Citaten uit het werk van Joep Dohmen

Nietzsche over de menselijke natuur (1994)

Op vrijdag 9 december 1994 promoveerde Joep (Longinus J.) Dohmen op zijn studie Nietzsche over de menselijke natuur: een uiteenzetting van zijn verborgen antropologie aan de Universiteit voor Humanistiek te Utrecht. Een handelsuitgave van het proefschrift verscheen bij Kok Agora in Kampen.

Voorzijde omslag van Longinus J. Dohmen, Nietzsche over de menselijke natuur: een uiteenzetting van zijn verborgen antropologie. - Kampen: Kok Agora, 1994.
Longinus Josef Maria Clemens Dohmen, Nietzsche over de menselijke natuur (1994)

Longinus Josef Maria Clemens Dohmen, Nietzsche over de menselijke natuur (1994)

Begin van het voorwoord (p. 5) van Longinus J. Dohmen, Nietzsche over de menselijke natuur: een uiteenzetting van zijn verborgen antropologie. - Kampen: Kok Agora, 1994.
Longinus Josef Maria Clemens Dohmen, Nietzsche over de menselijke natuur (1994)

Longinus Josef Maria Clemens Dohmen, Nietzsche over de menselijke natuur (1994)

Achterzijde omslag van Longinus J. Dohmen, Nietzsche over de menselijke natuur: een uiteenzetting van zijn verborgen antropologie. - Kampen: Kok Agora, 1994.
Longinus Josef Maria Clemens Dohmen, Nietzsche over de menselijke natuur (1994)

Longinus Josef Maria Clemens Dohmen, Nietzsche over de menselijke natuur (1994)

Het voorwoord begint - voor een proefschrift - ongebruikelijk:

Dit boek komt voort uit irritatie. (p. 5)

Het boek is geschreven uit 'onvrede over de onduidelijke betekenis van belangrijke delen van Nietzsches filosofie'. Aan de ene kant is er het debat over Nietzsche als antihumanist (omdat hij stelde dat het 'subject' een fictie is) en anderzijds is er het dilemma van Nietzsche als determinist én als filosoof van 'vrijheidspathos', waarbij hij er bovendien elitaire opvattingen op na hield over 'heren' en 'slaven'. Dohmen vond het de hoogste tijd het werk te begrijpen en verduidelijken.

Gesteld kan worden dat Nietzsche zich in het algemeen kritisch opstelt tegenover elke metafysische antropologie of naturalistische psychologie waarin op enigerlei wijze sprake is van een zogenaamd eeuwig geldige menselijke natuur. (p. 13)

Nietzsche presenteerde met zijn driftenleer en zijn fysio-psychologie een dynamisch, pluralistische antropologie, maar zijn werk is zeer verschillend geïnterpreteerd en de oorzaak ligt in het werk zelf.Belangrijke opmerkingen over wil, drift, bewustzijn, wil tot macht worden meestal terloops gebracht en zijn visie vinden we bovendien uitvoeriger behandeld in zijn nagelaten (dus niet door hemzelf gepubliceerde) werk.

Nietzsche heeft zeker geprobeerd te voorkomen dat men hem verkeerd zou interpreteren. Maar hij heeft bepaald niet bevorderd dat men hem goed zou interpreteren. (p. 21)

Ontnam Copernicus de mens zijn centrale plaats in het universum, ontzegde Darwin de mens zijn positie als kroon op de schepping en zei Freud dat de mens geen bewust handelend wezen is, maar ten prooi valt aan zijn libido - Nietzsche vond de mens 'meer aap dan welke aap ook'.

Nietzsche heeft in zijn genealogische beschouwingen fundamentele kritiek uitgeoefend op de metafysische, morele en religieuze grondslagen van de westerse cultuur. (p. 23)

In het eerste hoofdstuk over 'Nietzsches historische filosofie' gaat Dohmen in op zijn opvatting van de werkelijkheid als 'worden':

De late Nietzsche heeft in zijn leer van de wil tot macht in 'de meest algemene vorm' het eeuwige worden voorgesteld. In die voorstelling resulteert de wereld als een veranderende werkelijkheid uit een verzameling eeuwig op elkaar inwerkende machtswillen. [...] In zijn psychologische beschouwingen heeft Nietzsche gepoogd om de mens als een veelheid van driften, later van willen-tot-macht te duiden, waarmee door hem de mens als een fundamenteel dynamisch en veranderlijk (historisch), veelzijdig en in zekere zin toch homogeen wezen in het licht wordt gesteld. Daarmee presenteert hij een nieuw type identiteitsfilosofie. (p. 48)

In het volgende hoofdstuk toont Dohmen dat Nietzsche het begrip 'wil' verwerpt en vervangt door 'drift'. Deels kwam zijn opvatting voort uit zijn kritiek op Schopenhauer:

Hij wijst de metafysische status van de oerwil af. (p. 58)

Ook wijst hij bijvoorbeeld de opvatting af dat het individu streeft naar zelfbehoud; het grondkarakter van de wil is volgens Nietzsche het streven naar 'macht en meer macht'. Nietzsches deterministische gedachten zijn geen bevestiging van absolute wetten:

Nietzsche heeft juist grote inspanningen verricht om de mens los te weken uit zogenaamd absoluut geldige en onveranderlijke systemen. Van zulke ordeningen is de mens vrij. (p. 67)

Maar ook de vrijheid is niet absoluut, want de mens wordt eerder 'gedaan' dan dat hij 'zelf doet'; dit hangt samen met de wil-tot-macht:

Tegenover de autonome wil als oorzaak van het menselijk handelen stelt Nietzsche een mechanisme van driften die op elkaar inwerken en waarvan de handeling dan het gevolg is. (p. 76)

Het gaat dus niet om wilsbegrip, maar om driftbegrip.In het hoofdstuk over 'Nietzsches verborgen driftenleer' komen zaken aan de orde als 'het beeldspraak-karakter van Nietzsches driftenleer', 'de intentionaliteit van de drift', 'de strijd tussen de driften, 'handelen als ontlading van drift' en 'Nietzsches derde weg'.

Het accent van Nietzsches kritiek geldt het idealisme. In antropologisch opzicht gaat het hem om een kritiek op de these dat het menselijk handelen zich zou voltrekken vanuit een doelbewuste opzet. Nietzsche ziet de spinozistische ontmaskering van vermeende doelmatigheid als een beslissende stap in de filosofie. (p. 167)

De mens wordt niet gedreven door de wil, de rede, de lust,

maar wel de drift, zij het niet een eeuwige drift, zoals zelfbehoud, seksualiteit of eigenbelang. (p. 187)

De mens is een 'kracht- of energiewezen' dat zich steeds moet ontladen:

de mens is een veelheid van levende, stuwende én sturende krachten. (p. 188)

Driften vechten om hun 'voeding' en willen andere driften assimileren. Ze zijn onderling fundamenteel aan elkaar gerelateerd:

De identiteit van een drift wordt bepaald door de rol die zij binnen de organisatie van de driften inneemt. (p. 188)

Het lichaam is een 'systematisch georganiseerde veelheid van driften'. In zijn denken over het begrip 'kracht' maakte Niezsche een lange ontwikkeling door, waarbij het het materiebegrip laat vallen voor het krachtbegrip; een tijdlang zag hij het streven naar lust als 'een motiverende factor'.

De late Nietzsche heeft in zijn leer van de machtswillen aan de werkzame kracht niet alleen intelligentie, maar bovendien opnieuw gewaarwording toegekend. (p. 235)

Vanaf 1885 gaat het krachtbegrip (ontleend aan zijn studies van de natuurwetenschappen) op in het begrip 'wil tot macht'.

Evenmin als bij het driftbegrip geeft Nietzsche een keurige definitie van kracht. (p. 250)

Hij kent aan 'kracht' wel verschillende eigenschappen toe: intelligentie, ontlading en ordening.

De noodzakelijke verandering wordt door Nietzsche hier bepaald als het resultaat van een ordenende macht die inherent is aan elke kracht, op grond waarvan elke kracht andere krachten probeert te onderwerpen. De lezer herkent hierin ongetwijfeld het dubbelaspect van gehoorzamen en bevelen dat bij het driftbegrip aan de orde was. (p. 254)

Kracht is eindig en begrensd. De tijd waarin de kracht werkzaam is, is echter oneindig. Daardoor is er een eeuwig veranderingsproces; het aantal toestanden en combinaties is groot, maar niet zo dat er oneindig veel nieuwe toestanden zijn.

Daaruit volgt dat een bepaalde krachtenwereld met haar vele krachttoestanden zich eeuwig zal herhalen in een circulaire eeuwige terugkeer van hetzelfde. (p. 255)

Het vijfde hoofdstuk behandelt 'Nietzsches verborgen denken over macht':

Het thema van de macht speelt zo'n vitale rol in Nietzsches oeuvre dat hij als machtsdenker bij uitstek moet worden gekwalificeerd. (p. 269)

Kennis is 'het zichtbaar maken van de voortdurend veranderende werkelijkheid'. Interpretaties worden als waarheden gezien. Achter alle wetenschap schuilt 'de angst voor het onberekenbare'. Nietzsches denken over de werkelijkheid in termen van macht is deels gevoerd door een kritische lezing van Charles Darwins evolutietheorie, die hij op punten tegenspreekt: hij gelooft niet in het vooruitgangsdenken dat aan de aanpassing van de soort ten grondslag ligt én hij verzet zich tegen de drift tot zelfbehoud; hij ziet een andere strijd:

een streven naar macht, naar overwicht. (p. 292)

Macht wordt omschreven als 'bezitten', als 'overheersen', als 'groeien', als 'geladen zijn' en als 'vorm geven' en meestal wil macht alles tegelijkertijd. Daarbij hoont Nietzsche de wereldse macht van hen die de slaaf zijn van hun bezit, bewonderaars of goede smaak. Nietzsches morele voorkeur ligt bij de autarkie.Macht is zelfmacht.

De waarlijk machtige naturen zijn veeleer juist diegenen die in de wereld 'geen vinger roeren', de 'emigranten' die in de marge van de samenleving een onafhankelijk, eigen bestaan proberen op te bouwen. (p. 303)

Met het zesde hoofdstuk verkent Dohmen 'het dynamisch pluralisme van de willen-tot-macht'. De vele notities van Nietzsche laten zien dat hij worstelde met zijn theorie: aan de ene kant rept hij van een te schrijven boek, aan de andere kant noteert hij dat alleen nog voor zichzelf schrijft aan zijn visie op het levensraadsel:

leven is wil tot macht. (p. 349)

Maar daarachter gaat een complexe werkelijkheid schuil waarin een 'slaaf' zowel slaaf als heer kan zijn en zelfs heer en slaaf tegelijk, afhankelijk vanuit welk perspectief men hem beziet. Er is een 'continue overweldiging vanwege de willen-tot-macht' en die noemtNietzsche 'de zelfoverwinning van het leven'.

De wil tot macht denkt en voelt heeft affecten. (p. 389)

Het zevende hoofdstuk gaat in op 'Nietzsches visie op de mens als wil tot macht'. In zijn kritiek op de psychologie van de mens stelt Nietzsche:

Het lichaam stuurt de geest. (p. 425)

Hij werkt ook aan een betekenis van de term 'ziel', maar concludeert:

De ziel als substantieel subject is niet bepalend voor de eenheid van de mens. De eenheid van de mens is gelegen in een veelheid van subjecten. Elk subject is veranderlijk en sterfelijk. De veelheid van subjecten is op een bepaalde manier georganiseerd tot een eenheid. Niet het bewustzijn maar de veelheid van subjecten bepaalt het menselijk denken en handelen. (p. 429)

Het laatste hoofdstuk van Dohmens boek behandelt 'Nietzsches pleidooi voor een tweede natuur'.

Als we Nietzsche mogen geloven betekent de dood van God een fundamentele cesuur in de westerse cultuur. (p. 458)

De postmoderne mens beseft dat er geen absoluut geldige waarheid meer is: eeuwig geldige feiten en normen zijn historische contingenties gebleken. Nietzsches filosofie presenteert een algemeen beeld van de 'noodzakelijke voortgang van mens en wereld en hij spreekt daarbij een voorkeur uit voor een bepaald soort ontwikkeling. In die zin bedreef hij ook een 'praktische filosofie'. Als we metafysica afzetten tegen Nietzsches dynamica krijgen we de volgende paren: eeuwige kosmos wordt bij Nietzsche: veranderlijke chaos; orde van zijnden wordt: gebeuren; natuurwetten worden: complexe hiërarchie; oorzaken worden: willen-tot-macht; toeval wordt: noodzaak; en opzet wordt: machtwillen. De mens is zijn noodlot; de gedachten zijn niet vrij:

Nietzsche heeft de verdedigers van de vrijheid altijd en overal bestreden. Er bestaat geen vrije wil op grond waarvan de mens causa sui is, de rede blijft altijd instrumenteel. (p. 461)

De inzet van zijn praktische filosofie is dat de postmoderne - gebonden, zieke, zwakke - mens moet worden bevrijd, hij moet weer gezond en sterk worden. Het is een permanent wordingsproces, een oefening in zelfwording, teneinde een tweede natuur te bereiken:

Het nieuwe opvoedingsparool van Nietzsches gezondheidsleer is, te worden wat je bent.[...] Uiteindelijk doel van Nietzsches nieuwe pedagogie is een vorm van autarkie, waarbij niemand anders dan het individu zelf de baas geworden is over de onophefbare, chaotische en veranderlijke veelheid van driften of machtswillen die hij is.(p. 463-464)

Zelfregulering is kenmerkend voor ons innerlijk leven.

De hogere mens die Nietzsche voor ogen stond, is een wezen met een enorme spankracht. (p. 488)

Titelpagina van Longinus Josef Maria Clemens Dohmen, Nietzsche over de menselijke natuur: een uiteenzetting van zijn verborgen antropologie. - Kampen: Kok Agora, 1994 (proefschrift-editie).
Longinus Josef Maria Clemens Dohmen, Nietzsche over de menselijke natuur (1994)

Longinus Josef Maria Clemens Dohmen, Nietzsche over de menselijke natuur (1994)

Longinus Josef Maria Clemens Dohmen, Nietzsche over de menselijke natuur (1994)
Longinus Josef Maria Clemens Dohmen, Nietzsche over de menselijke natuur (1994)

Longinus Josef Maria Clemens Dohmen, Nietzsche over de menselijke natuur (1994)

Levenskunst (2000)

Voor een uitgave van het Humanistisch Verbond schreef Joep Dohmen een inleiding over levenskunst onder de titel 'Echte mensen doen aan levenskunst'. Het opstel, aangevuld met een column door Chazia Morali en een verslag door Robert Vernooy, verscheen in de bundel Levenskunst in 2000. De uitgave van het Humanistisch Verbond beoogde te zoeken naar een 'levensvatbaar individualisme': 'Niet terug naar oude waarden en normen, maar in gesprekken en debatten zoeken naar nieuwe betekenissen'. De bijdrage van Dohmen verklaart de historische achtergrond van de levenskunst en 'de inhoud van het ideaal om een eigen leven te leiden'. (p. 2).

Levenskunst is in de mode en dat is geen toeval. Elke keer als zich in de geschiedenis een periode van onzekerheid voordoet, rijst de vraag naar nieuwe bestaanstechnieken en verschijnt de levenskunst. (p. 6)

Joep Dohmen, Tegen de onverschilligheid (2007)
Joep Dohmen, Tegen de onverschilligheid (2007)

Joep Dohmen, Tegen de onverschilligheid (2007)

Joep Dohmen, *Tegen de onverschilligheid* (2011)
Joep Dohmen, Tegen de onverschilligheid (2011)

Joep Dohmen, Tegen de onverschilligheid (2011)

Maar het idee van onkwetsbaarheid en onafhankelijkheid is een mythe: vaak zijn mensen juist weerloos en 'op schrijnende wijze' afhankelijk. Vandaar dat echte levenskunst nodig is: die maakt mensen weerbaarder tegen uiteenlopende zaken als het lot, de systeemdruk en concrete machtsclaims van anderen. Dwangmatige geluksstreven leidt tot narcisme en hedonisme, beide 'geluksillusies'.

Ook moderne mensen zoeken diepgang en betrokkenheid, maar ze zullen die niet vinden door een opgelegde religie of moraal. (p. 200)

Levenskunst biedt geen garantie dat we de controle behouden noch dat we de kwaliteit van ons leven voorgoed veiligstellen. Maar ze helpt wel om telkens opnieuw innerlijk orde te scheppen en daarmee een zekere gemoedsrust en vitaliteit te bewaren - in goede maar ook in toekomstige, slechte tijden. (p. 201)

Levenskunst is ook een ethiek van tijdelijkheid. Dan gaat het niet alleen om levensfasen of tempo, maar vooral om het juiste ogenblik om iets te doen of iets te laten. Men moet zijn eigen levensritme zoeken:

levenskunst is leren leven met de continuïteit, discontinuïteit en de eindigheid van ons eigen leven en dat van onze naasten. (p. 219)

Het boek sluit af met een 'Pleidooi voor een moderne vriendschapscultuur', die eruit bestaat dat voor je eigen goede leven relaties met anderen noodzakelijk zijn: partners, collagae en vooral vrienden. Het gedrag van vrienden is veel vrijer dan dat van andere relaties en zijn ingrijpend. Dat heeft te maken met 'vier kardinale deugden': wederzijdse liefde, betrouwbaarheid, moed, zelfrespect. Dohmen ziet voor vrienden drie taken bij de vervulling van de levenskunst. Ten eerste:

vrienden moeten elkaar beschermen tegen de principiële onzekerheid van de menselijke conditie. (p. 280)

Ten tweede helpen vrienden elkaar bij de zoektocht naar het goede leven in almaar veranderende omstandigheden:

Daarom is vriendschap de enige plek waar een intense bemoeizucht is toegestaan. Vrienden moeten elkaar behoeden voor wanhoop en zelfgenoegzaamheid, en bovenal voor slavernij en tirannie. (p. 284)

Ten derde: vrienden zijn nodig voor het duurzaam delen van geluk:

Het goede leven ligt niet in de hemelse vreugde noch in het aardse, zinnelijke genot. Het hoogst bereikbare voor een mens is de zelfoverwinning waarvan je als vriend mag getuigen. (p. 284)

Het leven als kunstwerk (2008)

Ter gelegenheid van de Maand van de filosofie schreef Joep Dohmen in 2008 Het leven als kunstwerk. Een grondig herziene versie verscheen bij Ambo in 2011.

Het leven als kunstwerk wordt hier geciteerd naar de eerste uitgave, die een breed publiek bereikte tijdens de populaire, jaarlijkse maand van de filosofie (april). Het boek begint met een persoonlijke herinnering:

In 1970 heeft Willy Hamer mij Nietzsche leren kennen. Wij waren jong, negentien, twintig, en hadden ons allebei ingeschreven aan de filosofische faculteit van de Rijksuniversiteit Utrecht. Daar kwam bij dat we allebei in dezelfde straat woonden, hij op Poortstraat nummer 12 en ik een paar honderd meter verderop, op nummer 75bis. Elke maandagavond zochten we elkaar op om samen Nietzsche te lezen. Dat was natuurlijk helemaal geen filosofie. Het was een passie. (p. 11)

Hamer wist veel meer van Nietzsche en had reizen gemaakt naar Nietzsche-locaties.

Nietzsche smeedde onze zielen aaneen tegen de vijand. Hij was het ijkpunt in ons verzet tegen de lauwen, de linksen en de lafbekken. (p. 12)

Dat waren medestudenten die een 'stom' vak volgden en niet precies wisten waarom. De linksen vormden een marxistisch-leninistische splintergroepering. Lafbekken waren de flowerpowerstudenten. Bij Nietzsche lazen Dohmen en zijn vriend dat de mens zich tegenover zichzelf moet verantwoorden over zijn bestaan.

Als ik eraan terugdenk waren wij natuurlijk behoorlijk waanwijs en ach, verder best aardig. Maar wij hadden ook iets te pakken. Wij waren wél jongens die vonden dat het leven ergens over moest gaan. Daarin hadden wij gelijk, toch? (p. 14)

Tegenwoordig geldt onafhankelijkheid en keuzevrijheid als norm en dan vooral in economische termen:

De topmanager staat model voor de succesvolle mens. [...] Afhankelijke mensen zijn losers. (p. 15)

Dit moderne individualisme verwordt tot narcisme, autisme en grootheidswaan.

De moderniteit heeft het individu opgezadeld met de culturele opdracht tot zelfsturing, maar hem niet geleerd hoe daaraan te voldoen. Hier zijn we volgens mij bij de kern van de zaak. (p. 24)

Autoriteiten worden gewantrouwd, niet-inmenging is wet, alles kan gekozen of gekocht worden, traditionele levensbeschouwingen zijn vervangen door een amusementsindustrie. Sommige conservatieve en progressieve denkers pleiten voor een gemeenschapsmoraal, overheidsbemoeienis of repressie. Dohmen kiest een andere weg: de ethiek van de levenskunst. Hij herinnert aan het appèl van filosoof Michel Foucaulten zet zich in voor een actuele levenskunst.

Ik hoop de lezer ervan te overtuigen dat levenskunst vandaag de dag een nieuwe publieke moraal kan zijn, waarmee we de negatieve vrijheid kunnen overleven zonder in een nieuw paternalisme terecht te komen. Met deze moraal van zelfverantwoordelijkheid kunnen we bovendien een nieuwe invulling van positieve vrijheid vinden en een geslaagd leven leiden. (p. 26)

Een typologie van de levenskunstenaar zou kunnen bestaan uit: de levensgenieter, de volharder, de morele held, de alleskunner en de verlichte geest. Maar dit roept vragen op: Kunnen we leren leven en hoe kunnen we leren leven? Welke levensvorm is levenskunst? Is het leven wel maakbaar? Kan een leven ook een kunstwerk zijn?

Een vergelijking tussen beeldhouwkunst en levenskunst kan iets opleveren:

De belangrijkste overeenkomst is wel dat het in beide gevallen om een scheppende activiteit gaat waarin allerlei technieken, stijlvormen en publieke criteria een belangrijke rol spelen. [...] Het belangrijkste verschil is dat bij de levenskunstenaar de verhouding tussen vormgever en vorm fundamenteel anders ligt dan bij de beeldhouwer. De levenskunstenaar die zichzelf bewerkt, staat vervolgens anders in het leven, waardoor er weer een andere, nieuwe verhouding tot zichzelf ontstaat. [...] Levenskunst is dus geen kunst in de gebruikelijke zin van dat woord. (p. 39)

Volgens Foucault is levenskunst meer een kunde, een kwestie van ambachtelijkheid en vakmanschap en Erich Fromm benadrukte de noodzaak van 'concentratie, discipline, gelduld en toewijding'. Maar vakmanschap stoelt op methodes en doelen:

Er bestaan echter geen evidente methode(s) en doel(einden) voor het mensenleven. Wie zijn eigen leven ter hand wil nemen en zichzelf wil gaan vormgeven, kan niet teruggrijpen op een blauwdruk, een specifieke leermethode met een vaststaand doel. [...] het leven als zodanig is geen vak. (p. 41)

Ook al is levenskunst geen vak en geen kunst, het valt wellicht wel te leren als kunst of als vakmanschap. Socrates leerde al dat een manier van leven vinden feitelijk filosofie is.

Van alle waarheden uit de hele geschiedenis is deze misschien wel de belangrijkste: ieder mens moet zijn eigen praktische wijsheid opdoen. (p. 44)

Dat kan door zelfkennis en zelfzorg, wat betekent dat 'je een relatie aangaat met jezelf met het oog op praktische wijsheid' en dat je een eigen en waarachtige levenshouding ontwikkelt.

Na een overzicht van de geschiedenis van de levenskunst van Plato tot Foucault, gaat Dohmen in op de positie van de laatmoderne levensstijlen zoals vrij leven, spiritueel leven, Zen leven, deugdethisch leven, hedonistisch leven en esthetisch leven. Veel van die levensstijlen hebben praktische oefeningen ('leren luisteren'), karaktereigenschappen ('rechtvaardigheid') of leefregels ('weten wat er mogelijk is in het leven') of zij manifesteren zich in verschillende personen, zoals het esthetische leven dat geleid kan worden door 'de klassieke estheet' (type Oscar Wilde), de dandy (type Pim Fortuyn), de dichter (op zoek naar de essentie, de kern van zichzelf) en de kameleon (type Madonna). Maar Dohmen gaat het om een 'moraal van zelfverantwoordelijkheid'.

Moet het goede leven eerder diep, mooi of voortreffelijk worden ingevuld? Of is een aangenaam leven eigenlijk wel goed genoeg? Voor het eerst in de geschiedenis wordt deze opdracht niet opgevat als een moraal 'van buitenaf', maar als een moraal van zelfverantwoordelijkheid. (p. 129)

Het 'aangename' leven was voor Nietzsche, die de naderende massacultuur aan het eind van de negentiende eeuw verafschuwde en de opstand der horde vreesde, gelijk aan een 'slavenleven':

Zijn angst betrof de triomf van het kleine, slaafse leven, dat wezenlijk onverschillig staat tegenover de uniciteit van de eigen persoon en de kansen die het leven aan ieder mens biedt. (p. 131)

Nietzsche constateerde dat het vervallen van traditionele autoriteiten inhield dat de moderne mens 'geen materiaal meer voor een samenleving' was. Bildung was daarom voor hem van belang - niet te verwarren met de toenmalige opvoedingspraktijk die een soort militair dril-systeem was. Nietzsche wilde de vitaliteit van mensen stimuleren. Zij moesten hun levendigheid bewaren en zelf hun karakter 'stijl' geven. Verschillen zouden er blijven: sommige mensen konden 'heren' worden, andere zouden volgzaam blijven of karakterloos. Michel Foucault sloot hierop aan:

De nieuwe moraal is er een waarin mensen zichzelf de wet stellen en hun eigen leefregels bepalen. Het is een moraal zonder universaliteit. Het onderhouden van een dergelijke moraal van zelfzorg is verre van eenvoudig. Foucault heeft laten zien dat een eigen levenshouding bevochten zal moeten worden in de weerbarstige praktijk van alledag. Alleen wie consequent en levenslang aan zelfzorg en zelfbeheer doet en daarbij rekening houdt met de context, kan op termijn zijn ziel veroveren. (p. 145)

Daarbij:

Zelfzorg is een holistisch concept. Waarnemen, denken, voelen, willen en doen haken steeds op elkaar in, ze vormen een fundamentele samenhang. [...] De zelfzorg moet alle dimensies in beschouwing nemen. (p. 147)

Levenskunst is een middel om te komen tot een overzicht van de eigen houding. Dat maakt de mens niet onkwetsbaar, maar wel weerbaarder. De onzekerheid van het bestaan leidt vaak tot minder goede levenshoudingen, zoals berusting, ontkenning, overdrijving, cynisme, sentimentalisme en fundamentalisme.

De juiste houding erkent de bestaansonzekerheid en probeert hier een antwoord op te formuleren in de vorm van een intelligente vitaliteit. (p. 165)

Joep Dohmen, Het leven als kunstwerk (2008)
Joep Dohmen, Het leven als kunstwerk (2008)

Joep Dohmen, Het leven als kunstwerk (2008)

Joep Dohmen, Het leven als kunstwerk (2011)
Joep Dohmen, Het leven als kunstwerk (2011)

Joep Dohmen, Het leven als kunstwerk (2011)

Belangrijk is daarbij de persoonlijke autonomie, die een kritische reflectie op de eigen verlangens bewerkstelligt dat als een filter werkt dat alleen verlangens van een hogere orde doorlaat. Daardoor kan men nee zeggen dwang of valse voorstellingen van zaken en ja tegen goede en deugdzame zaken.

De nieuwe cultuur van zelfzorg is een stevige correctie op het moderne individualisme en sluit goed aan op de voelbare spanning tussen het actuele verlangen naar zelfverwerkelijking en de algemene behoefte aan verbondenheid. (p. 171)

Bezinning, zelfdiscipline en onderlinge afstemming van mensen zijn basisvoorwaarden in deze laatmoderne tijd. Dwangmatig streven naar geluk is geen optie. Dohmen stelt een minima moralia van de levensloop voor:

  • Neem tijd voor bezinning, oefening, motivatie en afstemming.
  • Houdt rekening met systeemdruk. Bezin je op de context van je actuele levensvorm en op de vele manieren waarop jouw levensweg allang is uitgestippeld.
  • Bewaak de diepgang van je leven. Tracht het spitsuur te vermijden. Als je veel soorten activiteiten tegelijk verricht, riskeer je de zin van je bestaan kwijt te raken.
  • Let op de fateful moments en op het kairos: wat is voor jou het juiste ogenblik om de koers te wijzigen?
  • Ontwikkel je eigen temporele deugdzaamheid. Leer opnieuw timen, uitstellen, vertragen, onthaasten, op tijd zijn.
  • Oefen in geduld (patientia). Terecht merkt Paul van Tongeren op dat onze tijd gekenmerkt wordt door ongeduld. 'Alles wat we willen, willen we onmiddellijk.'
  • (p. 183)

Pleidooi voor een nieuwe publieke moraal (2009)

Op 17 juni 2009 sprak Joep Dohmen een rede uit ter gelegenheid van de aanvaarding van het ambt van hoogleraar Wijsgerige en Praktijkgerichte Ethiek aan de Universiteit voor Humanistiek, die in uitgebreider vorm werd gepubliceerd onder de titel: Pleidooi voor een nieuwe publieke moraal (2009).

Humanisten zetten zich in voor het vormen en ontwikkelen van van laatmoderne individuen, aansluitend op twee kerntaken: menslievendheid en (zelf)ontplooiing. Dat laatste wordt kritisch bekeken en dat heeft gevolgen voor het Bildungsverhaal:

Desondanks meen ik dat het moet worden gered en dat we aan een vorm van morele educatie moeten vasthouden. Deze moet echter wel minder egologisch worden. We hebben behoefte aan een nieuwe publieke moraal. (p. 8)

Joep Dohmen, Brief aan een middelmatige man (2010)
Joep Dohmen, Brief aan een middelmatige man (2010)

Joep Dohmen, Brief aan een middelmatige man (2010)

Joep Dohmen, Brief aan een middelmatige man (2010)

Joep Dohmen, Brief aan een middelmatige man (2010)

Brief aan een middelmatige man (2010)

In 2010 verscheen bij uitgeverij Ambo van Joep Dohmen Brief aan een middelmatige man, met als ondertitel Pleidooi voor een nieuwe publieke moraal. Die ondertitel geeft al aan dat het boek een herziene versie is van zijn in 2009 gepubliceerde inaugurele rede Pleidooi voor een nieuwe publieke moraal.

De uitgave wordt voorafgegaan door drie motto's: een van Franz Kafka ('vrij ben ik eigenlijk niet'), een van Michel Houellebecq (over het algemene gevoel een mislukkeling te zijn) en een van Michel Foucault over het inrichten van je leven als een kunstwerk. Het laatste citaat stond in de inaugurele rede in 2009 al centraal. In deze uitgave echter is het belang van de eerste twee citaten groot. Het gevoel een mislukkeling te zijn vond Dohmen terug in een ingezonden brief in Volkskrant magazine (maart 2009). De auteur ervan (T. van H., 50 jaar oud, man, uit Amsterdam) schreef:

Mijn leven lang heb ik heel goed willen zijn in iets, willen uitblinken in het een of ander, me willen onderscheiden van anderen [...] Ik ben nu 50 [...] ik ben een beetje goed in dit en dat, maar verder ben ik niet gekomen en dat is niet genoeg. Zeg niet dat ik mijn streven moet loslaten [...] Het zou immers betekenen dat ik mij moet neerleggen bij mijn middelmatigheid. (p. 11)

Joep Dohmen heeft een antwoord geschreven aan deze om advies vragende briefschrijver. Dat antwoord wordt pas gegeven aan het einde van zijn betoog, na te hebben vastgesteld hoe men van zijn leven een 'kunstwerk' kan maken. Dohmens pleidooi is er een voor een nieuwe publieke moraal, waardoor mensen bewust in het leven komen te staan en streven naar zelfverwerkelijking. Deze zelfzorgethiek zorgt ervoor dat men een zinvol leven in relatie tot anderen kan leiden. Daarbij gaat het om:

  • zelfkennis, morele gevoeligheid en het ontwikkelen van stijl en smaak.* (p. 14)

Het slothoofdstuk van zijn herschreven pleidooi heet nu: 'Wie is de middelmatige man?' en gaat vooraf aan het antwoord 'Brief aan een middelmatige man'. Aan de hand van een driehoek probeert Dohmen de identiteit van de 'middelmatige man' vast te stellen.

Het humanisme is een moreel levenshouding waarin het ik in relatie tot zichzelf (zelfontplooiing) en tot de ander (menslievendheid) centraal staan. Bovendien is het een open levensbeschouwing ten aanzien van de horizon waartegen de relatie ik/ander zich door de geschiedenis heen voltrekt. Actuele sociale zelfontplooiing kan dan ook gesitueerd worden in de driehoek 1) zelf/identiteit 2) de ander/anderen en 3) horizon/oriëntatie. (p. 190)

Doet de middelmatige man aan zelfbeheer (op het gebied van zelfkennis of wilsvorming) en welke rol spelen andere mensen voor hem en tenslotte: wat is zijn horizon?

Dohmen herleest de brief:

De middelmatige man vindt twee dingen moeilijk: zich neerleggen bij zijn middelmatigheid én onder ogen zien waarom hij zo graag goed wil zijn in iets. (p. 192)

Het moeilijkste is voor hem zich inzicht te verwerven over het* waarom* van zijn ambitie (ergens heel goed in zijn). Dohmen vindt het opvallend dat hij spreekt over 'wat talentjes', maar dat hij er niet een bij name noemt. Dat lijkt hem wat lui, het ontbreekt hem aan vlijt. Hij heeft de talenten niet ontwikkeld. Wat is middelmatig?

Middelmatig zijn betekent voor hem blijkbaar: net zo zijn als de meeste andere mensen. (p. 194)

Wil hij niet opgaan in de massa of wil hij juist horen dat middelmatigheid perfect is? Toch blijft zijn ambitie van belang voor hem:

Niet uit kunnen blinken en tegelijk niet middelmatig willen zijn: dat is de kwestie. (p. 195)

Hij is vijftig jaar, hij heeft zijn talenten onderzocht, maar niet zijn verlangen en het is hoog tijd voor hem om te beslissen. De brief op zich is aan anderen gericht, maar over voor hem betekenisvolle anderen zegt hij niets.

Er is niets te vinden van het idee dat je van anderen iets kunt leren of aan de ander iets kunt leren. Hij wil ook niet samen met anderen ergens goed in zijn. Het is tenslotte ook niet zo dat hij graag iets zou willen betekenen voor anderen. Zijn gedroomde identiteit is: beter zijn dan anderen. Het is helemaal niet uitgesloten dat wij als lezers van zijn brief alleen maar gebruikt worden. Laat mij zien hoe ik jullie kan overtreffen. (p. 198)

Het lijkt om eer en roem te gaan. Hij wil erkend worden door anderen: dat getuigt van gebrek aan zelfrespect (ook de uitdrukking 'wat talentjes' doet dat). Hij lijkt de beoordeling van zijn leven over te laten aan anderen. Het lijkt typisch de brief van iemand die denkt dat je anderen moet overtreffen om iets te betekenen, waarbij de nadruk ligt op presteren en excelleren, onder meer financieel en in status.

Het is van groot belang te weten wie je zelf bent, waar je staat, wat je belangrijk vindt en wat niet. Om dat te kunnen weten heb je anderen nodig. een onontbeerlijk deel van de levenskunst is de zorg voor ons sociale zelf. Daarin leren we onszelf verhouden tot de sociale rollen die we, al dan niet zelfgekozen, in het alledaagse leven vervullen. (p. 200)

Over de oriëntatie van de man - politiek, cultureel, maatschappelijk - weten we niets. Wat vindt hij, behalve uitblinken, belangrijk? Hij heeft geen keuze gemaakt, hij heeft 'alle kandidaten voor wat er toe doet' uitgeschakeld:

Zijn morele horizon is leeg. Dit lijkt mij inderdaad het grondprobleem van zijn brief. (p. 203)

Van de deugdethiek had de middelmatige man deze belangrijke les kunnen leren: goed zijn in iets heeft helemaal niets te maken met beter zijn dan een ander, maar met een deugdenonderzoek en met het gestaag beoefenen en ontwikkelen van je eigen individuele en sociale deugden. (p. 204)

Dit is de hoogmoed van het liberalisme:

Alsof je een persoonlijkheid zou kunnen worden zonder moeite te hoeven doen, zonder jezelf te hoeven oefenen, door als vanzelf over jezelf te kunnen beschikken. (p. 204)

De conclusie van Dohmen is dat de man is vastgelopen in een narcistische preoccupatie met zichzelf. In het antwoord op de brief van de middelmatige man schrijft hij dan ook:

Het is dus geboden een diepere blik te ontwikkelen op wat werkelijk van belang is voor u. U moet eerst articuleren wat uw wens precies is en hoe die zich verhoudt tot andere verlangens die u koestert. Vervolgens moet die wens voor uzelf een beetje inzichtelijk worden, betekenis krijgen. In welk domein van het leven wilt u uw wens gestalte geven? En dan moet u er ook nog eens achter gaan staan. Wat vindt u er eigenlijk van dat u deze wens hebt? Zoals Socrates al zei: het niet onderzochte leven is de moeite niet waard geleefd te worden. (p. 208)

Daarna moet hij daadwerkelijk aan de slag. Dohmen besluit met:

U, ik en de anderen, wij zijn allemaal veroordeeld tot onzekerheid over onze inspanningen. Dan is middelmatigheid in zekere zin onvermijdelijk. Wij kunnen het immers altijd beter doen, zij het dat we het ook altijd slechter kunnen doen. In onze posttraditionele samenleving is onze identiteit sterk afhankelijk van wat er van ons gevraagd wordt en hoe wij daar telkens opnieuw op inspelen. Wij zijn loyaal of onbetrouwbaar, inspireren of klagen, helpen mee of zijn een blok aan het been. En steeds zijn onze evaluaties van onze eigen en andermans 'prestaties' onaf. Ze komen tot stand in een dynamiek van gesprekken die we met onszelf en met anderen voeren. Mijn advies aan u is dit: hou op als slaaf te leven en probeer goed te zijn waar en wanneer het er werkelijk toe doet. Misschien ervaart u zo - al was het maar af en toe - dat u de middelmaat ontstijgt. (p. 209)