Private press: tweede helft twintigste eeuw

Deze pagina is onderdeel van de webexpositie Private Press.

De tweede helft van de twintigste eeuw vormde in de Nederlandse boekenwereld een periode van diep ingrijpende veranderingen. Al direct na de Tweede Wereldoorlog volgde een snelle groei van het aantal boekuitgaven. Er ontwikkelden zich drie hoofdrichtingen waarop de uitgeverij zich ging toeleggen: het schoolboek, het wetenschappelijke boek en het publieksboek of algemene boek. Vooral dit laatste segment groeide explosief. Meer nog dan in de periode daarvoor ontstonden allerlei populaire genres als detectives, driestuiverromans, streekromans, en non-fictie als populair-wetenschappelijke boeken, hobbyboeken en reisboeken. In 1950 verschenen ruim 3.000 nieuwe afzonderlijke publieksboeken, in 2000 ongeveer 13.000. Over de hele periode waren dat 340.000 nieuwe titels.

Dit aanbod van nieuwe Nederlandstalige publieksboeken werd op de markt gebracht door enkele honderden uitgeverijen (350 in 1950 en 500 in 2000) en werd voor het grootste deel verkocht via de boekhandel (1400 in 1950, bijna 1600 in 2000). De jaren vijftig zagen de definitieve doorbraak van het pocketboek. Waren de eerste pockets al verschenen in 1934 in de Salamander-serie van Querido, de eerste grote succesvolle pocketreeks was Prisma, die in 1951 begon. De ene na de andere uitgever nam, soms schoorvoetend, soms met volle overgave, pocketseries en andere goedkope reeksen op in zijn fonds. De pocketformule van herdrukken, grote oplagen en lage prijzen veranderde het boek in een gebruiksartikel. Grote publiciteitscampagnes deden hun intrede.

In het grafische bedrijf werd rond de jaren zestig in snel tempo de boekdruk met loodzetsel vervangen door offsetdruk en fotografisch zetsel. De productie van boeken werd daardoor goedkoper, de prijs van vooral het pocketboek kon laag blijven en de oplagen stegen. Het Machinefonds van de Federatie der Werkgeversorganisatiën van de drukkerijen vernietigde in hoog tempo drukpersen en smolt loden letters om.

In de uitgeverswereld trad in de jaren zestig en zeventig een sterke schaalvergroting en concentratie op, terwijl een tiental jaren later, in de jaren tachtig en negentig, de grote concerns zich weer gingen ontdoen van hun algemene uitgeverijen waardoor nieuwe concentraties ontstonden. In 2000 werd bijna 75% van de omzet in algemene boeken gerealiseerd door drie concerns, PCM Uitgevers,Bosch & Keuning en Weekbladpers Groep. Bekende namen voor het wetenschappelijke boek werden Reed Elsevier, Wolters Kluwer en VNU. In het grafisch bedrijf volgde in de jaren negentig opnieuw een omwenteling door de invoering van de computer bij de tekst- en beeldverwerking en bij het drukproces, waardoor nieuwe investeringen noodzakelijk waren. Ook nu weer betekende dit concernvorming, fusies en faillissementen. Verdere innovatie als desk top publishing, printing on demand, nieuwe informatiedragers en nieuwe mogelijkheden van informatieverspreiding via internet hebben de positie van de (grote) uitgever versterkt. Over het algemeen kwamen al deze veranderingen de prijs en de technische kwaliteit van het boek ten goede, maar zij gingen ten koste van de veelzijdigheid van het boekenaanbod.

Ook de boekhandel veranderde wezenlijk. In de jaren vijftig was een boekhandel een winkel met een bijna voelbare culturele en sociale drempel. Aan de toonbank kon men het gevraagde boek inzien en deskundig advies bij de keuze krijgen. Het boek was een cultureel object met een bijzondere status. Dat veranderde door de komst van het pocketboek en, een tiental jaren later, het grotere broertje, de paperback. Het boek werd een massaproduct en een consumptieartikel. De boekhandel werd een gemakkelijk toegankelijke inloopwinkel, en de klant kon zelf zijn keuze maken uit een overvloed aan boeken.

Er kwamen meer algemene en gespecialiseerde boekwinkels, antiquariaten en ramsjboekwinkels, nieuwe verkooppunten als warenhuizen, kiosken, kantoorboekhandels, supermarkten, boekenclubs, en ten slotte, niet de onbelangrijkste, de internet-boekhandel. Enkele grote boekhandelaren verenigden zich in ketens als Selexyz en Libris, de winkels werden groter, er kwamen lees- en koffiehoeken: de boekwinkel werd een culturele ontmoetingsplaats met lezingen, signeersessies en boekpresentaties.

De verspreiding van het boek werd actief ondersteund door een gezamenlijk promotiebeleid van uitgeverij en boekhandel in de vorm van de CPNB, de Commissie voor de Collectieve Propaganda voor het Nederlandse boek, opgericht in 1945, als voortzetting van de Commissie voor de Collectieve Reclame uit 1933. Zo organiseert de CPNB bijvoorbeeld ieder jaar de Boekenweek.

Een aantal factoren heeft in deze periode het lezen, en in het algemeen het gebruik van het boek, en overigens ook dat van de krant en het tijdschrift, sterk bevorderd. De werkweek werd korter, het welvaartsniveau nam toe, oudedagsvoorzieningen werden beter en het opleidingsniveau steeg door langere en betere scholing. De belangstelling voor het lezen ten behoeve van de persoonlijke ontwikkeling en ter ontspanning ging gelijk op met het groeiende aanbod van goedkope boeken en de gemakkelijke beschikbaarheid van boeken in de talrijke en goed voorziene openbare bibliotheken.

Onder grote groepen jongeren in de jaren zestig en zeventig werden de literaire pocketreeksen enorm populair en ze gingen deel uitmaken van hun eigen leescultuur. Inmiddels heeft het boek meer concurrentie van andere vormen van vrijetijdsbesteding gekregen, zoals de televisie en internet, en treedt een versmalling op van het lezerspubliek, vooral bij jongeren voor wie de nieuwe media bijzonder aantrekkelijk zijn.

Vormgeving

Het uiterlijk van het boek veranderde in de loop van een halve eeuw in vele opzichten. Na de Tweede Wereldoorlog maakte het beroep van zelfstandig ontwerper pas echt opgang en werd de drukker steeds meer alleen de uitvoerder. De vakvereniging GKf, waarin de grafisch ontwerpers een grote rol gingen spelen, werd in 1945 opgericht met ontwerper en museumdirecteur Willem Sandberg als eerste voorzitter. Voor literatuur en wetenschappelijke uitgaven handhaafde de klassieke typografie zich met bekende namen als Helmut Salden en Harry Sierman.

De vrijere benadering van de Neue Typographie en de functionalisten uit de jaren dertig kwam vooral tot uitdrukking in boeken met veel illustraties en in de reclame. Dick Elffers werd als een van de ‘progressieven’ vooral bekend door zijn fotoboeken. Wim Crouwel en zijn Total Design ontwierpen functionele typografie die veel werd toegepast in museumcatalogi. Het Nederlandse grafisch ontwerp maakte internationaal furore met namen als Anton Beeke, Studio Dumbar en Hard Werken. Onder hen nemen Irma Boom en Piet Schreuders weer een geheel afzonderlijke plaats in.

De grote verscheidenheid van illustratietechnieken uit de negentiende en begin twintigste eeuw was na de Tweede Wereldoorlog praktisch geheel verdwenen: de illustratie was een gerasterde opname in vier kleuren, afgedrukt in vier- (of soms meer) kleuren offset. Technieken als ets, gravure, steendruk en houtgravure keerden alleen terug in bibliofiele uitgaven.

De laatste nieuwe loden letterseries verschenen eind jaren zestig. De eerste nieuwe Nederlandse letter die op de fotografische zetmachine ter beschikking kwam was de Albertina van Chris Brand in 1965. In de jaren zeventig en tachtig volgden nieuwe tekstletters van Gerard Unger en Bram de Does. Toen kwam de Macintosh-computer en werd het letterontwerp ‘gedemocratiseerd’: de letterontwerper was niet meer afhankelijk van een zetmachinefabrikant. In de jaren negentig trokken de afgestudeerden van de afdeling Grafisch ontwerp van de Haagse kunstacademie, waar Gerrit Noordzij doceerde, internationaal de aandacht. Er zijn nu twee Nederlandse digitale letteruitgeverijen die revivals en nieuwe ontwerpen produceren: de Dutch Type Library en The Enschedé Font Foundry.

Na de oorlog herleefde onder professionals de aandacht voor de vormgeving van het boek. Een van de vroegste tekenen daarvan was de terugkeer van wat in de jaren dertig heette ‘de vijftig beste boeken’ en voor het eerst in 1926 was georganiseerd door het Nederlandsch Verbond van boekenvrienden. In de jury zat toen onder meer Sjoerd H. de Roos. De eerste bekroning van wat voortaan ‘De vijftig best verzorgde boeken’ werd genoemd, vond plaats in 1949 voor boeken uit 1948. In de jury zaten vijf vakmensen, onder wie de Utrechtse boekhandelaar Chris Leeflang, namens de organisator, de CPNB, en Dick Dooijes, werkzaam bij de Lettergieterij 'Amsterdam', min of meer als opvolger van De Roos. Door een afnemend gebrek aan belangstelling kwam hieraan in 1971 een einde. In 1987 werd de traditie weer opgepakt en in 1998 werd de organisatie overgenomen door de gelijknamige stichting waarin de CPNB, het Koninklijk Verbond van Grafische Ondernemingen en de Beroepsorganisatie Nederlandse Ontwerpers BNO samenwerken met het doel om de discussie over de vormgeving van het boek levend te houden. Lukte dit vaak al met de gekozen boeken, vooral de dikwijls extravagante vormgeving van de jaarlijkse catalogi leverde onder ontwerpers veel stof tot discussie op.

Het bibliofiele boek

De belangstelling voor het bibliofiele boek beperkte zich kort na de oorlog tot een kleine groep in vergelijking met de verschillende groepen liefhebbers, lezers en verzamelaars die dergelijke boeken en boekjes in de bibliofiele series van de jaren dertig kochten. Die series waren meestal al vóór, of anders in de oorlog opgehouden. Ook het tijdschrift Halcyon van de grote, in de jaren dertig internationaal georiënteerde, bibliofiele uitgever Alexandre Stols had de oorlog niet overleefd. In de periode 1945 tot 1951 gaf Stols nog maar nauwelijks bibliofiele uitgaven uit. Er verschenen slechts enkele uitgaven in de gerenommeerde series The Halcyon Press en Helikon. Stols had het geld niet om, wat hij noemde, een ‘pocket-uitgeverij’ te beginnen en hij was niet in staat de concurrentie aan te gaan met bestaande uitgeverijen als De Arbeiderspers, Querido en Meulenhoff, en nieuwkomers als De Bezige Bij, G.A. van Oorschot en Moussault, die alle inspeelden op marktvergroting en de nieuwe uitgeefvormen.

M.C. Escher,Regelmatige vlakverdeling.Utrecht, Stichting De Roos, 1958, prent VI, met oorspronkelijk houtblok. MM: bb 001 B 008. (KB: JU)

M.C. Escher, Regelmatige vlakverdeling. Utrecht, Stichting De Roos, 1958, prent VI, met oorspronkelijk houtblok. MM: bb 001 B 008. (KB: JU)

M.C. Escher,Regelmatige vlakverdeling.Utrecht, Stichting De Roos, 1958, detail houtblok prent VI. MM: bb 001 B 008. (KB: JU)

M.C. Escher, Regelmatige vlakverdeling. Utrecht, Stichting De Roos, 1958, detail houtblok prent VI. MM: bb 001 B 008. (KB: JU)

Het reeksvignet voor Folemprise

Het reeksvignet voor Folemprise

In 1951 vertrok Stols als adviseur van Unesco naar Zuid-Amerika, was daarna nog enige tijd terug maar vestigde zich vanaf 1954 praktisch geheel in het buitenland. ‘Het is een rotvak geworden’, verzuchtte Stols in een brief aan Greshoff op 24 december 1953: ‘Van bibliofiele edities (mijn eigenlijke vak) is er geen sprake meer. Ik ben overbodig geworden!’ Langzaam maar zeker verdween zijn uitgeverij.

Stichting De Roos

Zo dramatisch als Stols de situatie rond het bibliofiele boek voorstelt, zal deze niet geweest zijn. Al in juni 1945 hadden Chris Leeflang, de typografisch adviseur van Het Spectrum, Charles Nypels en de ontwerper G.M. van Wees de Stichting De Roos opgericht. De naam was een eerbetoon aan Sjoerd H. de Roos, de nestor van de Nederlandse grafisch ontwerpers, en de onvermoeibare pleitbezorger van het goed vormgegeven boek.

Het doel van de stichting geeft goed weer wat er onder het bibliofiele boek werd verstaan: ‘het maken van boeken en drukwerken enkel om de ongerepte en dus ook onbaatzuchtige liefde voor typografie en kunst, in alle denkbare vormen waarin deze kunnen samengaan’. De stichting telt maximaal 175 leden. Jaarlijks verschijnen twee à drie uitgaven, uitsluitend bestemd voor de leden. Voor vormgeving, illustratie, drukken en binden worden zoveel mogelijk verschillende mensen en bedrijven ingeschakeld zodat het geheel van de uitgaven een afspiegeling vormt van de contemporaine mogelijkheden op dit terrein in Nederland.

De eerste reeks uitgaven startte in 1946; in 2005 waren inmiddels meer dan 160 titels verschenen. Het bekendste (en antiquarisch duurste) boek van Stichting De Roos is Regelmatige vlakverdeling (1958), geschreven en geïllustreerd door Maurits Cornelis Escher. Bekende typografen en ontwerpers als Jan van Krimpen, Willem Sandberg, Helmut Salden, Harry N. Sierman, Kees Nieuwenhuijzen, Irma Boom, Dirk van Gelder en Wim Crouwel ontwierpen uitgaven voor De Roos.

Nederlandsche Vereeniging voor Druk- en Boekkunst

Al eerder, in 1938, was de Nederlandsche Vereeniging voor Druk- en Boekkunst opgericht. Deze vereniging had geen strikt bibliofiel karakter. Zoals de naam al aangeeft zouden ook opvallende ontwikkelingen binnen het drukkersvak middels speciale uitgaven onder de aandacht van de leden worden gebracht. De ambities zijn eigenlijk nooit waargemaakt. Was er eerst de valse start door de moeizame oorlogsomstandigheden, later waren er voortdurend financiële problemen. De toezegging aan de leden – op het hoogtepunt circa 250 in getal – dat zij voor ƒ 15,- jaarlijks twee bijzondere uitgaven tegemoet konden zien, kon vrijwel nooit worden waargemaakt. In 1961 ging de vereniging in winterslaap. Deze duurde tot 1995, toen een groepje drukkers-in-de-marge op initiatief van Jan Keijser de zaak nieuw leven inblies. Sindsdien zagen zo’n veertig gelegenheidsdrukjes en zes ‘echte’ boeken het licht, maar de laatste tijd is het opvallend stil.

Ook enkele commerciële uitgeverijen begonnen na de oorlog met een bibliofiele reeks, een typografisch mooi verzorgde serie, meestal dunne, ingenaaide boekjes. De Bezige Bij startte in 1945 met de reeksen Periscoop en Tandem aliquando (‘Eindelijk dan toch’, als voortzetting van de reeks uit de oorlogsjaren Quousque tandem, ‘Hoelang nog’), en Het zwarte schaap. De Uitgeversmaatschappij Holland bijvoorbeeld kwam in 1949 met de reeks De windroos. De Haagse boekhandelaar en uitgever L.J.C. Boucher slaagde erin zijn in 1932 begonnen bibliofiele reeks Folemprise tot 1955 voort te zetten, met als laatste deel De blinde zwemmers, een prozagedicht van Bert Schierbeek met gravures van Jean-Paul Vroom. Voor de huidige tijd moet hier zeker de bibliofiele serie De Bantammerreeks (vanaf 2001) van uitgeverij De Buitenkant van Jan de Jong worden genoemd.

De private press in de jaren vijftig en zestig

De enigszins bezadigde en elitaire omgeving waarin de, vooral op typografie gerichte, private press zich voor de Tweede Wereldoorlog bewoog, zou na de oorlog snel veranderen. In het levendige wereldje van vakmensen, professionals en amateurs die in de jaren vijftig en zestig voor hun plezier boeken, boekjes, grafiek en ander drukwerk maakten, en buiten het commerciële circuit verspreidden, kunnen we twee stromingen onderscheiden.

Er waren persen die zich richtten op goed verzorgd en fraai drukwerk van klassieke aard. Voorbeelden daarvan waren de Zondagsdrukker(s), de Tuinwijkpers en Carlinapers, Jaap Meijer en de Renildis Handpers. Daarnaast was er een groep die zich richtte op het typografisch en grafisch experiment. Merendeels waren dit beeldende kunstenaars die werkten én samenwerkten in grafische werkplaatsen. De bekendste voorbeelden zijn Typotent en de Werkplaats/Het Drukhuis, met Frans de Jong, René Treumann en Emile Puettmann. Andere drukkers die begonnen in de jaren zestig waren Rinus de Vringer en Eric van der Wal.

Begin jaren zeventig volgde een stroom van nieuwe drukkers. Zij hadden en hebben uiteenlopende aspiraties en beweegredenen en hun niveau is heel verschillend. Gedeeltelijk hangt dit samen met hun beroep en hun opleiding. Een echte verdeling tussen amateurs en (semi-) professionelen is niet gemakkelijk te maken maar wel zijn er kwalitatief grote verschillen.

Vooral in de jaren zestig bloeide een alternatief circuit van grafische en literaire producten buiten de reguliere uitgeverij en boekhandel om. Er verschenen revolutionaire grafisch werken (alternatieve grafiek met een politiek engagement), maar ook stencils en klein-offset met een politiek protestkarakter. Daarnaast manifesteerden zich beginnende dichters en amateur-poëten die zelf als uitgever en drukker gingen optreden en in kleine oplagen met eenvoudige middelen boeken en boekjes op de markt brachten waarvoor de gevestigde boekhandel meestal geen belangstelling had maar die vaak wel een evident literair karakter hadden. En soms liepen politiek en literatuur, en kunst en typografie dwars door elkaar heen.

Typotent, Het Drukhuis en Frans de Jong

Een duidelijke exponent van deze alternatieve grafische beweging was Typotent. In 1965 openden Emile de Vries en Pieter Brattinga op de zolder van de drukkerij van de Gebroeders Jesse aan de Nieuwezijds Voorburgwal in Amsterdam de typografische sociëteit Typotent. Het was een werkplaats in de ware zin van het woord: een hoogdruk-atelier waar de aangeslotenen, meestal afkomstig uit de grafische wereld, konden experimenteren.

De jonge maar ervaren drukker en grafisch kunstenaar Frans de Jong werd de beheerder en de leermeester voor de onervaren drukkers, maar ook Emile Puettmann, Chris Heeneman en later René Treumann waren regelmatige bezoekers. Van de zolder van Jesse bezaten uiteindelijk maar liefst 180 amateurdrukkers de sleutel en ze mochten er drukken van van ’s morgens tien tot ’s avonds elf. Later verhuisden ze naar de Warmoesstraat, en daarna, in 1971, werd Typotent ondergebracht in de drukkerij en het grafisch atelier van Frans de Jong in de Nieuwe Amstelstraat onder de naam Werkwinkel. Frans de Jong en René Treumann maakten er naast grafiek ook enkele bibliofiele uitgaven.

Toen de werkplaats moest wijken voor de bouw van de eerste Amsterdamse metro betrokken zij samen met Bart Boumans eind 1972 een souterrain en achterhuis aan de Herengracht 229. Nieuwe plannen werden bedacht en een nieuwe naam: Het Drukhuis. Bij de opening van Het Drukhuis in 1973 stonden er drie proefpersen, drie trapdegels, twee tafelpersen en een honderd jaar oude Albion kniehevelpers, het begin van een grafisch-historische verzameling; er waren ateliers voor de kunstenaars en een bibliotheek.

Het stichtingsbestuur bestond uit Bart Boumans, Frans de Jong, René Treumann, Frans Janssen en Huib van Krimpen. Het Drukhuis werd een centrum van typografisch engagement, een leerschool voor amateurs; er werden tentoonstellingen gehouden en groepen belangstellenden ontvangen. Er werd ook gedrukt, bibliofiele uitgaven, grafisch werk, plano’s en gelegenheidsdrukwerk. Het aantal cursisten per jaar steeg tot zo’n honderdvijfenzeventig.

Daarnaast wilde Het Drukhuis een levend museum voor de typografie worden, een instelling die zich bij de ondergang van de traditionele typografie in lood en in hoogdruk inspande om te bewaren wat er nog te bewaren viel. Onder wetenschappelijke begeleiding van Frans Janssen verrees een replica van een zeventiende-eeuwse houten handpers, die in 1980 in gebruik kon worden genomen (thans bij de Leerstoelgroep Boekwetenschap aan de Universiteit van Amsterdam). Eind van dat jaar moest Het Drukhuis zijn deuren sluiten.

De invloed die Het Drukhuis, vooral door het onvermoeibare enthousiasme van Frans de Jong, heeft uitgeoefend op een grote groep van grafische en typografische jonge kunstenaars en amateurs kan niet gemakkelijk worden overschat. Veel van de ideeën van de jonge drukkers in de marge van de jaren zeventig toen het genre een onstuimige groei beleefde, vinden hun oorsprong in waar Het Drukhuis voor stond.

Naast Het Drukhuis op de Herengracht opende Ulises Carrión in 1975 zijn Other books and So, een boekwinkel van andere-boeken, niet-boeken, anti-boeken, pseudo-boeken, kwasi-boeken enzovoort, internationaal georiënteerd op de ‘Minipresse’, maar waar ook private press-uitgaven van de Tuinwijk-Carlinapers, van Ger Kleis en Thomas Gravemaker werden verkocht.

Frans de Jong ging verder zijn eigen weg en vervaardigde in de loop van de jaren een indrukwekkend grafisch en typografisch oeuvre met een volstrekt uniek karakter. Kenmerkend voor zijn werk zijn het gebruik van allerlei verschillende materialen, van schuimrubber en baksteen tot groente, een schier oneindig aantal drukgangen om een ongeëvenaard kleurenpatroon te krijgen, de toepassing van diverse technieken zoals sjabloondruk en irisdruk die een schitterend kleurverloop laten zien, en – waar het gaat om zijn drijfveren – een groot engagement met zijn stad Amsterdam, een hoog ontwikkeld vrijheidsideaal uitgedrukt in creativiteit, en een inspirerende humor: de meesterdrukker als een gedreven kunstenaar. Het onregelmatig verschijnend periodiek De laatste schreeuw vormt één van de hoogtepunten.

Drukhuis Herengracht 229.Amsterdam, Drukhuis, circa 1973, p. ‘Lijnen van het drukhuis’. MM: pp ned Drukhuis z.j.004. (MM)

Drukhuis Herengracht 229. Amsterdam, Drukhuis, circa 1973, p. ‘Lijnen van het drukhuis’. MM: pp ned Drukhuis z.j.004. (MM)

Drukhuis Herengracht 229. Amsterdam, Drukhuis, circa 1973, p. ‘vette Atlas 28 punt’. MM: pp ned Drukhuis z.j.004. (MM)

Drukhuis Herengracht 229. Amsterdam, Drukhuis, circa 1973, p. ‘vette Atlas 28 punt’. MM: pp ned Drukhuis z.j.004. (MM)

Drukhuis Herengracht 229. Amsterdam, Drukhuis, circa 1973, p. ‘Tartaar vet 40’. MM: pp ned Drukhuis z.j.004. (MM)

Drukhuis Herengracht 229. Amsterdam, Drukhuis, circa 1973, p. ‘Tartaar vet 40’. MM: pp ned Drukhuis z.j.004. (MM)

Drukhuis Herengracht 229. Amsterdam, Drukhuis, circa 1973, p. ‘randen en ornamenten’. MM: pp ned Drukhuis z.j.004. (MM)

Drukhuis Herengracht 229. Amsterdam, Drukhuis, circa 1973, p. ‘randen en ornamenten’. MM: pp ned Drukhuis z.j.004. (MM)

Frans de Jong,Waf. Blafoefening.Amsterdam, Frans de Jong, 1966, p. 21. MM: pp ned Jong 1966.01. (MM)

Frans de Jong,Waf. Blafoefening. Amsterdam, Frans de Jong, 1966, p. 2-3. MM: pp ned Jong 1966.01. (MM)

Frans de Jong,Waf. Blafoefening.Amsterdam, Frans de Jong, 1966, p. 21. MM: pp ned Jong 1966.01. (MM)

Frans de Jong, Waf. Blafoefening. Amsterdam, Frans de Jong, 1966, p. 21. MM: pp ned Jong 1966.01. (MM)

Frans de Jong,Prentenboek. Amsterdam, Frans de Jong, 1997. MM: pp ned Jong 1997.01. (KB: JU)

Frans de Jong,Prentenboek. Amsterdam, Frans de Jong, 1997. MM: pp ned Jong 1997.01. (KB: JU)

Frans de Jong,De laatste schreeuw,1. Amsterdam, Frans de Jong, 1990, omslag. MM: pp ned Jong 1990.02. (KB: JU)

Frans de Jong, De laatste schreeuw,1. Amsterdam, Frans de Jong, 1990, omslag. MM: pp ned Jong 1990.02. (KB: JU)

Frans de Jong,De laatste schreeuw, 7. Amsterdam, Frans de Jong, 1994. MM: pp ned Jong 1994.02. (KB: JU)

Frans de Jong, De laatste schreeuw, 7. Amsterdam, Frans de Jong, 1994. MM: pp ned Jong 1994.02. (KB: JU)

Frans de Jong,De laatste schreeuw, 10. Amsterdam, Frans de Jong, 2003. MM: pp ned Jong 2003.01. (KB: JU)

Frans de Jong, De laatste schreeuw, 10. Amsterdam, Frans de Jong, 2003. MM: pp ned Jong 2003.01. (KB: JU)

De Zondagsdrukker(s) en Jaap Meijer

De Zondagsdrukker(s)

Een van de bekendste figuren uit de boekenwereld in deze periode is Reinold Kuipers. Als jong typograaf en reclameschrijver kwam hij in de jaren dertig vanuit Groningen (waar hij onder meer contact had met Werkman) naar Amsterdam. Daar werd hij ook de secretaris van het Nederlandsch Verbond van Boekenvrienden en de redacteur van het Verbondstijdschrift Imp.(1940-1942) waarvoor hij regelmatig bijdragen over typografische vormgeving schreef. Hij werkte mee aan een verzetsblad, maakte enkele rijmprenten voor het verzet, drukte drie eigen dichtbundels onder het imprint De Boekvink, verrichtte hand- en spandiensten voor De Vijf Ponden Pers en was betrokken bij een aantal clandestiene uitgeverijtjes.

Na de oorlog werd hij directeur van uitgeverij De Arbeiderspers die onder zijn leiding een van de meest toonaangevende literaire uitgeverijen in Nederland zou worden. In 1960 stapte hij over naar uitgeverij Querido waar zijn vrouw Tine van Buul mededirecteur was. Door hem werd niet alleen het prestigieuze literaire fonds van Querido aanzienlijk vergroot, maar ook de aandacht voor typografische vormgeving.

Geïnspireerd door The Dolmen Press van Liam Miller in Dublin waar hij in 1953 op bezoek was, begon Kuipers zelf met een private press. In de drukkerij van de Gebroeders Jesse zette en drukte hij samen met Simon Carmiggelt in 1954 het eerste boekje van De Zondagsdrukkers, een dichtbundeltje van hen beiden, Twin set geheten. In 1955 volgde Simon Carmiggelts Duiven melken en Ab Vissers Recitatief.

In 1965 kocht Kuipers een eigen pers; hij zette zelf maar liet de eerste tijd nog drukken bij Jesse, zoals Het strikken van een das van J. Bernlef. Toen Carmiggelt geen tijd meer had om mee te werken, werd het De Zondagsdrukker zonder -s, maar door zijn eigen drukke werkzaamheden was de productie niet hoog. Na zijn pensionering bij Querido in 1979 veranderde dat. Er verschenen jaarlijks twee uitgaven, hij drukte plano’s en plaquettes, allerlei literair werk, dat misschien anders niet zou zijn verschenen. In de jaren tachtig kreeg hij assistentie van Jaap Meijer en keerde de -s weer terug.

Jaap Meijer

Jaap Meijer had in de loop van 1972 gastvrijheid gekregen in de drukkerij van Jesse en in december 1972 kwam zijn eerste boekje uit: Paul van Ostaijens Zelfbiografie. In 1976 werd Jesse opgeheven, de bibliografie van Jaap Meijer telde toen 55 nummers. In 1985 waren dat er 100. Zijn de boeken niet altijd hoogstandjes van typografie, Meijer had een uiterst fijnzinnig gevoel voor de tekstkeuze.

Ab Visser,Recitatief. Amsterdam, Zondagsdrukkers, 1955, p. 8-9. MM: pp ned Zondagsdrukker 1955.01. (MM)

Ab Visser, Recitatief. Amsterdam, Zondagsdrukkers, 1955, p. 8-9. MM: pp ned Zondagsdrukker 1955.01. (MM)

Ab Visser,Recitatief. Amsterdam, Zondagsdrukkers, 1955, colofon, met opdracht van Ab Visser aan Miep Diekman. MM: pp ned Zondagsdrukker 1955.01. (MM)

Ab Visser, Recitatief. Amsterdam, Zondagsdrukkers, 1955, colofon, met opdracht van Ab Visser aan Miep Diekman. MM: pp ned Zondagsdrukker 1955.01. (MM)

S. Carmiggelt,Bezoek. Amstelveen, Zondagsdrukkers, 1981, niet opengesneden exemplaar. MM: pp ned Zondagsdrukker 1981.04. (KB: JU)

S. Carmiggelt, Bezoek. Amstelveen, Zondagsdrukkers, 1981, niet opengesneden exemplaar. MM: pp ned Zondagsdrukker 1981.04. (KB: JU)

Renildis Handpers en Eenhoorn Pers

Renildis Handpers

In 1951 kocht de jonge leraar Nederlands Maurice Laudy in Utrecht samen met zijn vriendin Diet van Dullemen voor ƒ. 70,- een Albion handpers. Een jaar later schaften ze letters aan, vijf kilo tienpunts Grotius en drie kilo tienpunts Garamont halfvet. Er volgde wat gelegenheidsdrukwerk. In 1955 trouwden zij en gingen wonen in het pand Achter de Dom 26 waar op de zolder de drukkerij werd ingericht. Al in 1953 werd in het tweede boekje van de pers de naam Renildis Handpers genoemd, maar de eerste officiële uitgave met die persnaam verscheen in 1957: Maastrichtse suite voor Fernand Lodewick, door Pierre Kemp. Vanaf deze uitgave heeft Laudy de boeken van De Renildis Handpers voorzien van een volgnummer. Het colofon van het laatste gedrukte boek, Binnenhuis van Karel van de Woestijne uit 1995 vermeldt: ‘Dit is het 76-ste boek van De Renildis Handpers Achter de Dom’.

De oplage van de boeken bestaat uit maximaal 32 en minimaal twee exemplaren. Maar liefst 24 van de 76 boeken zijn zogenaamde hapax-drukken, boeken gedrukt voor een speciale gelegenheid, in één exemplaar, bestemd voor en op naam gedrukt van een bepaald persoon, met daarnaast één overdruk voor de drukker. In de loop van de jaren werd regelmatig meer lettermateriaal gekocht zodat Laudy uiteindelijk kon beschikken over 33 verschillende lettertypen. In de periode tot de jaren zeventig drukte hij vooral moderne literaire teksten en van de twintig boeken tot 1970 waren er drie van Pierre Kemp, vier van J.H. Leopold en zes van Kees Rood. De jaren daarna koos hij meer en meer voor religieuze teksten uit de Middeleeuwen en de zestiende eeuw.

Eenhoorn Pers

Een andere pers die geheel op zichzelf lijkt te staan en zuiver uit liefhebberij leek te werken was de Eenhoorn Pers van Ir. C.J. (Karel) Asselbergs. Hij was directeur van de Bredase suikerfabriek en een groot verzamelaar van ex-libris en van grafiek, en een actief lid van de Stichting De Roos. Zijn Eenhoorn Pers, die begon in 1944 en ongeveer tien jaar werkzaam bleef, bracht gemiddeld per jaar één à twee publicaties voort, een niet omvangrijke maar kwalitatief hoogstaande productie. In 1949 en 1951 liet hij zijn nieuwjaarswensen in hout graveren door de later wereldberoemd geworden Escher.

Uit een vijftiende-eeuws Zuid-Nederlands liedboekje. Utrecht, De Renildis Handpers, 1984, MM: pp ned Renildis 1984.01. (KB: JU)

Uit een vijftiende-eeuws Zuid-Nederlands liedboekje. Utrecht, De Renildis Handpers, 1984, MM: pp ned Renildis 1984.01. (KB: JU)

Dirk van Gelder,Drie houtgravures: De morgen, De middag, De avond. Breda, Eenhoorn pers, 1950. MM: pp ned Eenhoorn 1950.01. (MM)

Dirk van Gelder, Drie houtgravures: De morgen, De middag, De avond. Breda, Eenhoorn pers, 1950. MM: pp ned Eenhoorn 1950.01. (MM)

Tuinwijkpers en Carlinapers

Tuinwijkpers

In 1955 plaatste de graficus Sem Hartz, die werkzaam was bij onder meer Joh. Enschedé in Haarlem, in de kelder van zijn toenmalige woning aan de Tuinwijklaan 22 in Haarlem een ongeveer honderd jaar oude kniehevelpers. In 1957 verscheen de eerste uitgave van de Tuinwijkpers, Drie anonieme liedjes. De samenwerking vanaf 1964 met Cees van Dijk, directeur van de Stadsbibliotheek in Haarlem, luidde een vruchtbare periode in. Toen het compagnonschap in 1972 werd ontbonden, was een twintigtal uitgaven verschenen. Zij onderscheiden zich door groot typografisch vakmanschap. Geheel in de traditie van de oudste ‘private presses’ beschikte Sem Hartz over een eigen lettertype, de Emergo die hij in 1949 oorspronkelijk had ontworpen voor Enschedé, maar die daar niet in gebruik was genomen (thans in het bezit van Jan Keijser, Woubrugge).

Carlinapers

Cees van Dijk stichtte in 1972 de Carlinapers die actief bleef tot 1985. Er verscheen een groot aantal uitgaven, deels in klassieke typografie, deels experimenteel door een bijzondere verwerking van typografische elementen. In 1983 verhuisde hij van Haarlem naar Oosterhesselen in Drenthe. Daar werkte hij gedurende een jaar of vijf met een elektronische schrijfmachine en publiceerde circa veertig uitgaafjes met het impressum Agri Montis Pers (Bergakkers, de plek van vestiging). Later met de computer en de laserprinter werd het De Klencke Pers, sedert 2001 vanuit Emmen.

Zo verschenen meer dan honderd boeken en boekjes in oplagen van enkele tientallen exemplaren. Soms in reeksen als De Kwartel-reeks, de Lettersnider-reeks, Lesturgeon-reeks, Winckeldochters, Petits-paquets, ieder met een eigen karakter, en sinds 1997 ook als onregelmatig verschijnend tijdschrift Aold neis.

Sinds zijn vestiging in Drenthe wordt Van Dijk onder de Nederlandse private press-drukkers wel beschouwd als de incunabeldrukker van het computertijdperk. In zijn fonds zijn literatuur, boekgeschiedenis en typografie de favoriete onderwerpen, en vanaf 1983 ook de Drentse literatuur. (KT/CdW)

Saul van Messel, Bruid waar blijft je mond. Een bundel priapeeën. Haarlem, De Tuinwijkpers, 1969, p. 17 (detail). MM: pp ned Tuinwijkpers 1969.03. (KB: JU)

Saul van Messel, Bruid waar blijft je mond. Een bundel priapeeën. Haarlem, De Tuinwijkpers, 1969, p. 17 (detail). MM: pp ned Tuinwijkpers 1969.03. (KB: JU)

Cornelis Bellaert,The sinner and God’s hand.Haarlem, Carlinapers, 1980, p. 13. MM: pp ned Carlinapers 1980.02. (MM)

Cornelis Bellaert, The sinner and God’s hand. Haarlem, Carlinapers, 1980, p. 13. MM: pp ned Carlinapers 1980.02. (MM)

P.N. van Eyck,De tuinman en de dood.Oosterhesselen, Carlinapers, 1984, drukkersmerk (colofon). MM: pp ned Carlinapers 1984.02. (MM)

P.N. van Eyck, De tuinman en de dood. Oosterhesselen, Carlinapers, 1984, drukkersmerk (colofon). MM: pp ned Carlinapers 1984.02. (MM)

Eliance Pers en Green Escape Press

Eliance Pers

Eén van de fraaiste persen uit de jaren zeventig is de Eliance Pers van Peter Muller in Zandvoort. Hij was als drukker/uitgever actief van 1968-1980. De eerste vijf jaar drukte hij zelf op de handpers, daarna liet hij de meeste uitgaven volgens zijn aanwijzingen drukken bij professionele drukkerijen, onder meer bij Enschedé in Haarlem. Interessante teksten van belangrijke auteurs en fraaie typografische vormgeving kenmerken de boeken. De oplagen bedroegen meestal tussen de 12 en 125 exemplaren en in totaal verschenen er 49 titels waarvan 30 in de Eliance reeks en 8 in de serie Erotisch panopticum.

Green Escape Press

Naast zijn praktijk als notaris in Houten begon Henk van Otterloo een tweede leven als margedrukker en later ook als antiquaar. De eerste uitgave van zijn Green Escape Press verscheen in 1974 en behelsde een gedicht over het huis van Anne Frank door Gerard Previn Meyer. De naam van de pers is ontleend aan die van het huis van de Amerikaanse dichter Christopher Morley (1890-1957).

De meeste uitgaven van de pers richten zich op de Engelstalige literatuur. De oplagen variëren van 35 tot circa 100 exemplaren. Samen met de surrealistische schilder J.H. Moesman (1909-1988) maakte Van Otterloo tussen 1976 en 1982 Het echte Oud-Hollandse ornaprentenboek. Het eigenlijke boek bestaat uit negen prenten, waarvoor het zetsel is opgebouwd uit tientallen ornamenten en stukken uit de blikvangerskast. Dat zetwerk werd gedaan door Moesman in het drukkersatelier van Van Otterloo. Moesman gebruikte hiervoor een oud pseudoniem: Ton van Zuilen. Het zetsel voor het Ornaprentenboek bleef bewaard en werd in 2006 geschonken aan Museum Meermanno. Het boek verscheen in een oplage van 100 exemplaren.

Willem Frederik Hermans,Machines in bikini. Zandvoort, Eliance Pers, 1974, p. 5. MM: pp ned Eliance 1974.04. (MM)

Willem Frederik Hermans, Machines in bikini. Zandvoort, Eliance Pers, 1974, p. 5. MM: pp ned Eliance 1974.04. (MM)

E. du Perron,De koning en zijn min. Eroties gedicht in veertien zangen. Amsterdam, Eliance Pers, 1980; Cesar Bombay, Kloof tegen cylinder. Amsterdam, Eliance Pers, 1980. MM: pp ned Eliance 1980.01. (KB: JU)

E. du Perron, De koning en zijn min. Eroties gedicht in veertien zangen. Amsterdam, Eliance Pers, 1980; Cesar Bombay, Kloof tegen cylinder. Amsterdam, Eliance Pers, 1980. MM: pp ned Eliance 1980.01. (KB: JU)

Het echte Oud-Hollandse ornaprentenboek. Houten, Green Escape Press, 1982, voorzijde omslag.

Het echte Oud-Hollandse ornaprentenboek. Houten, Green Escape Press, 1982, voorzijde omslag.

Het echte Oud-Hollandse ornaprentenboek. Houten, Green Escape Press, 1982, titelpagina.

Het echte Oud-Hollandse ornaprentenboek. Houten, Green Escape Press, 1982, titelpagina.

Het echte Oud-Hollandse ornaprentenboek. Houten, Green Escape Press, 1982, colofon.

Het echte Oud-Hollandse ornaprentenboek. Houten, Green Escape Press, 1982, colofon.

Het echte Oud-Hollandse ornaprentenboek. Houten, Green Escape Press, 1982, oorspronkelijk zetsel voor p. [3]. MM: GV 3063. (MM)

Het echte Oud-Hollandse ornaprentenboek. Houten, Green Escape Press, 1982, oorspronkelijk zetsel voor p. [3]. MM: GV 3063. (MM)

Het echte Oud-Hollandse ornaprentenboek. Houten, Green Escape Press, 1982, oorspronkelijk zetsel voor p. [4]. MM: GV 3063. (MM)

Het echte Oud-Hollandse ornaprentenboek. Houten, Green Escape Press, 1982, oorspronkelijk zetsel voor p. [4]. MM: GV 3063. (MM)

Het echte Oud-Hollandse ornaprentenboek. Houten, Green Escape Press, 1982, oorspronkelijk zetsel voor p. [5]. MM: GV 3063. (MM)

Het echte Oud-Hollandse ornaprentenboek. Houten, Green Escape Press, 1982, oorspronkelijk zetsel voor p. [5]. MM: GV 3063. (MM)

Het echte Oud-Hollandse ornaprentenboek. Houten, Green Escape Press, 1982, oorspronkelijk zetsel voor p. [6]. MM: GV 3063. (MM)

Het echte Oud-Hollandse ornaprentenboek. Houten, Green Escape Press, 1982, oorspronkelijk zetsel voor p. [6]. MM: GV 3063. (MM)

Het echte Oud-Hollandse ornaprentenboek.Houten, Green Escape Press, 1982, oorspronkelijk zetsel voor p. [7]. MM: GV 3063. (MM)

Het echte Oud-Hollandse ornaprentenboek. Houten, Green Escape Press, 1982, oorspronkelijk zetsel voor p. [7]. MM: GV 3063. (MM)

Het echte Oud-Hollandse ornaprentenboek. Houten, Green Escape Press, 1982, oorspronkelijk zetsel voor p. [8]. MM: GV 3063. (MM)

Het echte Oud-Hollandse ornaprentenboek. Houten, Green Escape Press, 1982, oorspronkelijk zetsel voor p. [8]. MM: GV 3063. (MM)

Vanaf de jaren zeventig (1)

Onder de bijna twintig persen die in de jaren zestig en zeventig begonnen, is een groot aantal dat opvallend hoogstaand grafisch en typografisch werk heeft vervaardigd en een hoge productie maakte. Daarmee kregen zij ook grote invloed op de generatie na hen en hebben zij voor een groot deel het niveau van ‘de private press’ in Nederland bepaald.

Stichting Drukwerk in de Marge

In 2010 is het 35 jaar geleden dat de Stichting Drukwerk in de Marge werd opgericht. Op de regenachtige zaterdagmiddag van 22 maart 1975 vond in de Rotterdamse Kunstenaarssociëteit de oprichtingsvergadering plaats, in aanwezigheid van ongeveer 45 belangstellenden, afkomstig uit de kringen van de ‘zondagsdrukkers’, marginale uitgevers en kleine literaire tijdschriften. Ernst Braches, de toenmalige conservator van Museum Meermanno en een van de initiatiefnemers, beschreef in de bundel ter gelegenheid van het tienjarig bestaan uitvoerig en met veel verve de voorafgaande periode, de oprichting en de eerste tien jaar. Het eerste stichtingsbestuur bestond uit Emile Puettmann, Gerrit Jan de Rook, Ronald Breugelmans, Jana Beranová, Frans de Jong, Jan Keijser, Bas Lubberhuizen, Frans Mink en Klaas Woudt.

De stichting manifesteerde zich al snel in mei van hetzelfde jaar met een stand op de boekenmarkt op het Museumplein in Amsterdam, en in juni op het Poetry International Festival in Rotterdam. De oprichters omschreven de doelstellingen als het bevorderen van het contact tussen kleine drukkers en uitgevers onderling, het bespreken van problemen met bijvoorbeeld distributie van de uitgaven, het uitwisselen van kennis en materialen, en het organiseren van tentoonstellingen en verkoopexposities.

Opvallend is, dat de oorsprong van de stichting nauw verbonden was met de zogenaamde Minipresse-beweging die in Nederland vooral opereerde in de vorm van kleine politiek-geëngageerde of literair-georiënteerde uitgeverijtjes en (semi-) ondergrondse tijdschriftjes. Zij hadden vóór de oprichting al een eigen circuit, onder meer rond Poetry International en in Paradiso, en toen de activiteiten van de stichting zich na de oprichting meer en meer gingen toespitsen op de drukkers in het gezelschap, versterkten zij verder hun eigen kring. Inmiddels is het al jarenlang zo dat in november in de Pieterskerk in Leiden de Boekkunstbeurs wordt gehouden, en in december in Paradiso in Amsterdam de beurs van de kleine uitgevers.

Communicatie met de contribuanten vindt plaats via eenmaal per kwartaal verschijnende Nieuwsbrieven, en voor artikelen van langere adem werd het Bulletin in het leven geroepen, dat in principe jaarlijks zou verschijnen. Die frequentie bleek in de praktijk niet te handhaven. Daarnaast werd de uitvoering hoe langer hoe prestigieuzer, waardoor het beslag op de financiële middelen te groot werd. Na het verschijnen van Bulletin 23/24, ‘Hollandse hoogte’, in 1997 werd de uitgave gestaakt. Om dit gemis op te vangen onderging met ingang van nr. 101 de Nieuwsbrief een ingrijpende gedaantewisseling; een in offset uitgevoerd cahier op A5-formaat. Daarnaast worden de contribuanten jaarlijks verrast met een aantrekkelijke Koppermaandagprent.

De stichting groeide snel en anno 2010 telt zij niet minder dan 560 contribuanten van wie er circa 175 actief als drukker, veelal in hoogdruk, bezig zijn. Het ontstaan van de stichting en vooral de snelle groei van het aantal donateurs werden mede veroorzaakt door de technische vernieuwingen in het grafisch bedrijf waarbij het lood werd vervangen door film, en er veel letter beschikbaar kwam. Het bestuur ontplooide door de jaren heen een groot aantal activiteiten. Ook afzonderlijke leden/donateurs waren al gauw bereid de handen uit de mouwen te steken en zo ontwikkelde zich onder de deelnemers een saamhorigheidsgevoel dat zich uitte in allerlei samenwerkingsprojecten.

Het tienjarig bestaan in 1985 werd gevierd met een dubbeltentoonstelling in Museum Meermanno en in de Koninklijke Bibliotheek, en met de publicatie Drukkers in de Marge, waarin 61 op dat moment actieve drukkers de revue passeerden. Bij het twintigjarig bestaan volgde een tentoonstelling in het Zeeuws Museum en het project Woordendoos waaraan dertig drukkers meewerkten, die zich in de publicatie Pastei en hoerenjong presenteerden en door Alexandra Verburg zijn gefotografeerd. Het vijfentwintigjarig bestaan in 2000 werd opgeluisterd met een tentoonstelling in de Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten in Den Haag en met de verschijning van het boek Lood en oud ijzer. Dit keer presenteerden zich 117 persen in woord en beeld, een onmiskenbaar teken van de groeiende belangstelling voor het zetten en drukken en het plezier van het boeken maken.

Drukkers in de marge, 1 april 1995, Uitgeverij De Buitenkant, Amsterdam. Ansichtkaart. Particuliere collectie. (MM)

Drukkers in de marge, 1 april 1995, Uitgeverij De Buitenkant, Amsterdam. Ansichtkaart. Particuliere collectie. (MM)

Drukkers in de marge, 20 april 1996, Uitgeverij De Buitenkant, Amsterdam. Ansichtkaart. Particuliere collectie. (MM)

Drukkers in de marge, 20 april 1996, Uitgeverij De Buitenkant, Amsterdam. Ansichtkaart. Particuliere collectie. (MM)

Drukkers in de marge, 19 april 1997, Uitgeverij De Buitenkant, Amsterdam. Ansichtkaart. Particuliere collectie. (MM)

Drukkers in de marge, 19 april 1997, Uitgeverij De Buitenkant, Amsterdam. Ansichtkaart. Particuliere collectie. (MM)

Vanaf de jaren zeventig (2)

Toen in 1985 aan de ruim 60 actieve drukkers in de marge werd gevraagd wat hun beweegredenen waren, kwamen de meeste antwoorden neer op: voor mijn plezier, maar ook: om mijn ideeën te kunnen verspreiden, om mooie grafiek te verspreiden, om een oud ambacht in stand te houden, uit liefde voor de techniek. Ook nu zal dat niet veel anders zijn.

Typering

De ruim 140 actieve drukkers in de marge in het laatste kwart van de vorige eeuw laten zich, net als in de periode daarvoor, wat hun achtergrond betreft ruwweg in twee groepen verdelen. De ene is die van de typografisch geïnteresseerden, zij werken met letters en krijgen hun inspiratie uit de tekst; de andere is die van de grafische kunstenaars, zij werken met kleur en vinden hun inspiratie in het beeld. Verder valt er niet zo veel van te zeggen. Het blijft uiteindelijk een liefhebberij, het is geen broodwinning maar een hobby die met meer of minder overgave wordt uitgeoefend in kelders, schuren, op zolders en soms tot in de huiskamer. Sommige persen produceren tien of meer boeken en boekjes per jaar, andere doen meer dan een jaar over één boek; soms ligt een pers tijdenlang stil, dan weer bloeit hij op door nieuw materiaal, nieuwe inspiratie of de komst van een nieuwe partner. Met een nadere precisering zijn er vier categorieën te onderscheiden.

Er is een groep drukkers die beroepsmatig ervaring en belangstelling hebben, doordat zij werkzaam zijn (of zijn geweest) als typograaf of als ontwerper, of, breder, in het grafisch en boekbedrijf. Het oudste voorbeeld hiervan is De Zondagsdrukker Reinold Kuipers, maar ook de Spectatorpers van Bram de Does, de Presse d’Escargot van Roel van Dijk, de Blauwe Maandagpers van Huib van Krimpen, de Regulierenpers van Ben Hosman, de Veerpers van Rob Cox, de drukwerkplaats van Ewald Spieker en De vergulde maatlat/Treemapers van Karel Treebus zijn opgezet door mensen die grote ervaring hebben in het grafisch bedrijf. Zij hoeven het vak niet te leren, drukken voor hun plezier maar stellen meestal hoge eisen aan het eindresultaat.

Dan is er een groep van kunstenaars die ook met regelmaat aan de drukpers staat om grafiek met tekst, of boeken met oorspronkelijke grafiek te maken. Eén van de eersten was Emile Puettmann met de Slofpers, weldra gevolgd door Frans de Jong en René Treumann, maar ook Peter Yvon de Vries (De Lange Afstand) , Eric van der Wal, Dick Berendes-typografiek , Peter Lazarov (Pepel Press), Typique, Weerdruk en vele anderen die in grafische werkplaatsen bezig zijn, kunnen hiertoe gerekend worden. Ook zij weten meestal hoe zij met machines en materialen moeten omgaan en zij gebruiken die op creatieve wijze.

Een andere categorie vormen de drukkers die allereerst plezier hebben in het werken met letters en zich vooral laten inspireren door teksten en literatuur. Zij willen teksten van zichzelf of van anderen verspreiden op hun eigen manier en in een door henzelf gekozen vorm. Zij werken meestal uitsluitend in hoogdruk, hebben één of soms enkele persen en een paar bokken, en drukken oplagen van 20 à 100 exemplaren voor een min of meer vaste kring van afnemers. Vaak hebben zij het vak met vallen en opstaan geleerd, met meekijken en meedoen bij anderen of in een cursus. Zij zoeken ook zelf illustraties bij de tekst, die soms door een kunstenaar worden vervaardigd, soms door henzelf. Een van de eerste en zeker de bekendste pers is de Avalon Pers van Jan Keijser. Andere voorbeelden zijn De Ammoniet, Augustijn Pers, Breukenpers, Bucheliuspers, Eikeldoorpers, Hein Elferink, Enkidupers, Hester Verkruissen, Kalamospers, Klaproos, de Lojen Deur pers, Mercator Press, Mikado Pers , Pastei, Pers No. 14, Triona Pers en De Uitvreter.

Dicht tegen deze categorie aan ligt een groep drukkers die werkt in de traditie van de oorspronkelijke private press en streeft naar een boek waarin een met zorg gekozen tekst samen gaat met klassieke (of juist experimentele) typografie, op fraai papier, eventueel met illustraties in bijzondere technieken door beeldend kunstenaars, waarbij een deel van de oplage kostbaar werd gebonden. Ook zij hebben zich het vak meestal zelf eigen gemaakt, werken vaak alleen in hoogdruk en laten dan het drukken van de illustraties door de kunstenaar zelf doen. De bekendste hiervan is Sub Signo Libelli van Ger Kleis, maar ook de Atalanta Pers van René en Tineke Bakker, In de Bonnefant van Hans van Eijk, de Statenhofpers van Jaap Schipper en (de Tuinpers van) Ser J.L. Prop horen hiertoe.

Overigens moet deze typering niet al te absoluut worden opgevat. Dikwijls lopen de categorieën door elkaar en zal een pers zich nu eens van een speelse en luchtige en dan weer van een hoogst klassieke en perfecte kant laten zien. En dat het spelen met letters in hoge perfectie kan worden beoefend laten bijvoorbeeld Marlies Louwes en Hester Verkruissen zien. Maar ook een totaal andere invalshoek is goed te verdedigen. Zo zouden wij De Klaproos, De Zwaluw, De Eikeldoorpers en De Pepel Press kunnen scharen onder de noemer kunstenaars die de drukpers op gelukkige wijze combineren met hun prentwerk. (KT/CdW)

Bram de Does,Kaba ornament. Deel I, Vorm. Orvelte, Spectatorpers, 2002, p. 38-39. MM: pp ned Spectator 2002.01. (KB: JU)

Bram de Does,Kaba ornament. Deel I, Vorm. Orvelte, Spectatorpers, 2002, p. 38-39. MM: pp ned Spectator 2002.01. (KB: JU)

Bram de Does,Kaba ornament. Deel I, Vorm. Orvelte, Spectatorpers, 2002, p. 40-41. MM: pp ned Spectator 2002.01. (KB: JU)

Bram de Does, Kaba ornament. Deel I, Vorm. Orvelte, Spectatorpers, 2002, p. 40-41. MM: pp ned Spectator 2002.01. (KB: JU)

Bram de Does,Kaba ornament. Deel I, Vorm. Orvelte, Spectatorpers, 2002, boekband. MM: pp ned Spectator 2002.01. (KB: JU)

Bram de Does, Kaba ornament. Deel I, Vorm. Orvelte, Spectatorpers, 2002, boekband. MM: pp ned Spectator 2002.01. (KB: JU)

ABC, schrift en alfabet. Tweede oplage. Berkel en Rodenrijs, De vergulde maatlat, Treemapers, 1984, p. 8-9. MM: pp ned Treemapers 1984.03. (MM)

ABC, schrift en alfabet. Tweede oplage. Berkel en Rodenrijs, De vergulde maatlat, Treemapers, 1984, p. 8-9. MM: pp ned Treemapers 1984.03. (MM)

Jana Beranová,Ars erotica.Prenten van Emile Puettmann. Rotterdam, De Slofpers, 1985. MM: pp ned Slofpers 1985.03. (MM)

Jana Beranová, Ars erotica. Prenten van Emile Puettmann. Rotterdam, De Slofpers, 1985. MM: pp ned Slofpers 1985.03. (MM)

Hella S. Haasse,Yvonne de spionne en andere cabaretteksten.Eefde, De Lange Afstand, 2000, p. 12-13. MM: pp ned Lange Afstand 2000.02. (MM)

Hella S. Haasse, Yvonne de spionne en andere cabaretteksten. Eefde, De Lange Afstand, 2000, p. 12-13. MM: pp ned Lange Afstand 2000.02. (MM)

Cees Visser,Verstild. Gedichten.Typografiek door Dick Berendes. Heerhugowaard, Dick Berendes, 2005, p. 14-15. MM: Obj. 1191. (MM)

Cees Visser, Verstild. Gedichten. Typografiek door Dick Berendes. Heerhugowaard, Dick Berendes, 2005, p. 14-15. MM: Obj. 1191. (MM)

Peter Lazarov,Shoji. Groningen, Pepel Press, 2004. MM: pp ned Pepel Press 2004.03. (KB: JU)

Peter Lazarov, Shoji. Groningen, Pepel Press, 2004. MM: pp ned Pepel Press 2004.03. (KB: JU)

Peter Lazarov,Shoji. Groningen, Pepel Press, 2004. MM: pp ned Pepel Press 2004.03. (KB: JU)

Peter Lazarov, Shoji. Groningen, Pepel Press, 2004. MM: pp ned Pepel Press 2004.03. (KB: JU)

Gerard Post van der Molen, Omdat het mooier is.Leiden, De Ammoniet, 1999, p. 4-5. MM: pp ned Herinnering 01. (MM)

Gerard Post van der Molen, Omdat het mooier is. Leiden, De Ammoniet, 1999, p. 4-5. MM: pp ned Herinnering 01. (MM)

Gerard Post van der Molen,Omdat het mooier is.Leiden, De Ammoniet, 1999, drukkersmerk (titelpagina). MM: pp ned Herinnering 01. (MM)

Gerard Post van der Molen, Omdat het mooier is. Leiden, De Ammoniet, 1999, drukkersmerk (titelpagina). MM: pp ned Herinnering 01. (MM)

Alberto Moravia, Zou het waar zijn, zou het niet waar zijn? Den Haag, Mikado Pers, 2000, vooromslag. MM: pp ned Zoo’n uitvreter toch! 03. (MM)

Alberto Moravia, Zou het waar zijn, zou het niet waar zijn? Den Haag, Mikado Pers, 2000, vooromslag. MM: pp ned Zoo’n uitvreter toch! 03. (MM)

Jan Sonntag,Dante/Bacon; Dante/Bosch; Bante/Beuys.Amsterdam, Pastei, 2003-2004. MM: pp ned Barbaix 2003.02-03; pp ned Barbaix 2004.01. (KB: JU)

Jan Sonntag, Dante/Bacon; Dante/Bosch; Bante/Beuys.Amsterdam, Pastei, 2003-2004. MM: pp ned Barbaix 2003.02-03; pp ned Barbaix 2004.01. (KB: JU)

Guido Gezelle,De rave. Jacques Hamelink, Dode meeuw.Amsterdam, Pastei, 1988. KB: KW DPA 0073. (KB: JU)

Guido Gezelle,De rave. Jacques Hamelink, Dode meeuw.Amsterdam, Pastei, 1988. KB: KW DPA 0073. (KB: JU)

Lucebert, Acht brieven. Terhorst, Ser J.L. Prop, 2000, titelpagina en frontispice. MM: pp ned Prop 2000.02. (KB: JU)

Lucebert, Acht brieven. Terhorst, Ser J.L. Prop, 2000, titelpagina en frontispice. MM: pp ned Prop 2000.02. (KB: JU)

Leo Vroman, Twaalf psalmen. Terhorst, Tuinpers, 1995, colofon. MM: pp ned Tuinpers 1995.01. (MM)

Leo Vroman, Twaalf psalmen. Terhorst, Tuinpers, 1995, colofon. MM: pp ned Tuinpers 1995.01. (MM)

Willem van Toorn, Les très riches heures.Terhorst, De Tuinpers, 2003, p. 6-7. MM: pp ned Prop 2003.04. (MM)

Willem van Toorn, Les très riches heures. Terhorst, De Tuinpers, 2003, p. 6-7. MM: pp ned Prop 2003.04. (MM)

Tabula Smaragdina oftewel De smaragden tafel. Delft, De Klaproos, 2007. MM: pp ned Klaproos 2007.01. (KB: JU)

Tabula Smaragdina oftewel De smaragden tafel. Delft, De Klaproos, 2007. MM: pp ned Klaproos 2007.01. (KB: JU)

Noor van der Brugge,Sombere honden.Utrecht, Noor van der Brugge, The Yeats Sisters Press, 2007, omslag. MM: Ku 0176. (KB: JU)

Noor van der Brugge, Sombere honden. Utrecht, Noor van der Brugge, The Yeats Sisters Press, 2007, omslag. MM: Ku 0176. (KB: JU)

Vanaf de jaren zeventig (3)

Projecten

Het ontwerpen, zetten, drukken en afwerken van een uitgave is in principe een betrekkelijk eenzame arbeid. Juist daarom misschien is er vanaf 1980 binnen de margewereld een grote schare aan projecten tot stand gekomen. Het meest populair daarbij is de verjaardagsdoos en het is niet toevallig dat twee oude rotten in het vak, Emile Puettmann en Frans de Jong, in 1981 als eersten het genoegen van zo’n cadeau mochten smaken.

Het principe is eenvoudig: enige drukkers uit de directe omgeving van de feesteling laten een uitnodiging uitgaan aan een selecte groep collega’s, stellen een thema vast en geven aanwijzingen over formaat, deadline en oplage. De kosten zijn voor de deelnemers, maar als beloning krijgen zij allemaal een exemplaar van het eindproduct: een doos met losse bijdragen dan wel een boek. Om de dozenmakers en binders te betalen worden er wat extra exemplaren vervaardigd die in de handel komen.

Tot op heden zijn er ongeveer 25 verjaarsprojecten geweest, die stuk voor stuk een lust voor het oog zijn. Dit komt mede doordat de afwerkers juist hiervoor graag hun beste beentje voorzetten. Zo bevat de door Erik Schots vervaardigde overslagdoos van De spiegel op het gemak. Veestschrift aan Ronald Breugelmans aangeboden op zijn vijftigste verjaardag aan de voorzijde een deur die toegang geeft tot een ouderwetse poepdoos, waarin onder de losse deksel nog eens uitbundig de aanleiding tot de uitgave zichtbaar wordt.

Spectaculair ook zijn de door Cor Aerssens vervaardigde dozen. Zo werd Pim Witteveen verrast met een negentiende-eeuwse schrijfcassette en kreeg Marlies Louwes een fraaie ‘vaas met tulpen’ die, als je hem heen en weer schudt, het geluid van rammelende zaadjes laat horen. Ook Frans den Breejen liet zich niet onbetuigd, zoals het naaikistje met een wulpse rode binnenbekleding voor Kees Thomassen bewijst.

Over het algemeen is het bereiken van de vijftigste verjaardag toch wel de minimumeis voor zo’n geschenk, maar er is één uitzondering. Ernst Boissevain van Pers No. 14 beklaagde zich er eens over dat, tegen de tijd dat hij zo oud zou zijn, de meeste drukkers de zethaak al aan de wilgen gehangen zouden hebben. Daarom werd hij op zijn veertigste verblijd met een leuke doos, Plop! of Flop? Overigens beperken de aan één persoon gewijde geschenken zich niet tot verjaardagen; ook het zoveel-jarig bestaan van een pers, het winnen van een prijs of een afzwaaien in de VUT of pensioen kunnen een goede aanleiding vormen.

Nu hebben dit soort projecten een nadeel: je moet ervoor gevraagd worden. Heel anders is dat bijvoorbeeld bij de vijf projecten georganiseerd onder de naam De Blauwe Scheen, waarachter zich Jan Keijser en Hans van Eijk verschuilen. Deelname daaraan stond open voor alle drukkende leden van de Stichting Drukwerk in de Marge. Drie daarvan waren: Een doos die eenmaal open nooit meer dicht (1985), Bladspiegeling (1989) en Minotauromachia (1994).

Het eerste project was Drukken uit 1982. Vijfentwintig drukkers maakten een bonte afwisseling van boekjes gewijd aan – de naam zegt het al – aspecten van het drukken. David Simaleavich van Binderij Phoenix maakte er een in plexiglas gevatte cassette voor die zich als een ‘reisbibliotheek’ in twee delen laat openen. Het meest indrukwekkende project was echter De grote Nederlandse letterproef waarin zestig prozafragmenten van Jacob Israël de Haan bijeengebracht zijn, elk gedrukt in een ander lettertype en in de vorm van een letterproef.

Dit is niet het enige project geweest waarin een bepaalde auteur centraal stond. Zo verzorgde een groep drukkers uit en om Leiden een integrale herdruk van de Snikken en grimlachjes van Piet Paaltjens (uit zijn Leidse studententijd) en werd op instigatie van de Typografentafel uit Groningen een doos vervaardigd ter gelegenheid van de honderdste geboortedag van Hendrik de Vries. Ook verjaarsdozen hebben wel eens een auteur tot thema (Jacobus van Looy, Franz Kafka, Paul van Ostaijen), maar het leukste project op dit gebied is dat van Arjaan van Nimwegen. Het kostte hem vijf jaar lubben en smeken, maar toen kon toch in 1991 De polyglotte melkboer de wereld in: 86 vertalingen, waaronder zelfs een overzetting in brailleschrift, van ‘Immortelle XLIX’ (‘Wel menigmaal zei de melkboer...’) van Piet Paaltjens.

Een wat vreemde eend in de bijt is het DDV-project. Hierbij stond niet een auteur, maar een functie centraal, namelijk die van dichter des vaderlands. De opdracht aan de 31 deelnemers was een boekje te maken met werk van een auteur uit het verleden die dit ambt had kunnen bekleden als het in zijn of haar tijd al zou hebben bestaan.

Daarnaast zijn er ook nog groepjes drukkers die wel eens projectmatig met elkaar samenwerken. Bijvoorbeeld ‘Corps 8’ dat tot op heden zeven projecten uitvoerde dan wel entameerde, waaronder een geheel in oude trant vormgegeven Hornbook en het voor alle contribuanten van de Stichting Drukwerk in de Marge gedrukte Het koppermaandag prentenboek, waarvoor 25 drukkers meer dan 550 maal aan hun pers moesten zwengelen. Een ander groepje is verenigd onder de naam ‘De Hanzepersen’, dat tot heden vijf uitgaven, waaronder een vrolijke aan de IJssel gewijde leporello, het licht deed zien.

Er bestaan zelfs eenmansprojecten. Het bekendste is Het ambachtelijk groeiboek van De Ammoniet. Opgezet door Gerard Post van der Molen, en onder redactie van, eerst Bert van Selm, later Paul Hoftijzer, vestigt het Groeiboek de aandacht op tot nu toe onbekende of weinig bekende feiten uit de Nederlandse boekgeschiedenis. De 150 abonnees ontvangen ieder hoofdstuk, dat door een andere boekhistoricus wordt geschreven, zodra het klaar is. Het eerste hoofdstuk, van de hand van Rudi Ekkart, verscheen in 1988. Het is een project van lange adem: van de 25 voorziene hoofdstukken zijn er inmiddels 13 verschenen.

Zelfs internationale samenwerking wordt bij projecten niet geschuwd. Redelijk bescheiden was nog Printing in Oxford & Leiden uit 1990, maar dat kan bepaald niet gezegd worden van de in 2009 verschenen Nederlands-Hongaarse biljetletterproef waarin onder leiding van Ronald Steur veertig drukkers uit beide landen houten letters van soms monsterlijk formaat op feestelijke wijze op papier hebben gezet. De grootte van de letters vergde ook een fors papierformaat; de cassette meet maar liefst 48x33 cm.(KT/CdW)

*Groei en bloei. Een verjaardagsboeket voor Marlies Louwes.*S.l., s.n., 2005

Groei en bloei. Een verjaardagsboeket voor Marlies Louwes.S.l., s.n., 2005. MM: pp ned Groei & bloei 01. (KB: JU)

*Groei en bloei. Een verjaardagsboeket voor Marlies Louwes.*S.l., s.n., 2005.

Groei en bloei. Een verjaardagsboeket voor Marlies Louwes.S.l., s.n., 2005. MM: pp ned Groei & bloei 01. (KB: JU)

*Drukken. Een project van Nederlandse drukkende kunstenaars en amateurs in de drukkunst.*Banholt, In de Bonnefant, 1982.

Drukken. Een project van Nederlandse drukkende kunstenaars en amateurs in de drukkunst.Banholt, In de Bonnefant, 1982. MM: pp ned Blauwe Scheen 1.01. KB: ZD 1982/21. (KB: JU)

*Catten kinderen muisen gaern, en andere spreekwoorden.*S.l., Hanzepersen, 2005,

Catten kinderen muisen gaern, en andere spreekwoorden.S.l., Hanzepersen, 2005, katern ‘Ben ik kat’ door Doortje de Vries, Eikeldoorpers. MM: pp ned Hanzepersen 2005.01. (MM)

*Catten kinderen muisen gaern, en andere spreekwoorden*. S.l., Hanzepersen, 2005

Catten kinderen muisen gaern, en andere spreekwoorden. S.l., Hanzepersen, 2005, katern ‘Water’, door Eierland Pers. MM: pp ned Hanzepersen 2005.01. (MM)

Adri K. Offenberg,*De verborgen schat van Athias. *Leiden, De Ammoniet, 2005

Adri K. Offenberg,*De verborgen schat van Athias. *Leiden, De Ammoniet, 2005. (Groeiboek, 12). MM: pp ned Ammoniet 2005.04. (MM)

Vanaf de jaren zeventig (4)

Gelegenheidsdrukwerk

Dat postdiensten het zwaar hebben door de opkomst van allerlei elektronische manieren van communiceren, is bekend. Maar vooralsnog kan de traditie van de kerst- of nieuwjaarskaart zich goed handhaven. Ook binnen de margewereld is de nieuwjaarswens zeer populair. Het bezit van een pers biedt de mogelijkheid je te onttrekken aan de standaardkaartjes en sommige persen maken daarvan een uitbundig gebruik. Sterker nog, er zijn zelfs persen die de jaarlijkse productie zo ongeveer tot een nieuwjaarsuitgave beperken. Helaas, zou je bijna zeggen. Een bekend voorbeeld daarvan is De vergulde maatlat/Treemapers van Karel Treebus, wiens nieuwjaarswensen worden gerekend tot de best verzorgde marginale uitgaven. De zeer kleurige wens voor 2005 in een oplage van ruim 200 exemplaren vereiste maar liefst 17 drukgangen. Een ander voorbeeld is Pers No. 14 die een kleine schare gelukkige ontvangers al weer veertien jaar vergast op een aflevering van het geestige Plop! Magazine ter bevordering van het nieuwe jaar.

Vroeger waren er ook de nodige drukkers die elk jaar op de eerste maandag na Driekoningen – volgens de in de drukkerswereld al eeuwenlange traditie – een Koppermaandagwens lieten bezorgen, maar waarschijnlijk zijn velen inmiddels gezwicht voor de aanlokkelijke portokorting rond de kersttijd en overgestapt op een nieuwjaarswens. Een van de stugge volhouders is Ser J.L. Prop, die in 2010 voor de vierentwintigste keer collega-drukkers en vrienden verblijdde met een mooi vormgegeven, niet eerder gepubliceerd gedicht.

Pers en letter

In de jaren zeventig en tachtig werden grafische materialen nog volop aangeboden, rechtstreeks van, meestal kleine, drukkerijen die overstapten op offset, of bij de handelaars in oud metaal zoals Toetenel in Den Haag. Vanaf 2000 is dat voorbij: hoogdrukpersen en -persjes, zetmateriaal en loden letter komen nog maar sporadisch op de markt. Het werd daarom des te belangrijker om te inventariseren wat er nog aanwezig is en gebruikt wordt.

Van die noodzaak was Gerard Post van der Molen zich het meest bewust. Op zijn initiatief kwam er een Werkgroep Techniek en Informatie tot stand die – zij het niet zonder slag of stoot – belangrijke zaken voor elkaar bracht. Een voorbeeld daarvan was de zogenaamde ‘rollenactie’ waarbij leden tegen een aantrekkelijke korting nieuwe rubberen rollen voor hun persen konden laten maken. Belangrijker nog was het contact dat Post van der Molen wist te leggen met twee oude rotten in het vak, Chris Schults en Tjitze Mast. Er is bijna geen pers in Nederland die de afgelopen jaren niet door hen onder handen is genomen, waarbij duizendkunstenaar Mast met schijnbaar achteloos gemak kapotte onderdelen op zijn draaibank namaakte.

Ook de inventarisatie van wat er nog aan grafisch materiaal was, werd door de werkgroep opgepakt. Dat dit uiteindelijk zou leiden tot een speciaal aan dit onderwerp gewijd boek – De toekomst van ons grafisch verleden, dat om nostalgische redenen als Bulletin 25 in 2004 onder de contribuanten werd verspreid – was in 2000 nog niet te voorzien. In dat jaar werd door de Werkgroep Techniek en Informatie aan 120 actieve aangesloten drukkers gevraagd welke persen zij gebruikten. Eén werkte alleen digitaal. De 119 andere drukkers beschikten samen over 258 persen en 4 gietmachines. Het meest gebruikt was de cilinderpers (135) en daarvan was de Korrex proefpers met 47 exemplaren het meest algemeen. Degelpersen waren bij 97 drukkers aanwezig en daarnaast bleken er maar liefst nog twaalf handpersen in gebruik te zijn, waaronder één houten, twee Stanhopes en drie Albions. Ook de letters werden geïnventariseerd.

De 119 margedrukkers hadden rond het jaar 2000 de beschikking over 329 onderling verschillende lettertypen. Daarvan werd ongeveer één derde opgegeven als assortiment, dat wil zeggen als een serie binnen een letterfamilie, al dan niet met varianten als cursief en halfvet, en twee derde als ‘enkele kasten’. De broodletter bij de margedrukkers waren de Garamont/Garamond: bij 62 drukkers aanwezig (31 met een assortiment), en de Bodoni: bij 61 drukkers (26 met een assortiment). Bij de schreeflozen zijn de Nobel (51 drukkers, 25 met een assortiment) en de Gill (32 drukkers, 18 met een assortiment) het meest populair. Maar ook de klassieke Nederlandse letters zijn goed vertegenwoordigd, zoals de Hollandsche Mediaeval (22 drukkers), De Egmont (20 drukkers), de Grotius (8 drukkers), de Erasmus (14 drukkers), De Roos (17 drukkers), de Cancelleresca bastarda (9 drukkers), de Lutetia (14 drukkers), de Romulus (15 drukkers), de Romanée (11 drukkers), de Spectrum (13 drukkers) en de Lectura (18 drukkers).

Hoewel aan de lijst niet is te zien wat hiervan handletter is en wat is gegoten met de monotype zetmachine, blijkt hieruit wel dat onder de margedrukkers nog steeds een flink aantal Nederlandse letters in lood beschikbaar was en is. In 2008 werd deze inventarisatie geactualiseerd. Volgens de gegevens van de werkgroep waren er toen 194 personen in Nederland die over persen en letters beschikten. 110 van hen namen de moeite een overzicht van hun materiaal in te zenden. Het beeld dat daaruit oprees verschilt overigens in essentie niet van de hierboven gegeven samenvatting.

*Plop. Magazine ter bevordering van het nieuwe jaar*, 2005.

Plop. Magazine ter bevordering van het nieuwe jaar, 2005. Leiden, Pers No. 14, 2005, voorzijde omslag. Private collection. (MM)

*Plop. Magazine ter bevordering van het nieuwe jaar*, 2006.

Plop. Magazine ter bevordering van het nieuwe jaar, 2006. Leiden, Pers No. 14, 2006, voorzijde omslag Private collection. (MM)

Vanaf de jaren zeventig (5)

Monotype

Over het algemeen zijn de uitgaven van margedrukkers niet alleen bescheiden in oplage, maar ook in omvang. Dat poëzie de boventoon vormt, is niet toevallig. De aanwezige letterkasten zijn doorgaans niet zo goed gevuld dat het zetten en drukken van langere prozateksten mogelijk is, tenzij men de pagina’s in etappes drukt. Bovendien wordt het drukken beoefend als hobby, waarin maar een gedeelte van de beschikbare tijd kan worden gestoken.

Dat er desalniettemin drukkers zijn die wel degelijk werken van langere adem produceren, is mede te danken aan de monotype zetmachine. In tegenstelling tot regelzetmachines als de intertype en de linotype giet de monotype losse letters in regelverband. Dit betekent dat bij het herstellen van zetfouten niet de hele regel opnieuw getikt en gegoten hoeft te worden (met de kans op nieuwe zetfouten!), maar slechts enkele letters behoeven te worden vervangen. Dat de monotype losse letters produceert heeft nog een ander groot voordeel: je kunt zoveel kasten met spiksplinternieuwe letters vullen als je wilt.

De monotype is echter een technisch zeer gecompliceerd apparaat en vraagt naast veel kennis ook veel ruimte. Men treft ze nog wel aan in grafische musea, maar zelden in werkende staat. Gelukkig is er de Stichting Lettergieten te Westzaan, die oorspronkelijk vooral boekbinders aan grote corpsen hielp voor de belettering van banden, maar de laatste jaren ook hoe langer hoe meer margedrukkers van dienst is. Sinds enkele jaren is ook John Cornelisse van de Enkidupers op dit gebied actief, maar de belangrijkste monotype heeft meer dan twintig jaar in Woubrugge gestaan, bij de Avalon Pers van Jan Keijser. Hij was vanaf de oprichting betrokken bij het bestuur van de Stichting Drukwerk in de Marge, al snel als secretaris en vanaf 1995 tot en met 2006 als voorzitter. Zijn centrale rol in het margewereldje kan nauwelijks overschat worden. Niet alleen heeft hij tientallen mensen met het drukkersvirus besmet, hij heeft velen daarvan ook daadwerkelijk op weg geholpen door hen te wijzen op drukkerijen die op offset overgingen en hun loodspullen opruimden.

Belangrijker echter was dat hij uit de loodboedel van onder meer de Staatsuitgeverij te Den Haag en Brill te Leiden een werkende monotype (vanaf 1983) en een supra (speciaal voor grote lettercorpsen; operationeel vanaf 1991) wist te verwerven. En niet alleen de machines, maar ook een paar echte vaklieden die de apparatuur van haver tot gort kenden. Van hen mag Harrie Saveur met ere genoemd worden. Jaar in jaar uit was hij zaterdags en na zijn VUT in 1993 ook wel op andere dagen op de boerderij van Keijser te vinden en hoorde je in de schuur het karakteristieke gestamp van de monotype.

Dat Jan Keijser op deze manier in staat was om omvangrijke prozateksten te verzorgen, heeft hij terdege uitgebuit. De productie van zijn pers had echter nog veel hoger kunnen liggen, ware het niet dat hij zijn faciliteiten ruimhartig aan mededrukkers ter beschikking stelde. Zowel in de vorm van compleet gegoten teksten als door het gieten van doorgaans bomvolle letterkasten. Dat een groot deel van het margedrukwerk niet ontsierd wordt door platgereden letters, is mede aan ‘Woubrugge’ te danken. Helaas is inmiddels het monotypetijdperk aldaar definitief afgesloten.

Papier

Zoals bij ieder grafisch werk is ook bij de private press de keuze van het papier van grote invloed op het uiteindelijke resultaat en het is niet voor niets dat we in het colofon niet alleen het lettertype maar ook vaak het gebruikte papier van het binnenwerk en soms zelfs van het omslag vermeld vinden. Dat is voor de koper en verzamelaar van belang, zeker als er binnen de uitgave sprake is van deeloplagen op verschillende soorten papier, maar alleen al te kunnen beschikken over een fraaie, bij voorkeur handgeschepte, met een watermerk uitgevoerde papiersoort, misschien zelfs met schepranden, geeft de drukker een gevoel van trots.

In de loop van de tweede helft van de twintigste eeuw werd het steeds moeilijker om aan authentiek handgeschept papier te komen. De oude papiermolens in Frankrijk en Engeland sloten hun deuren (het beroemde Barcham Green is gestopt in 1987), het bekende ‘Hollandsch’ van Van Gelder werd niet meer gemaakt. Een enkele keer komen er nog wel eens mooie restpartijen papier van failliete drukkerijen beschikbaar, maar voor bijzonder grafisch papier is men tegenwoordig aangewezen op winkels voor kunstenaarsbenodigdheden en enkele papiergroothandels zoals die van Jozef Vierhout in Den Haag. Fraai (gedeeltelijk) lompenpapier van de rondzeefmachine (met of zonder kunstmatige scheprand of watermerk) als dat van Zerkall en Hahnemühle uit Duitsland en Fabriano uit Italië is niet goedkoop maar heeft nu eenmaal grafisch een mooier effect dan het overigens ook door hen gemaakte gewone gevergeerde papier of keurig zuurvrij papier dat voor boekdruk wordt gebruikt. Echt handgeschept drukpapier wordt in Nederland alleen nog vervaardigd bij De Middelste Molen in Loenen, waarbij aan veel wensen van de klanten kan worden voldaan, tot en met een ‘eigen’ watermerk toe.

En dan hebben wij het nog niet over het omslag – het zware handgeschepte papier van een van de zeer weinige nog werkende traditionele papiermolens in Nederland, De Schoolmeester in Westzaan, of een mooi machinaal of met de hand vervaardigd marmerpapier, of stevig exotisch papier uit Thailand, of over de schutbladen: machinaal bedrukt, of handmatig gemarmerd, of mooi blanco papier: de keuze is eindeloos en maakt een groot deel uit van het plezier in het ambacht. Zoals al voor de eerste drukkers in de vijftiende eeuw de aankoop van papier de grootste en meest risicovolle investering was, zo is ook voor de hedendaagse margedrukkers bij iedere uitgave de keuze van het papier niet gemakkelijk: fraai en kostbaar, of eenvoudig en betaalbaar, het eindresultaat hangt er sterk mee samen.

Jan Keijser, 1995

Jan Keijser, 1995 (photograph by Alexandra Verburg)

Vanaf de jaren zeventig (6)

Afwerking

Worden de meeste voortbrengselen van de pers door de drukker zelf eenvoudig afgewerkt, dikwijls in de vorm van een cahiersteek, bij bijzonder drukwerk hoort ook verzorgd en fraai bindwerk dat door een vakman wordt vervaardigd. Vaak wordt een deel van de oplage kostbaar gebonden in half of heel perkament, of leer, met titels, vignetten of randen in goud- of blindstempeling, en in cassettes en dozen. Befaamd zijn de Phoenix Binderij van David J. Simaleavich, opgericht in 1981, vanaf 1991 onder leiding van Philipp Janssen, en de Eenhoorn Binderij van Hans van der Horst, maar in een adem moet hierbij Frans den Breejen worden genoemd terwijl ook Cor Aerssens, Pau Groenendijk en Erik Schots vaak voor de margedrukkers hebben gewerkt

Bibliografie

Een van de doelstellingen van de Stichting Drukwerk in de Marge was de verzorging van een bibliografie van marginale uitgaven. Geen geringe ambitie omdat hiervoor aan twee belangrijke voorwaarden moet worden voldaan: bekwame beschrijvers en de aanwezigheid van alle te bewerken uitgaven. Binnen de stichting dacht men hieraan te kunnen voldoen door de verantwoordelijkheid voor de bibliografie geheel bij de drukkende contribuanten te leggen. Deze moesten voor elk van hun uitgaven een voorbedrukt kaartje insturen, dan zou zonder veel problemen het beoogde naslagwerk vanzelf tot stand komen.

En zo verscheen in januari 1978 als aflevering 6 van het Bulletin het eerste deel van de Bibliografie van marginale uitgaven, lopend tot 1 september 1977. Het tweede deel loopt tot 15 juni 1979 en het derde deel tot 1 juli 1981. Deze drie delen tellen in het totaal 2162 nummers. Hoe moeizaam de productie verliep, bewijst het derde deel dat vanaf 1981 herhaaldelijk werd aangekondigd maar uiteindelijk pas eind 1983 daadwerkelijk verscheen. Daarna werd het stil. Het animo en de discipline van de drukkers om trouw kaartjes in te zenden waren vanaf het prille begin al wisselvallig, met het verstrijken der jaren werd de stroom steeds geringer terwijl tegelijkertijd het aantal drukkers en derhalve ook de productie van uitgaven toenamen.

Daarna werd in 1994 door de Koninklijke Bibliotheek een poging ondernomen om het ‘gat’ dat was ontstaan in één keer te dichten. Uitgangspunt vormden de in het Depot van Nederlandse Publicaties aanwezige uitgaven die in de beschrijving als ‘marginaal’ waren gecodeerd. Aanvullingen werden verkregen door de basisdatabase te vergelijken met de toch nog sinds 1983 ingestuurde kaartjes; met diverse verschenen bibliografieën van afzonderlijke persen; en met de rubriek ‘Nieuwe uitgaven’ in de Nieuwsbrieven van de Stichting Drukwerk in de Marge. Het resultaat was een lijvig boekdeel waarin niet minder dan 6030 uitgaven worden beschreven. Uiteraard was dit overzicht niet compleet, al was het maar omdat lang niet iedere drukker het belang van het Depot inzag en niet standaard al zijn uitgaven leverde. Bovendien legde de samenstelling al zo’n tijdsdruk op de medewerkers van de KB, dat ruimte voor het échte speurwerk ontbrak.

Na 1994 bleef het wederom stil en de gedachte dat er ooit nog een gedrukt vervolg op de bibliografie zal verschijnen is weinig realistisch. Toch wil dit niet zeggen dat daarmee de bibliofiele productie geheel ongrijpbaar is geworden. De online publiekscatalogus van de KB biedt de zoekmogelijkheid ‘uitgever, drukker’. Dit betekent dat van iedere drukker in principe de productie chronologisch te volgen is, mits deze trouw een exemplaar van al zijn uitgaven aan het Depot levert. Voor wie dit nalaat draagt de KB verder, terecht, geen verantwoordelijkheid. Voorts kan ook via de webcatalogus van het Museum Meermanno gericht op persen worden gezocht. (KT/CdW)

Vergil,*The golden bough.*Translation Seamus Heaney. Banholt, In de Bonnefant, 1992

Vergil,The golden bough.Translation Seamus Heaney. Banholt, In de Bonnefant, 1992, binding by the Eenhoorn Binderij. MM: pp ned In de Bonnefant 1992.05. (KB: JU)

Willem Brakman,*Wit gepleisterd en met rieten dak.*Den Haag, Mikado Pers, 2003

Willem Brakman,Wit gepleisterd en met rieten dak. Den Haag, Mikado Pers, 2003, publisher’s devices on upper cover of half vellum bindings by Frans den Breejen. MM: pp ned Mikado 2003.03. (KB: JU)

Terug naar de indexpagina van de webexpositie Private Press.