Ethica: hartstochten & vrijheid

Adequate kennis

In de eerste twee delen van de Ethica (1677) beschreef Spinoza hoe alles God ofwel natuur is. God drukt zich uit in denken en in bestaan, zoals ook de mens denkt (ziel of geest) en bestaat (een lichaam heeft). Voor een ethiek gaat het niet om de volledige natuur. Het is niet relevant hoe een tafel of een kikker het goede kan doen. Spinoza interesseerde zich in de mens en naarmate de Ethica vordert richtte hij zich daar daarom op.

In het tweede deel introduceerde Spinoza de kenvormen, waarbij hij belang hechtte aan de rede en het inzicht: de intuïtie. Wanneer wij iets toevallig noemen, komt dat door een gebrek aan kennis. Deze soort kennis die voor verwarring kan zorgen noemde Spinoza de eerste van drie soorten kennis. Door verbeelding en ongeordende ervaringen krijgen we inadequate ideeën: ons lichaam heeft een keer vleugels gezien en een keer een paard gezien, zodat we een gevleugeld paard kunnen voorstellen. Spinoza beschouwde dit niet als adequate kennis, die komt namelijk voort door het gebruik van de ratio: het verstand (de tweede soort kennis). Wanneer we ons een driehoek indenken, is het nodig om te weten wat drie is, wat een hoek is. De derde vorm van kennis is het inzicht, de intuïtie. Alleen de kennis die we door de rede en de intuïtie verkrijgen noemde Spinoza adequaat (Spinoza, 2002, p. 195-197).

De mens en de natuur

Spinoza kwam tot het eind van het tweede deel nog niet tot stellingen over de ethiek, maar hij herinnerde daar de lezer wel aan waar hij mee bezig was. Hij besluit namelijk dat de mens meer of minder volmaakt kan zijn, afhankelijk van het begrip van God. De zintuigen leveren geen adequate kennis op van de natuur, maar er worden wel altijd indrukken verkregen van die natuur waarin de mens zich bevindt en deel van uitmaakt. De mens volgt de natuur van jongs af aan: een kind wordt op een bepaalde manier opgevoed en zal daarom later op een andere manier op iets reageren dan een ander kind.

De 'aandoeningen' omvatten niet alleen de natuur van het lichaam van buiten, maar ook de natuur van het menselijk lichaam: wanneer Peter en Paul zien dat de trein bijna vertrekt, is de trein (of de klok) een lichaam van buiten en Peter en Paul een menselijk lichaam. De ene natuur, Peter, zal rennen om de trein te halen, de andere natuur, Paul, zal besluiten een volgende trein te nemen. Altijd zijn de externe lichamen en de inwerkende lichamen betrokken (Spinoza, 2002, p. 163). Externe lichamen kunnen ook andere mensen zijn, Spinoza beschreef dus ook de politieke implicaties van zijn filosofie, na het beschrijven van de hartstochten. De hartstochten ontstaan door ervaringen in de natuur: Peter is bijvoorbeeld blij dat hij de trein haalt, Paul is jaloers dat Peter de trein heeft gehaald en hij zelf niet.

Hartstochten: 48 in totaal

De hartstochten waren voor Spinoza niet anders dan alle andere dingen, en daarom kon hij in het dit deel ook de meetkundige methode gebruiken.

'ik zal de menselijke handelingen en de begeerten beschouwen als betrof het een vraagstuk van lijnen, vlakken of lichamen' (Spinoza, 2002, p. 225).

Spinoza beschouwde blijdschap, droefheid en begeerte als primaire hartstochten waaruit alle andere hartstochten zijn te herleiden. Hij somde de belangrijkste hartstochten op (48 in totaal, waaronder haat en liefde). Liefde behoort tot blijdschap, haat behoort tot droefheid. De hartstochten kunnen op elkaar inwerken, zo kan liefde zelfs haatgevoelens volledig verdrijven. De liefde moet dan wel veel sterker zijn dan de haat (Klever, 1996, p. 377). Hartstochten kunnen op elkaar inwerken, omdat door beweging van alles een blijdschap of droefheid nooit constant is (Knol, 2006, p. 70). De hartstochten die mensen ervaren, ontstaan uit de ervaring met de natuur op het persoonlijke lichaam: de ene ervaring is gunstig, de andere is nadelig. Spinoza stelde dat alles een bepaalde drang heeft om voort te bestaan, hij noemde dit 'conatus':

'Stelling 7
Het streven van elk ding naar de voortzetting van het zijn, is hetzelfde als het actuele wezen' (Spinoza, 2002, p. 239).

Spinoza oordeelde niet of iets goed of kwaad is. Goed en kwaad zijn voor iedereen anders, afhankelijk van wat voor een individu voordelig is om voort te bestaan. Hoe variabel dit in de praktijk kan werken, schetste Jan Knol:

'Karel is 22 jaar en maakt carrière op een accountantskantoor. Hij gaat voor het eerst met zijn nieuwe lease-auto naar het werk en die voldoet boven verwachting. Blij loopt Karel van de parkeergarage naar het kantoor. Daar ziet hij Riek, op wie hij een oogje heeft, geanimeerd met een collega praten terwijl zij hem flauwtjes groet. Zijn blije bui maakt plaats voor een verdrietige. Ruim een uur later komt zijn baas bij Karel om hem speciaal te bedanken voor de vervelend klus die hij gisteren tot een goed einde heeft gebracht. Karels sombere bui klaart weer op' (Knol, 2007, p. 75).

Inzicht

De hartstochten zijn van belang, niet alleen voor ons zelf maar ookvoor de samenleving. In Tractatus theologico-politicus (1670) had Spinoza al een politiek geschreven, in de Ethica sluit het vierde deel daar bij aan.Omdat ieder mens voordelig is zo veel mogelijk samen naar zelfbehoud te streven, is voor een mens een andere mens het meest nuttig. Als een mens iets goed doet voor zichzelf, doet hij dat ook voor anderen. Er ontstaan daarom als vanzelf gedeelde hartstochten: als een vriend van iets of iemand houdt, dan ga ik dat ook leuk vinden.

De hartstochten kunnen wel op iemand inwerken, maar de rede staat daar boven. Inzicht helpt je in het accepteren van je eigen leven en draagt zo bij aan je voortbestaan. Wanneer je weet dat je goed kunt koken, maakt dat je blij. Wanneer je weet dat je niet (goed) kunt koken, ben je daarover bedroefd. Maar het hoopvolle in het tweede geval is dat je kunt inzien dat je niet goed kunt koken en het verstandige besluit neemt om een ander te laten koken. Ook dat inzicht kan je uiteindelijk blij maken. Het inzicht is niet alleen behulpzaam voor je eigen lichaam en geest, maar ook tussen mensen onderling. Soms zit het tegen, maar ook dan kun je dat omzetten in een gelukkig gevoel: 'Wij kunnen niet anders dan ons best doen met de talenten die we gekregen hebben, uiteraard onder permanente beïnvloeding van buitenaf' (Klever, 1996, p. 634).

Dat mensen verschillende hobby's hebben of ergens meer of minder goed in zijn, heeft enkel te maken met het feit dat met onze lichamelijke constitutie wij zelf niets te zeggen hebben. Maar ook ouders en hun ouders maken deel uit van dit traject waar niemand invloed op kan uitoefenen: 'We kunnen ons niet onttrekken aan de wet van oorzaak en gevolg die het heelal regeert' (Knol, 2006, p. 56). Heeft de mens dan geen vrijheid? Jawel, maar pas wanneer hij inziet dat hij onderdeel is van de natuur en dat hij daarin niets te kiezen heeft. Alles wat een mens overkomt, komt door de weg die in de natuur wordt bewandeld. Dat is geen boswandeling op een rustige zondagmiddag, maar de levensweg in de wereld waarin alles door oorzaak en gevolg is vastgelegd.

Onsterfelijkheid van de ziel

In het laatste deel van de Ethica kwam Spinoza terug op de (menselijke) ziel. Traditioneel wordt de ziel of de geest geassocieerd met voelen. In de theologische wereldbeschouwing heeft de mens een ziel waarmee hij in contact staat met de oneindigheid en (een antropomorfe) God. Spinoza had niet de onsterfelijke christelijke ziel voor ogen, hij gaat daar recht tegen in. Dit betekent dat ook het traditionele geloof in een persoonlijke onsterfelijkheid moet worden opgeven. De mens kan zich slechts verbeelden dat een persoon na de dood blijft. Volgens Spinoza staat onze individuele ziel in direct verband met ons individuele lichaam, zodat de ziel vergaat wanneer het lichaam vergaat. Dit wil niet zeggen dat de ziel van alle individuele dingen in de natuur vergaat, maar alleen dat een bepaalde verbinding ten einde is (Spinoza, 2002, p. 503). De verbinding van de ziel met een bepaald lichaam stopt, maar net als dat er vanons lichaam iets overblijft, namelijk de deeltjes waar het uit bestaat, blijft er van de ziel ook iets over. Dit deel staat niet meer in verband met het lichaam, maar het is als het ware teruggekomen in al het andere dat bezield is.

Liefde tot God

Een wil of keuzevrijheid hebben we niet, omdat alles is bepaald in de noodzakelijkheid van Gods bestaan. Hoe de mens toch vrij kan zijn, liet Spinoza pas in het laatste deel van de Ethica zien. Spinoza liet daar de hoogste vorm van kennis nog een keer terugkomen met betrekking tot ons streven naar zelfbehoud. Inzicht in onze hartstochten kan alleen nog maar overtroffen worden door het inzicht dat wij deel uitmaken van de natuur, deel uitmaken van God.

Dit is de vrijheid die Spinoza voor ogen had, in tegenstelling tot de onderdrukking van de hartstochten. Mensen worden nog te veel onder dwang gehouden door de hartstochten, maar er is een uitweg: het verstand. De mens heeft geen invloed op zijn 'lijdingen' op wat de natuur met hem doet. Om minder te lijden, moeten de hartstochten begrepen worden. Wanneer iemand begrijpt dat hij door de natuur bedroefd of blij is, begrijpt hij dat God dit veroorzaakt en maakt hem dat blij. In zoverre we met de derde soort kennis begrijpen dat God eeuwig is, hebben we een eeuwige verstandelijke liefde tot God ('amor intellectualis Dei', waardoor ook God hiermee meteen zichzelf lief heeft). Dit kan worden uitgelegd als 'onze absolute eenheid met de gehele natuur' (Klever, 1996, p. 707).

De goddelijke liefde kan zorgen voor een gemoedsrust, een gelukkig gevoel. Spinoza vertelde ons alleen hoe het geluk bereikt kan worden, het is daarmee nog niet daadwerkelijk bereikt. Het gaat er in ieder geval wel om dat het geluk tijdens het leven gezocht moet worden, omdat er geen plaats is waar wij na de dood terechtkomen door deugdzaam te hebben geleefd. De christelijke rol van God is hiermee volledig weerlegd, want die gaat uit van individuele eeuwigheid in een bepaalde duur (na de dood). Tijdens het leven en daarvoor al maakten we deel uit van de eeuwigheid, maar alleen tijdens de verbinding met het lichaam ervaren we hartstochten (Klever, 1996, p. 703-704). Wanneer iemand deugdzaam leeft, is het de deugd zelf die hem daarvoor tijdens het bestaan beloont: geluk. Dit is niet makkelijk en Spinoza besefte dat maar al te goed:

'wat zelden wordt bereikt, moet moeilijk zijn' (Spinoza, 2002, p. 517).

Standbeeld van Spinoza in Den Haag, uit The face of Benedictus Spinoza (1946)

Er verschenen veel herdrukken van de vertaling door Nico van Suchtelen; vanaf 1980 in een herziene editie door zoon Guido van Suchtelen, zoals deze editie van de Ethica (Tiende uitgave, nieuwe druk. Amsterdam: Wereldbibliotheek, 2011)

Er verschenen veel herdrukken van de vertaling door Nico van Suchtelen; vanaf 1980 in een herziene editie door zoon Guido van Suchtelen, zoals deze editie van deEthica (Tiende uitgave, nieuwe druk. Amsterdam: Wereldbibliotheek, 2011)

Voorzijde omslag van de eerste druk van Nico van Suchtelens vertaling van de Ethica (Amsterdam: Wereldbibliotheek, 1915)

Voorzijde omslag van de eerste druk van Nico van Suchtelens vertaling van de Ethica (Amsterdam: Wereldbibliotheek, 1915)

De Zedekunst in vijf delen 'op een meetkundige orde geschikt en betoogt' in De nagelate schriften (1677)

De Zedekunst in vijf delen 'op een meetkundige orde geschikt en betoogt' in De nagelate schriften (1677)

Voorzijde omslag van de Ethica in de vertaling van Henri Krop (Amsterdam: Prometheus/Bakker, 2002)

Voorzijde omslag van de Ethica in de vertaling van Henri Krop (Amsterdam: Prometheus/Bakker, 2002)

Eerste pagina van de introductie van de private press-uitgave van Tractatus politicus (Hilversum: Heuvelpers, 1929)]

Eerste pagina van de introductie van de private press-uitgave van Tractatus politicus (Hilversum: Heuvelpers, 1929)]

Portret van Spinoza op 33- of 34-jarige leeftijd in de eerste druk van Nico van Suchtelens vertaling van Ethica: in meetkundigen trant uiteengezet (Amsterdam: Maatschappij voor goede en goedkoope lectuur, 1915, p. iii)

Portret van Spinoza op 33- of 34-jarige leeftijd in de eerste druk van Nico van Suchtelens vertaling van Ethica: in meetkundigen trant uiteengezet (Amsterdam: Maatschappij voor goede en goedkoope lectuur, 1915, p. iii)

Portret van Spinoza op 39-jarige leeftijd (door Hendrik van der Spyck) in de eerste druk van Nico van Suchtelens vertaling van Ethica: in meetkundigen trant uiteengezet (Amsterdam: Maatschappij voor goede en goedkoope lectuur, 1915, tegenover p. xii)

Portret van Spinoza op 39-jarige leeftijd (door Hendrik van der Spyck) in de eerste druk van Nico van Suchtelens vertaling van Ethica: in meetkundigen trant uiteengezet (Amsterdam: Maatschappij voor goede en goedkoope lectuur, 1915, tegenover p. xii)

Portret van Spinoza door Jean-Charles François (1717-1769), op basis van een ouder portret, in Korte verhandeling van God, de mensch en deszelvs welstand (L'Aquila: Japadre Editore, 1986)

Portret van Spinoza door Jean-Charles François (1717-1769), op basis van een ouder portret, in Korte verhandeling van God, de mensch en deszelvs welstand (L'Aquila: Japadre Editore, 1986)

Voorzijde omslag van Ethica, voorafgegaan door het Vertoog over de zuivering des verstands (Vierde, herziene druk. Amsterdam: Wereld-bibliotheek, 1955)

Voorzijde omslag van Ethica, voorafgegaan door het Vertoog over de zuivering des verstands (Vierde, herziene druk. Amsterdam:Wereld-bibliotheek, 1955)