Lof der zotheid of De dwaasheid gekroond
Portret van Thomas More door Hans Holbein de Jongere
Sir Thomas More

Sir Thomas More door Hans Holbein de Jongere, 1527. Bron: Wikimedia Commons.

Voorkant van Hanan Yoran, Between utopia and dystopia: Erasmus, Thomas More, and the humanist republic of letters
Between utopia and dystopia (2010)
Voorkant van Jon Haarberg, Parody and the praise of folly
Parody and the praise of folly (1998)

Jon Haarberg. Parody and The praise of folly. - Oslo: Scandinavian University Press, 1998.

Verwijzingen naar Homerus, Seneca en Apuleius

Op originaliteit beroept Erasmus zich niet. In plaats daarvan verwijst Erasmus net als in de Adagia naar illustere klassieke voorgangers die ook dergelijke paradoxale lofredes componeerden, een lofprijzing op iets dat op zichzelf eigenlijk niet prijzenswaardig is. Zo schreef Homerus de Muizenkikkerstrijd, Seneca een satire over keizer Claudius, en Apuleius de schelmenroman Metamorphoses, beter bekend onder de naam De Gouden Ezel. Net zoals met zijn spreekwoorden ziet Erasmus dus de vorm van zijn betoog gerechtvaardigd door een lange traditie (Erasmus, 2004b, p. 55-56).

Sommigen hebben wel vragen gesteld bij het klassieke gehalte van de Moria; vindt de dwaasheid niet veeleer haar voorganger in het carnavalsfeest en in de middeleeuwse figuur van de hofnar? Verzwijgt Erasmus als estheet en humanist deze middeleeuwse invloeden? In een bekende brief gericht aan Martin Dorpius (1514) verdedigt Erasmus de Moria inderdaad door te verwijzen naar de vulgares comoediae of platte kluchten van de gewone mensen. Dit betekent echter nog niet dat Erasmus zich ook geïnspireerd zag door deze kluchten.

Het is waarschijnlijker dat Erasmus de schertsende toon van de Moria ontleende aan klassieke literatuur. In de tweede paragraaf van de Moria beroept de Zotheid zich inderdaad op deze klassieken, de 'sofisten' welteverstaan, die in hun 'panegyrieken' de lof van goden en grote helden zongen (Erasmus, 2004b, p. 60).

Tekening in de marge van Lof der Zotheid door Hans Holbein de Jongere
Tekening in de marge van Lof der Zotheid

Hans Holbein de Jongere. Tekening in de marge van een man met een pop die de Zotheid voorstelt. In vroege druk (Bazel, 1515). Bron: Wikimedia Commons.

Voorkant van Manfred Hoffman, Rhetoric and theology: the hermeneutics of Erasmus
Rhetoric and theology: the hermeneutics of Erasmus (1994)

Manfred Hoffmann. Rhetoric and theology: the hermeneutics of Erasmus. – Toronto: University of Toronto Press, 1994.

Voorkant van G. Dodds, Exploiting Erasmus: the Erasmian legacy and religious change in early modern England
Exploiting Erasmus (2009)

Gregory D. Dodds. Exploiting Erasmus: the Erasmian legacy and religious change in early modern England. – Toronto: University of Toronto Press, 2009.

Der Christliche Narr (1956)

Walter Nigg. Der Christlich Narr. – Zürich: Artemis Verlag, 1956. Nigg geeft een bredere beschouwing op de verbondenheid van het christendom met dwaasheid, waarbij hij ook ingaat op Erasmus’ Lof der Zotheid, naast andere auteurs als Cervantes en Dostojewski.

Plato's allegorie van de grot

Juist deze ontsnappingspoging uit de banden en boeien van het lichaam, waartoe de filosoof in essentie streeft, noemt het gewone volk waanzin. Zij zitten immers vast aan de verleidingen en genietingen van hun lichaam en de zichtbare en fysieke wereld:

Dan gebeurt er hetzelfde als in de mythe van Plato de mensen overkomt die vastgeketend in hun grot vol bewondering de afschaduwing van de dingen bekijken en de ene man die ontsnapt: bij zijn terugkeer in de grot verklaart hij dat hij de ware wereld gezien heeft en dat zij een totaal verkeerd beeld hebben als ze denken dat uitsluitend armzalige afschaduwingen echt bestaan. Want de man met inzicht [sapiens] beklaagt en betreurt de waanzin van de mensen die in zo’n sterke illusie gevangen zijn, en zij op hun beurt lachen hem uit als een krankzinnige en stoten hem uit.
(Erasmus, 2004b, p. 158).

Hier zien we eigenlijk een omkering in het betoog van Zotheid. Wat Zotheid hier beweert lijkt immers in volstrekte tegenspraak met wat zij eerder beweerde in hoofdstuk 45:

Voorkant van Hans Trapman, Wijze dwaasheid: vijfhonderd jaar Lof der Zotheid in Nederland
Wijze dwaasheid: vijfhonderd jaar Lof der Zotheid in Nederland (2011)

Hans Trapman. Wijze dwaasheid: vijfhonderd jaar Lof der Zotheid in Nederland. – Amsterdam: Balans, 2011.

Titelpagina van Hans Trapman, Wijze dwaasheid: vijfhonderd jaar Lof der Zotheid in Nederland
Wijze dwaasheid: vijfhonderd jaar Lof der Zotheid in Nederland (2011)

Titelpagina uit: Hans Trapman. Wijze dwaasheid: vijfhonderd jaar Lof der Zotheid in Nederland. – Amsterdam: Balans, 2011.

De invloed van Lof der zotheid

Het is moeilijk tastbare aanwijzingen te vinden van de 'invloed' of 'doorwerking' van de Moria in latere literaire en kunstzinnige stromingen in Nederland. Eerder moet men erkennen dat Erasmus'Moria zelf beïnvloed is door de rol van de zot, de dwaas en de hofnar in de cultuur van de vroegmoderne tijd. Het is deze cultuur die vervolgens doorwerkt in bijvoorbeeld het werk van de rederijkers. Wel kunnen we Erasmus complimenteren met het in omloop brengen van de namen Moria en moros (Trapman, 2011, p. 61-68). Echter, zo subtiel en doordacht als Erasmus zijn Moria componeerde is tot de dag van vandaag niet geëvenaard.