Ziek is het woord niet

Filosofen en sociologen uitten na de Tweede Wereldoorlog kritiek op de macht van de geneeskunde. Artsen kunnen mensen ‘ziek’ noemen. Dat is een moreel oordeel waarmee indirect de samenleving wordt gestuurd. Annemarie Mol en Peter van Lieshout onderzoeken of het woord ‘ziek’ wel zo belangrijk is in de geneeskunde en trekken daarmee de kritiek in twijfel.

Irving Kenneth Zola, *De medische macht: de invloed van de gezondheidszorg op de maatschappij* (1973)
De medische macht

Irving Kenneth Zola, De medische macht: de invloed van de gezondheidszorg op de maatschappij (1973)

Eliot Freidson, *De medische professie: een studie van de sociologie van toegepaste kennis* (1980)
De medische professie

Eliot Freidson, De medische professie: een studie van de sociologie van toegepaste kennis (1980)

Freidson (1952-2005) neemt een vergelijkbare positie in. Hij schrijft dat de medische beroepsgroep in de negentiende en twintigste eeuw langzaam maar zeker een monopoliepositie heeft ingenomen in de zorg. Met name het monopolie op het gebruik van de termen ‘ziek’ en ‘gezond’ is hier van belang. Alleen medici zijn deskundig genoeg om deze termen te mogen gebruiken. De geneeskunde bepaalt wat er onder ‘ziek’ en ‘gezond’ wordt verstaan en bepaalt daarmee hoe er in de samenleving over ziekte wordt gedacht (Zie Eliot Freidson, De medische professie, een studie van de sociologie van toegepaste kennis [vert. uit het Engels door A.P. Vastenburg]. - Lochem: De Tijdstroom, 1980, p. 256; Ziek is het woord niet, p.54-55).

Foucault en normalisering

Michel Foucaults kritiek op de geneeskunde is dat deze een sterke invloed heeft op het menselijke gedrag. De geneeskunde oefent volgens hem namelijk een ‘normaliserende macht’ uit over een breed maatschappelijk gebied, waaronder het gezin, de school, de fabriek en de rechtbank. Dit wil zeggen dat er standaarden werden vastgesteld die alle verschillen tussen mensen reduceerden tot twee soorten: normaal en afwijkend. Hij schreef hier onder andere over in Naissance de la clinique (Geboorte van de kliniek) uit 1963.

De normaliserende machtsuitoefening van de geneeskunde begon volgens Foucault toen geneeskundigen in de negentiende eeuw onderscheid gingen maken tussen ‘normaal’ en ‘afwijkend’ lichaamsweefsel, waarmee ziekte een ‘afwijkende toestand van het lichaam’ werd genoemd (Ziek is het woord niet, p. 72-73; Michel Foucault, Geboorte van de kliniek. - Amsterdam: Boom, 2008, p. 189-190).

Tijdschriften Huisarts en wetenschap en Maandblad (voor de) geestelijke gezondheidszorg.

Tijdschriften Huisarts en wetenschap en Maandblad (voor de) geestelijke gezondheidszorg

Medische terminologie tussen 1945 en 1985

Mol en Van Lieshout concluderen dat Zola, Freidson, Foucault en andere sociologen en filosofen die over de geneeskunde schreven, te kort schieten. Het vocabulaire van de geneeskunde focuste op veel meer woorden dan alleen ‘ziek’ en ’gezond’. Zo was bijvoorbeeld ‘zedeloosheid’ in de jaren na de Tweede Wereldoorlog een belangrijk begrip voor de geestelijke gezondheidszorg. ‘Onmaatschappelijke’ (losbandige en criminele) gezinnen werden als zieken gezien, die konden worden genezen in behandelingskampen (Ziek is het woord niet, p. 88-94).

In de jaren zestig ontstond er een scheiding tussen ‘geesteszieken’ en mensen met een ‘stoornis’. Huisartsen onderscheidden naast ‘zieken’ ook ‘afwijkingen’, ‘onvolgroeidheden’ en mensen die ‘onbevredigd’ waren met hun eigen functioneren. Daarbij zagen huisartsen zichzelf als algemene geneeskundigen die zich bezighielden met de ‘algemeen menselijke problematiek’ (Ziek is het woord niet, p. 104-105).

In de jaren zeventig werd de nadruk gelegd op de ‘hulpvraag’ van patiënten. Dit maakte de patiënt minder afhankelijk van de arts: die deed alleen wat de patiënt verlangde. In de jaren tachtig werd de hulpvraag een vraag om ‘aanbod’, een term van de markt. De patiënt wordt een klant (Ziek is het woord niet, p. 115-129). (Mol uit kritiek op de aanduiding van de patiënt als klant onder andere in De logica van het zorgen, zie: Kiezen in de zorg).

Annemarie Mol en Peter van Lieshout, *Ziek is het woord niet: medicalisering, normalisering en de veranderende taal van huisartsengeneeskunde en geestelijke gezondheidszorg, 1945-1985* (1989)
Ziek is het woord niet (1989)

Annemarie Mol en Peter van Lieshout, Ziek is het woord niet: medicalisering, normalisering en de veranderende taal van huisartsengeneeskunde en geestelijke gezondheidszorg, 1945-1985 (1989)

Annemarie Mol en Peter van Lieshout, *Ziek is het woord niet: medicalisering, normalisering en de veranderende taal van huisartsengeneeskunde en geestelijke gezondheidszorg, 1945-1985* (1989)
Ziek is het woord niet (1989)

Annemarie Mol en Peter van Lieshout, Ziek is het woord niet: medicalisering, normalisering en de veranderende taal van huisartsengeneeskunde en geestelijke gezondheidszorg, 1945-1985 (1989)

Annemarie Mol en Peter van Lieshout, *Ziek is het woord niet: medicalisering, normalisering en de veranderende taal van huisartsengeneeskunde en geestelijke gezondheidszorg, 1945-1985* (1989) (bijlage proefschrift)
Ziek is het woord niet (1989)

Annemarie Mol en Peter van Lieshout, Ziek is het woord niet: medicalisering, normalisering en de veranderende taal van huisartsengeneeskunde en geestelijke gezondheidszorg, 1945-1985 (1989) (bijlage proefschrift)

Ziek is niet het enige woord

Mol en Van Lieshout concluderen dat er veel meer termen in omloop zijn in de geneeskunde dan alleen ‘ziek’. Ook worden woorden op verschillende manieren gebruikt in verschillende medische omgevingen. Hun betekenis verandert bovendien door de jaren heen. De sociologische en filosofische theorieën die de geneeskunde bekritiseren, houden hier volgens Mol en Van Lieshout geen rekening mee. De critici spreken niet over veranderend taalgebruik en nemen ‘de geneeskunde’ als één coherent geheel. ‘Het mag kortom een goed idee zijn om sociale theorie te bedrijven die rekening houdt met “de taal van de geneeskunde”, maar “de geneeskunde” beschikt niet over één taal’ (Ziek is het woord niet, p. 142-143).

Ook het idee dat de geneeskunde waardeoordelen velt over mensen, door ze ‘ziek’ of ‘gezond’ te noemen, klopt volgens de bevindingen van Mol en Van Lieshout maar ten dele. Ziekte-termen werden aanvankelijk wel gebruikt om onzedelijkheid op een medische manier moreel te veroordelen. Dit was voornamelijk het geval in de jaren na de Tweede Wereldoorlog. In de decennia daarop echter veranderde de taal en werd er meer nadruk gelegd op het gegeven dát de medische termen inderdaad een waardeoordeel bevatten. ‘Stoornis’, als alternatief voor een geestelijke ‘ziekte’, bijvoorbeeld, is duidelijk een term met een waarde. Kritiek op de ‘verborgen’ morele oordelen in het woord ‘ziek’, zoals Zola die uit, gaat hier niet op (Ziek is het woord niet, p. 144-146).

De normaliseringstheorie van Foucault schetst een tweedeling tussen ‘normaal’ en ‘afwijkend’. Maar hoe verhouden die termen zich tot woorden zoals ‘probleem’, ‘nood’ en ‘hulpvraag’? De termen die door de decennia heen door geneeskundigen worden gebruikt, passen niet in Foucaults theorie. Ook zijn maatschappijkritiek schiet dus volgens Mol en Van Lieshout te kort (Ziek is het woord niet, p. 256-257).

Krantenartikel over Ziek is het woord niet in Nieuwsblad van het Noorden, 18 september 1989.

Krantenartikel over Ziek is het woord niet in Nieuwsblad van het Noorden, 18 september 1989

Op zoek naar een minder statische theorie

De sociologische en filosofische theorieën die Mol en Van Lieshout beschrijven, moeten volgens hen worden beschouwd als als maatschappijkritiek. Het zijn ‘politieke’ instrumenten om de samenleving bewust te maken van de macht van de geneeskunde en daardoor te veranderen. Aangezien de theorieën niet aan blijken te sluiten op de realiteit van de gezondheidszorg, zullen er andere manieren moeten worden onderzocht om kritisch over de verhouding tussen de geneeskunde en de samenleving in zijn geheel te kunnen spreken, aldus Mol en Van Lieshout (Ziek is het woord niet, p. 258).

Zij stellen dat een sociale theorie rekening moet houden met veranderingen in taalgebruik en betekenis. Het moet een theorie zijn die niet is gestoeld op vaste uitgangspunten, zoals de theorieën van Zola, Freidson en Foucault. Hun theorieën zijn te ‘statisch’, zij voegen de geneeskunde in ‘een onbeweeglijk theoretisch raamwerk’ (Ziek is het woord niet, p. 262-263).

Daarom moeten er in een theorie over de geneeskunde zo min mogelijk variabelen worden vastgelegd. De geneeskunde verandert constant en theoretici moeten daar rekening mee houden. De medische tijdschriften laten volgens Mol en Van Lieshout zien dat een theorie niet zomaar generaliserende woorden zoals ‘de alcoholicus’ of ‘de mens’ kan gebruiken, omdat deze termen door de jaren heen veranderen en omdat de verhoudingen tussen de gebruikte termen veranderen. Het is aan de onderzoeker om te bestuderen hoe deze termen veranderen en binnen hun tijdelijke context worden gebruikt. (Ziek is het woord niet, p. 264-265).

Pagina uit **Maandblad voor de geestelijke gezondheidszorg*, 1 (1946) 2 (maart)
Maandblad voor de geestelijke gezondheidszorg

Pagina uit Maandblad voor de geestelijke gezondheidszorg, 1 (1946) 2 (maart)

Tijdschrift *Huisarts en wetenschap*, (1974.) 7
Huisarts en wetenschap

Tijdschrift Huisarts en wetenschap, (1974.) 7

Tijdschrift *Huisarts en wetenschap*, (1984) 3
Huisarts en wetenschap

Tijdschrift Huisarts en wetenschap, (1984) 3

Verschil maken: eeuwige nuance?

Wat kan een theoreticus met de methode van ‘verschil maken’? Mol en Van Lieshout stellen dat hun methode van belang is om zaken te vergelijken, zodat er beter over kan worden geoordeeld. ‘Om te waarderen is het nodig te vergelijken, en om te vergelijken is het nodig verschil te maken’. Verschil maken kan volgens de auteurs een politieke strategie zijn, net zoals de theorieën van Zola, Freidson en Foucault politieke instrumenten zijn om de maatschappij te veranderen (Ziek is het woord niet, p. 275).

Filosoof Marianne Boenink echter vindt het ‘verschil maken’ politiek gezien ‘magertjes’. Zij noemt in een recensie van Ziek is het woord niet in het tijdschrift Krisis twee punten van kritiek. Ten eerste vraagt zij zich af of het ‘verschil maken’ niet te weinig vaste grond overlaat voor theorievorming: ‘Een eenzijdige nadruk op die verschillen zou echter al gauw tot de conclusie leiden dat de werkelijkheid zo complex is dat iedere uitspraak die verder gaat dan 'ik, hier, nu' achterwege moet blijven. Wil ze interessant blijven, dan ontkomt de verschil-benadering er, net als de historicus, niet aan bepaalde verschillen onbesproken te laten (M. Boenink, ‘Een ballon in de boom’, in Krisis, 38 (1990), p. 79).

Ten tweede vraagt Boenink zich af of ‘verschil maken’ wel ‘lessen voor de toekomst’ kan bevatten. We kunnen achteraf zien hoe woorden veranderen maar we kunnen er geen toekomstvoorspellingen mee doen. Iemand die aan ‘verschil maken’ doet, blijft nuanceren maar maakt geen keuzes. Boenink vindt het jammer dat Mol en Van Lieshout niet nog een stap verder zetten en met een theorie komen waar politieke besluitvorming op kan worden gebaseerd (M. Boenink, ‘Een ballon in de boom’, in Krisis, 38 (1990), p. 79-80).

In het latere werk van Mol is de methode van ‘verschil maken’ in andere verwoordingen terug te vinden. Bijvoorbeeld in De logica van het zorgen, waarin zij kritiek uit op bestaande vastomlijnde ideeën over zorg en pleit voor een meer variabele en vloeiende manier om de relatie tussen arts, patiënt en omgeving vorm te geven. Voor meer over De logica van het zorgen zie: 'Kiezen in de zorg'.