Ethica: hartstochten & vrijheid

Ethica van Spinoza uit 1915
Ethica (1915)

Voorzijde omslag van de eerste druk van Nico van Suchtelens vertaling van de Ethica (Amsterdam: Wereldbibliotheek, 1915)

Ethica van Spinoza uit 1955
Ethica (1955)

Voorzijde omslag van Ethica, voorafgegaan door het Vertoog over de zuivering des verstands (Vierde, herziene druk. Amsterdam:Wereld-bibliotheek, 1955)

Ethica van Spinoza uit 1980
Ethica (1980)

Er verschenen veel herdrukken van de vertaling door Nico van Suchtelen; vanaf 1980 in een herziene editie door zoon Guido van Suchtelen, zoals deze editie van deEthica (Tiende uitgave, nieuwe druk. Amsterdam: Wereldbibliotheek, 2011)

Ethica van Spinoza uit 2002
Ethica (2002)

Voorzijde omslag van de Ethica in de vertaling van Henri Krop (Amsterdam: Prometheus/Bakker, 2002)

De 'aandoeningen' omvatten niet alleen de natuur van het lichaam van buiten, maar ook de natuur van het menselijk lichaam: wanneer Peter en Paul zien dat de trein bijna vertrekt, is de trein (of de klok) een lichaam van buiten en Peter en Paul een menselijk lichaam. De ene natuur, Peter, zal rennen om de trein te halen, de andere natuur, Paul, zal besluiten een volgende trein te nemen. Altijd zijn de externe lichamen en de inwerkende lichamen betrokken (Spinoza, 2002, p. 163). Externe lichamen kunnen ook andere mensen zijn, Spinoza beschreef dus ook de politieke implicaties van zijn filosofie, na het beschrijven van de hartstochten. De hartstochten ontstaan door ervaringen in de natuur: Peter is bijvoorbeeld blij dat hij de trein haalt, Paul is jaloers dat Peter de trein heeft gehaald en hij zelf niet.

Hartstochten: 48 in totaal

Portret van Spinoza
Portret van Spinoza in de Ethica

Portret van Spinoza op 33- of 34-jarige leeftijd in de eerste druk van Nico van Suchtelens vertaling van Ethica: in meetkundigen trant uiteengezet (Amsterdam: Maatschappij voor goede en goedkoope lectuur, 1915, p. iii)

Portret van Spinoza
Portret van een oudere Spinoza

Portret van Spinoza op 39-jarige leeftijd (door Hendrik van der Spyck) in de eerste druk van Nico van Suchtelens vertaling van Ethica: in meetkundigen trant uiteengezet (Amsterdam: Maatschappij voor goede en goedkoope lectuur, 1915, tegenover p. xii)

Onsterfelijkheid van de ziel

In het laatste deel van de Ethica kwam Spinoza terug op de (menselijke) ziel. Traditioneel wordt de ziel of de geest geassocieerd met voelen. In de theologische wereldbeschouwing heeft de mens een ziel waarmee hij in contact staat met de oneindigheid en (een antropomorfe) God. Spinoza had niet de onsterfelijke christelijke ziel voor ogen, hij gaat daar recht tegen in. Dit betekent dat ook het traditionele geloof in een persoonlijke onsterfelijkheid moet worden opgeven. De mens kan zich slechts verbeelden dat een persoon na de dood blijft. Volgens Spinoza staat onze individuele ziel in direct verband met ons individuele lichaam, zodat de ziel vergaat wanneer het lichaam vergaat. Dit wil niet zeggen dat de ziel van alle individuele dingen in de natuur vergaat, maar alleen dat een bepaalde verbinding ten einde is (Spinoza, 2002, p. 503). De verbinding van de ziel met een bepaald lichaam stopt, maar net als dat er van ons lichaam iets overblijft, namelijk de deeltjes waar het uit bestaat, blijft er van de ziel ook iets over. Dit deel staat niet meer in verband met het lichaam, maar het is als het ware teruggekomen in al het andere dat bezield is.