Het leven van Jacobus Moleschott, 1854-1893

Studentenprotest in de *Frankfurter Zeitung*, 9 augustus 1854 (bron: *Für meine Freunde*, 1894, p. 255)

Studentenprotest in de Frankfurter Zeitung, 9 augustus 1854 (bron: Für meine Freunde, 1894, p. 255)

Moleschotts ontslag in 1854

Over Moleschotts Der Kreislauf des Lebens ontbrandt een felle strijd en zijn vrijzinnige en atheïstische denkbeelden leiden tot een ernstige waarschuwing, én bedreiging, van de regering van het groothertogdom Baden bij monde van de senaat van Heidelberg. De rector deelt hem op 26 juli 1854 mee dat hem ‘het verlof om voorlezingen te houden zou ontnomen worden, zoo hij voortging door schrift en woord de jeugd te bederven, m.a.w. onzedelijke en frivole dingen te leeren’ (Moleschott, 1895, p. 177). Hem wordt ten laste gelegd ‘zowel in wetenschappelijk als in politiek opzicht aanhanger te zijn van de extreem radicale richting en in zijn lezingen openlijk materialisme en atheïsme te verkondigen’ (Ter Laage, 1980, p. 81).

Hij legt verontwaardigd zijn functie neer. Zijn studenten reageren fel op de tegen hem geuite beschuldigingen en hun protest is in de Frankfurter Zeitung van 9 augustus 1854 afgedrukt. Dit nieuws is in Nederland al snel bekend ten gevolge van een artikel in het dagblad De Tijd, dat fel tegen de immorele materialist zou hebben geageerd. Moleschott vraagt zijn vriend Van Deen om deze aanval van De Tijd te pareren, omdat deze situatie voor zijn ouders uiterst pijnlijk is. Het lukt Van Deen het verweerschrift van de studenten in het Handelsblad en de Rotterdamsche Courant te laten afdrukken.

Moleschott is nu ambteloos burger en behalve enkele patiënten zijn zijn boeken zijn belangrijkste middel van bestaan. Hij stelt zijn laboratorium open voor degenen die graag experimenteel onderzoek willen doen. Er worden belangrijke ontdekkingen gedaan door zijn studenten en hemzelf, maar het laboratorium kost meer dan het opbrengt. Aangezien hij geen lessen meer geeft, heeft hij meer tijd voor de antropologie en kan hij zich eindelijk aan de literatuur wijden. ‘Zoo ik niet in den dienst der natuur had gestaan, ik mij aan de kunst of aan de literatuur had kunnen wijden’ (Moleschott, 1895, p. 183).

Literair werk

Hij verdiept zich in de Duitse vrijzinnige natuuronderzoeker en antropoloog Georg Forster (1754-1794), die al jaren een “held” voor hem is, een leermeester, en een ideaal, waarmee hij zich kan identificeren.

Portret van Jakob Dubs, 1861 (Bron: Wikimedia Commons).

Portret van Jakob Dubs, 1861 (Bron: Wikimedia Commons)

Hoogleraar in Zürich, 1856-1861

In het voorjaar van 1856 verhuist Moleschott met zijn vrouw en hun drie kinderen – Karel, 19 juli 1851; Marie, 30 mei 1853; Herman, 5 februari 1856 – naar Zürich. In deze periode is Moleschotts gezin het kernpunt van zijn leven. Wat zijn werk betreft, is het eerste jaar zwaar, omdat hij het doceren is ontwend - hij heeft anderhalf jaar geen colleges gegeven - en het laboratorium slecht ingericht blijkt te zijn, zodat hij van alles wat voor gewone proeven nodig is, moet aanschaffen. Per week geeft hij tien uur fysiologiecollege en dagelijks twee uur practicum. Verder werkt hij aan zijn antropologie en vraagt zijn medische praktijk ook veel tijd. Bij dit alles komt nog de jaarlijkse uitgave van de Untersuchungen. Bovendien moet hij zijn inaugurele rede voorbereiden, die hij houdt op 21 juni 1856.

In de opdracht van zijn inaugurele rede Licht und Leben, die hij aan zijn vader wijdt, kan hij het niet laten een schampere opmerking te maken over de gebeurtenissen in Heidelberg: ‘U boven allen zou ik het juichend verkondigen, hoe veel het vrije Zürich mij terug gaf, nadat ik door de botsing met de door priesterhaat aangestookte Badensche regering en dier wilvaardig werktuig, den Heidelberger senaat, te midden eener leergierige jeugd, in de bekoorlijke plaats, wie ik zoo veel genot nooit vergeten zal, ook veel en smartelijk had moeten ontberen’. Zijn rede gaat over 'licht en leven' in verband met zijn onderzoeken omtrent de invloed van het zonlicht op de stofwisseling van het dierlijk organisme. Dieren scheiden in het licht meer koolzuur uit dan in het donker. Hierbij schroomt hij niet zijn atheïstische en materialistische principes uiteen te zetten.

Tegen het eind van zijn oratie bedankt hij in het bijzonder Jakob Dubs die hem het leraarsambt weer teruggaf: ‘Vergun mij, hooggeëerde heer Dubs, dat ik u, den voorzitter van den opvoedingsraad, openlijk beken, dat ik op het vaste vertrouwen, waarmede gij mij naar deze plaats geleid hebt, nog trotscher ben, dan op het wantrouwen van al die genen, die mij van ruwheid beschuldigen, omdat ik nu eenmaal hunnen weg niet bewandelen kan, of het voor onwetendheid verklaren, wanneer ik niet van zins ben, hunne van jaar tot jaar wisselende magtspreuken blindelings te volgen’. Hij dankt ook de studenten voor het vertrouwen, waarmee zij hem ontvangen hebben. ‘Laten wij de voorbeelden vermeerderen, waarmee meesters en leerlingen als kameraden met elkander leefden, als kameraden van het vrije, zelfstandige onderzoek … Zoo moge dan de vrijheid van het onderzoek voor ons te allen tijde bestaan uit moed om te denken, trouw van overtuiging en verdraagzaamheid’ (Moleschott, 1989, p. 69-70).

Gedurende zijn privaatdocentschap in Heidelberg heeft Moleschott zich tot een verdienstelijk en consciëntieus docent en onderzoeker ontwikkeld. In zijn fysiologisch onderwijs besteedt hij veel aandacht aan algemeen fysiologische werken en aan zijn materialistische opvattingen. Hij is zeer goed op de hoogte van de internationale vakliteratuur en weet door eigen onderzoek en van tijdgenoten welke vragen er in de fysiologie van die tijd aan de orde zijn. In Zürich behandelt hij de moeilijkste onderwerpen tijdens zijn colleges en betrekt hij zijn studenten bij zijn experimenteel fysiologisch onderzoek. Zo geeft hij bijvoorbeeld embryologiecolleges en laat zijn studenten aan de hand van praktisch onderzoek van kuikenembryo’s zien hoe het embryo zich ontwikkelt. Uit eigen ervaring weet hij hoe onbevredigend een zuiver theoretisch embryologiecollege is.

Zijn vakbekwaamheid blijkt o.a. uit zijn artikelen in zijn eigen tijdschrift Untersuchungen – waarin ook de resultaten van de bijdragen van de studenten aan het onderzoek gepubliceerd worden - en in de nieuwe uitgaven van zijn grote werken. Zo verschijnt in 1857 de derde editie van Der Kreislauf, aangevuld met recente fysiologische gegevens, en in 1859 de geheel herziene uitgave van zijn Physiologie der Nahrungsmittel. Met dit Handbuch der Diätetik levert hij een belangrijke bijdrage aan de voedingsleer van zijn tijd.

Portret (litho) van Gottfried Semper, door Franz Hanfstaengl, 1848 (Bron: Wikimedia Commons)
Semper

Portret (litho) van Gottfried Semper, door Franz Hanfstaengl, 1848 (Bron: Wikimedia Commons)

Portret van Georg Herwegh, schilderij door Conrad Hitz (Bron: Wikimedia Commons)
Herwegh

Portret van Georg Herwegh, schilderij door Conrad Hitz (Bron: Wikimedia Commons)

Het culturele leven in Zürich

Zürich biedt de Moleschotts volop gelegenheid om aan het culturele leven deel te nemen. Ze leren de Oostenrijks-Hongaarse musicus Franz Liszt (1811-1886) kennen, die Zürich bezoekt om Richard Wagner (1813-1883) te ontmoeten. Liszt musiceert ook in huiselijke kring zoals bij Herwegh of bij hen thuis. ‘Niet alleen hoorden wij hem spelen, maar ook redeneeren. Het waren onvergetelijke uren, die ons in Rome nogmaals zouden te beurt vallen’ (Moleschott, 1895, p. 199). Vooral in de zomermaanden zijn er allerlei kunstenaarsfeesten. Op avondjes bij hoogleraren wordt Shakespeare gespeeld en gedeclameerd, en Richard Wagner draagt voor uit de Nibelungen.

Portret van Ludovico Ariosto door Titiaan, circa 1488/1490-1576 (Bron: Wikimedia Commons)
Ariosto

Portret van Ludovico Ariosto door Titiaan, circa 1488/1490-1576 (Bron: Wikimedia Commons)

Jac. Moleschott, Die Einheit des Lebens (1864)
Die Einheit des Lebens

Jac. Moleschott, Die Einheit des Lebens (1864)

Hoogleraar in Turijn, 1861-1879

In 1861 wordt Moleschott benoemd tot hoogleraar in de fysiologie aan de Hogeschool van Turijn. Hij aanvaardt zijn hoogleraarschap met de oratie Zur Erforschung des Lebens. In de daarop volgende jaren houdt hij bij de opening van het academisch jaar een populair-wetenschappelijke lezing: Die Grenzen des Menschen (1862), Die Einheid des Lebens (1863), Natur und Heilkunde (1864), Pathologie und Physiologie (1865), Ursache und Wirkung in der Lehre vom Leben (1867) en Von der Selbststeuerung im Leben des Menschen (1871).

Jac. Moleschott, *Ursache und Wirkung in der Lehre vom Leben* (1867)
Ursache und Wirkung in der Lehre vom Leben

Jac. Moleschott, Ursache und Wirkung in der Lehre vom Leben (1867)

Von der Selbststeuerung im Leben des Menschen,1871
Von der Selbststeuerung im Leben des Menschen

Jac. Moleschott, Von der Selbststeuerung im Leben des Menschen (1871)

Jac. Moleschott, *Der Kreislauf des Lebens* (vierde uitgave, 1863)
Der Kreislauf des Lebens

Jac. Moleschott, Der Kreislauf des Lebens (vierde uitgave, 1863)

Zijn colleges worden goed bezocht, waarbij hij veel aandacht besteedt aan de experimentele fysiologie, met name embryologie en fysiologische scheikunde, en zijn laboratorium wordt intensief gebruikt. Hij beschikt zelfs over twee assistenten en een bediende. In zijn medische praktijk behandelt hij maandelijks twee à driehonderd patiënten. Uit dit alles blijkt dat Moleschott in Turijn een druk leven heeft en in de achttien jaar die hij aan de Turijnse universiteit verbonden is, verzet hij veel werk en publiceert hij jaarlijks twee à drie artikelen. In 1863 verschijnt de vierde uitgave van Der Kreislauf, wederom aangevuld met de nieuwste bevindingen op het gebied van de fysiologie.

Karl Robert Darwin, 1883

Jac. Moleschott, Karl Robert Darwin : Denkrede gehalten im Collegio Romano im Namen der Studirenden der Hochschule zu Rom (1883)

Hoezeer Moleschott wordt erkend als Italiaans staatsburger blijkt onder meer uit het feit dat hij in 1886 de Italiaanse regering officieel vertegenwoordigt bij de viering van het vijfhonderdjarig bestaan van de universiteit van Heidelberg en in 1888 bij het afscheid van Donders van de Universiteit Utrecht, waar hij een feestrede houdt, die gepubliceerd is in De Gids, jaargang 52, p. 201-222. In 1889 onthult hij het standbeeld van de Italiaanse filosoof en vrijdenker Giordano Bruno, dat dankzij Moleschotts bemoeienis tot stand gekomen is.

Naast zijn officiële werk heeft Moleschott ook nog allerlei praktische en sociale bezigheden die hem afleiden van het verlies van Herman. Ook zijn vrouw Sophie lijkt zich geleidelijk te herstellen. Veel vrienden en kennissen die Italië en Rome bezoeken komen naar de familie Moleschott en worden gastvrij ontvangen. Een jaar voordat Moleschott met emeritaat zal gaan, treft hem het zwaarste verlies, Sophie pleegt zelfmoord. Zij is altijd heimwee naar Duitsland blijven houden en was al een paar jaar depressief. Na de dood van hun twee dochters, is ze de dood van Herman niet te boven gekomen. Moleschott verwoordt zijn verdriet in een brief aan de dochter van Van Deen: ‘Er is maar een woord dat aan mijn gevoel beantwoord: ik zou niet zo ongelukkig zijn, indien ik niet zoo hoogst gelukkig geweest ware’.

Portretfoto van dochter Elsa Patrizi-Moleschott (Bron: R.J.Ch.V. ter Laage, *Jacques Moleschott* (1980, p. 95)
Dochter Elsa Patrizi-Moleschott

Portretfoto van dochter Elsa Patrizi-Moleschott (Bron: R.J.Ch.V. ter Laage, Jacques Moleschott (1980, p. 95)

Portretfoto van Angelo Mosso (Bron: Wikimedia Commons)
Mosso

Portretfoto van Angelo Mosso (Bron: Wikimedia Commons)

Jacobus Moleschott (uit: *De Dageraad*, 1906)
Moleschott

Jacobus Moleschott (uit: De Dageraad, 1906)

Jubileumviering, 1892

Moleschott gaat weer aan het werk en bereidt zijn feestrede voor ten behoeve van zijn vijftigjarig jubileum, dat groots gevierd wordt op 16 december 1892. Alle redevoeringen - van de internationaal bekende fysioloog Angelo Mosso (1846-1910), de schrijver Gabriele d'Annunzio (1863-1938), Giuseppe Colasanti (1846-1903), een van Moleschotts naaste medewerkers in Rome, Moleschott en anderen - zijn opgenomen in In Memoria di Jacopo Moleschott dat in 1894 verschijnt. Hierin zijn ook een necrologie van Cesare Lombroso en een ‘in memoriam’ van Piero Giacosa (1853-1928), hoogleraar geneeskunde in Turijn, opgenomen. Van de Italiaanse koning ontvangt hij de ridderorde van Burgerverdienste.

Ook Nederland blijft niet achter bij deze viering. Hij krijgt een erelidmaatschap van de Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst (KNMG). Vrijdenkerskringen eren hem met een jubileumnummer van het tijdschrift De Dageraad ter gelegenheid van zijn zeventigste geboortedag met bijdragen van beroemde tijdgenoten zoals de Duitse fysioloog en fysicus Hermann von Helmholtz (1821-1894), de Franse geograaf en anarchist Elisée Reclus (1830-1905) en Cesare Lombroso, die Moleschott van harte feliciteren met zijn baanbrekende activiteiten. Professor A.A.G. Guye schrijft in het Nederlandsch Tijdschrift voor Geneeskunde ‘eenige woorden van hulde en waardering’ (1892, II, p. 325-327) en professor B.J. Stokvis schrijft een eerbetoon aan Moleschott in De Gids, jaargang 56, p. 339-352.

Overlijden van Moleschott, 1893

Na zijn emeritaat komt hij nog maar zelden in zijn laboratorium. Hij werkt veel aan zijn autobiografie Für meine Freunde. Lebens-Erinnerungen, die in 1894 postuum, maar onvoltooid, wordt gepubliceerd door zijn dochter Elsa Patrizi-Moleschott, en publiceert nog een artikel in de Untersuchungen.