drukker ‘een gewichtig ding!’

De edities verschilden van elkaar, bijvoorbeeld op pagina 28 (regel 9 van boven): versie I heeft ‘ein solches Leben ist’ en versie II: ‘ein solches Leben erscheint’. Op pagina 35 (regel 7-8 van onderen): versie I: ‘weil in dieser geheimnisvollen [...] eine Erkenntnis ist’ werd in versie II: ‘weil diese geheimnisvolle, [...] eine Erkenntnis verspricht’. Feitelijk waren het onbelangrijke verschillen; een commerciële uitgever zou er niet over gepeinsd hebben om twee verschillende edities te publiceren.

Enschedé was het oneens met sommige typografische ingrepen van Van Eyck, die geen inspringende alinea’s wilde. De drukker roddelde daarover met de dichter Boutens, maar exposeerde het werk een maand later wel op de Internationale Grafische Tentoonstelling in Amsterdam.

In Duitsland werden exemplaren mondjesmaat verkocht. De alleenverkoop was er gegund aan antiquaar Horst Stobbe in München, die zestig exemplaren afnam. Met de andere Zilverdistels was hij voorzichtiger. Met tijdschriftadvertenties (onder andere in Der Zwiebelfisch) krikte hij de verkoop op. Van de tweede uitgave, Andrians Gedichte, nam hij minder exemplaren af. In Duitsland werden de 'Drucke der Zilverdistel' geëxposeerd in de Nederlandse inzending (geredigeerd door Van Royen) voor de Internationale Ausstellung für Buchgewerbe und Graphik Leipzig 1914.

Leopold Andrian,Der Garten der Erkenntnis. Haag, De Zilverdistel, 1913, proef met correcties in handschrift door P.N. van Eyck, vooromslag. MM: B 004 A 020. (MM)

Leopold Andrian, Der Garten der Erkenntnis. Haag, De Zilverdistel, 1913, proef met correcties in handschrift door P.N. van Eyck, vooromslag. MM: B 004 A 020. (MM)

Leopold Andrian, Der Garten der Erkenntnis. Haag, De Zilverdistel, 1913, proef met correcties in handschrift door P.N. van Eyck, p. 28-29. MM: B 004 A 020. (MM)

Leopold Andrian, Der Garten der Erkenntnis. Haag, De Zilverdistel, 1913, proef met correcties in handschrift door P.N. van Eyck, p. 28-29. MM: B 004 A 020. (MM)

Leopold Andrian, Der Garten der Erkenntnis. Haag, De Zilverdistel, 1913, proef met correcties in handschrift door P.N. van Eyck, p. 35. MM: B 004 A 020. (MM)

Leopold Andrian, Der Garten der Erkenntnis. Haag, De Zilverdistel, 1913, proef met correcties in handschrift door P.N. van Eyck, p. 35. MM: B 004 A 020. (MM)

Leopold Andrian, Der Garten der Erkenntnis. Haag, De Zilverdistel, 1913, vooromslag. KB: 165 D 15. (KB)

Leopold Andrian, Der Garten der Erkenntnis. Haag, De Zilverdistel, 1913, vooromslag. KB: 165 D 15. (KB)

Leopold Andrian, Der Garten der Erkenntnis. Haag, De Zilverdistel, 1913, p. 28-29. KB: 165 D 15. (KB)

Leopold Andrian, Der Garten der Erkenntnis. Haag, De Zilverdistel, 1913, p. 28-29. KB: 165 D 15. (KB)

Leopold Andrian, Der Garten der Erkenntnis. Haag, De Zilverdistel, 1913, p. 35. KB: 165 D 15. (KB)

Leopold Andrian, Der Garten der Erkenntnis. Haag, De Zilverdistel, 1913, p. 35. KB: 165 D 15. (KB)

Nieuwe of oude productiewijze

In mei 1913 bleek dat het productietempo door gebrek aan letters lager lag dan Van Eycks bedoeling was: Suster Bertken werd afgeblazen, omdat de letter ‘vast zit’ voor andere opdrachten. De ideeën van Van Royen zorgden voor meer vertragingen. Hij stelde voor niet meer op de snelpers, maar op de handpers én onder ‘persoonlijk toezicht’ te laten drukken. Volgens Enschedé verdiende dat als ‘verouderde methode’ geen aanbeveling. Ook Van der Wiel schreef dat het door De Zilverdistel geëiste resultaat ‘alleen op de snelpers bereikt kon worden’.

Enschedé deed overigens wel wat Van Royen verlangde en zette de handpersdrukker aan het werk: zo ‘deed William Morris. Maar zyn voorbeeld zou ik noch als boekdrukker noch als lettergieter gaarne navolgen’. Van Royen vond dat de druk op de snelpers niet zwart genoeg was. De Verlaine-, Lanseloet- en Novalis-uitgaven werden op de handpers gedrukt. Het gevolg was dat het drukwerk voor De Zilverdistel soms geheel stilviel.

Enschedé verdiende meer aan geld en postzegels; personeel werd vaak voor het drukken ervan ingezet. ‘Ja, die handpersendruk is een malle geschiedenis’, schreef Enschedé: ‘Voor gewoon boekwerk zyn wy op die persen niet ingericht – wie is dat wel’. Het was kennelijk zo verwarrend voor Enschedé dat later gemeld werd dat ook de Andrian-uitgaven al op de handpers waren gedrukt.

De bemoeienis van Van Royen met het daadwerkelijk drukken werd steeds fundamenteler. Hij spoorde naar Haarlem om persoonlijk het papier te bevochtigen voordat er gedrukt werd, want zijn instructies (ontleend aan zijn Engelse adviseurs, vooral Hornby) leverden geen goede resultaten op. Ook voor het drukken zonder interlinie en het registeren kwam hij over. Van Royen had minder haast dan Van Eyck en liet de vellen in de drukkerij voor het verzenden goed drogen (‘6 à 8 dagen’). Hij leverde onvermoeibaar commentaar op initialen, komma’s, puntkomma’s, paragraaftekens, papier en inkt. Vijftien jaar later was er in de drukkerij nog ‘a vivid recollection of the despair to which one of the best compositors in the world and an excellent hand-press printer were reduced in the course of this work’.

Over de Novalis-uitgave schreef Van Royen aan Hornby: ‘You found the weak spot in the book: the red printing’. Hij had zelf aan de drukpers gestaan: ‘I could only print the black myself’, de rest werd tijdens zijn afwezigheid de volgende dag gedrukt. ‘The pressman had a real struggle with his rollers’ en steeds was er iets mis met de rode inkt. Dat was in 1915 en Van Royen wist al dat hij eind van dat jaar over een eigen drukpers in Den Haag kon beschikken.

De overgang naar een ware private press ging stapsgewijs. Eerst werd er een eigen drukkersmerk ontworpen door architect en vormgever K.P.C. de Bazel. De gestileerde zilverdistel was in oktober 1913 klaar en werd voor het eerst gebruikt in het colofon van de Lanseloet-uitgave (1913) en daarna vooral op de perkamenten bandjes.

De volgende stap was een exclusief lettertype. In juli 1913 vroeg Van Royen de drukkerij om een nieuw lettertype voor De Zilverdistel te maken. De letter zou bij Enschedé dan exclusief gebruikt worden voor De Zilverdistel. Na een bespreking met zijn vennoten schreef Enschedé dat zij geloofden ‘dat het voor een uitgever niet gewenscht is zyne uitgaven steeds met dezelfde letter’ te drukken. Maar wat Van Royen wilde kon wel. ‘Het snyden van het schrift komt op ƒ2500’, de matrijzen en het gieten van voldoende letter zou de drukkerij nog eens ƒ500 kosten.

De drukker vroeg zich af voor hoelang De Zilverdistel zich daarmee aan Enschedé verbond – geen vreemde vraag nu er ook boeken bij Van der Wiel gedrukt werden – en vroeg naar de hoogte van de vergoeding voor het geval de relatie tussen uitgever en drukker zou ophouden. Enschedé raadde per omgaande het voorstel af én wilde evenmin een oude letter moderniseren. Van Royen zou zijn eigen letter toch krijgen: een jaar later, in juli 1914, maakte hij met De Roos afspraken over de Zilvertype. Enschedé zou daar niets aan verdienen, omdat die letter werd uitgevoerd door de Lettergieterij ‘Amsterdam’.

De Zilverdistel, 1913-1918. KB: 24 D 46; 165 D 16; 165 D 19; MM: B 002 D 021; KB: 54 F 21; MM: pp ned Zilverdistel 1918.01; B 002 D 019; B 005 F 013; KB: 165 D 13; MM: B 001 E 036; B 002 E 037; KB: 165 D 17; Particuliere collectie. (KB: JU)

De Zilverdistel, 1913-1918. KB: 24 D 46; 165 D 16; 165 D 19; MM: B 002 D 021; KB: 54 F 21; MM: pp ned Zilverdistel 1918.01; B 002 D 019; B 005 F 013; KB: 165 D 13; MM: B 001 E 036; B 002 E 037; KB: 165 D 17; Particuliere collectie. (KB: JU)

De boeken van De Zilverdistel kregen in toenemende mate een Engels private press-karakter, allereerst door de lay-out, maar ook door het gebruik van een rode steunkleur en in hout gegraveerde titels, zoals in de Novalis-uitgave. Om het houtblok te sparen werd er gedrukt van galvano’s. Met die Novalis demonstreerde Van Royen uitdrukkelijk zijn ‘zichtbare’ typografie. Regels van bijzondere gedichten kregen een grotere interlinie: in de ‘Zueignung’ aan het begin en de ‘Hymne’ aan het slot.

Van Royen en zijn echtgenote bezochten Enschedé en zijn vrouw in oktober 1915 voor een afsluitend bezoek. Het restant van het door De Zilverdistel aangeleverde papier (bijna tweeduizend vel) ging terug naar Den Haag. Drukkerij Enschedé werd een van de gewone leveranciers (bijvoorbeeld van een handrol).

Van Eyck zat nog in Italië en voelde zich ‘buitengesloten’. Op 14 juli 1914 schreef hij al dat hij er niets voor voelde om een ‘zinlooze geldopstrijkende figurant te zijn’. Door het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog werd zijn medewerking bijna onmogelijk. Na zijn terugkeer in Nederland, op 30 december 1915, woonde hij in Driebergen, maar werkte bij de Haagse afdeling crisiszaken van het ministerie van Landbouw, Nijverheid en Handel (1916-1919), voordat hij naar Londen vertrok. Hij kon zich weer even wijden aan de redactiewerkzaamheden voor De Zilverdistel. (PvC)

De Zilverdistel, 1913-1918. KB: 24 D 46; 165 D 16; 165 D 19; MM: B 002 D 021; KB: 54 F 21; MM: pp ned Zilverdistel 1918.01; B 002 D 019; B 005 F 013; KB: 165 D 13; MM: B 001 E 036; B 002 E 037; KB: 165 D 17; Particuliere collectie. (KB: JU)

De Zilverdistel, 1913-1918. KB: 24 D 46; 165 D 16; 165 D 19; MM: B 002 D 021; KB: 54 F 21; MM: pp ned Zilverdistel 1918.01; B 002 D 019; B 005 F 013; KB: 165 D 13; MM: B 001 E 036; B 002 E 037; KB: 165 D 17; Particuliere collectie. (KB: JU)

De Zilverdistel 1914-1922

Van Royens poging in juli 1913 om een eigen letter bij Enschedé te krijgen mislukte, maar toen hij kort daarna kennismaakte met Willem Anton Engelbrecht (1874-1965) greep hij de kans aan een eigen private press op te richten. Engelbrecht was firmant van de Rotterdamse cargadoorsfirma Wambersie & Zoon, actief in de ertshandel en de rederij. Hij ontplooide net zulke brede interesses en bestuurlijke verantwoordelijkheden als Van Royen. Hun ontmoeting in september 1913 vloeide voort uit hun interesse in Willem Witsen.

Van Royen wilde voor een tentoonstelling een schilderij uit Engelbrechts collectie lenen. Hij hoopte tevens ‘Uw Chaucer van Morris te bezichtigen’. Engelbrecht zou zijn collectie private press-boeken nog enkele jaren uitbreiden. Begin januari 1914 kocht hij de Zilverdistel-uitgave van Baudelaire. Halverwege het jaar spraken zij al over het begin van een private press en in augustus verzekerde Engelbrecht dat ‘het vervoer van de pers uit Engeland naar Nederland heel goed gaan zal en ook goed te verzekeren zal zijn tegen verlies door alle mogelijke zee en oorlogsgevaren’. De ‘ontwrichtte omstandigheden’ van de intussen uitgebroken Eerste Wereldoorlog waren geen reden om af te zien van het plan.

Engelbrecht werd zijn mecenas. Half september 1914 bestelde Van Royen een Albion-pers bij Payne & Sons, via Lucien Pissarro, die er zelf een had. ‘Hierdoor was het mogelijk dat er nog bijzonderheden aan worden gemaakt, die de frisheid en zuiverheid van het werk’ zouden bevorderen. ‘In Holland en Duitschland weet men daar niet van’. De aanpassingen hadden misschien betrekking op het timpaan en de vorm.

De pers woog 1200 kilo en Van Royens broer Rudolf rekende uit ‘of dat geval niet door ons plafond zou zakken’. De zetterij en drukkerij werden ingericht op de bovenste verdieping van Van Royens huurhuis aan de Van Boetzelaerlaan 43 in Den Haag, de zetterij in een klein zijkabinet, de drukkerij in de grote balkonkamer ernaast aan de achterzijde van het pand. Daar was de vloer versterkt met een vier centimeter dik raamwerk. De letters wogen 800 kilo. Van Royen stelde uitgebreide instructies op voor de opstelling van de pers, die in december 1914 ‘onder grote belangstelling van de buurt het huis ingehesen’ werd.

De financiering werd simpel geregeld. De kosten die Van Royen maakte, werden hem vergoed middels cheques van Wambersie. Engelbrecht betaalde de aanschaf en installatie van de pers en twee nieuwe lettertypen. De kosten liepen op tot circa ƒ5800, waarvan Engelbrecht niets terug zag. Een schriftelijke overeenkomst ontbrak, maar zijn betrokkenheid bleef ook na de dood van Van Royen onbetwist en toen de erven de drukpers met het archief aan de Nederlandse staat schonken, stond ook Engelbrechts naam onder de schenkingsakte.

S.H. de Roos ontwierp de Zilvertype en Pissarro de Disteltype (die door Edward Prince werd gesneden), beide letters werden gegoten door de Lettergieterij ‘Amsterdam’. . De Disteltype, gebaseerd op het karolingische schrift en de Italiaanse incunabelen, was bedoeld als ‘een krachtige, als het ware jeugdige letter’ voor uitgaven van middeleeuwse kerkelijke liederen en literatuur uit de Gouden Eeuw (een verwijzing naar Van Eycks oudere uitgeversprogramma). ‘De letter van De Roos’, schreef hij aan Engelbrecht, die van alle details op de hoogte werd gehouden: ‘wordt moderner (ofschoon steunend op de mooiste renaissance schriften als van Jenson en Ratdolt)’ en zou gebruikt worden voor de ‘nieuwe schrijvers’ , dat wilde zeggen: ‘Shelley, Keats, Browning’.

Net als bij Enschedé gooide Van Royen al zijn kennis en ideeën in de strijd bij de letterontwerpen. In tientallen brieven aan De Roos en Pissarro gaf hij commentaar op hun tekeningen. Beide ontwerpers sprongen vakkundig om met ‘dat gemier aan zo’n letter’.

De letter van De Roos liep vertraging op, mede doordat de werktekeningen in maart 1915 door de gieterij verzonden waren – de stempels zouden in Duitsland gegraveerd worden – en zoekraakten. Hierdoor hield Van Royen plotseling tijd over, die hij vulde ‘met het afdrukken van Novalis bij Enschedé, ons laatste boek daar’. In november 1915 arriveerden de eerste kilo’s van De Zilvertype bij Van Royen: ‘Hij is prachtig! Ik brand dus, om eindelijk te gaan zetten en drukken…’ De Disteltype kwam pas eind 1916 gereed.

Op 22 november 1915 was Van Royen zo blij als een kind toen hij de eerste tekst in de Zilvertype had gezet: ‘’t Was gisteravond 18 uur een historisch moment!!’ Hij drukte er met de hand een proefje van, dat hij weliswaar ‘zeer onvolkomen’ noemde, maar: ‘Het zag er uit als een pagina van een Italiaansche Incunabel’.

Uiteindelijk drukte hij voor De Zilverdistel één boek in de Disteltype – Suster Bertken (colofon: april 1918, verschenen juli 1918) – en vier in de Zilvertype: Over boekkunst en De Zilverdistel (colofon: 28 maart 1916, verschenen juni 1916); J.H. Leopolds Cheops (colofon: juli 1916, verschenen augustus 1916); Shelley’s Prometheus unbound (colofon: mei 1916-november 1917, verschenen maart 1918); Willem Kloos, Verzen (colofon: september 1919, verschenen juli 1920). Nadat de pers van naam veranderde – Van Royen begon in 1922 de Kunera Pers – drukte hij (precies andersom, qua letterkeuze) vier boeken in de Disteltype en één in de Zilvertype. (PvC)

Portretfoto van W.A. Engelbrecht, uit:Persoonlijkheden in het Koninkrijk der Nederlanden in woord en beeld: Nederlanders en hun werk. Amsterdam, Van Holkema & Warendorf’s U.M., 1938, p. 437. KB: LHO AW.B 11 NL PERS. (KB)

Portretfoto van W.A. Engelbrecht, uit: Persoonlijkheden in het Koninkrijk der Nederlanden in woord en beeld: Nederlanders en hun werk. Amsterdam, Van Holkema & Warendorf’s U.M., 1938, p. 437. KB: LHO AW.B 11 NL PERS. (KB)

Foto van de tuinzijde van het huis aan de Van Boetzelaerlaan 43, Den Haag, 1916: op het balkon voor de drukkerij staan H.A.F.A. (Gusta) van Royen-Saltet en haar drie kinderen: Uus, Beatrice en Sebald. Particuliere collectie. (MM)

Foto van de tuinzijde van het huis aan de Van Boetzelaerlaan 43, Den Haag, 1916: op het balkon voor de drukkerij staan H.A.F.A. (Gusta) van Royen-Saltet en haar drie kinderen: Uus, Beatrice en Sebald. Particuliere collectie. (MM)

Foto van de voorzijde van het huis aan de Van Boetzelaerlaan 43, Den Haag, 1915: op de eerste verdieping achter de ramen staan H.A.F.A. (Gusta) van Royen-Saltet, dochter Uus en J.F. van Royen. Particuliere collectie. (MM)

Foto van de voorzijde van het huis aan de Van Boetzelaerlaan 43, Den Haag, 1915: op de eerste verdieping achter de ramen staan H.A.F.A. (Gusta) van Royen-Saltet, dochter Uus en J.F. van Royen. Particuliere collectie. (MM)

Drukkersvignet voor De Zilverdistel, ontworpen door Lucien Pissarro, 1917. Afdruk met correcties in potlood van J.F. van Royen en galvano na correcties. Particuliere collectie. (MM)

Drukkersvignet voor De Zilverdistel, ontworpen door Lucien Pissarro, 1917. Afdruk met correcties in potlood van J.F. van Royen en galvano na correcties. Particuliere collectie. (MM)

Friedrich von Hardenberg genannt Novalis,Die Gedichte. Im Haag, De Zilverdistel, 1915, p. 12-13. MM: B 002 D 020. (MM)

Friedrich von Hardenberg genannt Novalis,Die Gedichte. Im Haag, De Zilverdistel, 1915, p. 12-13. MM: B 002 D 020. (MM)

Solo in sociaal verband

In juli 1914 begreep Van Eyck dat zijn positie door de eigen drukkerij van Van Royen geheel zou veranderen. Hem werd pas laat inspraak in de lettertypen gegund en zijn commentaar werd genegeerd. Hij dacht nog even dat Van Royen en hij hun banen eraan zouden geven en drukkers zouden worden in een ‘idealistisch samenwerken’, maar Van Royen zinspeelde op het einde van De Zilverdistel ‘in den tegenwoordigen vorm’ en nodigde Van Eyck niet uit om deel te nemen in de nieuwe financiële constructie.

Toch werkte Van Royen niet in isolement. Ten eerste was er Van Eyck, althans in de jaren 1916-1919, die met redactiewerk druk doende was voor de Shelley- en Kloos-edities. Hij hielp met het vouwen en inpakken – ‘al de boeken, op een enkel vel van Kloos na, heb ik gevouwen’ – en hij verkocht exemplaren. Van Eyck stond nooit aan de bok of de pers.

Er werden assistenten aangezocht, wier honorarium niet werd verantwoord in de kasboeken. Aan Engelbrecht schreef Van Royen in september 1914 dat hij een drukker had gevonden, een ‘oud gediende van de Landsdrukkerij’. De man was handpersdrukker, ‘in bonis’, ordelijk en had vrije tijd. ‘Mooier kon niet. Daarbij veel liefde voor het vak. Hij is een avond bij me geweest om te zien wat we eischen; het werk van de handpers (Lanseloet, Verlaine, Novalis) vond hij prachtig en zag uit eigen opmerking het groote verschil met de vroegere boeken’.

Zijn naam is niet overgeleverd. Maar vanaf het moment dat Van Royen in december 1915 het prospectus voor de Vereeniging der Vijftig ‘aan het zetten’ was, kreeg hij assistentie. Er was sprake van ‘Kop’, ‘Koos’ en diens opvolger ‘Louis’. Van Koos bleef een briefje bewaard (‘Wilt u s.v.p. wat pag. schoon maken daar er geen opvulwit meer is. Koos’). Hij was in elk geval werkzaam rond 1920, toen Van Eyck informeerde of hij ‘hebbelijk’ was, ‘after all’. Koos, ‘de jongeling van het vak’, kwam voor ‘het grover werk en het omhalen van de pers’. Het ‘rollen van de inkt’ gaf Van Royen nooit uit handen.

Familieleden hielpen bij het zetten en distribueren van tekstpagina’s. Van Royen drukte voor hen af en toe een gelegenheidswerkje; in 1917 was dat een programma voor een feestmiddag voor zijn drie kinderen. Dat werd gezet uit de Hollandsche Mediaeval en niet uit de nieuwe lettertypen.

Willem Kloos,Verzen uit de jaren 1880-1890. ’s-Gravenhage, De Zilverdistel, 1919, p. 3 (inhoudsopgave). MM: B 002 E 036. (MM)

Willem Kloos,Verzen uit de jaren 1880-1890. ’s-Gravenhage, De Zilverdistel, 1919, p. 3 (inhoudsopgave). MM: B 002 E 036. (MM)

Willem Kloos, Verzen uit de jaren 1880-1890.’s-Gravenhage, De Zilverdistel, 1919, p. 8-9. MM: B 002 E 036. (MM)

Willem Kloos, Verzen uit de jaren 1880-1890.’s-Gravenhage, De Zilverdistel, 1919, p. 8-9. MM: B 002 E 036. (MM)

Willem Kloos, Verzen uit de jaren 1880-1890. ’s-Gravenhage, De Zilverdistel, 1919, p. 20-21. MM: B 002 E 036. (MM)

Willem Kloos, Verzen uit de jaren 1880-1890. ’s-Gravenhage, De Zilverdistel, 1919, p. 20-21. MM: B 002 E 036. (MM)

Willem Kloos,Verzen uit de jaren 1880-1890. ’s-Gravenhage, De Zilverdistel, 1919, p. 60. MM: B 002 E 036. (MM)

Willem Kloos, Verzen uit de jaren 1880-1890. ’s-Gravenhage, De Zilverdistel, 1919, p. 60. MM: B 002 E 036. (MM)

Programma Pret maken op 21 juli 1917 by Guus, Sebald en Beatrice van Royen. Den Haag, gedrukt op de pers van De Zilverdistel, 1917. MM: VR 202 (MM)

Programma Pret maken op 21 juli 1917 by Guus, Sebald en Beatrice van Royen. Den Haag, gedrukt op de pers van De Zilverdistel, 1917. MM: VR 202 (MM)

De Zilverdistel in het buitenland

Van Eyck woonde vanaf 1919 op 49 Russell Gardens, Golders Green in Londen, waar hij probeerde uitgaven van De Zilverdistel te slijten. Sommige antiquaren vonden de prijs te hoog, andere de teksten te weinig Engels of de stijl te veel op die van the Doves Press lijken. Van Eyck wist een aantal exemplaren van de Shelley-uitgave te verkopen onder het mom dat die ‘out of print’ was.

Zijn Londense verblijf maakte hem een buitenstaander in de Zilverdistel-firma. De relatie kwam duidelijk onder spanning te staan, nadat hij via via hoorde: ‘Scheidt de Zilverdistel uit?’ Zijn zegsman Bloem kon dat niet begrijpen: ‘v. Royen kan het toch alleen wel af?’ Het contract tussen Van Eyck en Van Royen was aan vernieuwing toe. ‘Nu ik in Engeland woon, zal ik nog minder aan De Zilverdistel kunnen doen dan voorheen’: redactiewerk, correcties van proeven en als hij in Nederland verbleef: vouwen.

‘Het spreekt van zelf, dat er dus nu eens een andere regeling voor de financiën getroffen moet worden’, schreef Van Eyck, die partner wilde blijven van De Zilverdistel en recht houden op enkele exemplaren in ruil voor zijn literaire bijdragen. Nu Van Royen thuis de boeken drukte, was ‘het eigenlijke Zilverdistelboek Van Royens werk’. Voor Van Eycks eigen inzichten bleef daardoor ‘niet veel plaats’. Hij vond dat Van Royen de uitgeverij ‘eindelijk eens goed georganiseerd’ had. Op zijn aanbod zich financieel los te maken van De Zilverdistel ging Van Royen niet in.

De buitenlandse verkoop liep goed door vermeldingen in catalogi en kranten. Er kwamen bestellingen binnen van gerenommeerde verzamelaars als Henri Petiet en H. Wilmerding Bell, die de Franse en Engelse edities bestelden. Bell vergeleek de Zilvertype en de Doves type: ‘the result being that (with the exception of the upper case W) I very much prefer yours. There can be no doubt that it is the most beautiful type of our time and one of the most beautiful now cut’.

Petiet bewonderde de Disteltype en vooral ‘la perfection de votre impression’. Ook Louis Jou sprak zijn kritische waardering uit. Niet alleen de boeken vielen in goede aarde, er kwam ook vraag naar de letter zelf: de drukker Anselm Hartog vroeg in 1918 onder welke condities hij de Zilvertype mocht gebruiken. Dat mocht hij niet. Samuel A. Bartels uit Chicago kreeg jaren later hetzelfde antwoord.

De uitgaven 1915-1922

De eerste uitgave in deze periode werd niet gezet in de nieuwe lettertypen, maar uit de Hollandsche Mediaeval, waarvan Van Royen in september 1914 een partij aanschafte om ‘te oefenen in het zetten’. Hij maakte onder andere proefdrukken van Baudelaire’s Petits poèmes en prose. Op 16 maart 1915 schreef Van Royen aan Engelbrecht dat hij een Catalogus van de Zilverdistel-uitgaven gereed had om te drukken.

Het eerste boek in de Zilvertype werd het programmatische geschrift Over boekkunst en De Zilverdistel van Van Eyck en Van Royen (Van Royen wisselde op de titelpagina hun namen ‘zonder overleg’ om). Het eind december 1915 voltooide nieuwe uitgeversvignet van De Roos werd onder het colofon gedrukt. Het stelde een pijl en boog voor, naar een idee van Van Royen, die misschien al nadacht over een nieuwe naam voor de uitgeverij. De Roos echter tekende ook distelbladeren in het vignet. De boeken werden voortaan gebonden bij C. Verschoor & Zoon in Den Haag, enkele exemplaren bij Geertruid de Graaff en voor oudere Zilverdistel-uitgaven werden opdrachten verstrekt aan de firma Elias P. van Bommel.

Het succes van sommige uitgaven – Shelley’s Prometheus unbound bijvoorbeeld – veroorzaakte oponthoud. Van Royen schreef aan Van Eyck – hij schreef hem aan als ‘B.M.’, ofwel: ‘Beste Makker’ – dat die uitgave bijna geheel bij voorintekening verkocht was (93 exemplaren). Daarom ‘moet de hele oplaag worden gebonden, en Verschoor, die dat alles alleen doet schiet dus langzaam op. Daarbij komt dat alle perkament zoowat weg is, zoodat het zoeken daarnaar erg tijdroovend werk is geweest’.

Het papier voor de volgende uitgave – Suster Bertken – kon door de oorlog niet uit Engeland komen en werd in februari 1918 geleverd door Van Houtum, maar het was om ‘te zien en te voelen precies Batchelor’, alleen rook het lekkerder. Het voor Cheops gebruikte papier was overigens in de meeste exemplaren roestvlekkig. Enkele verzamelaars lieten het boek later ‘wassen’ in Parijs, waarvoor het boek uit de band gesloopt werd. Na afloop werd zonder gêne om het Zilverdistel-stempel van De Bazel gevraagd om op de nieuwe band af te drukken (dat gebeurde tot ver in de twintigste eeuw).

Van Royen kreeg het te druk (en niet voor het laatst): ‘Je moet weten dat ik ben zoo’n beetje overwerkt’, hij deed alleen het hoogstnoodzakelijke. Misschien dat daardoor imperfecties in het zetwerk slopen. Van Eyck schreef dat hij bij Engelse antiquaren ‘doodsangsten’ uitstond ‘dat zij het ontbreken van de h in which’ in Prometheus unbound opmerkten. Op pagina 17 was die ‘h’ vergeten in de derde versregel.

Het succes was mede te danken aan de Vereeniging der Vijftig, die met ongeveer veertig vaste intekenaars vanaf 1916 De Zilverdistel steunden. Tussen 1918 en 1928 stonden als leden genoteerd: W.A. Engelbrecht, Gretie Smith van Stolk, Ary Prins (later Frans Mijnssen), D. Albers, C. Mensink (later N.J. Beversen, weer later W. Fahrenhorst), H.J. van Royen, Paul May, W.J.M. van Eysinga, Esther Crol-Halbertsma, A. van Leer, J.D. Reelfs, de Koninklijke Bibliotheek, R.N. Roland Holst, Annie van Beuningen-Eschauzier, A.W. Hartman, Henriëtte van der Schalk, H.R.A. van Schelle (later H.M. van der Ven), boekhandel Martinus Nijhoff (twee exemplaren), boekhandel Van Stockum, J.P. Fokker, Charles Nypels, H. van der Muelen-Burg, W. Broese van Groenou, C. van Toulon van der Koog (later A.J.A. baron van Herzeele), Jac. J. de Jong, Erich Steinthal Verlag, mevrouw Sprenger, boekhandel Scheltema & Holkema (vier exemplaren), W. van Dam, Evert van Ketwich Verschuur en W.H. Borgman.

Latere leden waren: L.M. Schwartz, Geertruid de Graaff, drukkerij Mouton, Jo van Regteren Altena, Hendrik Boekenoogen en A. Sickenga-Knappert. Sommigen kwamen uit de Rotterdamse kringen of van de maritieme Linschoten-Vereniging waarvan Engelbrecht lid was. Anderen kwamen uit Nederlands-Indië, waar Van Royens jeugdvriend Hartman woonde en weer anderen waren bevriende kunstenaars of studiegenoten.

Drukkersmerk De Zilverdistel, ontworpen door S.H. de Roos, uit: J.H. Leopold,Cheops.’s-Gravenhage, De Zilverdistel, 1916, p. 14. KB: 24 F 18. (KB)

Drukkersmerk De Zilverdistel, ontworpen door S.H. de Roos, uit: J.H. Leopold,Cheops.’s-Gravenhage, De Zilverdistel, 1916, p. 14. KB: 24 F 18. (KB)

J.H. Leopold, Cheops. ’s-Gravenhage, De Zilverdistel, 1916, p. 9 met gebruikssporen en roestvlekken. KB: 24 F 18. (KB)

J.H. Leopold, Cheops. ’s-Gravenhage, De Zilverdistel, 1916, p. 9 met gebruikssporen en roestvlekken. KB: 24 F 18. (KB)

Percy Bysshe Shelley,Prometheus unbound. A lyrical drama in four acts. ’s-Gravenhage, De Zilverdistel, 1917, p. 17. KB: 57 C 37. (KB)

Percy Bysshe Shelley, Prometheus unbound. A lyrical drama in four acts. ’s-Gravenhage, De Zilverdistel, 1917, p. 17. KB: 57 C 37. (KB)

Percy Bysshe Shelley,Prometheus unbound. A lyrical drama in four acts. ’s-Gravenhage, De Zilverdistel, 1917, p. 94-95. KB: 57 C 37. (KB)

Percy Bysshe Shelley, Prometheus unbound. A lyrical drama in four acts. ’s-Gravenhage, De Zilverdistel, 1917, p. 94-95. KB: 57 C 37. (KB)

Percy Bysshe Shelley,Prometheus unbound. A lyrical drama in four acts. ’s-Gravenhage, De Zilverdistel, 1917, colofon. KB: 57 C 37. (KB)

Percy Bysshe Shelley, Prometheus unbound. A lyrical drama in four acts. ’s-Gravenhage, De Zilverdistel, 1917, colofon. KB: 57 C 37. (KB)

Het einde van De Zilverdistel

Van Royen werkte aan verschillende boeken tegelijk en liet dat niet altijd weten aan zijn ‘makker’. Van Eyck hoorde bijvoorbeeld van Bloem dat een tweede boek van Leopold gedrukt zou worden, Oostersch. Zelfs Lucien Pissarro wist eerder van de Kunera Pers dan Van Eyck. De relatie Van Eyck-Van Royen stond onder spanning, maar het duurde tot augustus 1923 voor de bom barstte. Van Royen schreef in het prospectus voor Oostersch dat zijn pers naamloos was en nu Kunera Pers zou heten.

Het was een klap in het gezicht van Van Eyck, die beweerde dat Van Royen ‘de betekenis, die de Zilverdistel voor je pers had’ probeerde weg te poetsen. Hij schreef een bitter, ongepubliceerd artikel en pijnlijke brieven aan Van Royen en hij koesterde plannen om zelf De Zilverdistel te continueren. Van Royen erkende achteraf – indirect, via zijn vrouw Gusta – dat zijn handelwijze ‘onbillijk’ en ‘krenkend’ was, maar ging onverdroten op de nieuwe weg voort.

J.H. Leopold,Oostersch. Verzen naar Perzische en Arabische dichters.’s-Gravenhage, Kunera Pers, 1924,

J.H. Leopold,Oostersch. Verzen naar Perzische en Arabische dichters.’s-Gravenhage, Kunera Pers, 1924, p. 3. MM: B 006 G 005. (MM)

Prijslijst en prospectus (1923) voor J.H. Leopold, *Oostersch. Verzen naar Perzische en Arabische dichters*. ’s-Gravenhage, Kunera Pers, 1924

Prijslijst en prospectus (1923) voor J.H. Leopold, Oostersch. Verzen naar Perzische en Arabische dichters. ’s-Gravenhage, Kunera Pers, 1924. MM: B 006 G 005 (los blad). (MM)

Benedictus de Spinoza, Tractatus politicus. Hilversum, De Heuvelpers, 1928, p. 1. KB: 167 C 19. (KB)

Benedictus de Spinoza, Tractatus politicus. Hilversum, De Heuvelpers, 1928, p. 1. KB: 167 C 19. (KB)

Benedictus de Spinoza,Tractatus politicus. Hilversum, De Heuvelpers, 1928, p. 24-25. KB: 167 C 19. (KB)

Benedictus de Spinoza, Tractatus politicus. Hilversum, De Heuvelpers, 1928, p. 24-25. KB: 167 C 19. (KB)

De vier uitgaven van De Heuvelpers, 1928-1931:Hand and soul(MM: B 003 E 048);Tractatus politicus (MM: B 003 C 026);Les maîtres d’autrefois(MM: B 003 D 025);Die Nordsee (MM: B 003 C 040). (KB: JU).

De vier uitgaven van De Heuvelpers, 1928-1931: Hand and soul (MM: B 003 E 048); Tractatus politicus (MM: B 003 C 026); Les maîtres d’autrefois (MM: B 003 D 025); Die Nordsee (MM: B 003 C 040). (KB: JU).

S.L. Hartz, Portret van S.H. de Roos (Amsterdam: Nederlandsche Vereeniging voor Druk- en Boekkunst, 1961) (MM: Ont 00303 B 1)

S.L. Hartz, Portret van S.H. de Roos (Amsterdam: Nederlandsche Vereeniging voor Druk- en Boekkunst, 1961) (MM: Ont 00303 B 1)

De beperkte oplage was maar één karakteristiek van de private press-traditie. Van Gelder Zonen vervaardigde speciaal geschept Hollands papier met als watermerk de letters H en P met een meidoornbloem. Er werd gedrukt op een Albion-handpers in de (daartoe verstevigde) woning van De Roos aan de Hyacintenlaan in Hilversum. De Roos maakte tientallen schetsen voor een uitgeversvignet: de letters DHP in een krans van meidoornblaadjes. In 1927 ontwierp hij een nieuw lettertype, de Meidoorn. Titelregels en initialen werden in hout gesneden, maar van galvano’s gedrukt. Bibliofielen konden kiezen tussen een sober gekartonneerde uitvoering of één in perkament, gebonden door Stokking’s Electr. Boekbinderij of Wansink & Daemberg.

De aankondiging was tevens het prospectus voor de eerste uitgave. De Roos schreef aan Van Royen dat het ‘níet op de handpers’ was gedrukt: ‘het zal daarop beter gaan. Vel dus geen eindoordeel over de letter nog’. De Meidoorn werd algemeen minder goed ontvangen dan de Zilvertype of de letters die De Roos ontwierp voor de Lettergieterij ‘Amsterdam’, waar hij vanaf 1907 tot zijn pensioen in 1941 werkte.

Bijna al zijn letters vertoonden sporen van een minimale versiering, die werd gerekend tot ‘the “private press” peculiarities’. Met deze letter, die gold als ‘nervous’ en ‘sophisticated’, deed De Roos zichzelf een plezier: hij was exclusief voor De Heuvelpers bedoeld. De Meidoorn werd vergeleken met de Koch Antiqua (1923), vanwege ‘a strong diagonal stress, a certain angularity, capitals of the same height as the ascenders, a faux-mediaeval feel’. De afzonderlijke letters werden ‘stekelig’ genoemd, maar als geheel is het ‘a surprisingly pleasant text face’. De Meidoorn werd gegoten in één corps op 14 punten. De pers kon beschikken over 302 kilo letter. Behalve kapitalen en onderkast ontwierp De Roos er de uithangende cijfers 0-9 voor.

Hoewel De Heuvelpers werd opgezet als een private press, was het niet een ‘private’ onderneming. Het idee is wellicht niet van De Roos zelf afkomstig; antiquaar Menno Hertzberger (1897-1982) claimde het. In 1920 richtte Hertzberger een Internationaal Antiquariaat en Moderne Boekwinkel op in Amsterdam, waarvoor De Roos een vignet ontwierp (1922). Hertzberger was in 1925 nauw betrokken bij de oprichting van het Nederlandsch Verbond van Boekenvrienden, een kleine vereniging van bibliofielen, én hij behoorde sinds 1921 tot de kringen van het Spinoza-Genootschap. Als bibliofiel, handelaar én Spinozaverzamelaar stemde hij van harte in met de tekstkeuze voor de eerste uitgave: Tractatus politicus.

Nadat er een jaar over de pers was overlegd en het prospectus inmiddels verzonden was, sloten De Roos en Hertzberger met bankier Paul May (1868-1940) ‘een overeenkomst ter oprichting en exploitatie van een “private press”’. Dat gebeurde op 25 augustus 1927. May was directeur van de bank Lippmann, Rosenthal & Co. in Amsterdam en een bibliofiel met een brede culturele belangstelling. Zijn inbreng was niet gering: ƒ10.000 en het financiële risico was geheel voor hem. De Roos werd voor ‘de artistieke leiding’ betaald, hij kon maximaal ƒ1000 per jaar beuren. Hertzberger verzorgde de distributie; daarin lag zijn kans op winst. Het contract zou aflopen op 31 december 1931 en stilzwijgend verlengd kunnen worden.

De Heuvelpers, 1926-1935 (2)

De teksten werden in onderling overleg bepaald, maar de stem van May was doorslaggevend – het was ten slotte zijn geld – en hij kwam met initiatieven. Toen De Roos in 1928 ‘op eigen houtje’ met het echtpaar Scharten-Antink overeengekomen was hun novelle te drukken, ‘staken de anderen er een stokje voor’. May keurde meerdere teksten af. Sommige buitenstaanders kregen ongewild invloed op de uitgaven. De Roos benaderde zijn zwager Tobie Goedewaagen, docent wijsbegeerte in Utrecht, voor een Latijnse tekst. Hij dacht aan Cicero, maar Goedewaagen suggereerde Spinoza, wiens Tractatus politicus hij actueler vond. Het zou de eerste keer zijn, dat een Nederlandse private press een Latijnse tekst publiceerde. Ook de naam van de pers werd vertaald: ‘Prelum collinum’. (Voor de Engelse uitgave werd de naam ‘The Hillpress’ gebruikt, voor de Duitse ‘die Hügel-Presse’, de naam werd niet in het Frans vertaald.) De Roos geneerde zich later voor de relatie met Goedewaagen, die nationaal-socialist werd en tijdens de oorlog bestuurlijk verantwoordelijk was voor de Kultuurkamer.

Hertzberger onderhield niet alleen de contacten met kopers, ook de onderlinge correspondentie liep via hem en hij overlegde met May. Hertzberger en May kwamen niet naar Hilversum om de pers in werking te zien. De Roos kocht een elektrisch aangedreven Victoria II degelpers bij zijn werkgever, maar die werd niet gebruikt voor de uitgaven. Wellicht is daarop wél het prospectus gedrukt. Voor het echte werk werd in Londen een Albion-pers aangeschaft. Ook daarop werd niet door De Roos zelf gedrukt. Hij liet zet- en drukwerk over aan een ervaren drukker, Arie Benschop, uit het nabij gelegen Baarn, en vooral aan zijn zoon, Sjoerd de Roos jr., hoewel de uitgaven wel ‘volgens zijn ontwerp en onder zijn toezicht werden uitgevoerd’. Ook hielpen een zekere ‘Bertus’ en ‘Fransje’.

De Roos zelf was niet opgeleid als drukker en besefte over te weinig praktische kennis te beschikken. In het begin vroeg hij daarom aan Van Royen: ‘Mag ik als er bij het drukken haken en oogen komen je eens lastig vallen om raad uit je meer dan 10jarige ervaring’. Maar het was eerst vooral Benschop die hem met raad en daad terzijde stond, al was hij evenmin een handpersdrukker. Hij liet het timpaan met perkament overspannen, waaronder een vilten doek de oneffenheden van het perkament kon opvangen. Met ‘pletbord en papier’ werd het geheel op de goede dikte gebracht. Hij lette erop dat de ‘fijne haaltjes aan de letters en de initialen’ gedurende het drukproces ‘even strak en dun’ bleven, want de letters moesten ‘scherp maar niet schraal, vol maar niet vet’ op het papier komen.

De kwaliteit van de Spinoza-uitgave was niet perfect: ‘In de Tractatus politicus ontwaart men nog menige te vette rand’. Maar bij het tweede boek was het op kleur houden van de pagina’s wel geslaagd. Zoon Sjoerd de Roos (die aan de Torenlaan 3 in Hilversum zijn eigen Electrische Drukkerij “De Roos” opzette), kreeg voor het zet- en drukwerk keurig betaald. Aan de Tractatus politicus besteedde hij meer dan 1300 uur. Het gekozen papier was niet makkelijk te bedrukken: ‘het is vrij sterk gevergeerd en stevig gelijmd’. Het grijze Charles I-papier van Barcham Green voor de vierde Heuvelpers-uitgave was nog moeilijker te bedrukken, ‘net schuurpapier’. Het drukken ging slecht en de geplande oplage van 125 exemplaren werd niet gehaald.

De typografie per boek verschilde op details. De tekst van Spinoza werd compact gezet, met geringe spaties en zonder interlinie, wat de tekstpagina’s een ‘gesloten aanzien’ gaf. De gedichten van Heine zijn ruimer gespatieerd en hebben een 2-punts interlinie. Een druk ‘in twee kleuren’ was aangekondigd voor de Tractatus politicus. De steunkleur was rood, net als in Hand and soul. Voor Die Nordsee werd een onalledaags groen gekozen en Les maîtres d’autrefois werd geheel in zwart gedrukt. Wel bestaan daarvoor proeven met in rood getekende initialen. Er was geen standaardformaat. De initialen in de verschillende uitgaven zijn door De Roos ontworpen. De Franse titel in Hand and soul is in hout gesneden en de initiaal B op de eerste tekstpagina werd met waterverf ingekleurd in blauw, om de kunstzinnige atmosfeer van Pisa op te roepen. Subtiele verschillen tussen de afzonderlijke exemplaren zijn daardoor zichtbaar.

De Heuvelpers hield een internationaal publiek voor ogen; er werd reclame gemaakt met een ‘specimen’ in The fleuron van 1927. Nederlandse teksten waren voor dat publiek ongeschikt. De Heuvelpers werd de enige Nederlandse private press die officieel niet één Nederlandstalige tekst publiceerde – een zonderling unicum. De teksten waren in het Latijn (Spinoza), Duits (Heine), Engels (Rossetti) en Frans (Fromentin). De aankondigingen van die uitgaven werden in de betreffende taal gedrukt, met uitzondering van de eerste.

De Latijnse tekst van Spinoza (dus geen vertaling) kozen de drie partners van De Heuvelpers uit ‘prestige-overwegingen’. Een andere Latijnse tekst bracht het niet verder dan een proef van één pagina, ‘Liber Genesis’ (speciaal gezet voor een beurs in Keulen, 1928). Een dergelijke selectie in het Duits, twee pagina’s uit Goethe’s Iphigeneia, maakte De Roos op uitnodiging voor de Goethe-tentoonstelling in Leipzig (1932). Een Aretino-uitgave ging niet door en de redacteur daarvan noemde de Meidoornletter te gotisch voor het Italiaans.

De enige Nederlandse teksten werden – naast één aankondiging – minstens twee gelegenheidsuitgaven. De eerste behelsde de notulen van een vergadering van de Kamer van Koophandel na het overlijden van de voorzitter (1930), de tweede was een ‘gedrukte speech’ Aan J.G. Veldheer bij zijn vertrek uit ons land, gedateerd 14 februari 1931. De Roos bedankte de grafisch kunstenaar voor ‘het pionierswerk dat je indertijd verrichtte, toen ik bijna nog een jongen was’.

Eugène Fromentin,Les maîtres d’autrefois. Hilversum, De Heuvelpers, 1931, p. 2. KB: 43 F 1. (KB)

Eugène Fromentin, Les maîtres d’autrefois. Hilversum, De Heuvelpers, 1931, p. 2. KB: 43 F 1. (KB)

Eugène Fromentin,Les maîtres d’autrefois. Hilversum, De Heuvelpers, 1931, p. 32-33. KB: 43 F 1. (KB)

Eugène Fromentin, Les maîtres d’autrefois. Hilversum, De Heuvelpers, 1931, p. 32-33. KB: 43 F 1. (KB)

Heinrich Heine,Die Nordsee.Hilversum, De Heuvelpers, 1928, colofon. MM: B 005 F 007. (KB: JU)

Heinrich Heine, Die Nordsee. Hilversum, De Heuvelpers, 1928, colofon. MM: B 005 F 007. (KB: JU)

Dante Gabriel Rossetti,Hand and soul. Hilversum, De Heuvelpers, 1929, p. 6-7, met ingekleurde initiaal. KB: 2297 A 132; MM: B 003 E 048; B 005 F 015. (KB: JU)

Dante Gabriel Rossetti, Hand and soul. Hilversum, De Heuvelpers, 1929, p. 6-7, met ingekleurde initiaal. KB: 2297 A 132; MM: B 003 E 048; B 005 F 015. (KB: JU)

Prospectus voor Dante Gabriel Rossetti,Hand and soul, De Heuvelpers, 1929. MM: B 006 E map L.05. (MM)

Prospectus voor Dante Gabriel Rossetti, Hand and soul, De Heuvelpers, 1929. MM: B 006 E map L.05. (MM)

Aan J.G. Veldheer bij zijn vertrek uit ons land. Hilversum, De Heuvelpers, 1931, drukproef. MM: B 006 E map L.09. (MM)

Aan J.G. Veldheer bij zijn vertrek uit ons land. Hilversum, De Heuvelpers, 1931, drukproef. MM: B 006 E map L.09. (MM)

De Heuvelpers, 1926-1935 (3)

Het internationaal georiënteerde antiquariaat van Hertzberger was wellicht de beste uitvalsbasis voor een private press. Het ontsloeg De Roos van een – voor een private press – lastige administratie: correspondentie, rekeningen, verpakking en verzending van prospectussen en boeken. De markt voor het bibliofiele boek in Nederland werd destijds te klein geacht, zelfs voor een oplage van 125 exemplaren. Jan van Krimpen zag dat het goed vormgegeven Nederlandse boek beperkt bleef tot ‘150 to 200 copies’.

Het aantal Nederlandstaligen was wereldwijd beperkt tot 15 miljoen mensen; de meeste Nederlandse teksten waren oninteressant voor de Nederlandstaligen buiten Nederland. De markt was daardoor beperkt tot ‘some seven million people. One may therefore say that an edition limited to 200 copies is about equal proportionately to one of 2500 copies in England’. Nederlandse drukkers waren jaloers op die grote oplagen. Er kwam nog iets bij: de prijs van het boek. ‘People continue to call expensive what abroad would be deemed cheap’. De Heuvelpers bracht van haar editie van Hand and soul (1929) veel minder exemplaren in omloop dan Stols een jaar eerder met een onverkoopbare editie deed (110 in plaats van circa 350).

Begin jaren dertig verdween het koperspubliek. ‘De kas van de Heuvelpers raakte leeg’. In mei 1935 werd de pers onttakeld. Het Museum voor Grafische Vakken in Utrecht kreeg de beschikking over de handpers. De Meidoorn verdween niet in een museumcollectie of in de stroming van de Amstel, zoals van een private press-letter verwacht had kunnen worden. Om nog iets van de investering terug te zien, moest de letter te gelde worden gemaakt.

Uitgever A.A.M. Stols kon zich financieel toen niets veroorloven; daarom ging de Meidoorn niet naar een bibliofiele drukker, maar naar een Amsterdamse handelsdrukkerij, Drukkerij J.F. Duwaer & Zoon. Daar werden nadien meer uitgaven in de Meidoorn gedrukt dan bij De Heuvelpers, bijvoorbeeld tijdens de oorlog, toen A.A. Balkema’s Vijf Ponden Pers een clandestiene uitgave in de Meidoorn publiceerde, Jacques Perks Eene helle- en hemelvaart. De Roos liet in de Meidoorn eigen gelegenheidsdrukwerken zetten bij zijn zestigste en vijfenzestigste verjaardag.

De Meidoorn bleef ook na de oorlog niet werkloos. In 1959 gebruikte Dick Dooijes, leerling van De Roos, hem voor Peter Schlemiels Schicksale van Adelbert von Chamisso, omdat ‘het kantige karakter ervan’ goed paste bij de tekst en bij de illustraties. De familie Duwaer heeft de letter in later jaren afgestoten en uiteindelijk keerde hij terug in de wereld van de private press, onder toezicht van margedrukker Jan Keijser.

De Marnix-pers, 1932-1946 (1)

Onder de weinige ‘private presses’ van het Interbellum leidde De Marnix-Pers een verborgen leven. De uitgaven verschenen merendeels als particuliere gelegenheidsuitgaven. Ook met de omvang van de teksten deed de pers, duidelijk ingezet voor het eigen plezier, niet een greep naar de eeuwige roem. Deze eerste Amsterdamse private press werd ingericht uit bewondering voor Palladium en de Kunera Pers door de broers Pieter Johannes Venemans (1907-1995), boekhandelaar en literator, en Bernard Albert Venemans (1908-1992), destijds student in de theologie.

De ‘twee-eenheid van dichter en theoloog’ vonden zij terug in de figuur van Marnix van Sint Aldegonde, aan wie het Nederlandse volkslied is toegeschreven en wiens naam aan de pers verbonden werd. Tussen 1932 en 1939 verschenen achttien uitgaven. De zes uitgaven daarna verschenen onder de naam Marnix-Pers, maar werden uitbesteed aan commerciële drukkerijen (1939-1946).

In afwijking van andere ‘private presses’ koos De Marnix-Pers in de eerste plaats voor religieus getinte literaire teksten. Voor de auteurs werd een beroep gedaan op katholieke schrijvers als Gabriël Smit, die ook publiceerde bij de commerciële evenknie van de Marnix-Pers, uitgeverij Rozenbeek en Venemans in Hilversum. Die firma werd vanaf 1934 geëxploiteerd door P.J. Venemans en boekhandelaar Berend Cornelis Rozenbeek Hzn. (1889-1940). Enkele auteurs en kunstenaars kwamen uit deze Gooise omgeving.

Een vergelijking tussen de uitgaven van de ‘private’ en de commerciële uitgeverij laat zien dat de laatste in stijl verwant waren aan ‘mainstream’ bibliofiele uitgaven van Nypels en Stols. De Marnix-Pers-drukjes zijn niet omvangrijk, de uitvoeringen eenvoudig, maar door steunkleuren (blauw, rood, groen), illustraties en wisselende formaten is een zekere levendigheid bereikt. Drie verschillende drukkersmerken werden spaarzaam gebruikt. Technisch ging het niet allemaal perfect, bijvoorbeeld met het registeren.

De broers leerden het ‘vak’ van Van Hasselt, een werknemer bij de Lettergieterij ‘Amsterdam’. Een ‘oude’ degelpers met handbediening, een cadeau van uitgever Muusses in Purmerend, werd opgesteld in de kelder van het ouderlijk huis aan de Moreelsestraat 37 in Amsterdam-Zuid. Het was een kleine pers, waarop maar één pagina tegelijk kon worden gedrukt op straffe van ongelijke druk. Overige materialen werden gekocht bij Lettergieterij ‘Amsterdam’. Als letter kozen zij de Erasmus-Mediaeval van De Roos met door hem ontworpen initialen. Papier werd geleverd door Bladergroen in de Raadhuisstraat. Op het briefpapier vermeldden de broers dat P.J. de ‘Leider’ was, maar dat correspondentie diende gericht te worden aan B.A. Venemans.

Aanvankelijk stonden beide broers gebogen over zet- en drukwerk, maar B.A. vertrok als dominee naar Friesland en P.J. deed daarna een beroep op hun andere broers. P.J. Venemans werkte tussen 1930 en 1933 bij Boekhandel Dijkhoffz in Den Haag (in 1944 werd hij mededirecteur) en reisde voor het werk aan de pers vanuit Den Haag naar zijn ouderlijk huis. (PvC)

The Marnix-Pers publications, 1932-1946

The Marnix-Pers publications, 1932-1946. MM: pp ned Marnix Pers. (KB: JU)

The press of the Marnix Pers, Amsterdam, 1932

The press of the Marnix Pers, Amsterdam, 1932

The author C.J. Kelk and friend at the Marnix Pers, Amsterdam

The author C.J. Kelk and friend at the Marnix Pers, Amsterdam

De Marnix-pers, 1932-1946 (2)

De eerste uitgave was de Latijnse tekst van Psalm CXXX, met zeven Nederlandse vertalingen, waaronder één door de naamgever van de pers. In het boek ontbrak die uitgeversnaam, in plaats daarvan was P.J.’s vennoot Rozenbeek vermeld. Er werden veertig exemplaren gedrukt, maar de broers moesten een flink aantal proefdrukken maken en verspilden veel papier om het drukken onder de knie te krijgen. Alle exemplaren werden met de hand genummerd en ‘geheel kosteloos aangeboden’ aan vrienden en bekenden. Vanaf de tweede uitgave werd de naam Marnix-Pers gebruikt.

Een enkele keer vroegen de uitgevers een donatie, maar niet voor de drukkerij. Op een inlegvel bij het gedicht ter gelegenheid van het huwelijk van dominee Venemans met Mie Kurpershoek (1935) werd men verzocht minstens één gulden te schenken ‘ten behoeve van de kerk te Harkema-Opeinde’. De zuiver theologische teksten waren – drie van de achttien – in de minderheid: naast Psalm 130 ging het om een Pinksterlied en een middeleeuws kerstlied.

De literaire teksten waren met acht van de achttien in de meerderheid, het waren merendeels gedichten van inmiddels klassieke auteurs, zoals John Donne en Joost van den Vondel, en van contemporaine dichters: P.C. Boutens of Theun de Vries. Ook publiceerde de Marnix-Pers een blijspel van C.J. Kelk en een verhaal van Gabriël Smit. Bij zeven uitgaven ging het om gelegenheidswerk: aankondigingen van geboorte, verloving en huwelijk, alsmede huwelijksgedichten.

De oplagen bevestigen niet helemaal het beeld van een intieme vriendenkring van ongeveer veertig personen, want er zijn vijf uitgaven zonder oplagevermelding, die waarschijnlijk in 100 exemplaren of meer werden gedrukt (een verlovingsaankondiging bijvoorbeeld). De kleinste oplage was 25 exemplaren, de grootste (volgens het colofon): 50. Naast de uitgaafjes verschenen af en toe losse errata of bindinstructies.

Hoe eenvoudig de uitgaafjes ook waren, een zekere luxe werd in de beginjaren nagestreefd door een deeloplage te drukken op kostbaar papier. Van de vijfde tot en met de tiende uitgave werden zulke speciale exemplaren geproduceerd op Simili Japon, Japans papier en Hollands papier. Een van de eerste was P.C. Boutens, Achttien verzen bij werken van W.A. van Konijnenburg (1933), waarvan 25 exemplaren verschenen op Hollands papier en 15 op Japans.

Boutens en de schilder Van Konijnenburg hadden oorspronkelijk geprobeerd deze gedichten te laten drukken door J.F. van Royen op zijn Kunera Pers. De vraag is of de gebroeders Venemans dit wisten. De eigenaar van de schilderijen, G.F.H. van Kooten Kok, schreef vijf jaar eerder aan Van Royen dat Boutens de gedichten in zijn opdracht maakte voor een boek met reproducties van zijn omvangrijke collectie Van Konijnenburg. De gedichten moesten de verkoop van dit dure plaatwerk in 1929 bespoedigen en daarom wees Kok een aparte uitgave toen van de hand. Ook al drongen dichter en schilder nogal aan bij Van Royen, tot een uitgave op zijn pers kwam het niet.

De Marnix-Pers kreeg de kopij van Boutens in augustus 1932 en drukte veertig exemplaren. Het exemplaar van Pieter Venemans werd op 24 april 1933 van een opdracht voorzien. Deze uitgave ontstond door bemiddeling van de letterkundige Dop Bles, aan wie Boutens op dezelfde datum een exemplaar opdroeg. Bles was als procuratiehouder een collega van Venemans bij boekhandel Dijkhoffz. Hij én Boutens schreven gedichten voor het kort daarvoor verschenen ‘literair bruidsbouquet’ voor Theun de Vries.

Twee deeloplagen betroffen elk een uniek exemplaar op Japans papier, één van de huwelijksgedichten voor Theun de Vries (1932) en één van het blijspel door C.J. Kelk (1933). Vijf van de 35 exemplaren van Christofoor van Gabriël Smit werden gedrukt op Japans papier. Smit (1910-1981), aanvankelijk een rooms-katholieke dichter, verhuisde in 1933 als journalist voor een plaatselijke krant naar Hilversum. De Marnix-Pers drukte voor hem een novelle, twee Donne-vertalingen en tweemaal een gedicht. Een gedichtenbundel verscheen in 1944 in een oplage van 250 exemplaren, gedrukt door G.A. Verweij te Schiedam, die sinds 1939 de uitgaven voor De Marnix-Pers verzorgde. In de oorlog speelde Smit een rol als hoofdcorrespondent van de Nederlandsche Kultuurkamer, maar tegelijk verschenen er clandestiene bundels met zijn werk.

Behalve bij Verweij lieten de gebroeders Venemans éénmaal, najaar 1944, een uitgave drukken bij J. Kleton, firmant van drukkerij Dekker en Co. in Noordwijk aan Zee. De latere uitgaven waren niet avontuurlijk. Werk werd ook uitbesteed aan de boekbinders H. Loüst uit Wassenaar en J.C. Spitzers uit Utrecht, die twee uitgaven verzorgden. Vanaf Christophoor (1934) deed de pers voor de negen resterende uitgaven maar liefst zeven keer een beroep op de kunstenaar Arnold Pijpers (1900-1951) uit Bussum. Hij werd bekend door decors en muurschilderingen en maakte voor de pers tekeningen, vignetten, een drukkersmerk en houtsneden en soms met de hand ingekleurde illustraties.

De Marnix-Pers was de eerste voor-oorlogse private press in Nederland die zonder een majeure injectie van kapitaal tot stand kwam. De consequentie was dat er geen eigen letter werd ontworpen. Hoe de onkosten werden betaald, laat zich slechts raden. Wellicht werden ze als de normale onkosten van een hobby gezien. Feit is dat de uitgaven niet bedoeld waren voor een internationale of nationale markt en dat ze geen winst opleverden. Met de kleine publicaties buiten de handel, meest gelegenheidsuitgaven, nam De Marnix-Pers een voorschot op het model van de na-oorlogse drukkers in de marge. Niet voor niets publiceerde B.A. Venemans juist tijdens de hoogtijdagen van Drukwerk in de Marge – in 1978 – zijn herinneringen aan de pers.(PvC)

Constantijn Huygens,*Sondagh*. Amsterdam, Marnix-Pers, undated proof.

Constantijn Huygens,Sondagh. Amsterdam, Marnix-Pers, undated proof. MM: pp ned Marnix-Pers z.j.001-002. (MM)

De Kunera-pers, 1922-1942

In 1922 vond J.F. van Royen dat ‘pers en uitgever’ duidelijk ‘in één persoon vereenigd’ waren en voelde hij de behoefte aan ‘een nieuw symbool’. Aan Lucien Pissarro schreef hij in maart: ‘I should like to alter the name of my press. The name of Zilverdistel has too much connection with the former period’. Hij veranderde de naam in Kunera Pers.

Pissarro maakte een nieuw vignet: eerst een rechthoekige schets op basis van Van Royens gegevens over de Heilige Kunera en de stad Rhenen, maar in juli/augustus 1922 ontwierp hij een cirkelvormig vignet, waarin hij Van Royens detailkritiek verwerkte. Een harmonieuze avond op een veerpont bij Rhenen in het voorjaar van 1921 wilde Van Royen zo vereeuwigd zien. De ‘perfect harmony’ van kleur en licht, ‘the soft motion of the boat, the sounds of the evening and the inner-emotions’ vergeleek hij met de nagestreefde harmonie in de boekkunst.

In het eerste prospectus werd ook nieuwe poëzie van J.H. Leopold aangekondigd, maar deze bundel liet op zich wachten. Van Royen stond alleen bij vlagen – als hij tijd had – aan de pers en produceerde in twintig jaar slechts vijf boeken: J.H. Leopold, Oostersch (colofon: 1922, verschenen januari 1924), François Villon, Œuvres (colofon: 1926, verschenen december 1926), Arthur van Schendel, Maneschyn (colofon: mei 1927, verschenen februari 1928), Charles Péguy, La tapisserie de Notre Dame, 1913 (colofon 20 april 1929, prospectus: juni 1929) en P.C. Boutens, In den keerkring (colofon: september 1941-februari 1942, verschenen medio 1942). Vier van deze uitgaven waren gezet uit de Disteltype.

De enige tekst in de Zilvertype werd Maneschyn, een oud kort verhaal. Het boek is sober, in zwart gedrukt, met één sierlijke initiaal W, en werd geleverd in een rode leren band. Bij de verschijning ervan was de Kunera Pers niet langer de enige Nederlandse private press. De Heuvelpers was erbij gekomen en ook werden bibliofiele uitgaven in reeksen, zoals Palladium en Halcyon, tot het genre van de private press-boeken gerekend. Bij Maneschyn werd Van Royen geholpen met het werk, maar de post ‘werkloonen’ bleef ongespecificeerd.

Al stond Van Royen niet dagelijks aan de pers, zijn gedachten gingen er vaak naar uit. G.H. ’s-Gravesande zag Van Royen in de Koninklijke Schouwburg tijdens de opvoering van Mariken van Nieumeghen. Dit drama in verzen bevatte ook stukken proza en gevraagd naar zijn mening over de voorstelling, antwoordde Van Royen: ‘Mooi, maar ik denk er voortdurend over na hoe ik het drukken moet, die verzen en het proza’.

Het bedrijvigst was de drukkerij in de tweede helft van de jaren twintig. Herinneringen van familieleden gingen vaak terug naar die actieve periode: ‘Wanneer op een Zondag het hele huis doortrokken was van het rythmisch doffe bonzen van de inktrol op de inkttafel, onderbroken door het zachte gerommel van het inrollen van de lettertafel onder de degel, de 2 zware klikken bij het overhalen van de degelarm en het weer terugkomen daarvan en ten slotte het weer uitdraaien van de lettertafel en het openen van de papierramen, wanneer mijn Moeder ons op gezette tijden kwam laven met glazen hete melk en beschuiten, dan waren het voor mijn Vader, mijn Moeder en later mijn oudste zuster en weer later ook weleens voor mij en mijn jongste zuster gelukkige uren vol spanning bij elk van de 125 vel, die stuk voor stuk door mijn Vader – soms in één oogopslag werden gemonsterd’, vertelde zoon Sebald veertig jaar later.

‘De eindeloze moeite om temperatuur en vochtigheid van het papier te beheerschen om de naaldjes, waar het papier op vast zat, steeds precies in hetzelfde gaatje te krijgen. Winteravonden, hele kerstdagen zijn ontelbare uren lang achtereen in het kopsche palmhout de initialen gesneden’. De kinderen keken ‘ademloos naar het precies egaal krijgen van de afdruk – op plakken van papier, dunner gekrapt papier, cigarettenvloeitjes – naar het toestellen – naar alle toebereidselen, nodig om de Zondagsche persslag te kunnen aanvangen. Als jongen heb ik eens geprobeerd zo mijn Vader te fotograferen’. Zijn vader stond gebogen over het zetsel. Hij verschikte iets aan het timpaan: ‘het is wel een beeld van mijn Vader, zoals hij zich gelukkig voelde bij zijn pers’.

Terecht noemde Sebald zijn oudere zuster Uus, die ook (als negentienjarige) zelfstandig in de zetterij en drukkerij aan de slag ging. Zij ondertekende op 3 maart 1926 een eigen druksel: een briefje aan ‘Lieve Jet’, dat niet bijster professioneel gezet en gedrukt was: ‘Ik zal je eens laten zien, hoe ver mijn zet-kunde zich al uitstrekt’. Zij had eerder teksten gezet, waaronder een gedicht van Nikolaus Lenau, ‘Die drei Zigeuner’. ‘’t Afgedrukte kijkt Vader na en altijd vindt hij er dadelijk een heeleboel fouten in! ’t Is niet makkelijk om ’t goed te doen!’ Uus schreef dat zij in haar eentje met de letters ‘prutst’, want ‘de baas van ’t spul heeft ’t akelig druk, en voor de pers heelemaal geen tijd’. Uus werd benoemd tot ‘secretaris der pers’. Zij zette het briefje uit de Zilvertype.

Van Royen rekende op de hulp van zijn familieleden en stelde voor hen speciale richtlijnen op, zoals de ‘Regels voor het gebruik van spaties voor en achter de leesteekens in “P.C. Boutens, In den keerkring”’. Voor bepaalde leestekens (:;-) moest één punt ingevoegd worden, voor andere meer dan één. Technische aanwijzingen gingen over de spaties (‘altijd goed neerdrukken’), over een juiste greep uit de letterkast: ‘Goed letten op onderscheid ij of y’ en ‘Extra goed letten dat een O niet op z’n kop staat’. De drukkerij werd een familiebedrijf. (PvC)

Printer’s device for the Kunera Pers, first sketch by Lucien Pissarro, 1922

Printer’s device for the Kunera Pers, first sketch by Lucien Pissarro, 1922. Private collection. (MM)

Printer’s device for the Kunera Pers, woodcut, first proof, dated 1922

Printer’s device for the Kunera Pers, woodcut, first proof, dated 1922. Private collection. (MM)

Letter from J.F. van Royen to Lucien Pissarro, 2 August 1922

Letter from J.F. van Royen to Lucien Pissarro, 2 August 1922, front. Private collection. (MM)

Letter from J.F. van Royen to Lucien Pissarro, 2 August 1922

Letter from J.F. van Royen to Lucien Pissarro, 2 August 1922, back. Private collection. (MM)

J.H. Leopold,*Oostersch. Verzen naar Perzische en Arabische dichters.*’s-Gravenhage, Kunera Pers, 1924

J.H. Leopold,Oostersch. Verzen naar Perzische en Arabische dichters.’s-Gravenhage, Kunera Pers, 1924, p. 3. KB: 2296 E 26. (KB)

J.H. Leopold,*Oostersch. Verzen naar Perzische en Arabische dichters.*’s-Gravenhage, Kunera Pers, 1924

J.H. Leopold,Oostersch. Verzen naar Perzische en Arabische dichters.’s-Gravenhage, Kunera Pers, 1924, p. 6-7. KB: 2296 E 26. (KB)

Kunera Pers-publications, 1924-1942

Kunera Pers-publications, 1924-1942. MM: B 001 E 034; B001 E 037; B 002 E 040; KB: 166 B 23; 24 C 32. (KB: JU).

Design of the initial E for Arthur van Schendel,*Maneschyn. Een verhaal.

Design of the initial E for Arthur van Schendel,*Maneschyn. Een verhaal. *Private collection. (MM)

Design of the initial W for Arthur van Schendel,*Maneschyn. Een verhaal*

Design of the initial W for Arthur van Schendel,Maneschyn. Een verhaal. Private collection. (MM)

Arthur van Schendel,*Maneschyn. Een verhaal.*‘s-Gravenhage, Kunera Pers, 1927

Arthur van Schendel,Maneschyn. Een verhaal.‘s-Gravenhage, Kunera Pers, 1927, p. 4-5. KB: 166 B 24. (KB)

Letter composed and printed by Uus van Royen, 3 March 1926

Letter composed and printed by Uus van Royen, 3 March 1926. MM: VR 95 A 17. (MM)

Uus van Royen in the composing room of the Kunera Pers, summer 1942.

Uus van Royen in the composing room of the Kunera Pers, summer 1942. Photograph: Jan Stokvis. MM: VR 195 B 5. (KB)

De uitgaven in de jaren twintig

In deze periode werden geen Engelse teksten meer gedrukt op de pers, maar gedichten en proza in het Nederlands en Franse poëzie. De teksten van Villon en Péguy waren in principe geschikt voor de Franse markt, maar dat was kennelijk niet de eerste intentie. Een deel van de oplage ging naar de Vereeniging der Vijftig – in 1928 telde die 41 leden. Typerend was dat het colofon van de Villon-uitgave in het Nederlands werd opgesteld. Het Péguy-colofon was wel in het Frans. Van beide uitgaven werden 110 exemplaren gedrukt, de verkoop aan het buitenland ging waarschijnlijk grotendeels via Nederlandse boekhandelaren.

Opvallend in de nieuwe uitgaven waren de in twee kleuren gedrukte, ineengestrengelde initialen , die Van Royen zelf ontwierp en in hout sneed. Eerdere initialen waren ontworpen door Van Eyck, maar vooral door De Roos, die Suster Bertken, Leopolds Cheops, Shelley en Kloos van initialen en titels voorzag. Sommige initialen waren destijds bij drukkerij Enschedé gesneden naar aanwijzingen van Van Royen (Lanseloet, Novalis). De latere initialen zijn allemaal door Van Royen zelf ontworpen en gesneden in kops palmhouten blokken: ‘Met verf werd het houtoppervlak wit gemaakt, vervolgens werd hierop de omtrek van de letter geteekend’, die daarna kon worden uitgesneden.

Van Royen drukte op halve vellen en steeds op twee halve vellen tegelijk: vier bladzijden schoondruk en vier bladzijden weerdruk bij elke slag van de pers.Eerst werden alle vellen van een boek in zwart gedrukt, vervolgens drukte hij waar nodig – initialen, titels, beginregels, ornamenten - rood en ten slotte blauw. Voor het inrollen van de kleureninkten timmerde Van Royen een aparte inkttafel. Om het gewenste effect te krijgen onderhandelde Van Royen uitvoerig over de consistentie en dekking met N. van Son's Inkt & Verffabrieken.

De initialen waren niet louter decoratief, ze symboliseerden de tekst. ‘Die beginletters hielden, wat hun vorm aangaat, ook wel een karakteristieke aanduiding in, – niet dadelijk opvallend, eigenlijk alleen “voor de fijnproevers”’. Bij de uitgave van Boutens bijvoorbeeld waren de verlengde schreven versierd met florale motieven. Die verlengde schreven waren aan het begin van het boek naar buiten gericht, aan het slot naar binnen en bij het gedicht over een merel, net als diens geluid, naar boven.

Behalve met het vignet en deze initialen werden de uitgaven niet geïllustreerd. De enige voorgenomen geïllustreerde uitgave besprak Van Royen veel later, in 1941-1942, met Dirk van Gelder. Van Royen schreef de jonge kunstenaar dat zij iets moesten doen ‘dat in Nederland nog niet is gepresteerd’. Daar kwam ‘veel boekkunstig overwegen’ bij te pas en dat moest ‘gezamenlijk’ overwogen worden. Van deze editie van Karel ende Elegast werden vijftien pagina’s gezet, maar door de voortijdige dood van Van Royen werd de uitgave niet voltooid.

Prospectus (mei 1929) voor Charles Péguy,La tapisserie de Notre Dame,1913. La Haye, Kunera Pers, 1929. MM: B 006 G 005. (MM)

Prospectus (mei 1929) voor Charles Péguy,La tapisserie de Notre Dame,1913. La Haye, Kunera Pers, 1929. MM: B 006 G 005. (MM)

Charles Péguy, *La tapisserie de Notre Dame*, 1913. La Haye, Kunera Pers, 1929, p. 32-33. KB: 49 E 25. (KB)

Charles Péguy, La tapisserie de Notre Dame, 1913. La Haye, Kunera Pers, 1929, p. 32-33. KB: 49 E 25. (KB)

Charles Péguy, La tapisserie de Notre Dame, 1913. La Haye, Kunera Pers, 1929, p. 38-39. KB: 49 E 25. (KB)

Charles Péguy, La tapisserie de Notre Dame, 1913. La Haye, Kunera Pers, 1929, p. 38-39. KB: 49 E 25. (KB)

Charles Péguy,La tapisserie de Notre Dame, 1913. La Haye, Kunera Pers, 1929, p. 66-67 (colofon). KB: 49 E 25. (KB)

Charles Péguy, La tapisserie de Notre Dame, 1913. La Haye, Kunera Pers, 1929, p. 66-67 (colofon). KB: 49 E 25. (KB)

Charles Péguy,La tapisserie de Notre Dame, 1913. La Haye, Kunera Pers, 1929, p. 16 (detail). KB: 49 E 25. (KB)

Charles Péguy, La tapisserie de Notre Dame, 1913. La Haye, Kunera Pers, 1929, p. 16 (detail). KB: 49 E 25. (KB)

François Villon,Œuvres. Le lais, le testament et ses ballades.’s-Gravenhage, Kunera Pers, 1926, p. 5. MM: B 002 E 041. (MM)

François Villon, Œuvres. Le lais, le testament et ses ballades. ’s-Gravenhage, Kunera Pers, 1926, p. 5. MM: B 002 E 041. (MM)

J.H. Leopold, *Cheops*. ’s-Gravenhage, De Zilverdistel, 1916, p. 6-7. KB: 165 D 14. (KB: JU

J.H. Leopold, Cheops. ’s-Gravenhage, De Zilverdistel, 1916, p. 6-7. KB: 165 D 14. (KB: JU)

J.H. Leopold,Oostersch. Verzen naar Perzische en Arabische dichters.’s-Gravenhage, Kunera Pers, 1924, p. 4-5. MM: B 002 E 038. (MM)

J.H. Leopold,Oostersch. Verzen naar Perzische en Arabische dichters. ’s-Gravenhage, Kunera Pers, 1924, p. 4-5. MM: B 002 E 038. (MM)

J.H. Leopold,Oostersch. Verzen naar Perzische en Arabische dichters. ’s-Gravenhage, Kunera Pers, 1924, p. 6-7. MM: B 002 E 038. (MM)

J.H. Leopold,Oostersch. Verzen naar Perzische en Arabische dichters. ’s-Gravenhage, Kunera Pers, 1924, p. 6-7. MM: B 002 E 038. (MM)

J.H. Leopold,Oostersch. Verzen naar Perzische en Arabische dichters.’s-Gravenhage, Kunera Pers, 1924, p. 12-13. MM: B 002 E 038. (MM)

J.H. Leopold,Oostersch. Verzen naar Perzische en Arabische dichters. ’s-Gravenhage, Kunera Pers, 1924, p. 12-13. MM: B 002 E 038. (MM)

Foto van J.F. van Royen aan de Kunera Pers, zomer 1929, door Sebald van Royen. Particuliere collectie. (MM)

Foto van J.F. van Royen aan de Kunera Pers, zomer 1929, door Sebald van Royen. Particuliere collectie. (MM)

Foto van J.F. van Royen aan de Kunera Pers, zomer 1929, door Sebald van Royen. Particuliere collectie. (MM)

Foto van J.F. van Royen aan de Kunera Pers, zomer 1929, door Sebald van Royen. Particuliere collectie. (MM)

François Villon,Œuvres. Le lais, le testament et ses ballades.’s-Gravenhage, Kunera Pers, 1926, p. 128-129. MM: B 002 E 041. (MM)

François Villon, Œuvres. Le lais, le testament et ses ballades. ’s-Gravenhage, Kunera Pers, 1926, p. 128-129. MM: B 002 E 041. (MM)

Ontwerp van initialen E voor Karel ende Elegast. Particuliere collectie. (MM)

Ontwerp van initialen E voor Karel ende Elegast. Particuliere collectie. (MM)

De laatste uitgave van De Kunera Pers

Vanaf het moment dat de pers in de Van Boetzelaerlaan was opgesteld, bezocht de dichter P.C. Boutens geregeld Van Royen, ‘want de Pers had voor hem een groote bekoring’. In die dagen van de Eerste Wereldoorlog voorzag hij Gusta van Royen soms van schaarse producten, zoals eieren. Hij wilde graag dat Van Royen een bundel van zijn gedichten drukte, maar de drukker ontweek ‘een direct antwoord’. Na de vruchtbare jaren twintig lag de pers stil en ‘hing de bekende lucht van drukinkt en benzine niet meer boven in het huis’. In de zomer van 1941 echter – Van Royen was inmidels 62 jaar – hernam hij het werk aan de pers en drukte Psalm 93 voor een vriendenalbum. Daarnaast bleven enkele proeven bewaard, maar het was geen officiële uitgave van de Kunera Pers.

Boutens, een beroemdheid die op straat werd aangesproken door hem onbekende bewonderaars, en Van Royen kwamen door de Tweede Wereldoorlog tot een ‘grootere intimiteit’. Boutens las hem zijn nieuwste gedichten voor en Van Royen liet er enkele in een oplage van negentig stencilen (bij de PTT), maar de dichter drong aan en verlangde dat Van Royen zelf de gedichten zou drukken. Van Royen zegde toe.

Het boek werd gedrukt voor de Nederlandsche Vereeniging voor Druk- en Boekkunst. Van Royen bedacht titels voor de gedichten en de bundel, In den keerkring. Het Japanse papier (tegenwoordig roestvlekkig) was niet de keuze van Van Royen. Tegen ‘eind november’ 1941 kon met het drukken worden aangevangen en op 1 maart 1942 was het klaar. Bij dit werk accepteerde Van Royen geen ‘vreemde hulp’.

Gusta van Royen schreef: ‘Als wij uren aaneen bezig waren, – ik zette de vellen op de punctures en mocht in eerste instantie nazien, – had hij behalve het zware rollen op de inkttafel ook de verschillende handgrepen aan de pers te voltrekken, bovendien iedere letter van een bedrukt vel minutieus te keuren’. Vanwege een pijnlijke schouder werd voor het overhalen van de zware 'handle' bij het drukken toch een ‘vertrouwde man’ gevonden.

Van Royen had voor dit werk ‘om een bepaalde reden’ een drukvergunning aangevraagd, die afliep op 15 februari 1942. Op 19 februari zouden namelijk de nieuwe verorderingen voor het pers- en theatergilde van de Nederlandsche Kultuurkamer ingaan. Boutens kwam dagelijks naar de voortgang informeren. ‘In de 2e helft van Januari was het zwart afgedrukt’. Daarna volgde eerst het rood en ten slotte het blauw, dat vlot verliep. In totaal waren voor het boek zeventien drukgangen nodig.

Boutens werd niet toegelaten in de drukkerij tot de laatste werkdag aanbrak: op zondag 1 maart 1942 kwam hij ‘hijgend van het trappenklimmen’ boven in de drukkerij en bekeek de bedrukte vellen: ‘Mooi, heel mooi’. Het was half zeven in de avond toen ‘voor de laatste maal de handle van de Kunera Pers werd omgezwaaid’. Boutens ontspande en droeg uit het hoofd enkele gedichten voor. Vier dagen later werd Van Royen door de Duitse bezetter gearresteerd, omdat de Sicherheitspolizei hem (onterecht) zag als de initiatiefnemer van een protestactie tegen de Kultuurkamer.

P.C. Boutens,*In den keerkring. Zeven gedichten*. ’s-Gravenhage, Kunera Pers, voor de Nederlandsche Vereeniging voor Druk- en Boekkunst, 1942

P.C. Boutens,In den keerkring. Zeven gedichten. ’s-Gravenhage, Kunera Pers, voor de Nederlandsche Vereeniging voor Druk- en Boekkunst, 1942, p.10-11. KB: 2299 G 13; MM: B 005 F 012. (KB)

P.C. Boutens,*In den keerkring. Zeven gedichten*. ’s-Gravenhage, Kunera Pers, voor de Nederlandsche Vereeniging voor Druk- en Boekkunst, 1942

P.C. Boutens,In den keerkring. Zeven gedichten. ’s-Gravenhage, Kunera Pers, voor de Nederlandsche Vereeniging voor Druk- en Boekkunst, 1942, p.14-15. KB: 2299 G 13; MM: B 005 F 012. (KB)

De erfenis van Van Royen

Van Royen belandde na een kort verblijf in de Scheveningse gevangenis in het Polizeiliches Durchgangslager Amersfoort (Leusden). Hij overleed daar op 10 juni 1942. Gusta van Royen werd een dag later ontboden bij de Haagse Sicherheitspolizei, waar zij zijn overlijdensbericht ontving. Hij was overleden op de dag dat hij zou worden ‘entlassen’. Het cynische commentaar van de SS luidde: ‘Der Mench hat eben Pech gehabt’. De begrafenis mocht geen demonstratie worden, werd daarom door politie begeleid en advertenties en krantenberichten werden gecensureerd.

In den keerkring werd uitgegeven door de Nederlandsche Vereeniging voor Druk- en Boekkunst, die het boek bij H. de Koningh in Den Haag liet binden in half perkament. Er werd ten minste één exemplaar in heel perkament gebonden (nummer IX), met voor- en achterin een extra katern van hetzelfde Japans papier.

De bindwijze was identiek aan die van de gewone editie en voor Nederland ongewoon: het tegen het voorplat gelijmde schutblad en het eerste vrije schutblad (voor én achterin) zijn apart meegenaaid. Bij het openslaan van het boek is het bindgaren meteen zichtbaar. Deze bindwijze werd voor meerdere uitgaven van De Zilverdistel en de Kunera Pers gekopieerd naar die van Cobden-Sanderson en was een stille getuige van Van Royens verlangen het Nederlandse private press-boek op Engelse voorbeelden te baseren.

In november 1942 moesten bewoners van de langs de kust gelegen Haagse wijken hun huizen ontruimen. Het Postmuseum ontfermde zich over Van Royens drukpers, inclusief zetterij en drukkerij, die na de oorlog werden overgedragen aan de Koninklijke Bibliotheek. In 1963-1964 werd de pers met het gehele archief ondergebracht in Museum Meermanno.

P.C. Boutens,*In den keerkring. Zeven gedichten*. ’s-Gravenhage, Kunera Pers, voor de Nederlandsche Vereeniging voor Druk- en Boekkunst, 1942

P.C. Boutens,In den keerkring. Zeven gedichten. ’s-Gravenhage, Kunera Pers, voor de Nederlandsche Vereeniging voor Druk- en Boekkunst, 1942, in vellum and half vellum. MM: B 005 F 012. (KB)

The printing room of the Kunera Pers, Summer 1942

The printing room of the Kunera Pers, Summer 1942. Photograph: Jan Stokvis. MM: VR 195 B 4. (KB)

The printing room of the Kunera Pers, Summer 1942.

The printing room of the Kunera Pers, Summer 1942. Photograph: Jan Stokvis. MM: VR 195 B 2. (KB)

Ga terug naar de indexpagina van de webexpositie Private Press.