2007: Tegen de onverschilligheid

In 2007 verscheen van Joep Dohmen bij uitgeverij Ambo, Amsterdam, de uitgave Tegen de onverschilligheid: pleidooi voor een moderne levenskunst. Het motto is ontleend aan Albert Camus: 'Het valt niet mee te worden wie je bent'. Enkele hoofdstukken verschenen eerder in Vrij Nederland (2001), het Tijdschrift voor humanistiek(2005) of in bundels, zoals als Links Nietzscheanisme (2000) en Gevoel zonder grenzen (2000). De bundel Tegen de onverschilligheid werd verschillende keren herdrukt: een tiende en een elfde druk verschenen in 2011.

Behalve een pleidooi tegen onverschilligheid is dit boek een pleidooi voor de levenskunst.

In het voetspoor van de Franse filosoof Michel Foucault heeft zich recentelijk de actuele filosofie van de levenskunst ontwikkeld. Deze filosofie is op zoek naar het antwoord op de vraag: hoe moet ik leven? Daarmee is zij een nieuwe vorm van morele educatie. (p. 9)

Volgens Dohmen ligt zelfrespect aan de basis van de moraal en is zelfzorg meebepalend voor de kwaliteit van leven. Hoewel er tekenen genoeg zijn dat veel mensen niet kunnen omgaan met de moderne vrijheden, zegt Dohmen:

Vrijheid is geen uitgangspunt maar een opdracht en moeizame verworvenheid. [...] Temeer omdat vrijheid ook een positieve dimensie heeft, de kwaliteit van ons leven. Wat een goed leven is, staat echter niet langer aan de hemel geschreven. Het volgt evenmin (rechtstreeks) uit sociale arrangementen, laat staan uit wat de markt te koop aanbiedt. De moderne mens kan dus niet anders dan zelf op zoek gaan naar wat in het leven werkelijk van belang is. (p. 11)

Het proces van zelfsturing, de aard van het goede leven en de rol van het individu staat centraal in de discussies. Dit boek wil een houvast bieden voor het handelen, een eenheid bieden aan onze persoonlijke ervaring en de motivatie stimuleren. In de eerste twee hoofdstukken wordt ingegaan op het programma van levenskunst en zelfzorg. Traditionele levensbeschouwingen boden houvast, maar:

De moderne antipaternalistische tijdgeest erkent echter geen morele en levensbeschouwelijke autoriteiten (p. 20).

De mens moet zelf zijn keuzes maken, maar het ontbreekt hem aan 'nieuwe zekerheden'.

Levenskunst wordt opgevat als een langdurig, complex, individueel leerproces waar verantwoordelijkheid, bewust leven, eigen waarden, expressie, volharding en plooibaarheid deel van uitmaken. (p. 22)

Het programma luidt daarom: 'ken jezelf', 'ontwikkel daadkracht', 'maak verschil', 'kies het juiste ogenblik'en 'let op de context'. Dat gaat via zelfbeheer (wie ben ik? wat kan ik?) en via evaluatie (wat is voor mij het goede leven?).

Zelfzorg verwijst naar kwaliteit, naar leven vanuit je zelf, vanuit een eigen rangorde van waarden, kortom: naar authenticiteit. (p. 43)

In het derde (polemische) hoofdstuk zet Dohmen zich af tegen bepaalde vormen van pretentieuze, narcistische en populaire levenskunst, zoals positief denken ('zo maakbaar is het leven niet'), zelfmanagement, lifestyle (marktconform handelen heeft niets met authenticiteit te maken), actueel hedonisme, zenboeddhisme of new age (een 'quasinatuurwetenschappelijk wereldbeeld'). De levenskunst gaat niet uit van een vast wereldbeeld:

zij houdt rekening met de veranderlijkheid en dynamiek van de cultuur en onthoudt zich van algemene aanbevelingen of een universele norm van het goede leven, bijvoorbeeld 'geluk'. (p. 52-53)

Levenskunst heeft niet klachtenbestrijding of bevordering van plezier als doelen.

Dohmen doet verslag van de klassieke bronnen over levenskunst: Socrates (zelfkennis), Plato (spirituele levenskunst), Aristoteles (deugdethiek), Epicurus (hedonisme), de Stoa, de cynici, de sceptici en de christelijke levenskunst, en bij die laatste zien weeen overgang van een vita activa naar een vita contemplativa, zij het met hetzelfde doel: zielenrust. Op de overgang van het (pre)moderne naar het laatmoderne denken van onze tijd staat Nietzsche. Hij staat aan de wieg van de ethiek van authenticiteit.

In navolging van een lange wijsgerige traditie heeft Nietzsche ervoor gepleit dat mensen aan hun leven een eigen vorm geven en er een kunstwerk van maken. (p. 118)

Het gaat er bij hem om 'te worden wie je bent' en dat impliceert een minder contemplatieve en meer actieve vorm van levenskunst. Het gaat niet alleen om zelfkennis, maar ook om zelfstilering via 'een gestaag en duurzaam zelfonderhoud', om reflectie én oefening. De actualiteit van Nietzsche ligt in zijn vaststelling dat:

de late moderniteit gebrek heeft aan een eenduidig moreel kader. Er heerst een pluralisme van waarden. [...] Veel zogenaamd authentiek gedrag wordt eerder gekenmerkt door impulsiviteit, instrumentaliteit, onverschilligheid en plat egoïsme. (p. 125)

Daarin stemt zijn visie overeen met die van een hedendaags denker als Charles Taylor. Rationale zelfbeschikking domineert de moderniteit:

Op de eerste plaats vinden onze keuzes niet plaats in een onmaatschappelijk vacuüm. Veel alledaagse keuzes zijn in zekere zin voorgeprogrammeerd, aangezien bij een terugtredende overheid de markt domineert. Ondersteund door een overweldigende technologie wordt onze individuele levensstijl aan het eind van dit millennium verregaand beheerst door instrumentele rationaliteit, met name vanwege de verleidingsstrategieën van de markt. [...] Op de tweede plaats voltrekt zich onze keuzevrijheid onder laatmoderne condities [...] er zijn zoveel keuzemogelijkheden dat we niet meer goed kunnen overzien wat voor ons van geval tot geval de beste is. (p. 127)

Dohmen vraagt zich daarbij af:

Maar vanuit welke waarde en vanuit welk criterium wordt vandaag beslist wat hier en nu de goede keus voor mij is? (p. 128)

Nietzsches alternatieve moraal - het herstel van het individuele zelfrespect - is actueel: we moeten een 'authentiek leven op soevereine grondslag' leiden. Maar Nietzsche besteedt daarbij weinig aandacht aan de vorming én hij verwaarloost diegenen die zich niet ontwikkelen tot 'heren' dankzij een eigenzinnig streven:

De lezer ontkomt niet aan de vraag: en hoe zit het met de rest? (p. 129)

In 'onze neoliberale tijdgeest' wordt autonomie soms opgevat als zelfbeschikking en zelfs als zelfredzaamheid, maar dat staat haaks op de condition humaine: mensen zijn geen eenzelvige wezens, ze zijn op anderen aangewezen. Dohmen onderzoekt een nieuw concept van autonomie, na eerst de concepten van Henk Manschot (socratische autonomie), Foucault (relatieve autonomie) en Pierre Hadot (zelfoverstijging, transcendentie) te bespreken.

De kritiek van Foucaults leermeester Pierre Hadot ging in op het doel van de klassieke ethiek, dat volgens hem niet de vrijheid en autonomie van het individu was. Het ging om 'de overstijging van het zelf':

De mens moet naar de diepte of de hoogte (wat in kosmisch verband niet uitmaakt). In algemene zin gaat het om een spirituele levenskunst waarin een fundamentele verandering, een innerlijke transformatie van het individu plaatsvindt. (p. 144)

Daarbij ging het om vier aspecten: wijsheid (geen subjectieve zienswijze), ordelijk deel uitmaken van de kosmos, een moreel verband met andere mensen en innerlijke transformatie. In de opvatting van Manschot is autonomie tegenwoordig teveel gezien als 'niet -inmenging', desinteresse in anderen en zelfoverschatting. Dohmen vindt dat hij onduidelijk is over het verband tussen niet-inmenging en betrokkenheid, dat hij ambivalent staat tegenover zelfbeheer en dat zijn alternatief, de socratische autonomie, te weinig spiritueel is.

Hoe problematisch concepten als niet-inmenging en niet-schaden ook mogen zijn, humanisten moeten zich blijven verzetten tegen de onrechtvaardigheid die in vele openlijke en verborgen vormen van onterechte machtsuitoefening, paternalisme en bevoogding optreedt. (p. 150)

Daarbij staat het humanisme kritisch tegenover te hoge verwachtingen bij de maakbaarheid van het leven.

Levenskunst is geen egoproject maar verwijst eerder naar een vorm van zelfbeheer waardoor egoïsme, onverschilligheid en rancune juist minder waarschijnlijk worden. (p. 153)

Dohmen vindt bij Hadot de noodzakelijke spirituele dimensie:

Zelfbeheer als bewustzijnsverruiming betekent dat men zichzelf voortdurend op het spel zet. Alleen wie in staat is om als het ware telkens een ander mens te worden en de wereld met nieuwe ogen te bezien, kan intens leven in het hier en nu. (p. 156-157)

Dohmen vindt echter Hadots 'verticale transcendentie' problematisch en kiest voor een 'horizontale transcendentie':

in de onderlinge dialoog tussen mensen 'toont zich' dat men een belangrijke waarde moet laten vallen of juist op zich moet nemen. Dáárin overwint iemand zichzelf. (p. 157)

Voor zijn gedachten over authenticiteit als levenshouding gaat Dohmen te rade bij de Canadese filosoof Charles Taylor, voor wie echtheid of authenticiteit het belangrijkste morele ideaal van onze tijd is. Het heeft te maken met trouw, echtheid en oprechtheid en het is een taak, een opdracht in het leven. Taylor legt daarbij de nadruk op het respect voor personen, het individuele ontwerp van een zinvol leven en tenslotte op erkenning en waardering, waarbij men zich uitdrukkelijk moet verhouden tot 'heersende betekenishorizons en morele kaders'. Dohmen zet zich af tegen de liberale en tegen de conservatieve interpretaties van authenticiteit en individualisme.

Het achtste hoofdstuk van het boek draagt dezelfde titel als het geheel: 'Tegen de onverschilligheid', het is een schets van de actuele liberale tijdgeest. Dohmen vat de portee van dit hoofdstuk in zijn inleiding samen:

Ik pleit voor levenskunst en geef een andere uitwerking van mijn levenskunstethiek. Zelfkennis, handelingsbekwaamheid, waarderen, tijdelijkheid en gesitueerdheid zijn de samenhangende concepten van de zorg voor zichzelf. Deze levenskunst vormt mijn remedie tegen de mythe van de autonomie en de plicht *tot geluk.** (p. 15)

Dohmen verklaart dat we leven in een tijd met

een ruïneus soort moraal van vrijheid-blijheid. [...] We kweken 'grote' ego's met veel rechten en weinig plichten. (p. 197)

Maar het idee van onkwetsbaarheid en onafhankelijkheid is een mythe: vaak zijn mensen juist weerloos en 'op schrijnende wijze' afhankelijk. Vandaar dat echte levenskunst nodig is: die maakt mensen weerbaarder tegen uiteenlopende zaken als het lot, de systeemdruk en concrete machtsclaims van anderen. Dwangmatige geluksstreven leidt tot narcisme en hedonisme, beide 'geluksillusies'.

Ook moderne mensen zoeken diepgang en betrokkenheid, maar ze zullen die niet vinden door een opgelegde religie of moraal. (p. 200)

Levenskunst biedt geen garantie dat we de controle behouden noch dat we de kwaliteit van ons leven voorgoed veiligstellen. Maar ze helpt wel om telkens opnieuw innerlijk orde te scheppen en daarmee een zekere gemoedsrust en vitaliteit te bewaren - in goede maar ook in toekomstige, slechte tijden. (p. 201)

Levenskunst is ook een ethiek van tijdelijkheid. Dan gaat het niet alleen om levensfasen of tempo, maar vooral om het juiste ogenblik om iets te doen of iets te laten. Men moet zijn eigen levensritme zoeken:

levenskunst is leren leven met de continuïteit, discontinuïteit en de eindigheid van ons eigen leven en dat van onze naasten. (p. 219)

Het boek sluit af met een 'Pleidooi voor een moderne vriendschapscultuur', die eruit bestaat dat voor je eigen goede leven relaties met anderen noodzakelijk zijn: partners, collagae en vooral vrienden. Het gedrag van vrienden is veel vrijer dan dat van andere relaties en zijn ingrijpend. Dat heeft te maken met 'vier kardinale deugden': wederzijdse liefde, betrouwbaarheid, moed, zelfrespect. Dohmen ziet voor vrienden drie taken bij de vervulling van de levenskunst. Ten eerste:

vrienden moeten elkaar beschermen tegen de principiële onzekerheid van de menselijke conditie. (p. 280)

Ten tweede helpen vrienden elkaar bij de zoektocht naar het goede leven in almaar veranderende omstandigheden:

Daarom is vriendschap de enige plek waar een intense bemoeizucht is toegestaan. Vrienden moeten elkaar behoeden voor wanhoop en zelfgenoegzaamheid, en bovenal voor slavernij en tirannie. (p. 284)

Ten derde: vrienden zijn nodig voor het duurzaam delen van geluk:

Het goede leven ligt niet in de hemelse vreugde noch in het aardse, zinnelijke genot. Het hoogst bereikbare voor een mens is de zelfoverwinning waarvan je als vriend mag getuigen. (p. 284)

Voorzijde omslag van Joep Dohmen, Tegen de onverschilligheid: pleidooi voor een moderne levenskunst. - Tiende druk. - Amsterdam: Ambo, 2011.

Voorzijde omslag vanJoep Dohmen,Tegen de onverschilligheid: pleidooi voor een moderne levenskunst. - Tiende druk. - Amsterdam: Ambo, 2011.

Achterzijde omslag van Joep Dohmen, Tegen de onverschilligheid: pleidooi voor een moderne levenskunst. - Tiende druk. - Amsterdam: Ambo, 2011.

Achterzijde omslag vanJoep Dohmen,Tegen de onverschilligheid: pleidooi voor een moderne levenskunst. - Tiende druk. - Amsterdam: Ambo, 2011.