Boeventucht: Coornhert over het straffen van criminelen

Boeventucht is één van Coornherts bekendste werken. Het heeft een unieke plek in zijn oeuvre. Waar Coornhert normaliter de menselijke waardigheid centraal stelt, neemt hij hier een utilitaristische positie in. Niet de mens, maar het nut voor maatschappij staat in Boeventucht centraal. Coornhert stelt voor criminelen dwangarbeid te laten verrichten, in plaats van te verminken of vermoorden zoals gebruikelijk was in die tijd. Hij was een van de eerste Nederlanders die deze gedachte opperde (Spierenburg, 1990, p. 26).

Coornhert schreef de eerste versie van Boeventucht op 24 oktober 1567, naar eigen zeggen ‘omdat hij niets te doen had’ (Coornhert, 1985, p. 63). Hij zat op dat moment zelf in de gevangenis vanwege zijn betrekkingen met Willem van Oranje. Als secretaris van de burgermeesters in Haarlem had Coornhert al vaker te maken gehad met tuchteloze soldaten en andere misdadigers. Met voor die tijd gebruikelijke martelwerktuigen in zijn nabijheid, besloot hij een alternatieve manier van straffen te ontwikkelen. Twintig jaar na zijn gevangenistijd, publiceerde hij een herschreven versie.

Het doel van straf

De eerste vraag waarover Coornhert zich in Boeventucht buigt, is waarom er überhaupt gestraft wordt. Hij noemt drie redenen (Coornhert, 1985, p. 69). Ten eerste zorgt straf ervoor dat ‘brave lieden’ zich niet op het slechte pad begeven. Ten tweede zullen de ‘onverlaten die nog te verbeteren zijn’ zich aan een deugdzaam leven gaan wijden, uit angst voor de schande of pijn die een straf met zich meebrengt. Ten derde zal straf de ‘gemene, onverbeterlijke schurken’ uit de samenleving verwijderen, ter bescherming van nette mensen (Coornhert, 1985, p. 69). Het centrale doel van straffen is volgens Coornhert dus algemene preventie.

Maarten van Heemskerck, gravure van Coornhert, 'Straf van de ondankbare knecht', gravure en ets (1554 en/of 1554-1612) [bron: Rijksmuseum Amsterdam]

Maarten van Heemskerck, gegraveerd door Dirck Volckertsz Coornhert, 'Straf van de ondankbare knecht', gravure en ets (1554 en/of 1554-1612) [bron: Rijksmuseum Amsterdam]

Drie oorzaken van criminaliteit

In de vijftiende en zestiende eeuw was het aantal armen in de Nederlanden geweldig toegenomen. Deze bevolkingsgroep vormde een risicogroep: de meeste misdadigers waren arm. In de jaren voordat Coornhert Boeventucht schreef, had keizer Karel V strenge plakkaten uitgevoerd tegen misdadigers. Desondanks nam criminaliteit toe. Coornhert concludeert: strengere straffen zijn niet de oplossing. Een verandering van aanpak is nodig (Coornhert, 1985, pp. 69-71).

Maarten van Heemskerck, gegraveerd door Dirck Volckertsz Coornhert, 'Uitnodiging voor de zieken en armen', gravure en ets (1558-1559 en/of 1581-1633) [bron: Rijksmuseum Amsterdam]

Maarten van Heemskerck, gegraveerd door Dirck Volckertsz Coornhert, 'Uitnodiging voor de zieken en armen', gravure en ets (1558-1559 en/of 1581-1633) [bron: Rijksmuseum Amsterdam]

Waarom is de criminaliteit toegenomen? Volgens Coornhert zijn er drie oorzaken (Coornhert, 1985, p. 73-75). Ten eerste worden de armen niet in de gaten gehouden, waardoor zij tot slechte gewoontes vervallen. Ten tweede denken criminelen weg te kunnen komen met hun misdaden. Op het platteland durven boeren hen niet aan te geven, omdat ze bang zijn voor vergelding. In de stad treden gezaghebbers nauwelijks op tegen arme misdadigers, omdat dit alleen maar geld kost en niets oplevert. Ten derde stelt hij vast dat zware misdadigers hun straf – de doodstraf – niet afschrikwekkend genoeg vinden. Iedereen zal toch moeten sterven, redeneren de criminelen, en zij hebben liever een korte, snelle dood dan een lange, slepende.

Registratie van werklozen

Voor elk van deze oorzaken, stelt Coornhert een aantal maatregelen voor. Ten eerste moeten armen beter in de gaten gehouden worden. Elke week moet bij de wijkhoofden na worden gegaan wie zonder inkomsten elke dag gaat drinken of dobbelen. Deze wijkbewoners zullen verplicht aan het werk worden gezet. Vrouwen krijgen vlas, garen en weefsels om te bewerken. Hiervoor zullen ze een passend loon krijgen, betaald door welgestelde burgers. Mannen moeten naar opleidingsniveau werk krijgen, voor een iets lager loon dan normaal. Doen ze hun werk niet, dan worden ze opgesloten.

Maarten van Heemskerck, gegraveerd door Dirck Volckertsz Coornhert, 'Wijn en lust nemen bezit van het hart van de dronkaard', ets en gravure (1551) [bron: Rijksmuseum Amsterdam]

Maarten van Heemskerck, gegraveerd door Dirck Volckertsz Coornhert, 'Wijn en lust nemen bezit van het hart van de dronkaard', ets en gravure (1551) [bron: Rijksmuseum Amsterdam]

Dwangarbeid

Ten tweede moet de pakkans van misdadigers worden verhoogd. Er moet voor worden gezorgd dat boeren niet langer bang hoeven te zijn om misdadigers aan te geven en dat er strenger wordt opgetreden door gezaghebbers. Coornhert stelt voor deze doelen te bereiken door criminelen buiten de samenleving te plaatsen, waardoor ze boeren niet meer lastig kunnen vallen. Eenmaal geïsoleerd, zullen de misdadigers dwangarbeid moeten verrichten. Op die manier leveren ze geld op, wat het voor gezaghebbers aantrekkelijk maakt hen te arresteren. Het voorgestelde werk vormt meteen een oplossing voor de derde oorzaak die Coornhert heeft genoemd: dwangarbeid is ‘een straf bitterder dan de dood zelf’ (Coornhert, 1985, p. 79).

Maarten van Heemskerck, gegraveerd door Philips Galle, 'Arbeid is de taak van de derde stand', gravure (ca. 1565-ca. 1568 en/of 1635) [bron: Rijksmuseum Amsterdam]

Maarten van Heemskerck, gegraveerd door Philips Galle, 'Arbeid is de taak van de derde stand', gravure (ca. 1565-ca. 1568 en/of 1635) [bron: Rijksmuseum Amsterdam]

Coornhert stelt vier soorten dwangarbeid voor. Hij wil misdadigers laten werken op roeischepen en bij landwinning. Belangrijker nog zijn Coornherts voorstellen voor speciale stadsgevangenissen waar men een ambacht leert, en voor arbeidskampen op het platteland. Om te voorkomen dat misdadigers proberen te ontsnappen, wil hij hen die een halsmisdaad hebben begaan, laten brandmerken in het gezicht of hun neus splijten (Coornhert, 1985, p. 97). Deze verminkingen zijn geen straf op zich, maar worden alleen toegebracht om de misdadigers bij ontsnapping makkelijker op te kunnen pakken. Minder zware criminelen zullen, als ze proberen te ontsnappen, worden bestraft met een verdubbeling van hun gevangenistijd.

De voordelen van Coornherts voorstel

Jacobus Versteegen, gegraveerd door J. Mijling, 'Buitenpoort van het Tucht- of Rasphuis te Amsterdam', ets (1750-1800) [bron: Rijksmuseum Amsterdam]

Jacobus Versteegen, gegraveerd door J. Mijling, 'Buitenpoort van het Tucht- of Rasphuis te Amsterdam', ets (1750-1800) [bron: Rijksmuseum Amsterdam]

In 1589 werd tot de oprichting van het Amsterdams Tuchthuis besloten. De instelling opende haar deuren in 1596. Het werd ook wel het Rasphuis genoemd, vanwege het werk dat de criminelen er verrichtten: het raspen van hout voor de verfindustrie. Werkweigeraars kregen boeien om en een pak rammel. In het Rasphuis bevonden zich uitsluitend mannelijke misdadigers. Vrouwelijke criminelen werden naar het Spinhuis gestuurd, waar zij moesten spinnen. De Amsterdamse tuchthuizen waren een succes en stonden model voor die in Duitsland.

De Coornhert-Liga

Boeventucht leverde Coornhert naam op als hervormer van het strafrecht. In juni 1971 werd de Coornhert-Liga opgericht. Deze vereniging voor strafrechthervorming voorzag de Nederlandse ontwikkelingen in het strafrecht van commentaar. De liga publiceerde alternatieve justitiebegrotingen en later het Crimineel Jaarboek, met als oogmerk de strafrechtpraktijk te duiden en de publieke opinie te beïnvloeden. De nadruk van hun kritische publicaties lag op de rechten van de mens. Sinds 1999 leidt de liga een slapend bestaan.