Het leven van Coornhert na 1576

Polemiek met de gereformeerde kerk (1576-1583)

Na de Pacificatie van Gent (8 november 1576) keerden Coornhert en zijn vrouw opnieuw terug naar Nederland. Haarlem was op dat moment bi-confessioneel: zowel de katholieken als de protestanten mochten hun geloof vrijelijk belijden. De protestanten werden echter bevoordeeld door het stadsbestuur. Coornhert vreesde dat zij, net als de katholieken eerder, hun bevoorrechte positie zouden gebruiken om de ander te onderdrukken. Zijn vrees was niet onterecht: in 1572-1573 was al besloten dat in Holland en Zeeland geen katholieke eredienst meer mocht worden opgedragen.

D.V. Coornhert, 'De Haarlemse burgerij vraagt Willem van Oranje om hulp', gravure (1578-1580) [bron: Rijksmuseum Amsterdam]

D.V. Coornhert, 'De Haarlemse burgerij vraagt Willem van Oranje om hulp', gravure (1578-1580) [bron: Rijksmuseum Amsterdam]

Coornhert kwam in een polemiek op voor de rechten van de katholieken. Zijn felle manier van verdedigen blijkt uit de titel van het geschrift dat hij de protestantse hoogleraar Justus Tilius overhandigde: Redene mijnder woorden houdende dat die Roomsche kercke beter sij dan der gereformeerden. De polemiek leidde uiteindelijk tot twee door de Staten georganiseerde debatten: een in Leiden (1578) en een in Den Haag (1583).

Debat in Leiden

Het eerste debat vond plaats op 14 april in het Academiegebouw. Coornhert nam het op tegen twee gereformeerde predikanten, Arent Corneliszoon Crusius en Reynier Donteclock. Honderden mensen kwamen op het debat af, waaronder de Leidse magistraatpersonen. Coornhert probeerde het gesprek, naast de rechtvaardiging en de erfzonde, met name op het ketterdoden te brengen en de predikanten vast te pinnen op de leer van Calvijn en Beza. Het werd hem echter verboden de laatste twee te citeren. Geërgerd door de in zijn ogen oneerlijke omstandigheden, verliet Coornhert de zaal. Het debat liep uiteindelijk op niets uit.

Gezicht op het Academiegebouw te Leiden

Anoniem, 'Gezicht op het Academiegebouw te Leiden, 1726', ets (1726) [bron: Rijksmuseum Amsterdam]

Eenmaal terug in Haarlem hernam Coornhert zijn notariële werkzaamheden. Het werd hem door de Staten verboden het publieke debat over religie op te zoeken zonder hun toestemming. Men was bang dat zijn geschriften tot onrust zouden leiden. Desondanks liet Coornhert handschriften circuleren waarin hij verslag deed van het Leidse debat en disputeerde hij met de Haarlemse predikant Johannes Damius over de Heidelbergse catechismus.

Bemiddeling bij de Waterlandse dopers (1586-1589)

Coornhert keerde in 1586 terug naar Haarlem om te bemiddelen bij de Waterlandse dopers, een afscheiding van de doopsgezinden. Hij deed dit, omdat hij deze groep als de onpartijdigste van alle nieuwe kerken beschouwde. Zijn bemiddeling was succesvol. Niet lang daarna begon hij echter zelf een twist met de dopers. Coornhert meende dat zij geen grond hadden om hun kerk als de ware te beschouwen. De ware kerk kan geen zichtbare instelling zijn, betoogde hij. De ware kerk is een onzichtbare gemeenschap van mensen die zich aan de Gulden Wet houden.

Na dit conflict wilde Coornhert weg uit Haarlem. Hij dacht aanvankelijk aan Delft, maar zijn reputatie was hem al vooruitgesneld: hij was niet welkom. Hij besloot zich daarop in Gouda te vestigen.

Gevelsteen in het vermoedelijke sterfhuis van Coornhert (Oosthaven 17 te Gouda)

Theo van Reijn, 'Gevelsteen in het vermoedelijke sterfhuis van Coornhert (Oosthaven 17 te Gouda)' [bron: Wikicommons]

Tot een bevredigend eind is de strijd tegen Lipsius niet gekomen. Coornhert stierf op 68-jarige leeftijd in het harnas: tot twee weken voor zijn dood werkte hij aan een weerlegging van Lipsius’ denkbeelden. Hij werd begraven in Gouda. Zijn vriend Hendrick Laurenszoon Spiegel dichtte zijn grafschrift:

Nu rust
Diens lust
En vreught
Was dueght
En 't waar
Hoe swaar
't Ook viel.
Noch sticht
Zijn dicht-
geschryf:
Maar 't lyf
Hier bleef 't;
God heeft
De ziel.