Het psychisch monisme

Vanaf 1892 houdt Heymans zich bezig met psychofysisch onderzoek. In de relatie tussen het lichamelijke en psychische, heeft het psychische haar fysische keerzijde. In het laatste decennium van de negentiende eeuw hing Heymans het psychofysisch parallellisme aan en ziet dit als heuristisch onderzoeksprincipe. In 1898 verdedigde Heymans het moderne parallellisme, een idealistisch monisme, van Gustav Theodor Fechner (1801-1881) en Hermann Ebbinghaus (1850-1909), waarbij hersenprocessen en bewustzijnsprocessen als twee zijden van één werkelijkheid worden opgevat, en werkt dit in de jaren 1898 tot 1905 verder uit. Volgens sommige auteurs nam Heymans het psychisch monisme van Fechner over. Het monisme van Heymans verschilt echter aanzienlijk van dat van Fechner. Het monisme van Fechner was persoonlijk en religieus getint, terwijl bij Heymans zijn monisme gezien kan worden als een reactie op wetenschappelijke ontwikkelingen met name in de psychologie. Zijn opvattingen over het parallellisme groeiden uit tot een theorie van het 'psychofysische probleem'. Daarbij correspondeert elk bewustzijnsproces met een gelijktijdig hersenverschijnsel als fysiologische keerzijde. De hersenverschijnselen zijn niets meer dan de zintuiglijke afspiegeling van de bewustzijnsprocessen.

Portret van Gustav Theodor Fechner
Gustav Theodor Fechner

Gustav Theodor Fechner (bron: Wikimedia Commons)

Portret van Hermann Ebbinghaus
Hermann Ebbinghaus

Hermann Ebbinghaus (bron: Wikimedia Commons)

De presentatie van het psychisch monisme

In 1905 presenteert Heymans het psychisch monisme als theorie. We hebben tot ons eigen bewustzijn direct toegang, wat niet geldt voor hersenprocessen. Ter verduidelijking van het verband tussen bewustzijn en hersenprocessen, introduceerde Heymans de metafoor van de ideale waarnemer die onbelemmerd in het brein van bijvoorbeeld een proefpersoon zou kunnen kijken. Wanneer de ideale waarnemer hersenprocessen van een proefpersoon waarneemt, valt die waarneming in de tijd niet alleen wetmatig samen met de bewustzijnsprocessen van de proefpersoon, maar die bewustzijnsprocessen bevatten 'vermoedelijk' ook de oorzaak van de hersenproceswaarnemingen in het bewustzijn van de ideale waarnemer. Met dit 'vermoeden' is volgens Heymans de grondgedachte van het psychisch monisme uitgesproken (Heymans, 1933, p. 290).

Heymans' weergave van de metafoor van de ideële waarnemer.

Heymans' weergave van de metafoor van de ideële waarnemer (uit: Inleiding in de metaphysica : op grondslag der ervaring. -Amsterdam-Sloterdijk: Wereldbibliotheek, 1933, p. 257.

Voor de mens is de werkelijkheid altijd een construct, ze kan niet anders worden waargenomen dan via de zintuigen. Heymans formuleert de gegevens van de werkelijkheid in een drievoudige wetmatigheid:

  1. de psychische wetmatigheid,
  2. de fysieke wetmatigheid,
  3. de psychofysische wetmatigheid.

Het psychisch monisme zou deze drievoudige wetmatigheid verklaren: het psychische is de causaliteit van de reële psychische processen; het fysische is de afspiegeling van deze causaliteit in de ideale waarnemer (zijnde de hersenproceswaarnemingen) en de psychofysische causaliteit bestaat tussen de psychische processen en de hersenverschijnselen. Deze drievoudige wetmatigheid is tot nu toe niet verklaard. Het materialisme geeft alleen rekenschap van het fysische, het dualisme geeft rekenschap van de fysische en psychische wetmatigheid, maar beweert dat op grond van de absolute heterogeniteit van de beide substanties geen causale betrekkingen hiertussen kunnen bestaan. Het psychisch monisme heeft ingezien dat de 'fysische reeks' niets meer omvat dan mogelijke waarnemingen die, voor zover ze werkelijk worden, alle behoren tot de 'psychische reeks'. 'De psychisch-monistische hypothese beweert slechts, dat, voorzover er parallelle betrekkingen tusschen 't psychische en 't physische bestaan, dit laatste als een zintuiglijke afspiegeling van 't eerste dient opgevat; in welken omvang die echter bestaan, kan ze geheel aan 't empirische onderzoek ter beslissing overlaten' (Heymans, 1933, p. 354).

Omslag van Gerard Heymans, Inleiding in de metaphysica
Gerard Heymans: Inleiding in de metaphysica (1933)

Omslag van Gerard Heymans' Inleiding in de metaphysica: op grondslag der ervaring(Einführung in die Metaphysik). -Amsterdam-Sloterdijk: Wereldbibliotheek, 1933

Omslag van G. Heymans, Het psychisch monisme, 1915.
Gerard Heymans: Het physisch monisme (1915)

Omslag van G. Heymans, Het psychisch monisme. -Amsterdam: Emmering, 1915.

De hypothese van het psychisch monisme

De hypothese van het psychisch monisme kan in principe wetenschappelijk getoetst worden. 'Hypothetisch is hier in den grond alleen de onderstelling van een indirect causaal verband tusschen bepaalde gegeven of mogelijke ervaring: n.l. tusschen mijn bewustzijnsprocessen eenerzijds en de hersenproceswaarnemingen, die onder gunstige omstandigheden gelijktijdig daarmee zouden kunnen worden verkregen anderzijds' (Heymans, 1933, p. 358). Heymans ziet zich, aan 't eind van zijn onderzoek gekomen, 'volkomen gerechtvaardigd, aan de hypothese, dat de als oorzaken van m'n hersenverschijnselen te onderstellen reëele processen mij in de correspondeerende bewustzijnsprocessen gegeven zijn, een aanmerkelijke waarschijnlijkheid toe te kennen'. En: 'Alle getoetste wereldbeschouwingen moeten, naarmate ze zich nauwkeuriger rekenschap geven van de inhoud van hun vooronderstellingen, en naarmate ze er meer naar streven, deze zo eenvoudig mogelijk te maken, des te zekerder ten slotte op 't psychisch monisme uitloopen' (Heymans, 1933, p. 367-368).

Volgens het psychisch monisme vallen niet alleen psychofysische en psychische processen samen, maar is de hele ultieme werkelijkheid psychisch van aard. Het individuele bewustzijn zou een afsplitsing zijn van een alomtegenwoordig bewustzijn. 'De hypothese van de albezieldheid, dus de uitbreiding van de psychisch-monistische opvatting van 't eigen ik tot een psychisch-monistische opvatting van de wereld lijkt op een niet te verwaarloozen waarschijnlijkheid aanspraak te kunnen maken' (Heymans, 1933, p. 394).

Met dit panpsychisme neem Heymans een soort wereldziel aan, maar noemt deze niet God zoals Fechner wel deed. Er bestaat geen grond aan dit wereldbewustzijn goddelijke eigenschappen zoals almacht en alwetendheid toe te kennen. Het psychisch monisme vervult de wens om na de dood voort te bestaan, want na het sterven van het lichaam zal ons bewustzijn opgaan in steeds grotere bewustzijnseenheden'waarbinnen al het hogere en betere dat het bevat voor de toekomst bewaard blijft, om vooreerst in het bewustzijn der mensheid, alsdan echter in nog hogere bewustzijnseenheden voort te leven en voort te werken' (Heymans, 1933, p. 453). Volgens Heymans biedt het psychisch monisme een inspirerend perspectief en heilsboodschap. Wij weten ons op deze wijze voor eeuwig met elkaar en met hogere wezens verbonden in onze gemeenschappelijke taken en in staat tot oneindige ontwikkeling.Heymans verkondigt deze 'religieuze' wereldbeschouwing niet als een dogma, maar brengt deze naar voren als een toetsbare wetenschappelijke hypothese.

Met behulp van de hypothese van het psychisch monisme zouden meer verschijnselen verklaard kunnen worden, dan met behulp van de verklaringshypothesen van de door Heymans getoetste metafysische stelsels. Heymans noemt de psychisch-monistische hypothese een werkhypothese die een geringe verifieerbaarheid heeft. Dit ligt niet aan de hypothese, maar 'uitsluitend aan de gebrekkigheid van onze tegenwoordige kennis'. Heymans vestigt zijn hoop op de ontwikkelingen in de hersenfysiologie, in samenwerking met de psychologie, en de astronomie en spreekt zijn hoop uit 'dat 't eens, zij 't eerst na afzienbare tijd, aan 't psychisch monisme in heel z'n omvang zal gelukken, zich van den rang van een meer of minder waarschijnlijke hypothese te verheffen tot dien van een welgefundeerde theorie' (Heymans, 1933, p. 421-422).

De levensvatbaarheid van het psychisch monisme

Heymans publiceerde tot in 1925 over zijn theorie van het psychisch monisme. Hij paste zijn theorie aan naar gelang ontwikkelingen in de wetenschap daar aanleiding toe gaven. Zijn theorie van het psychisch monisme stond centraal in zijn werk en vond tijdens zijn leven navolging. Zijn opvolger Leo Polak(1880-1941) was vurig aanhanger van het psychisch monisme en verdedigde deze theorie in zijn boek Kennisleer contra materie-realisme, gepubliceerd in 1912. De Nobelprijswinnaar Hendrik Lorentz (1853-1928) gaf het psychisch monisme een plaats in zijn 'geloofsvisie' en zijn natuurkunde. Na Heymans' dood raakte het psychisch monisme echter op de achtergrond en het werd maar zelden besproken. Vanuit historisch perspectief blijft Heymans' uitwerking van het psychisch monisme bijzonder. Hij ontwierp met deze theorie een uitgewerkte ontologie. Hierin ging alleen Spinoza hem voor. Hun beider ontologieën hadden internationaal invloed en zijn daarmee uniek.

Portret van Leo Polak
Leo Polak

Portret van Leo Polak (bron: Humanistische canon)

Portret van Hendrik Antoon Lorentz
Hendrik Antoon Lorentz

Portret van Hendrik Antoon Lorentz, 1916 (bron: Wikimedia Commons).

Het psychisch monisme is een goed uitgewerkte theorie en paart eenvoud aan een grote verklarende kracht, maar het is een moeilijk te weerleggen theorie en dat is ook haar zwakke punt. 'Het mankeert de hypothese van het psychisch monisme juist aan dat wat we zo waarderen in een wetenschappelijke hypothese: het vermogen toetsbare voorspellingen voort te brengen. De stelling dat de werkelijkheid als geheel in feite uit bewustzijnsprocessen bestaat, is zo veroordeeld de formulering van een vermoeden te blijven. Er zijn geen empirische bevindingen denkbaar die de stelling ondersteunen of weerleggen' (Draaisma, 1983, p. 51).

Behalve deze ontoetsbaarheid, lijkt deze theorie een inconsistentie te bevatten: enerzijds zouden bewustzijns- en hersenprocessen ongeveer samenvallen in de tijd, anderzijds wordt bewustzijn als oorzakelijk en primair opgevat (Dekker, 2011, p. 215-216).

Voorzijde omslag van Kars Dekker, Gerard Heymans :  grondlegger van de Nederlandse psychologie, 2011.
Kars Dekker: Gerard Heymans: grondlegger van de Nederlandse psychologie (2011)

Voorzijde omslag van Kars Dekker, Gerard Heymans : grondlegger van de Nederlandse psychologie. -Groningen: WB Uitgeverij, 2011.

Achterzijde omslag van Kars Dekker, Gerard Heymans :  grondlegger van de Nederlandse psychologie, 2011
Kars Dekker: Gerard Heymans: grondlegger van de Nederlandse psychologie (2011) (achterzijde)

Achterzijde omslag van Kars Dekker, Gerard Heymans : grondlegger van de Nederlandse psychologie. -Groningen: WB Uitgeverij, 2011.