2011: De prijs van de vrijheid

In 2011 verscheen bij uitgeverij Ambo De prijs van de vrijheid: denkers en schrijvers over moderne levenskunst van Joep Dohmen en Maarten van Buuren. Van de 10 behandelde auteurs/denkers nam Dohmen er vijf voor zijn rekening: Montaigne, Nietzsche, Foucault, Taylor en Bieri. Het zijn denkers die voor veel van Dohmens overige publicaties relevant zijn. Eerdere versies van de essays werden als hoorcollege gegeven bij het Studium Generale Utrecht. Die werden als audio-CD gepubliceerd in 2010: Levenslot of levenskunst?

Voorzijde omslag van Joep Dohmen en Maarten van Buuren, De prijs van de vrijheid: denkers en schrijvers over moderne levenskunst. - Amsterdam: Ambo, 2011.

Voorzijde omslag van Joep Dohmen en Maarten van Buuren,De prijs van de vrijheid: denkers en schrijvers over moderne levenskunst. -Amsterdam: Ambo, 2011.

Binnenzijde achterflap van Joep Dohmen en Maarten van Buuren, De prijs van de vrijheid: denkers en schrijvers over moderne levenskunst. - Amsterdam: Ambo, 2011.

Binnenzijde achterflap van Joep Dohmen en Maarten van Buuren,De prijs van de vrijheid: denkers en schrijvers over moderne levenskunst. -Amsterdam: Ambo, 2011.

Achterzijde omslag van Joep Dohmen en Maarten van Buuren, De prijs van de vrijheid: denkers en schrijvers over moderne levenskunst. - Amsterdam: Ambo, 2011.

Achterzijde omslag van Joep Dohmen en Maarten van Buuren,De prijs van de vrijheid: denkers en schrijvers over moderne levenskunst. -Amsterdam: Ambo, 2011.

Het thema van de vrijheid loopt als een rode draad door de essays die we hier presenteren. We behandelen een selectie van tien schrijvers en denkers vanuit de vraag wat vrijheid voor hen betekende. Welke speelruimte zagen ze weggelegd voor de mens? Hoe stonden ze zelf in het leven? Welke deugden en waarden wogen voor hen het zwaarst? Bij alle auteurs staat de spanning tussen de individuele mens en de eisen van de samenleving centraal. (p. 10)

Bij Michel de Montaigne(1533-1592) herkent Dohmen de thema's die hij in zijn eigen werk herhaaldelijk aanhaalt:

Het gaat Montaigne er dus in zijn Essays om zichzelf op zo'n wijze te beschrijven dat dit leidt tot inzicht in de wereld en in het eigen zelf. Uiteindelijk is het doel van zijn onderneming om te komen tot zelfaanvaarding, de verzoening met een identiteit die verantwoordelijk, beperkt en eindig is, maar tegelijkertijd een unieke en 'eigen' individualisme representeert. (p. 34-35)

De levenskunst van Montaigne wordt door Dohmen behandeld aan de hand van de thema's: zelfkennis, zelfsturing en zelfaanvaarding, vriendschap, omgang met tijd en eindigheid, goed leven en genieten.

Montaigne wilde zijn leven zo inrichten dat het in overeenstemming was met zijn overtuigingen en idealen en dat gold zowel voor zijn privé als voor zijn publieke, politiek bestaan. Door zijn essays te schrijven kon hij drie typen overtuigingen scheiden:

- de diepste, onvoorwaardelijke overtuigingen;
- de minder sterke, veranderlijke overtuigingen;
- de toevallige gewoonten en losse overtuigingen. (p. 35)

In de essays schreef Montaigne veel over de eindigheid van het bestaan, waardoor het leven en de eigen persoon sterk gerelativeerd werden, maar ondanks de onvolmaaktheid van het leven, wees hij er op dat het leven zo goed mogelijk geleid moet worden en dat het op waarde geschat moet worden. Deze doelen lijken bescheiden.

Toch raken we, als we zijn werk lezen, onder de indruk van de levendige opvatting van praktische wijsheid die eruit spreekt, van de vitaliteit van zijn moraal die openheid en ontvankelijkheid centraal stelt. [...] Montaigne haat de moraal van hoogdravende levenswijsheden waaraan niemand zich kan houden.(p. 39)

Met zijn vitale scepcis, diepgang en tolerantie is hij 'hoogst relevant' voor onze laatmoderne tijd.

Voor Friedrich Nietzsche(1844-1900) - over wie Dohmen zijn proefschrift schreef, Nietzsche over de menselijke natuur (1994)* -*gold het opvoedingsparool dat men moest worden wie men was:

Het laatmoderne leven is een zoektocht naar zin. Daarin gaat het - na de dood van God - om het uitvinden en scheppen van waarden. Het laatmoderneindividu heeft een dubbele taak: emanciperen uit oude, overleefde verbanden en zoeken naar een eigen oriëntatie. De nieuwe opdracht is het creëren van een stijlvol karakter op basis van een eigen rangorde van waarden. (p. 102)

Vrijheid is daarbij een gevolg van een praktisch leerproces teneinde zich van het conformisme te ontdoen. Dat gaat met stappen: via ontbinding, naar rebellie naar een fase als 'tussenmens' en tenslotte naar 'de vrije geest'.

Vrije geesten zijn vaak nog steeds gebonden: aan huwelijk, rang of stand, beroep, partij, staat, levensbeschouwing of ideologie. Leven en samenleven betekent nu eenmaal standpunten innemen, waarderen, zich losmaken en zich verbinden. De vraag is echter steeds waarom je je losmaakt, of waarom en op grond waarvan je je verbindt. De vrije geest is diegene die weigert, afwijkt, verrast, instemt maar op andere gronden, altijd waardeert vanuit zichzelf. Hij gelooft niet in algemene oplossingen voor bijzondere levenssituaties. (p. 105)

Nietzsche zag de mens als een wezen waarin schepsel en schepper zijn verenigd en het leven moest een zekere grootsheid en intensiteit hebben. De onzekerheid van het bestaan moet op een eigen, stijlvolle wijze geaccepteerd worden.

Over de ideeën over levenskunst van Michel Foucault (1926-1984) schreef Dohmen elders, bijvoorbeeld in het Pleidooi voor een nieuwe publieke moraal (2009).

Foucault wilde voorbij het dominante liberalisme zonder zelf in een nieuw paternalisme te vervallen. Hij laat zien dat het verwerven van een eigen levensstijl geen sinecure is, maar dat het hier gaat om het smeden van de diepe samenhang van onze persoonlijkheid. (p. 197)

Vrijheid bestaat binnen een veld van machtsverhoudingen, is gradueel en relationeel en het streven ernaar is een levenslange opdracht.

Vrijheid is belangrijk als noodzakelijke voorwaarde. Maar het leven is een dynamische aangelegenheid waarin om zo te zeggen geen pas op de plaats kan worden gemaakt. We blijven nooit gelijk aan onszelf en bereiken onderweg geen eindpunt. (p. 199)

Alleen door open te staan voor veranderingen en vernieuwingen word je een 'levend kunstwerk', waarbij je niet toewerkt naar een 'grote finale':

Integendeel: de oproep is om te leren leven in het hier en nu. (p. 199)

Charles Margrave Taylor (1931) vindt dat er gezocht moet worden naar:

een geloofwaardige verbinding tussen identiteit, moraal en zingeving die past in een moderne context. (p. 224)

Ons morele handelen wordt gestuurd door het respect voor andermans autonomie, de menselijke waardigheid en denkbeelden over een zinvol leven. De laatste is de meest moderne.

Willen we werkelijk komen tot een zinvol leven onder (laat)moderne condities, dan kan onze vrijheid niet los worden gezien van de morele horizon tegen de achtergrond waarvan ze pas betekenis krijgt. Taylor ontwikkelt daarom een antropologische theorie van de gesitueerde vrijheid. (p. 226)

Dohmen ziet in Taylors werk een verborgen agenda: het gaat om de vraag naar verbondenheid. Condities voor een authentiek leven zijn zijn: contact maken (met ons 'hypergood', de waarden die wij van het hoogste belang achten), koers houden, samenhang articuleren en een radicale zelfreflectie.

We hebben dus een oriëntatie op het goede nodig om een eigen identiteit te hebben en ons leven zin te geven. We moeten met dat goede in contact staan en erbij in de buurt zien te blijven. Dit gegeven moet bovendien verweven worden met inzicht in het eigen leven als een zich ontvouwend verhaal. We krijgen greep op ons leven in een narratief. Dit is een fundamentele voorwaarde om aan je leven betekenis te geven. (p. 228)

Er moet een samenhang bestaan tussen verleden, heden en toekomst van ons bestaan en die eenheid wordt door evaluatie tot stand gebracht en dat is om de traditionele kaders voor onze vragen niet langer vanzelfsprekend zijn:

Wij moeten ijveren voor een hoe dan ook gedeeld referentiekader, en daarbinnen onze eigen particuliere sterke waarderingen zoeken. (p. 229)

De laatste denker die in die boek door Dohmen wordt behandeld is Peter Bieri (1944), die onder het pseudoniem Pascal Mercier romans schrijft. Diens opvattingen over 'Bildung' kregen al een prominente plaats inPleidooi voor een nieuwe publieke moraal(2009). Bieri behandelt in zijn standaardwerk, Het handwerk van de vrijheid (2001, Nederlandse vertaling 2006), ook ervaringen van onvrijheid en Dohmen vindt dat het meest verrassende hoofdstuk:

Juist door zijn indringende behandeling van vormen van onvrijheid laat Bieri zien dat, en hoe, onze vrijheid wel degelijk bestaat. (p. 249)

Hij toont dat aan de hand van de windvaan, de meeloper, de gehypnotiseerde en de gijzelaar.

Volgens Bieri is je wil vrij als die door je eigen denken gestuurd wordt. Toch kunnen we, zelfs als we wel echt nadenken en zelf oordelen, nog steeds zeer onvrij zijn. Dit is het geval bij degene die gevangen is in een onbegrepen identificatie met een ander, of bij dwangmatig handelen. In dat geval ben je onvrij en een slaaf van je neigingen. Het lukt je dan niet je wil naar je betere inzicht te richten. (p. 250)

Ze staan verschillend in de tijd, al naar gelang het met hun wil is gesteld:

Degene die met alle winden mee waait, heeft een vlakke tijd. Alles is even saai, want er is geen eigen betrokkenheid. De meeloper leeft in andermans tijd. De dwangmatige mens leeft in wachttijd, in afwachting van de tijd waarop hij eindelijk zijn eigen wil in bezit kan nemen. (p. 251)

Onze taal, ons taalgebruik, maakt mede uit wie wij zijn.

Het is zaak over jezelf niet in termen van clichés te denken. Elk mens heeft een persoonlijke taal, een eigen verwoording nodig die uitdrukt wat hij voelt, denkt en wenst, in plaats van afgesleten metaforen die niet de kern van zijn wezen raken (p. 255).

Een 'kitscherige' geest staat zo tegenover een authentieke geest.

Volgens Bieri zijn mensen zich er doorgaans veel te weinig bewust van dat het algemene mediajargon uiterst schadelijk is voor hun eigen persoonlijkheid. Denken, lezen, schrijven, jezelf goed uitdrukken of articuleren is onontbeerlijk voor je innerlijke vrijheid. (p. 256)