Ethica: God en mens

In de Tractatus theologico-politicus (1670) had Spinoza anoniem gepleit voor een scheiding tussen kerk en staat en de leiding van regenten. Er circuleerden daarna geruchten dat hij bezig was met een boek waarin hij zou aantonen dat er geen God zou bestaan en van deze geruchten was Spinoza op de hoogte. Hij wachtte daarom met het uitbrengen van de Ethica, ook al was het werk in 1675 al voltooid. In 2010 werd een manuscript van de Ethica in het Vaticaan gevonden. Zelfs het NOS-journaal besteedde daar aandacht aan (Spinoza, 2011b).

Methode van de Ethica

Een eerste blik in de Ethica leert meteen dat het boek anders is opgebouwd dan gebruikelijk. De vraag naar het handelen van de mens wordt aangetoond volgens de meetkundige methode. In de ondertitel van de Ethica wordt deze indruk bevestigd: ordine geometrico demonstrata (volgens de meetkundige methode gedemonstreerd). Deze methode ontleende Spinoza aan Euclides van Megara die rond 300 voor Christus Elementen schreef met hetzelfde model. De methode geeft overzicht in de denkstappen van Spinoza, maar het bemoeilijkt ook het lezen.

Spinoza poneerde stellingen die hij vervolgens bewees en soms van commentaar voorzag. In zijn bewijzen verwees hij naar eerdere stellingen, zodat de lezer continu door het boek zou kunnen bladeren. Deze leeswijze is een uitdaging voor de lezer, nog los van de inhoud. Spinoza keerde zich net als zijn voorganger René Descartes (1596-1650) tegen de heersende filosofie: de scholastieke filosofie. Deze zou tot onzekerheden, tot twijfel leiden. Spinoza gebruikte de meetkundige ordening om zekerheid te geven zoals dat in de wiskunde gebeurt. Na het geven van enkele definities, begon Spinoza daaruit alles af te leiden. Spinoza begon zijn vijfdelige werk met een deel over God.

Substantie: God ofwel natuur

Om Spinoza's filosofie te begrijpen, is het van belang om een aantal begrippen uit te lichten. Spinoza keerde zich tegen de scholastieke traditie, die bestond uit filosofie door het bestuderen van teksten van Aristoteles (384 v.Chr.-322 v.Chr.), maar hij gebruikte wel termen uit die filosofie. Spinoza was zich er 'terdege van bewust dat zijn eigen metafysica op geen enkel begrip kan rekenen als men niet eerst vertrouwd is geraakt met zowel de cartesiaanse vernieuwing van de filosofie en wetenschap, als met de kernbegrippen van de scholastieke metafysica' (Steenbakkers, 1999, p. 7;zie ook online: Steenbakkers).

'Substantie' is één van die kernbegrippen. Descartes was tot de conclusie gekomen dat de wereld bestaat uit twee substanties: een denkende substantie (iets ontastbaars) en een uitgebreide substantie (tastbare voorwerpen). In het eerste deel van de Ethica toonde Spinoza aan dat er eigenlijk maar één substantie kan zijn.Hij noemt deze substantie God, maar voor Spinoza is dat net zo goed de natuur. De natuur is namelijk net als God even oneindig en eeuwig. Alles in het universum is God, net als dat alles in het universum tot de natuur behoort. God en natuur kunnen niet naast elkaar bestaan, omdat ze per definitie oneindig zijn: het één omvat de ander en andersom. Substantie is in dit geval dus geen materie, zoals thee een troebele substantie kan zijn of metalen een zekere dichtheid hebben. Substantie is in deze context een begrip dat op alles van toepassing is.

Toevalligheid en noodzaak

De natuur kenmerkt zich door noodzakelijkheid. Toevalligheid bestaat volgens Spinoza niet. In de natuur heerst een bepaalde noodzaak, alles in de natuur is bepaald door natuurwetten. God is geen wetgever: 'Gods wil is niets anders dan de noodzakelijkheid van de natuurwetten. Als God iets zou doen wat in strijd met de natuurwetten is, dan zou God in strijd met zijn eigen natuur handelen en dus in strijd met zichzelf' (Knol, 2005, p. 41).

De natuur bestaat slechts uit een oneindige reeks oorzaken en gevolgen. Vrijheid bestaat alleen in de zin dat iets bestaands door zichzelf tot handelen wordt aangezet (Spinoza, 2002, p. 57). Wanneer het bestaan of handelen door iets uitwendigs wordt aangezet spreekt Spinoza van dwang. Hier wordt al duidelijk dat iets wel degelijk controle kan uitoefenen over de natuur waarin alles volgens een vast stramien is bepaald. Een voorbeeld daarvan is de mens, maar over de mens wijdde Spinoza pas in het tweede deel van de Ethica uit.

God kan denken

Spinoza concentreerde zich in het tweede deel van zijn werk specifiek op de mens, omdat dit juist het onderwerp is waarop een ethiek van toepassing kan zijn. De mens bevindt zich in de natuur en is dus onderdeel van wat er in de natuur gebeurt. Een mens kan denken en een mens heeft een lichaam, zoals Descartes had opgemerkt. Spinoza nam dat over, maar hij stelde dat het hier gaat om verschillende uitdrukkingswijzen van de ene substantie. Denken en uitgebreidheid zijn de twee 'attributen' van de ene substantie die wij kunnen kennen. Het denken (het onaantastbare) wordt uitgedrukt in ideeën, het uitgebreide (het tastbare) wordt uitgedrukt als een lichaam. Zo is het idee van een appel een uitdrukkingswijze ('modus') van het denken en de appel zelf een modus van het uitgebreide.

De eerste stelling van het tweede deel is dat God kan denken:

'Het denken is een attribuut van God, met andere woorden God is iets wat denkt' (Spinoza, 2002, p. 131).

God kan denken, maar God is de hele natuur, dus: alles kan denken. In dit geval is de ziel de uitdrukkingswijze van hetgeen dat denkt en alles is in meer of mindere mate bezield (Spinoza, 2002, p. 151). Wanneer het gaat om een menselijke ziel die denkt of voelt, gaat het om een specifieke ziel: de menselijke. Door zijn bewustzijn neemt de mens een uitzonderlijke plaats in de natuur in: de mens heeft meer geest dan een dier, een dier heeft meer geest dan een plant, een plant heeft meer geest dan een steen, zoals Jan Knol het uitlegde:'Hoe gecompliceerder een wezen is, hoe meer geest het heeft' (Knol, 2006, p. 31).

Wanneer je als deel van God kunt denken, kan ieder deel van God op zijn eigen manier denken. De mens kan niet te weten komen wat een dier denkt, omdat mensen niet op dezelfde manier denken. De mens is op een andere manier bezield: 'Als je weet hoe moeilijk dat [communiceren] soms al is met andere mensen, vooral als ze verschillend van je zijn qua geslacht, leeftijd of cultuur, dan is het niet zo vreemd dat dit met andere diersoorten en andere dingen nog moeilijker of onmogelijk is' (Reijen, 2008, p. 81).

Lichaam en geest

Wanneer wordt gesproken over de ziel of de geest, dan gaat het om de uitdrukkingswijze van God die denkt. De oorspronkelijke Latijnse titel van het tweede deel in de Ethica is 'De naturâ & origine mentis'. In Nederlandse vertalingen is dit soms vertaald als 'De natuur en oorsprong van de ziel', soms als 'De natuur en oorsprong van de geest'. Het Latijnse 'mens' betekent 'geest', het Latijnse 'anima' wordt vertaald naar 'ziel'.

Vertaler Nico van Suchtelen verklaarde zijn keuze voor 'geest' als volgt: of je nu spreekt over ziel of geest, in Spinoza's filosofie gaat het om de mens gezien vanuit het denken en dan maakt het niet uit welk woord je gebruikt (Suchtelen, 2011, p. 322-324). Zijn keuze voor deze vertaling van 'mens' door 'geest' is instemmend overgenomen door Henri Krop (Spinoza, 2002),en Jan Knol (Spinoza, 2011a). Ook Wim Klever gaat van uit dat Spinoza ging significant onderscheid ziet tussen 'mens' en 'anima', maar hij vertaalde 'mens' met 'ziel' (Klever, 1996, p. 91). 'Ziel' en 'geest' kunnen hier dus als synoniemen gebruikt worden.

Identiteit

Even belangrijk als de ziel, is het lichaam. De ziel is namelijk het denken van het lichaam, zoals wij aan een appel denken wanneer wij over een appel spreken (Spinoza, 2002, p. 169). Spinoza onderzocht nauwkeurig hoe de ziel en het lichaam aan elkaar verbonden zijn. In de tijd van Spinoza was het modern om de mens als een machine te beschrijven, maar nu is een vergelijking met de computer als machine een verduidelijkend voorbeeld: iedere keer wanneer je op een letter op het toetsenbord drukt, verschijnt precies die letter op het beeldscherm. Je stuurt iets aan en het wordt uitgevoerd: je duwt op het 'lichaam' van de computer en de computer weet wat hem te doen staat (Klever, 1995, p. 73-76).

Zo is het ook met de mens: iemand vraagt je aan een appel te denken en je kunt dat. Een ander kan met zijn of haar eigen redenen het tegenovergestelde doen, maar toch zijn beiden nog steeds wezenlijk hetzelfde: een denkend lichaam. 'Individu' krijgt op deze manier een aparte betekenis: iets is een individu wanneer het bestaat uit verschillende delen die een verbinding met elkaar zijn aangegaan. Zo bekeken is de hele natuur één individu, maar toch onderscheiden de lichamen zich van elkaar. Spinoza legde dit uit aan de hand van rust en beweging, wat hij al in de Korte verhandeling had opgemerkt (Klever, 1996, p. 139-141):

'Het verschil in lichamen ontstaat alleen door een steeds weer andere proportie van beweging en rust, waardoor dit zus en niet zo, dit dit en niet dat is' (Spinoza, 2011a, p. 93).

Het persoonlijke in de mens is verbonden aan het lichaam: de mens beweegt langzamer of sneller in en met de natuur dan bijvoorbeeld een andere mens. Behalve de DNA-opstelling van de ouders, heeft ieder ook een andere opvoeding gekregen. Ieder lichaam doet eigen indrukken op: iets verandert in de natuur en als het de mens aangaat dan merkt die dat.

De een zal bijvoorbeeld bij een verkeerslicht wachten voor het rode licht, terwijl een ander door zal rijden. De een gaat rennen wanneer hij de trein nog kan halen, een ander zal besluiten om de volgende trein te nemen. De een kan lachen na het horen van een grap, de ander zal het niet grappig vinden. Het ging Spinoza om de achtergrond van de verschillen. Iemand reageert op een bepaalde wijze: omdat zijn ouders dat zo deden, omdat hij bereid is meer risico's te nemen, omdat hij in het verleden iets heeft meegemaakt of bepaalde verwachtingen heeft.

'Bij het zien van de sporen van een paard in het zand springt een soldaat bijvoorbeeld onmiddellijk van de gedachte aan een paard over op de gedachte aan een ruiter en vandaar op de gedachte aan oorlog enzovoort; een boer echter springt van de gedachte aan een paard op de gedachte aan een ploeg en de akker enzovoort. Iedereen springt zo overeenkomstig de manier waarop hij gewend is de beelden der dingen te rangschikken, van de ene op de andere gedachte over' (Spinoza, 2002, p. 169).

Titelpagina van B.D.S., De nagelate schriften (1677), waarin Ethica in een Nederlandse vertaling werd opgenomen

Titelpagina van B.D.S., De nagelate schriften(1677), waarin Ethica in een Nederlandse vertaling werd opgenomen

Voorzijde omslag van The Vatican manuscript of Spinoza's Ethica (ingeleid door Leen Spruit en Pina Totaro) (Leiden: Brill, 2011)

Voorzijde omslag van The Vatican manuscript of Spinoza's Ethica (ingeleid door Leen Spruit en Pina Totaro) (Leiden: Brill, 2011)

Portret van Spinoza na de titelpagina van Zedekunst in De nagelate schriften (1677)

Portret van Spinoza na de titelpagina van Zedekunstin De nagelate schriften (1677)

Titelpagina van Ethica en haar vijf delen in Opera posthuma (1677)

Titelpagina van Ethica en haar vijf delenin Opera posthuma (1677)

Begin van het tweede deel van de Ethica, over de ziel, in De nagelate schriften (1677, p. 46)

Begin van het tweede deel vande Ethica, over de ziel, in De nagelate schriften (1677, p. 46)

Handschrift van de Korte verhandeling, waarin onderwerpen uit de Ethica werden behandeld (collectie Koninklijke Bibliotheek)

Handschrift van de Korte verhandeling, waarin onderwerpen uit de Ethica werden behandeld (collectie Koninklijke Bibliotheek)

Het huis in Den Haag waar Spinoza de Ethica voltooide, afbeelding 30 uit The face of Benedictus Spinoza (1946)

Het huis in Den Haag waar Spinoza de Ethica voltooide, afbeelding 30 uit The face of Benedictus Spinoza (1946)

[Redactie door H. Gorter]: Ethica. Den Haag: Loman en Funke, 1895

[Redactie door H. Gorter]: Ethica. Den Haag: Loman en Funke, 1895

Een op perkament getekend portret van Spinoza, gesigneerd door Johan Faber (1650/60-1721), tekenaar en graveur (collectie Koninklijke Bibliotheek: Hs.135 C 22)

Een op perkament getekend portret van Spinoza, gesigneerd door Johan Faber (1650/60-1721), tekenaar en graveur (collectie Koninklijke Bibliotheek: Hs.135 C 22)

Begin van deel 2 van Ethica, in: Opera posthuma, quorum series post præfationem exhibetur (Amsterdam: J. Rieuwertsz., 1677)

Begin van deel 2 van Ethica, in: Opera posthuma, quorum series post præfationem exhibetur (Amsterdam : Gedrukt door Israël de Paull, 1677)