Private press in Nederland vóór 1800

Deze pagina is onderdeel van de webexpositie Private Press.

Hoewel de term 'private press' uit de negentiende eeuw stamt, doet het verschijnsel zich in zekere zin al eerder voor. In Engeland, Frankrijk en Duitsland is de geschiedenis van de private press al teruggevoerd tot verwante praktijken uit de vijftiende tot en met de achttiende eeuw. Naar ‘private presses’ vóór 1800 in Nederland is nog nauwelijks onderzoek gedaan.

Voor deze periode is – naar analogie van praktijken in het buitenland en het verschijnsel particuliere pers in de moderne tijd – een indeling in drie groepen te maken. De eerste groep bestaat uit drukkerijen met een bijzondere aandacht voor de – ook traditionele – vormgeving en de toepassing van ambachtelijke productietechnieken. In het verlengde hiervan liggen de zogenaamde ‘bibliofiele’ uitgaven, werken die aantrekkelijk zijn voor liefhebbers van het mooie boek en die al dan niet op een particuliere pers gedrukt zijn.

De tweede groep wordt gevormd door particuliere persen die teksten, al dan niet subversief, vermenigvuldigen voor eigen gebruik of verspreiding in kleine kring. Commerciële belangen speelden daarbij nauwelijks een rol. Dergelijke persen kwamen bijvoorbeeld in Frankrijk al in de vijftiende eeuw voor, ‘patronised, held, owned, or hired for the occasion by a private person at his own house, or by a congregation in, or close to, their buildings’. Dat waren persen in kloosters, universiteiten en scholen, maar ook particuliere persen.

Uitgaven die op reguliere persen gedrukt zijn op instigatie van een particulier kunnen tot een derde categorie gerekend worden. Ook gelegenheidsuitgaven en genootschapsuitgaven behoren zo tot het terrein van de private press.

In dit hoofdstuk wordt nagegaan of deze karakteristieken ook voorkomen in Nederland en België (de toenmalige grenzen van de Lage Landen) in de periode vóór 1800, zodat gesproken kan worden van ‘private presses’ in deze contreien gedurende de vroegmoderne tijd.

Hofcultuur en bibliofilie

Eeuwenlang werden boeken geproduceerd door teksten van anderen over te schrijven waarbij grote verschillen in uitvoering bestonden: sommige handschriften waren puur functioneel en boden alleen een tekst, andere waren schitterend versierd met penwerk en miniaturen. In feite was er in de handschriftperiode al sprake van bibliofilie: adel en rijke burgerij hadden meer geld te besteden en lieten de handschriften die ze bestelden prachtig uitvoeren. Voor de mooiste codices is vaak een relatie met een hof vast te stellen, bijvoorbeeld rondom het hof van Karel de Grote, of later in Italië rondom het Vaticaan en rondom de Franse koningen of de hertogen van Bourgondië.

Toen omstreeks 1450 door Johannes Gutenberg in Mainz de techniek van het drukken van boeken uitgevonden werd, bestond er dus een cultuur van het boek met een segment voor bibliofiele boeken. En hoewel ook in de Noordelijke Nederlanden illuminatoren gewerkt hebben concentreerde deze markt zich langzaamaan steeds meer in het zuiden. Vooral de Bourgondische hertogen stimuleerden in het tweede kwart van de vijftiende eeuw met hun mecenaat de productie van schitterende geïllumineerde handschriften. Veel ambachtslieden trokken daarom naar het Zuiden. Toen dan de eerste drukkers in Nederland aan het werk gingen – toevallig verscheen in 1473 zowel in het Noorden als het Zuiden het eerste gedateerde gedrukte boek – bleef dit verschil bestaan. In het Noorden werden relatief meer gebruiksboeken gedrukt, in het Zuiden meer prachtboeken.

De overgang van handschrift naar druk vormde geen breuk, maar een geleidelijke overgang en lange tijd hebben beide productiewijzen naast elkaar kunnen bestaan. Bovendien leken de eerste gedrukte boeken erg op handschriften omdat men ervan uitging dat zó een boek eruit moest zien. Incidenteel werden voor verdere verfraaiing dezelfde illuminatoren als voor de handschriften ingeschakeld. In feite werd hier dus een sinds lang bestaande techniek (handschriftilluminatie) toegepast om van het nieuwe gedrukte boek een ‘welverzorgd’ boek te maken.

Voor het gedrukte boek in de vroegmoderne tijd is kenmerkend dat het door de koper geïndividualiseerd werd. Allereerst doordat de boeken in losse vellen verhandeld werden en de koper zelf besliste wat voor band er omheen gezet werd: een simpele perkamenten band of een band in leer, al dan niet met goudstempels. Maar zeker in de beginperiode ook, doordat de koper besliste hoe de inhoud van het boek er uiteindelijk uit zou gaan zien. Ook hier bestaat een duidelijk verschil tussen het Zuiden en de Noordelijke Nederlanden. In Frankrijk bestond bijvoorbeeld een sterke bibliofiele traditie. Antoine Vérard liet van bijna de helft van zijn boeken één of meer exemplaren op perkament vervaardigen. Deze exemplaren konden mooier uitgevoerd worden omdat men op perkament met tempera kleur kon aanbrengen, terwijl op papier vrijwel alleen met waterverf in kleur kon worden gewerkt. De boeken op perkament bood hij mecenassen bij het hof of de hoge adel aan met het doel geld binnen te halen.

Dit staat in schril contrast met hoe het in de Noordelijke Nederlanden, het huidige Nederland, toeging. Daar werd in die beginjaren ook wel op perkament gedrukt, maar dan ging het niet zozeer om luxe, maar om duurzaamheid. Ter vergelijking: van 127 incunabelen die in de Lage Landen gedrukt zijn, bestaan één of meerdere exemplaren op perkament, dat wil zeggen 5 %. In Frankrijk is van 7 % van de uitgaven een exemplaar op perkament, in Italië 5 %. Het lijkt dus om vergelijkbare aantallen te gaan maar als we kijken naar de inhoud van de boeken, dan blijkt het in de Lage Landen vooral schooluitgaven te betreffen (Donaten: 61; Alexander de Villa Dei: 34; Cato 2) en aflaatbrieven (15). Getijdenboeken en brevieren – de categorieën die in Frankrijk en Italië juist op perkament gedrukt werden om rijk geïllumineerd door de hoge adel en geestelijkheid aangeschaft te worden – zijn in de Noordelijke Nederlanden nauwelijks op perkament gedrukt.

Deze vroege scheiding der geesten zette zich voort, mede doordat in het Noorden niet echt sprake was van een hof. In de zestiende eeuw bevond zich dat in Spanje en aan het eind van die eeuw brandde in de Nederlanden de vrijheidsstrijd los tegen de Spaanse vorst Philips II. Willem van Oranje was een rondreizend vorst en had zijn geld nodig om legers in te huren in plaats van mensen om mooie boeken te maken. Uit zijn jonge jaren kennen we wel een aantal werken die hij voor zichzelf in fraaie banden heeft laten steken. De zonen van Willem van Oranje, Maurits en vooral Frederik Hendrik en zijn vrouw Amalia van Solms, maten zich een meer vorstelijke status aan maar die vertaalde zich niet in grote zorg voor de vorstelijke bibliotheek.

Mede geïnspireerd door Maurits’ legerhervormingen verschenen wel twee interessante plaatwerken waarin exact beschreven staat hoe de soldaten moesten exerceren of een bepaald type geweer moesten hanteren: De Nassausche wapen-handelinge van Adam van Breen en de Wapenhandelinghe van roers, musquetten ende spiessen van Jacques de Gheyn. Van beide uitgaven bestaan ook ingekleurde exemplaren die vermoedelijk voor de rijke hogere adel bestemd waren en het boek zeer kostbaar maken. Het bekende boek over landmeten van Sems en Dou, Practijck des lantmetens, is speciaal voor Maurits ingekleurd en in een speciale band gestoken. Frederik Hendrik en zijn vrouw hadden een groot gevoel voor hofcultuur, maar dat uitte zich niet in bijzondere zorg voor boeken. Frederik Hendrik beschouwde zijn bibliotheek als gebruiksbibliotheek. Hij bestudeerde zijn boeken intensief, nam ze overal mee naartoe, leende ze uit en maakte er aantekeningen in. Een bibliofiel is hij niet geweest. Voor één boek maakte hij een uitzondering: Tableau de l’histoire des princes et principauté d’Orange door Joseph de La Pise. Vermoedelijk werd het in zijn opdracht geschreven, hij bemoeide zich inhoudelijk met de tekst, betaalde de auteur fiks voor de opdracht en heeft ook alle productiekosten voor zijn rekening genomen. Maar dit was zeer waarschijnlijk meer uit persoonlijke betrokkenheid dan uit bibliofiele interesse. Het Hollandse hof heeft in de zeventiende eeuw geen grote bibliofiele betrokkenheid getoond of gestimuleerd.

Adam van Breen, De Nassausche wapen-handelinge, van schilt, spies, rappier ende targe. ’s-Gravenhage, s.n., 1618, plaat 31. KB: 344 G 18. (KB)

De eerste 'private' drukkerij in Brugge

Bibliofiele uitgaven werden niet alleen geëntameerd in vorstelijke kringen; ook een rijke mecenas kon ervoor zorgen dat er speciale, mooi verzorgde boeken op de markt kwamen. Dit is het geval bij de ‘Officina Goltziana’, volgens Herman de la Fontaine Verwey de eerste private press in de Nederlanden. Deze pers werd op verzoek van de mecenas en bibliofiel Marcus Laurinus rond 1562 in Brugge opgericht door de schilder-historicus-numismaat Hubertus Goltzius. Laurinus, heer van Watervliet, had een grote collectie munten en kostbare handschriften en boeken. Hij wilde aan de hand van munten en penningen een geschiedenis van de oudheid schrijven en zocht daarvoor een bekwame tekenaar. In Goltzius vond hij zijn man. Goltzius kwam naar Brugge, werd burger van de stad en kreeg toestemming om een drukkerij te beginnen.

Al in 1563 kwam het eerste boek van deze pers: C. Julius Caesar, bedoeld om deel uit te maken van een serie van negen werken. Drie jaar later verscheen de Fastos magistratuum et triumphorum Romanorum. Beide boeken zijn bijzonder mooi door de geserreerde, sobere typografie en afbeeldingen van munten, aan de hand waarvan het geschiedverhaal verteld wordt. De afwerking is niet altijd goed gegaan. Zo zijn er bijvoorbeeld platen scheef op de pagina terechtgekomen. Maar de vormgeving van de pagina en de opmaak van de kapitale teksten in de marge leveren een aantrekkelijk paginabeeld op. Van de boeken zijn een aantal opdrachtexemplaren bekend in speciale banden.

Brugge was blij met een bedrijf dat zulke mooie uitgaven produceerde en het stadsbestuur steunde de onderneming met een lening waar de rijke Laurinus borg voor stond. De la Fontaine Verwey noemt de onderneming een private press, ook al waren de boeken in de handel omdat volgens hem ‘het kenmerk van een “private press” niet is, dat er geen winst gemaakt wordt. Dit moet echter slechts een nevenoogmerk zijn. Waar het op aan komt is, dat de drukker zichzelf en zijn vrienden een plezier wil doen’.

In 1565 en 1566 verscheen er een aantal uitgaven. Maar na de eerdergenoemde Fasti hield de productie op. Dit plotselinge einde wordt wel in verband gebracht met een boek dat in maart 1567 wellicht op deze pers gedrukt is: de Epistolae monitoriae, in quibus curam religionis ad magistratum pertinere […], een werk dat in de tijd van godsdienstige onrust voor problemen zorgde. Goltzius verliet Brugge voor een poosje. Na 1570 zetten Laurinus en Goltzius hun samenwerking voort en probeerden de serie over de Romeinse oudheid te voltooien. Hun samenwerking werd gecompliceerd door onduidelijke financiële afspraken. Vast staat dat ze niet meer zelf wilden drukken maar hiervoor Plantijn inschakelden. Een roemloos einde van een idealistisch begonnen onderneming.

Prachtwerken in de Republiek

Ook in de Republiek verschenen wel prachtwerken, maar meestal bij reguliere uitgevers. Vooral in de achttiende eeuw kwamen grote, kostbare plaatwerken op de markt, vaak naar het voorbeeld van Franse uitgaven die rijkelijk waren voorzien van grote gravures. Uitgevers promootten de boeken door ze aan te prijzen als ‘Schatkist’ of ‘Schatkamer’ en wisten er dan ook kopers voor te vinden, ook al moesten ze bepaalde werken in afleveringen uitgeven om de kosten te spreiden. Het boek van G.W. Knorr, Deliciae selectae naturae (1771), met verrassende gekleurde prenten, uitgegeven in een genummerde oplage, kostte met 128 gulden en 16 stuivers een fors bedrag maar werd toch door burgemeesters, notarissen, legerofficieren, doktoren en professoren gekocht. Het is dan ook een zorgvuldig gedrukt boek voorzien van in kleur gedrukte platen die met de hand verder opgewerkt zijn. Het werk werd vervolgens vaak gebonden in een mooie band. Is dit dan toch een vleugje bibliofiele traditie…? Of spreekt hier meer een gebruiksaspect mee? Het lijkt erop dat de door Simon Schama gesignaleerde karakteristiek van Nederland ook in de boekenwereld sterk doorwerkte.

Huisdrukkerijen in kloosters en universiteiten

Particuliere persen waarop teksten gedrukt worden voor eigen gebruik, zijn als een tweede groep ‘private presses’ te beschouwen. Daarbij kan gedacht worden aan persen in kloosters, de eerste universiteitspersen en schoolpersen of aan een drukpers in een particulier huis om te kunnen drukken wat men wilde. Het merendeel van de vroege drukpersen zou hiertoe gerekend kunnen worden: in de vroegmoderne tijd hadden drukkers vaak één of meer persen in huis staan. Deze werden echter gebruikt voor de broodwinning. Het begrip ‘huisdrukkerij’ is specifieker: een drukpers waarop uitgaven in eerste instantie voor het eigen plezier en voor eigen kring gedrukt worden; het gaat daarbij vaak om teksten die verboden waren, of niet rendabel, of waarvoor het commerciële circuit niet toegerust was. In ieder geval werd er juist niet vanuit commercieel oogpunt gedrukt.

Kloosters waren in de handschriftenperiode bij uitstek plaatsen waar teksten vermenigvuldigd werden. Met de komst van de boekdrukkunst werd deze rol door de commerciële drukkersbedrijven overgenomen. Ook in enkele kloosters werd een drukkerij gevestigd, bijvoorbeeld bij de Broeders van het Gemeene leven in Brussel, Leuven, Gouda, ’s-Hertogenbosch, Marienthal en Rostock. Claudin behandelde deze kloosterdrukkerijen in een artikel over ‘private printing’ in Frankrijk in de vijftiende eeuw, maar in de Lage Landen lijken ze meer op commerciële ondernemingen dan op ‘private presses’. De reguliere kanunniken in Den Hem bij Schoonhoven begonnen hun bedrijf bijvoorbeeld duidelijk vanuit commercieel oogpunt: ze wilden geld verdienen voor herstelwerkzaamheden na een brand in 1495. In Gouda had de drukkerij van de Collaciebroeders intensieve contacten met Gheraert Leeu, die hun ook allerlei typografisch materiaal naliet en de Brusselse broeders moesten hun bedrijf vermoedelijk staken omdat ze niet genoeg kopers voor hun uitgaven vonden. Deze kloosterdrukkerijen in de Lage Landen werkten niet voor eigen kring maar hun productie lijkt op die van commerciële ondernemingen van hun tijd en het zijn dus geen ‘private presses’.

Universiteitspersen kennen in Nederland geen traditie in de vroegmoderne tijd. Er werden geen aparte universitaire drukkerijen opgericht, maar bepaalde drukkers werden tot universiteitsdrukker benoemd, een functie die ze uitoefenden naast hun gewone bedrijf. Zelfs Willem Silvius, die speciaal naar Leiden gehaald was om universiteitsdrukker te worden, drukte niet louter voor de universiteit. Hij overleed vrij snel na aankomst en het ambt ging over op Plantijn en later op J.J. Paets, drukkers die allebei ook een eigen etablissement hadden.

Leidse huisdrukkerijen

Er werd in de vroege zeventiende eeuw aan de Leidse universiteit wel een echte huisdrukkerij opgericht door de oriëntalist Thomas Erpenius. Deze liet een drukpers neerzetten in zijn eigen huis, naar voorbeeld van de Parijse arabist Savary de Brèves, om zelf Arabische teksten te kunnen drukken waartoe reguliere drukkerijen niet in staat waren. Erpenius kreeg het lettermateriaal van Franciscus Raphelengius, de schoonzoon van Plantijn die in Leiden hoogleraar Hebreeuws en Aramees was geweest. Erpenius’ drukkerij, de Typographia Erpeniana linguarum orientalium, floreerde en werd één van de uitgebreidste en belangrijkste drukkerijen voor Oosterse typografie in Europa. Bij zijn dood in 1624 werd deze privé-drukkerij voor 8.000 gulden verkocht aan de Elzeviers. Erpenius wilde trouwens zijn bedrijf wel degelijk rendabel maken. Dat dit soms moeilijk was, blijkt uit een brief van Maria van Reigersberch aan haar echtgenoot Hugo de Groot. Maria van Reigersberch had met Erpenius gesproken over het in eigen beheer uitgeven van De Groots werk De jure belli ac pacis. Erpenius had het haar sterk afgeraden. Niet omdat het drukken zo veel zou kosten, maar vooral omdat het zo lastig zou zijn het in handen van de boekverkopers te krijgen: ‘het kompt altemael aen op het distribuweeren’.

Kennelijk was de Leidse universiteit een omgeving die mensen inspireerde tot particuliere ondernemingen op boekgebied. Twee Leidse geleerden, Marcus Zuerius Boxhorn en Petrus Scriverius, kochten in 1632 de drukkerij van Willem Christiaensz van der Boxe om bij hem hun werk te laten drukken. Van der Boxe mocht ook boeken van anderen drukken, maar hun werk ging voor. Een private press? De boeken zien er niet bijzonder uit. Het was dan ook een ‘uit de hand gelopen hobby van twee welgestelde geleerde heren’ – en dat lijkt inderdaad veel op een private press-activiteit. En zelfs de Leidse stedelijke overheid zag het nut van een eigen drukkerij in, of liever gezegd: de ondernemende stadssecretaris Jan van Hout bracht de magistratuur op het idee. Zo werd in 1577 een uniek experiment ondernomen: in het Leidse stadhuis werd een drukkerij opgericht waarop alle stedelijke stukken en al snel ook formulieren gedrukt werden. Jan van Hout kocht pers en lettermateriaal voor de stad aan en schoot het geld voor. Het drukwerk van de pers was voorbeeldig en het uiterlijk van de uitgaven is zeer karakteristiek door het gebruik van de civilité-letter en initialen. In 1597 kreeg Van Hout de pers in eigendom en werd hij formeel de drukker. De productie bleef hetzelfde: dunne stedelijke publicaties zoals keuren en ordonnanties. Bij zijn dood in 1609 werd het lettermateriaal vermoedelijk onder andere Leidse drukkers verspreid.

Kevren der stadt Leyden des graefschaps van Holland.Leiden, opt Raedthuys, 1583, p. 6-7. KB: 1701 D 21. (KB)

Kevren der stadt Leyden des graefschaps van Holland. Leiden, opt Raedthuys, 1583, p. 6-7. KB: 1701 D 21. (KB)

Huisdrukkerijen en verboden werken

Hoewel algemeen de opvatting heerst dat de Republiek een vrijplaats was waar heel veel kon verschijnen dat in de omringende landen door de censuur werd verboden, was het niet zo, dat alles zomaar gedrukt kon worden. Bovendien, veel van de boeken die onder een schuiladres verschenen, werden geproduceerd bij reguliere drukkerijen. Zo drukte Plantijn voor het Huis der Liefde en is van Blaeu bekend dat er bij hem verboden uitgaven verschenen, al dan niet onder een schuiladres. Geheime godsdienstige geschriften en verboden politieke traktaten werden gedrukt bij bekende drukkers, die soms zelfs slachtoffer werden van deze activiteiten. Op dit terrein zijn ongetwijfeld veel kleine drukkers actief geweest en daar zaten vast en zeker huispersen tussen. Maar wie dat precies waren is lastig vast te stellen omdat men uiteraard probeerde zo min mogelijk sporen na te laten.

Eerst weer een Leids voorbeeld: de Pilgrim Press. De Pilgrim Fathers, vanwege hun geloof gevlucht uit Engeland, bedienden in Leiden, in een huis in de buurt van de Pieterskerk, een pers om anti-Engelse boeken te drukken. Ze hadden lettermateriaal, zethaken én een pers waarop ze zelf hun boeken produceerden. In de jaren 1617-1619 werden er circa zeventien boeken gedrukt in het achterhuis dat ze huurden van Willem Pouwels van Thoorenvliet. Uiteindelijk bleef hun activiteit niet verborgen en werden lettermateriaal en pers in beslag genomen – hoewel? Een gebeurtenis aan boord van de Mayflower, het schip waarmee ze naar Amerika voeren, lijkt erop te wijzen dat er een pers aan boord was. Toen na een zware storm enkele balken van de Mayflower zwaar beschadigd waren, konden die door een ‘grote ijzeren schroef’ die uit Holland afkomstig was weer hersteld worden. Het lettermateriaal dook later op bij de Engelse drukker Gilles Thorp in Amsterdam. Recentelijk is het verhaal over de schroef en de drukkersactiviteit van de Pilgrim Press overigens in twijfel getrokken. De uitgaven zouden gedrukt zijn door naburige Leidse drukkers en de grote schroef zou niet van een pers afkomstig zijn.

Huisdrukkerijen en religie

Ook in Amsterdam is een aantal mensen te noemen dat een eigen drukpers oprichtte. Hier was niet zozeer de wetenschap alswel het geloof de aanleiding om het heft in eigen hand te nemen. Vaak is dan weer eenzelfde constructie te zien als we eerder zagen: er is iemand met geld die bepaalde teksten gedrukt wil hebben en, hetzij een drukkerij inricht en daar een geschoold drukker aan het hoofd zet, hetzij een bestaande drukkerij opkoopt en daar laat drukken wat hij gedrukt wil hebben. De Poolse filosoof en pedagoog Jan Amos Comenius staat bijvoorbeeld geregistreerd in het Amsterdamse boekdrukkersgilde, zonder dat zijn beroep nader gespecificeerd is. Vermoedelijk was hij de financier van de drukkerij die werkte voor de Boheemse Broeders en een aantal van zijn eigen werken en van zijn geestverwanten drukte. Maar de professionele leiding lag in handen van Jan Paskovsky.

Eenzelfde constructie is te zien bij de uitgave van de werken van Jacob Böhme. De bemiddelde Arnhemse burgemeester Willem Gozewijn Huygens stelde Böhme-volgeling Johann Georg Gichtel in staat een drukkerij in te richten voor het drukken van het werk van Böhme. Gichtel huurde weer twee Amsterdamse drukkers in, vader David en zoon Andries van Hoogenhuysen. Dit gezelschap zorgde ervoor dat in 1682 een vijftiendelige editie van Böhme’s Alle theosophische Wercken van de pers kwam.

Een ander voorbeeld uit deze kring was Antoinette de Bourignon uit Vlaanderen. Zij was in 1667 in Amsterdam aangekomen, hoopte haar werk daar gedrukt te krijgen en richtte daarom in haar eigen huis een drukkerij in. Daar houdt de overeenkomst met de vorige voorbeelden op. Bourignon was haar eigen mecenas – zij financierde de aankoop van de pers in 1669 zelf – en huurde geen vaklui in, maar liet de pers bedienen door haar volgelingen. Al snel bleek dat deze onervaren lieden geen hoge productiviteit haalden en dat deze aanpak bijvoorbeeld door de vele misdrukken en de inefficiënte manier van werken veel duurder was dan het laten drukken bij een professionele drukker. Zo verscheen het tweede deel van La lumiere nee en tenebres in 1669 zonder drukkersnaam. De tekst is op sommige plaatsen erg ongelijkmatig gedrukt, hoewel hetzelfde geldt voor het derde deel dat de naam van Jan Janssonius als drukker heeft. De Bourignon wendde zich dus weer tot professionele drukkers, maar de pers werd gehandhaafd en in 1672 zelfs meegenomen bij haar verhuizing naar Sleeswijk-Holstein. Daar werd de pers uit angst voor opruiing verboden. Maar De Bourignon legde het verbod naast zich neer en drukte verder. In 1674 werd op bevel van de hertog van Sleeswijk-Holstein-Gottorp een inval gedaan in haar huis in Husum en werd alles in beslag genomen: pers, lettermateriaal, papiervoorraad en ook al half gedrukte boeken. Hiermee kwam ook deze ideële pers tot een einde.

Huisdrukkerijen en de biologie

Een heel ander geval van een huispers was die van Christiaan Sepp, een graficus en tekenaar. Sepp was vanuit Duitsland naar Amsterdam gekomen op zoek naar werk. Daarnaast was hij een enthousiast amateur-bioloog. In zijn vrije tijd maakte hij, samen met zijn zoon Jan Christiaan, tekeningen en vervolgens kopergravures van insecten. Met zorg ingekleurde afdrukken, voorzien van allerlei wetenswaardigheden, verspreidden zij onder vrienden.

De eerste afleveringen vermelden dan ook in het impressum op de titelpagina dat ze ‘voor den auteur’ gedrukt zijn. Het drukwerk van die eerste afleveringen is wat ongelijkmatig; de inkt is soms vet en dan weer schraal. Toch waren die zo in trek dat ze van hun hobby hun beroep maakten. Zoon Jan Christiaan werd boekhandelaar en zo begon het succesvolle bedrijf J.C. Sepp en zoon dat een aantal schitterende boeken op de markt bracht, zoals de Nederlandsche insecten en de Flora Batava, maar ook boeken over vogels en hout- en marmersoorten. In feite begon dit bedrijf dus als een private press, om zich vervolgens te ontwikkelen tot een professioneel bedrijf. Nu is het drukken van gravures sowieso een activiteit die kunstenaars vaker thuis beoefenen; een plaatpers is gemakkelijker te plaatsen en vereist minder investering dan een pers plus lettermateriaal in verschillende corpsen en alle benodigdheden voor het zetten en drukken van boeken.

Driekwart eeuw eerder had ook Maria Merian een plaatwerk over insecten in eigen beheer uitgegeven: de Metamorphosis insectorum Surinamensium. Ofte Verandering der Surinaamsche insecten. Merian had geprobeerd om het boek door inschrijving te financieren maar dat bleek niet goed te lukken. Vandaar dat ze ervoor koos het in eigen beheer uit te geven, in het Latijn en het Nederlands. Het impressum luidt: ‘voor den auteur, woonende in de kerkstraat […] alwaar de zelve ook gedrukt en afgezet te bekoomen zijn’. Het werk kon op verzoek van de klant verder gepersonaliseerd worden door te kiezen tussen twee verschillende titelpagina’s, de manier waarop de tekst bij de platen gevoegd werd of de wijze van inkleuring – een werk dat ten huize van de familie Merian uitgevoerd werd en weken kon duren. Dit alles leidde tot een zeer interessante uitgave die met name door de aantrekkelijke afbeeldingen, vaak minutieus ingekleurd, tot op de dag van vandaag zeer gewaardeerd wordt. Merian hield de platen en kon dus afdrukken wat en wanneer ze wilde, zodat ze ook later nog series kon verkopen. Ook deze particuliere onderneming was dus commercieel.

De dolle jonker

Tenslotte een enkel voorbeeld uit adellijke kringen – een groep die bijvoorbeeld in Frankrijk nog wel eens een eigen pers liet installeren. Dat kwam in Nederland voor zover bekend niet voor. Maar Everard Meyster, de ‘dolle jonker’ die beroemd werd doordat hij de Amersfoorters zo gek kreeg een grote zwerfkei naar hun stad te slepen (daar te zien tot op de dag van vandaag), was ook een dichter die ernaar streefde zijn werk in mooie uitgaven te laten verschijnen. Een wel heel bijzonder resultaat is Nimmer-dor berymt, een lang gedicht over het landgoed Nimmerdor uit 1667. Het werd gedrukt bij de Utrechtse drukker J. van Paddenburgh. Het boek heeft een gering formaat, maar doordat het geheel in groene – nu bruin verkleurde – inkt gedrukt werd, is het wel een heel verrassend werkje. Drie jaar later liet hij nog in grote haast twee pamfletten drukken – vol zetfouten zodat het bibliofiele karakter niet aan de orde is. Meyster was eerder een uitgever in eigen beheer (‘private publisher’) dan een private press. Op zichzelf was dit iets dat heel regelmatig voorkwam: een dichter in goeden doen stapte met zijn poëzie naar de drukker en liet op eigen kosten een bundel drukken (voor de auteur) die hij zelf verspreidde onder vrienden en kennissen. Maar lang niet altijd werden dit zulke bijzondere boekjes.

Christiaan Sepp,Beschouwing der wonderen Gods, in de minstgeachtte schepzelen. Of Nederlandsche insecten. Te Amsterdam, Gedrukt voor den auteur, 1762, titelpagina van aflevering 1 en plaat Tab. II. KB: 555 E 5:1. (KB: JU)

Christiaan Sepp, Beschouwing der wonderen Gods, in de minstgeachtte schepzelen. Of Nederlandsche insecten. Te Amsterdam, Gedrukt voor den auteur, 1762, titelpagina van aflevering 1 en plaat Tab. II. KB: 555 E 5:1. (KB: JU)

Maria Sybilla Merian,Metamorphosis insectorum Surinamensium. Ofte Verandering der Surinaamsche insecten.Tot Amsterdam, Voor den auteur, 1705, titelpagina. KB: 1041 B 35. (KB)

Maria Sybilla Merian, Metamorphosis insectorum Surinamensium. Ofte Verandering der Surinaamsche insecten. Tot Amsterdam, Voor den auteur, 1705, titelpagina. KB: 1041 B 35. (KB)

Maria Sybilla Merian,Metamorphosis insectorum Surinamensium. Ofte Verandering der Surinaamsche insecten.Tot Amsterdam, Voor den auteur, 1705, plaat 2. KB: 1041 B 35. (KB)

Maria Sybilla Merian, Metamorphosis insectorum Surinamensium. Ofte Verandering der Surinaamsche insecten. Tot Amsterdam, Voor den auteur, 1705, plaat 2. KB: 1041 B 35. (KB)

E. Meyster,Nimmer-dor. Utrecht, Johannes van Paddenburgh, 1667, titelpagina. KB: 760 D 31. (KB)

E. Meyster, Nimmer-dor. Utrecht, Johannes van Paddenburgh, 1667, titelpagina. KB: 760 D 31. (KB)

E. Meyster,Nimmer-dor. Utrecht, Johannes van Paddenburgh, 1667, p. 5. KB: 760 D 31. (KB)

E. Meyster, Nimmer-dor. Utrecht, Johannes van Paddenburgh, 1667, p. 5. KB: 760 D 31. (KB)

Gelegenheidsdrukwerk

Een type drukwerk dat ook tegenwoordig vaak op een private press gemaakt wordt, is gelegenheidsdrukwerk. Een huwelijk, een jubileum, een afscheid of pensionering, een overlijden – dat soort gelegenheden kunnen voor een margedrukker aanleiding zijn om aan het werk te gaan.

Nu werd er ook in de vroegmoderne tijd bij zulke gebeurtenissen dikwijls een bijzonder boekje gemaakt. Meestal zijn die wel bij een regulier bedrijf gedrukt. De 6.632 uitgaven die in de Short Title Catalogue, Netherlands (STCN) gevonden worden met de trefwoordcombinatie ‘occasional writings’ en ‘poetry’ kunnen dus niet ineens allemaal private press- uitgaven genoemd worden. Ook al lag het initiatief voor een dergelijke uitgave vaak bij een particulier en werden de meeste niet vanuit commercieel oogpunt gemaakt, lofdichten op bekende personen zoals een stadhouder of Michiel de Ruyter werden waarschijnlijk wel gedrukt met winstoogmerk. En ook een gedicht op de benoeming van een predikant of hoogleraar zal wel wat afnemers gevonden hebben. Maar een willekeurig huwelijksgedicht was meestal alleen bedoeld om onder bekenden en genodigden uitgedeeld te worden en is daarom als privé-uitgave te beschouwen.

Soms werd een broodschrijver ingehuurd om het gedicht te maken, in andere gevallen gingen familie en vrienden zelf aan de slag, in feite zoals nu op menig bruiloft een liedje gezongen of een sketch opgevoerd wordt. Bij het merendeel wordt de naam van de – ingehuurde – drukker vermeld, maar soms niet. Toch zullen deze in de meeste gevallen wel van een professionele pers komen. Zijn het dan private press-uitgaven of niet? Niet in eigenlijke zin, maar het zijn wel ‘privately printed’ boeken, omdat ze op particulier verzoek gedrukt zijn. De Koninklijke Bibliotheek in Den Haag bezit een wel heel ‘private’ gelegenheidsgedicht: de Bruilofts-wensch aan […] Willem Henderik Gael en […] Anna Maria van Kretschmar in den echt vereenigt den 21. september 1779. Dit bijzonder uitziende werkje is deels met typografisch materiaal gestempeld en de notenbalken en muziek zijn in handschrift aangebracht.

Ook werd voor het bruidspaar vaak een bijzondere uitvoering gemaakt. Aan de bundel die ter gelegenheid van het huwelijk van George Wilhem Nieman en Elisabeth Duisenberg in 1755 vervaardigd werd door familie en vrienden van de bruid, is bijvoorbeeld veel aandacht besteed. Zij schreven vier gedichten, die ze met een fraai ingekleurde symbolische titelprent en een lied lieten inbinden in een band versierd met linten met Cupidofiguren in zilverdraad. Voor dezelfde bruiloft werd ook een gedicht op roze zijde gedrukt. Het gedicht Aan myne moeder, myne zuster [...] op den dood van mynen vader uit het eind van de achttiende eeuw lijkt zelfs vooruit te lopen op de praktijk van genummerde uitgaven. Op pagina A [1] staat vermeld: ‘Prezent exemplaar no. 17’. Het woord ‘presentexemplaar’ staat overigens vaker in deze uitgaven en geeft dus precies aan waar een dergelijke uitgave voor bedoeld was: ze werden weggegeven.

Drukwerk voor genootschappen

Poëzie geproduceerd door of voor leden van genootschappen is een andere categorie privé-uitgaven. Die verschenen soms in tijdschriften, maar vaker als boekje, in een kleine oplage, dikwijls alleen voor de leden van het genootschap. De vele letterkundige genootschappen die tussen 1750 en 1800 in Nederland actief waren, publiceerden ruim 200 artikelen, boekjes en boeken. Veel van die publicaties zijn niet overgeleverd maar slechts uit archiefbronnen bekend, vermoedelijk juist omdat ze niet breed circuleerden of in kleine oplagen verschenen.

Een bijzonder geval is het genootschap ‘Door vlijt en kunst’, vanaf 1766 ‘Kunst wordt door arbeid verkregen’ geheten. ‘Door vlijt en kunst’ werd opgericht door vier Leidse vrienden. De Leidse uitgever Cornelis van Hoogeveen was één van hen en wél de actiefste. Hij schreef een aantal toneelstukken en veel, heel veel gelegenheidsgedichten. In het merendeel hiervan staat geen drukkersnaam vermeld, hoewel vermoed wordt dat ze door Hoogeveen zelf op de pers gelegd zijn.

De Koninklijke Bibliotheek bezit een uitgave met toneelstukken van het genootschap ‘Door vlijt en kunst’: Tooneelpoëzij, onder de spreuk. Door vlijt en kunst. Het bevat zeven stukken uit de jaren 1761-1764. Bij twee van de teksten staat op de verso van de titelpagina dat 12 exemplaren op groot respectievelijk best papier gedrukt zijn, waarna een nummer volgt. Dit is vermoedelijk één van de vroegste genummerde uitgaven in Nederland. Nu kan het best zo zijn dat de totale oplage groter was en dat slechts een klein percentage op bijzonder papier gedrukt werd, maar veel zijn er niet bewaard. Of ze een grote oplage en verspreiding hadden, is dus maar de vraag. Het zijn bijzondere uitgaven voor een besloten kring. Bijna particuliere uitgaven dus.

En Van Hoogeveen? Zijn beroep was drukker en als we afgaan op de STCN heeft hij bijna 500 boeken uitgebracht: af en toe iets commercieels, maar meestal toch toneelstukken en gelegenheidsuitgaven voor één van de genootschappen waarvan hij lid was. Het liep niet goed met hem af. Hoewel hij door zijn ouders bemiddeld achtergelaten was, stierf hij in behoeftige omstandigheden. Teveel voor zijn plezier gedrukt?

Bruilofts-wensch aan den weledelen heer en mr Willem Henderik Gael, en de weledele ionkvrouwe Anna Maria van Kretschmar. In den echt vereenigt den 21. September 1779. S.l., s.n., 1779, p. 5-6. KB: 853 C 68. (KB)

Bruilofts-wensch aan den weledelen heer en mr Willem Henderik Gael, en de weledele ionkvrouwe Anna Maria van Kretschmar. In den echt vereenigt den 21. September 1779. S.l., s.n., 1779, p. 5-6. KB: 853 C 68. (KB)

Tooneelpoëzij, onder de spreuk: Door vlijt en kunst. S.l., s.n., 1761, p. 2-3. KB: 2220 F 11. (KB)

Tooneelpoëzij, onder de spreuk: Door vlijt en kunst. S.l., s.n., 1761, p. 2-3. KB: 2220 F 11. (KB)

Private press vóór 1800?

Bepaalde aspecten van de moderne private press-uitgaven hebben voorlopers in het Nederlandse boekbedrijf vóór 1800. Maar betekent dat nu dat er gesproken kan worden van private presses vóór 1800? Eigenlijk is het begrip private press voor deze periode een anachronisme. Er werden mooie boeken gemaakt, er was sporadisch speciale aandacht voor vormgeving en band, enkele enthousiastelingen stelden in hun eigen huis een pers op, er werd gedrukt op particulier initiatief en er verschenen boeken in zeer kleine oplagen. Wat dat betreft heeft de latere private press-beweging ook in de Nederlanden bescheiden voorgangers gehad. (MvD)

Terug naar de indexpagina van de webexpositie Private Press.