1994: Nietzsche over de menselijke natuur

Op vrijdag 9 december 1994 promoveerde Joep (Longinus J.) Dohmen op zijn studie Nietzsche over de menselijke natuur: een uiteenzetting van zijn verborgen antropologie aan de Universiteit voor Humanistiek te Utrecht. Een handelsuitgave van het proefschrift verscheen bij Kok Agora in Kampen.

Voorzijde omslag van Longinus J. Dohmen, Nietzsche over de menselijke natuur: een uiteenzetting van zijn verborgen antropologie. - Kampen: Kok Agora, 1994.

Voorzijde omslag vanLonginus J. Dohmen,Nietzsche over de menselijke natuur: een uiteenzetting van zijn verborgen antropologie. -Kampen: Kok Agora, 1994, met portret van Nietzsche door Chris Buursen.

Begin van het voorwoord (p. 5) van Longinus J. Dohmen, Nietzsche over de menselijke natuur: een uiteenzetting van zijn verborgen antropologie. - Kampen: Kok Agora, 1994.

Begin van het voorwoord (p. 5) vanLonginus J. Dohmen,Nietzsche over de menselijke natuur: een uiteenzetting van zijn verborgen antropologie. -Kampen: Kok Agora, 1994.

Het voorwoord begint - voor een proefschrift - ongebruikelijk:

Dit boek komt voort uit irritatie. (p. 5)

Het boek is geschreven uit 'onvrede over de onduidelijke betekenis van belangrijke delen van Nietzsches filosofie'. Aan de ene kant is er het debat over Nietzsche als antihumanist (omdat hij stelde dat het 'subject' een fictie is) en anderzijds is er het dilemma van Nietzsche als determinist én als filosoof van 'vrijheidspathos', waarbij hij er bovendien elitaire opvattingen op na hield over 'heren' en 'slaven'. Dohmen vond het de hoogste tijd het werk te begrijpen en verduidelijken.

Gesteld kan worden dat Nietzsche zich in het algemeen kritisch opstelt tegenover elke metafysische antropologie of naturalistische psychologie waarin op enigerlei wijze sprake is van een zogenaamd eeuwig geldige menselijke natuur. (p. 13)

Nietzsche presenteerde met zijn driftenleer en zijn fysio-psychologie een dynamisch, pluralistische antropologie, maar zijn werk is zeer verschillend geïnterpreteerd en de oorzaak ligt in het werk zelf.Belangrijke opmerkingen over wil, drift, bewustzijn, wil tot macht worden meestal terloops gebracht en zijn visie vinden we bovendien uitvoeriger behandeld in zijn nagelaten (dus niet door hemzelf gepubliceerde) werk.

Nietzsche heeft zeker geprobeerd te voorkomen dat men hem verkeerd zou interpreteren. Maar hij heeft bepaald niet bevorderd dat men hem goed zou interpreteren. (p. 21)

Ontnam Copernicus de mens zijn centrale plaats in het universum, ontzegde Darwin de mens zijn positie als kroon op de schepping en zei Freud dat de mens geen bewust handelend wezen is, maar ten prooi valt aan zijn libido - Nietzsche vond de mens 'meer aap dan welke aap ook'.

Nietzsche heeft in zijn genealogische beschouwingen fundamentele kritiek uitgeoefend op de metafysische, morele en religieuze grondslagen van de westerse cultuur. (p. 23)

In het eerste hoofdstuk over 'Nietzsches historische filosofie' gaat Dohmen in op zijn opvatting van de werkelijkheid als 'worden':

De late Nietzsche heeft in zijn leer van de wil tot macht in 'de meest algemene vorm' het eeuwige worden voorgesteld. In die voorstelling resulteert de wereld als een veranderende werkelijkheid uit een verzameling eeuwig op elkaar inwerkende machtswillen. [...] In zijn psychologische beschouwingen heeft Nietzsche gepoogd om de mens als een veelheid van driften, later van willen-tot-macht te duiden, waarmee door hem de mens als een fundamenteel dynamisch en veranderlijk (historisch), veelzijdig en in zekere zin toch homogeen wezen in het licht wordt gesteld. Daarmee presenteert hij een nieuw type identiteitsfilosofie. (p. 48)

In het volgende hoofdstuk toont Dohmen dat Nietzsche het begrip 'wil' verwerpt en vervangt door 'drift'. Deels kwam zijn opvatting voort uit zijn kritiek op Schopenhauer:

Hij wijst de metafysische status van de oerwil af. (p. 58)

Ook wijst hij bijvoorbeeld de opvatting af dat het individu streeft naar zelfbehoud; het grondkarakter van de wil is volgens Nietzsche het streven naar 'macht en meer macht'. Nietzsches deterministische gedachten zijn geen bevestiging van absolute wetten:

Nietzsche heeft juist grote inspanningen verricht om de mens los te weken uit zogenaamd absoluut geldige en onveranderlijke systemen. Van zulke ordeningen is de mens vrij. (p. 67)

Maar ook de vrijheid is niet absoluut, want de mens wordt eerder 'gedaan' dan dat hij 'zelf doet'; dit hangt samen met de wil-tot-macht:

Tegenover de autonome wil als oorzaak van het menselijk handelen stelt Nietzsche een mechanisme van driften die op elkaar inwerken en waarvan de handeling dan het gevolg is. (p. 76)

Het gaat dus niet om wilsbegrip, maar om driftbegrip.In het hoofdstuk over 'Nietzsches verborgen driftenleer' komen zaken aan de orde als 'het beeldspraak-karakter van Nietzsches driftenleer', 'de intentionaliteit van de drift', 'de strijd tussen de driften, 'handelen als ontlading van drift' en 'Nietzsches derde weg'.

Het accent van Nietzsches kritiek geldt het idealisme. In antropologisch opzicht gaat het hem om een kritiek op de these dat het menselijk handelen zich zou voltrekken vanuit een doelbewuste opzet. Nietzsche ziet de spinozistische ontmaskering van vermeende doelmatigheid als een beslissende stap in de filosofie. (p. 167)

De mens wordt niet gedreven door de wil, de rede, de lust,

maar wel de drift, zij het niet een eeuwige drift, zoals zelfbehoud, seksualiteit of eigenbelang. (p. 187)

De mens is een 'kracht- of energiewezen' dat zich steeds moet ontladen:

de mens is een veelheid van levende, stuwende én sturende krachten. (p. 188)

Driften vechten om hun 'voeding' en willen andere driften assimileren. Ze zijn onderling fundamenteel aan elkaar gerelateerd:

De identiteit van een drift wordt bepaald door de rol die zij binnen de organisatie van de driften inneemt. (p. 188)

Het lichaam is een 'systematisch georganiseerde veelheid van driften'. In zijn denken over het begrip 'kracht' maakte Niezsche een lange ontwikkeling door, waarbij het het materiebegrip laat vallen voor het krachtbegrip; een tijdlang zag hij het streven naar lust als 'een motiverende factor'.

De late Nietzsche heeft in zijn leer van de machtswillen aan de werkzame kracht niet alleen intelligentie, maar bovendien opnieuw gewaarwording toegekend. (p. 235)

Vanaf 1885 gaat het krachtbegrip (ontleend aan zijn studies van de natuurwetenschappen) op in het begrip 'wil tot macht'.

Evenmin als bij het driftbegrip geeft Nietzsche een keurige definitie van kracht. (p. 250)

Hij kent aan 'kracht' wel verschillende eigenschappen toe: intelligentie, ontlading en ordening.

De noodzakelijke verandering wordt door Nietzsche hier bepaald als het resultaat van een ordenende macht die inherent is aan elke kracht, op grond waarvan elke kracht andere krachten probeert te onderwerpen. De lezer herkent hierin ongetwijfeld het dubbelaspect van gehoorzamen en bevelen dat bij het driftbegrip aan de orde was. (p. 254)

Kracht is eindig en begrensd. De tijd waarin de kracht werkzaam is, is echter oneindig. Daardoor is er een eeuwig veranderingsproces; het aantal toestanden en combinaties is groot, maar niet zo dat er oneindig veel nieuwe toestanden zijn.

Daaruit volgt dat een bepaalde krachtenwereld met haar vele krachttoestanden zich eeuwig zal herhalen in een circulaire eeuwige terugkeer van hetzelfde. (p. 255)

Het vijfde hoofdstuk behandelt 'Nietzsches verborgen denken over macht':

Het thema van de macht speelt zo'n vitale rol in Nietzsches oeuvre dat hij als machtsdenker bij uitstek moet worden gekwalificeerd. (p. 269)

Kennis is 'het zichtbaar maken van de voortdurend veranderende werkelijkheid'. Interpretaties worden als waarheden gezien. Achter alle wetenschap schuilt 'de angst voor het onberekenbare'. Nietzsches denken over de werkelijkheid in termen van macht is deels gevoerd door een kritische lezing van Charles Darwins evolutietheorie, die hij op punten tegenspreekt: hij gelooft niet in het vooruitgangsdenken dat aan de aanpassing van de soort ten grondslag ligt én hij verzet zich tegen de drift tot zelfbehoud; hij ziet een andere strijd:

een streven naar macht, naar overwicht. (p. 292)

Macht wordt omschreven als 'bezitten', als 'overheersen', als 'groeien', als 'geladen zijn' en als 'vorm geven' en meestal wil macht alles tegelijkertijd. Daarbij hoont Nietzsche de wereldse macht van hen die de slaaf zijn van hun bezit, bewonderaars of goede smaak. Nietzsches morele voorkeur ligt bij de autarkie.Macht is zelfmacht.

De waarlijk machtige naturen zijn veeleer juist diegenen die in de wereld 'geen vinger roeren', de 'emigranten' die in de marge van de samenleving een onafhankelijk, eigen bestaan proberen op te bouwen. (p. 303)

Met het zesde hoofdstuk verkent Dohmen 'het dynamisch pluralisme van de willen-tot-macht'. De vele notities van Nietzsche laten zien dat hij worstelde met zijn theorie: aan de ene kant rept hij van een te schrijven boek, aan de andere kant noteert hij dat alleen nog voor zichzelf schrijft aan zijn visie op het levensraadsel:

leven is wil tot macht. (p. 349)

Maar daarachter gaat een complexe werkelijkheid schuil waarin een 'slaaf' zowel slaaf als heer kan zijn en zelfs heer en slaaf tegelijk, afhankelijk vanuit welk perspectief men hem beziet. Er is een 'continue overweldiging vanwege de willen-tot-macht' en die noemtNietzsche 'de zelfoverwinning van het leven'.

De wil tot macht denkt en voelt heeft affecten. (p. 389)

Het zevende hoofdstuk gaat in op 'Nietzsches visie op de mens als wil tot macht'. In zijn kritiek op de psychologie van de mens stelt Nietzsche:

Het lichaam stuurt de geest. (p. 425)

Hij werkt ook aan een betekenis van de term 'ziel', maar concludeert:

De ziel als substantieel subject is niet bepalend voor de eenheid van de mens. De eenheid van de mens is gelegen in een veelheid van subjecten. Elk subject is veranderlijk en sterfelijk. De veelheid van subjecten is op een bepaalde manier georganiseerd tot een eenheid. Niet het bewustzijn maar de veelheid van subjecten bepaalt het menselijk denken en handelen. (p. 429)

Het laatste hoofdstuk van Dohmens boek behandelt 'Nietzsches pleidooi voor een tweede natuur'.

Als we Nietzsche mogen geloven betekent de dood van God een fundamentele cesuur in de westerse cultuur. (p. 458)

De postmoderne mens beseft dat er geen absoluut geldige waarheid meer is: eeuwig geldige feiten en normen zijn historische contingenties gebleken. Nietzsches filosofie presenteert een algemeen beeld van de 'noodzakelijke voortgang van mens en wereld en hij spreekt daarbij een voorkeur uit voor een bepaald soort ontwikkeling. In die zin bedreef hij ook een 'praktische filosofie'. Als we metafysica afzetten tegen Nietzsches dynamica krijgen we de volgende paren: eeuwige kosmos wordt bij Nietzsche: veranderlijke chaos; orde van zijnden wordt: gebeuren; natuurwetten worden: complexe hiërarchie; oorzaken worden: willen-tot-macht; toeval wordt: noodzaak; en opzet wordt: machtwillen. De mens is zijn noodlot; de gedachten zijn niet vrij:

Nietzsche heeft de verdedigers van de vrijheid altijd en overal bestreden. Er bestaat geen vrije wil op grond waarvan de mens causa sui is, de rede blijft altijd instrumenteel. (p. 461)

De inzet van zijn praktische filosofie is dat de postmoderne - gebonden, zieke, zwakke - mens moet worden bevrijd, hij moet weer gezond en sterk worden. Het is een permanent wordingsproces, een oefening in zelfwording, teneinde een tweede natuur te bereiken:

Het nieuwe opvoedingsparool van Nietzsches gezondheidsleer is, te worden wat je bent.[...] Uiteindelijk doel van Nietzsches nieuwe pedagogie is een vorm van autarkie, waarbij niemand anders dan het individu zelf de baas geworden is over de onophefbare, chaotische en veranderlijke veelheid van driften of machtswillen die hij is.(p. 463-464)

Zelfregulering is kenmerkend voor ons innerlijk leven.

De hogere mens die Nietzsche voor ogen stond, is een wezen met een enorme spankracht. (p. 488)

Titelpagina van Longinus Josef Maria Clemens Dohmen, Nietzsche over de menselijke natuur: een uiteenzetting van zijn verborgen antropologie. - Kampen: Kok Agora, 1994 (proefschrift-editie).

Titelpagina vanLonginus Josef Maria Clemens Dohmen,Nietzsche over de menselijke natuur: een uiteenzetting van zijn verborgen antropologie. -Kampen: Kok Agora, 1994 (proefschrift-editie).

Rug van Longinus Josef Maria Clemens Dohmen, Nietzsche over de menselijke natuur: een uiteenzetting van zijn verborgen antropologie. - Kampen: Kok Agora, 1994 (proefschrift-editie).

Rug vanLonginus Josef Maria Clemens Dohmen,Nietzsche over de menselijke natuur: een uiteenzetting van zijn verborgen antropologie. -Kampen: Kok Agora, 1994 (proefschrift-editie).