Het leven van Rodolphus Agricola

Rodolphus Agricola (1444-1485) was filosoof, redenaar, dichter en muzikant. Als één van de eerste Nederlandse humanisten speelde hij een cruciale rol in de verspreiding van het gedachtegoed van de klassieke Oudheid en de herontdekking van het klassieke Latijn. Zijn boek De inventione dialectica, waarmee hij de logica van zijn tijd diep beïnvloedde, bleef tot ver in de zestiende eeuw een standaardwerk op de Europese universiteiten.

Portret van Agricola (in: Effigies & vitae Professorvm Academiae Groningae & Omlandiae, 1654) [Bron: Rijksmuseum, Amsterdam]

Portret van Agricola (in: Effigies & vitae Professorvm Academiae Groningae & Omlandiae, 1654) [Bron: Rijksmuseum, Amsterdam]

Vroege Jeugd, 1444 tot 1456

Rodolphus Agricola (Roelof Huesman) werd op 17 februari 1443 geboren in Baflo, een dorp in de Groningse ommelanden. Zijn vader, Hendrik Vries, was abt van een klooster in het naburige Selwerd en hield toezicht op een aantal parochies in de regio. Over Agricola’s moeder, die Zycka Huesman heette, is minder bekend, maar naar alle waarschijnlijkheid kwam ze uit een van de rijkere boerenfamilies uit Baflo. Als bastaardzoon van een geestelijke nam Agricola haar achternaam over. Later werd die achternaam, die ‘boer’ betekent, conform middeleeuws academisch gebruik naar het Latijn vertaald als ‘Agricola’ (Akkerman, 2012, p. 9).

Over Agricola’s vroege jeugd weten we zeer weinig, maar men neemt aan dat hij de Martinischool in Groningen bezocht en daar de beginselen van het Middeleeuws Latijn leerde (Van der Velden, 1911, p. 48). Uit een van Agricola’s oudste biografieën, geschreven door zijn tijdsgenoot en vriend Goswinus van Halen, blijkt dat hij op jonge leeftijd veel interesse toonde voor muziek, beeldende kunst en sport. In deze Vita van Goswinus lezen we dat Agricola als jongeman in zijn vrije tijd naar kerken ging om de orgels en schilderijen te bewonderen. Ook speelde hij graag op fluiten die hij zelf bouwde en was hij een bedreven ruiter (Akkerman, 2012, p. 85).

Hoewel Agricola een onwettig kind was, wist zijn vader te bewerkstelligen dat de bisschop van Münster zijn toen tienjarige zoon een stipendium toekende. De toelage bestond uit de helft van de opbrengst van een boerderij in Baflo en stelde Agricola in staat om zijn studie van de artes liberales aan de universiteit van Erfurt te beginnen (Van der Poel, 1991, p. 12).

Michel Wohlgemut, 'Erfurt' in: *Das Buch der Chroniken und Geschichten* (1493)

Michel Wohlgemut, 'Erfurt' in: Das Buch der Chroniken und Geschichten (1493)

Agricola's studie in Erfurt en Leuven, 1456 tot 1467

Over Agricola’s vroegste studietijd is vrijwel niets bekend. Uit de registers van de universiteit van Erfurt weten we dat hij zich in 1456 inschreef en het volledige inschrijfgeld betaalde. Verder zijn er geen geschreven bronnen uit die tijd bewaard gebleven (Akkerman, 2012, p. 13). Wel weten we dat de universiteitsstad op dat moment een zeer goede reputatie genoot door heel Noord-Europa. Waarschijnlijk was dit de voornaamste reden voor Hendrik Vries om zijn dertienjarige zoon naar het verre Erfurt te sturen. Bovendien trokken er dat jaar meerdere studenten uit de omgeving van Groningen naar Erfurt (Akkerman 2012, p. 12). Mogelijk speelde ook dit een rol.

In 1465 duikt Agricola’s naam op in de archieven van de universiteit van Leuven. De reden voor zijn vertrek uit Erfurt is onbekend, maar een dergelijke 'peregrinatio' was in die tijd niet ongebruikelijk. Naast het feit dat colleges overal in het Latijn gegeven werden, was de indeling van het universitair onderwijs door heel Europa namelijk ruwweg hetzelfde. Dit maakte het erg gemakkelijk voor studenten om de studie aan een andere universiteit voort te zetten. Uit de archieven van de universiteit van Leuven weten we dat Agricola de titel van 'Magister Artium' behaalde als 'primus' van de universiteit. Deze titel was een hele eer: de 'primus' was de student met de beste resultaten van een hele jaargang (Akkerman, 2012, p. 14).

Jan Steen, 'Rudolf Agricola' (1982) [Standbeeld in Agricola’s geboorteplaats Baflo. Bron: Wikimedia]

Jan Steen, 'Rudolf Agricola' (1982) [Standbeeld in Agricola’s geboorteplaats Baflo. Bron: Wikimedia]

De eerste sporen van het humanisme

Op het moment dat Agricola studeerde, stond de opleiding nog volledig in de traditie van de middeleeuwse scholastieke filosofie. Filosofen hielden zich vooral bezig met de becommentariëring van de werken van Aristoteles en waren sterk gericht op theologische en metafysische kwesties. Tijdens zijn tijd in Leuven moet Agricola echter in contact zijn gekomen met de groep humanisten die actief was rondom de Italiaanse geleerde Raimundus Marlianus.

In Italië, waar de renaissance al eerder begon, was een grote belangstelling voor het klassieke Latijn ontstaan en reizende geleerden namen de geschriften uit de Oudheid met zich mee naar het Noorden. Op deze manier kwam Agricola in aanraking met de argumentatieleer van Cicero en Quintillianus, die grote invloed op hem zou uitoefenen. Waarschijnlijk waren het ook deze auteurs die hem inspireerden om zelf naar Italië te trekken, zich volledig op de 'bonae litterae' van de klassieke Oudheid te storten en zijn studie aldus aan het humanisme te wijden (van der Poel, 1991, p. 13).

Quintillianus, *Institutio Oratoria* (1720) [Bron: Wikimedia]

Quintillianus, Institutio Oratoria (1720) [Bron: Wikimedia]

Agricola in Pavia, 1468-1475

In 1468 scheef Agricola zich in aan de universiteit van Pavia voor een rechtenstudie. Naast zijn studie gaf hij zelf colleges en bestudeerde hij het klassieke Latijn, dat door de humanisten veel mooier en helderder werd gevonden dan het middeleeuws Latijn (Akkerman, 2012, p. 15). De humanisten zetten zich af tegen de eindeloze technische haarkloverij van de scholastieke filosofie. Ze streefden naar eloquent en duidelijk taalgebruik, maar ook naar praktische toepassingen van het denken. Over de filosofen uit de middeleeuwse traditie zou Agricola zijn vriend Jacobus Barbirianus later schrijven:

'Zij brengen hun dag door met disputaties en uiten verwarde orakeltaal, of nog juister, ze bespreken raadsels die al zoveel eeuwen geen Oedipus gevonden hebben die ze kan oplossen en deze ook nooit zullen vinden.' (Van der Poel, 1991, p. 136).

Altichiero da Zevio, 'Petrarca', (ca. 1370-1380) [Bron: Wikimedia]

Altichiero da Zevio, 'Petrarca', (ca. 1370-1380) [Bron: Wikimedia]

Agricola’s lofredes

De humanistische overtuiging dat de resultaten van een studie een praktische toepassing moeten vinden zien we terug in Agricola’s grote productiviteit tijdens de jaren in Pavia. Hier schreef hij vele gedichten, een biografie van de veertiende-eeuwse humanist Petrarca en enkele lofredes. Deze lofredes droeg hij voor tijdens officiële gelegenheden, zoals de opening van het academisch jaar of de aanstelling van een nieuwe rector.

Agricola werd meerdere malen voor zulke gelegenheden uitgenodigd en dat wijst erop dat hij in Pavia in hoog aanzien stond. Noorderlingen viel in die tijd zelden deze eer te beurt. Zelfs Desiderius Erasmus zou het tijdens zijn studie in Turijn later niet hebben aangedurfd een voordracht te houden uit angst voor zijn ‘Germaanse’ uitspraak van het Latijn. De lofredes van Agricola getuigen dan ook van een indrukwekkende beheersing van het klassieke Latijn (Nauwelaerts, 1963, p. 37). Met enkele van de rectoren voor wie hij een lofrede verzorgde zou Agricola een levenslange vriendschap sluiten, zoals met de latere bisschop van Worms Johannes von Dalberg (Akkerman, 2012, p. 18).

Rodolphus Agricola, 'Oratio in laudem philosophiae et reliquarum artium' uit: *Nonulla Opuscula* (1511)

Rodolphus Agricola, 'Oratio in laudem philosophiae et reliquarum artium' uit: Nonulla Opuscula (1511)

Agricola in Ferrara, 1476-1479

In Pavia kreeg Agricola naar alle waarschijnlijkheid al enige tijd lessen Grieks van de beroemde humanist Giorgio Valla. In 1476 trok hij naar Ferrara om zich helemaal te wijden aan de studie van het klassieke Grieks. Hier vertaalde hij onder andere de pseudo-Platoonse brief Axiochus en de Progymnasmata van Aphtonios. Het eerste werk zou een grote invloed op Agricola’s ethische gedachtegoed uitoefenen; het tweede op zijn ideeën over de humanistische pedagogiek (Akkerman, 2012, 19-20). Verder gaf Agricola zelf ook colleges (Akkerman, 2012, p. 21).

Net als in Pavia werd Agricola in Ferrara herhaaldelijk uitgenodigd om te spreken bij feestelijke gelegenheden. Een van de lofredes die Agricola in Ferrara voordroeg, In laudem philosophiae et reliquarum artium, zou later een belangrijke plaats binnen de humanistische canon krijgen. In deze lofrede zette Agricola uiteen wat hij onder filosofie verstond en karakteriseerde hij de wijsbegeerte als hoogst mogelijke levensvorm. Daarnaast begon hij aan het argumentatietheoretische werk De inventione dialectia, het boek dat later zijn hoofdwerk zou worden (Akkerman, 2012, p. 23). Ook heeft Agricola de tijd kunnen vinden om gedichten te blijven schrijven, waaronder een vers over de heilige Jodocus. Dit vers schreef hij nadat zijn vriend en arts Adolf Occo hem van een ernstige ziekte genas (Akkerman, 2012, p. 22).

Tijdens zijn jaren in Ferrara was Agricola ook actief als organist aan het hof van de muziekliefhebber hertog Ercole d’Este. Dit is een vrij bijzonder gegeven voor een geleerde, omdat de hertog slechts de beste muzikanten uitnodigde om voor hem te spelen. Agricola moet dus een begaafde muzikant zijn geweest.

Axiochus, vertaald door Rodolphus Agricola (1483)

Axiochus, vertaald door Rodolphus Agricola (1483)

Agricola terug in het Noorden, 1479-1484

In 1479 vertrok Agricola uit Pavia om terug te keren naar het Noorden, waar hij als secretaris van de stad Groningen ging werken. Uit een brief van datzelfde jaar weten we dat hij zijn reis naar Groningen onderbrak om een tijd te verblijven bij Graaf Johann von Werdenberg, de bisschop van Augsburg (Akkerman, 2012, p. 24). Hier legde Agricola de laatste hand aan De inventione dialectica. Voor zijn vertrek liet hij het deze ter kopiëring achter bij zijn vriend Dietrich von Plieningen, die eveneens zijn intrek bij de bisschop genomen had. Ook deed Agricola in deze tijd het idee op om Hebreeuws te leren voor een Bijbelstudie. Hier zou hij echter pas na zijn functie als secretaris van Groningen aan toe komen.

Als secretaris van Groningen ondernam Agricola gedurende de jaren 1480 tot 1484 enkele reizen om de politieke belangen van de stad te behartigen. Hij bezocht Deventer, Keulen, Nijmegen, Roermond, Kampen en tot twee maal toe Brussel, waar Hertog Maximiliaan van Bourgondië zijn hof hield. Ook reisde hij geregeld naar de kloosters van Selwerd en Aduard, waar hij het humanistische gedachtegoed propageerde (Akkerman, 2012, p. 26-28). In Groningen liet Agricola ook zijn gedicht Anna mater drukken en bouwde hij samen met Johan ten Damme het orgel voor de Martinikerk (Akkerman, 2012, p. 31).

Rodolphus Agricola, Anna mater (1517)

Rodolphus Agricola, Anna mater (1517)

Agricola over zijn vaderland

Het leven in het intellectueel achterblijvende Noorden viel Agricola zwaar en bij herhaling liet hij zich fel uit over de bewoners. Over de sfeer in Groningen, die hij met die van Italië contrasteert, schrijft hij in een brief uit 1482 het volgende:

'Daartegenover is ons vaderland, zoals zoveel plekken dat doorgaans zijn, regelloos, zonder affiniteit met of respect voor eruditie; het heeft een ruw en boosaardig volk, afkerig van welke omgang met gecultiveerde geesten dan ook, willekeurig in haar lofprijzingen, agressief en vijandig, roddelzuchtig, gemeen en erg wispelturig.' (Akkerman en Van der Laan, 2002, p. 156).

Ook klaagde Agricola dat zijn actieve beheersing van het Latijn langzaam verdween. Toen hem enkele functies in het buitenland aangeboden werden, besloot hij te vertrekken (Akkerman, 2012, p. 28-30). Na zorgvuldige overweging koos Agricola voor een betrekking als huisleraar van zijn oude vriend Johan von Dalberg. Deze was inmiddels tot bisschop van Worms verkozen en bovendien rector van de universiteit van Heidelberg.

Voor deze functie sloeg Agricola onder andere een aanbod van het rectoraat van een school in Antwerpen en een positie aan het hof van Maximiliaan van Bourgondië af. Doorslaggevend voor deze keuze waren de humanistische intellectuele cultuur aan de universiteit van Heidelberg en de mogelijkheid die hij daar zou hebben om zich het Hebreeuws eigen te maken (Akkerman 2012, p. 29).

Albrecht Dürer, Kaiser Maximilian I (1519)

Albrecht Dürer, 'Kaiser Maximilian I' (1519) [Wenen, Kunsthistorisches Museum. Bron: Wikimedia]

Heidelberg, Rome en Agricola’s dood in 1485

In 1484 verhuisde Agricola naar Heidelberg. Hier hielp hij de bisschop met zijn studie van het Grieks en gaf hij colleges over Plinius de jongere aan de universiteit. Ook woonde hij disputaties bij (Akkerman, 2012, p. 5-6). Heidelberg was een van de eerste steden boven de Alpen die in aanraking waren gekomen met het humanisme. Ook Von Dalberg was een vooraanstaand humanist, die de humanistische wetenschappen gebruikte om het christendom te prediken. Voor hem schreef Agricola in 1484 de humanistisch getinte kerstrede De Nativitate seu immensa natalis diei Iesu Christi laetitia oratio (Akkerman, 2012, p. 30). Daarnaast hield Agricola zich bezig met zijn studie van het Hebreeuws.

Op 29 augustus 1484 wordt Innocentius VIII tot paus verkozen. Agricola werd uitgenodigd om met het gezantschap van Johannes van Dalberg naar Rome te trekken om de nieuwe paus te feliciteren. Voor deze gelegenheid schreef hij de lofrede Oratio ad Innocentium VIII (Akkerman, 2012, p. 35). Op de terugreis naar Heidelberg werden Agricola en enkele reisgenoten plots overvallen door hevige koorts, zodat het gezantschap genoodzaakt werd de reis te onderbreken en in Italië te wachten op genezing.

Portret van Johann von Dalberg (1480) [Badisches Landesmuseum Karlsruhe. Bron: Wikimedia]

Portret van Johann von Dalberg (1480) [Badisches Landesmuseum Karlsruhe. Bron: Wikimedia]

Toen ze zich enigszins hersteld hadden, ondernamen ze het restant van de terugreis, maar Agricola arriveerde in zeer zwakke staat. Omdat hij slechts behandeld wilde worden door zijn vriend Adolf Occo weigerde Agricola hulp van Heidelbergse artsen. Occo, die hem eerder in Ferrara genezen had, spoedde zich naar Heidelberg, maar arriveerde één dag te laat. Met hevige koorts stierf Agricola in oktober 1485 aan de gevolgen van een onbekende ziekte (Nauwelaerts, 1963, p. 84-86).

Rodolphus Agricola’s begrafenis werd gehouden in de Fransiscanenkerk in Heidelberg. Voor een monument dat hier geplaatst werd, schreef de Italiaanse humanist Ermolao Barbaro het grafschrift:

Het afgunstig lot heeft in dit marmer besloten
Rudolf Agricola, hoop en glans van de Friese bodem
Bij zijn leven heeft Germanië verdiend
Al wat Latium, al wat Griekenland aan lof omvat.

(Waterbolk, 1995, p. 22)