Op zoek naar de ideale cultuur

Hoe zou een ideale cultuur eruit zien? Zou de nadruk liggen op economie of ecologie? Kunnen we wel kritisch nadenken over de eigen cultuur, waarin we zijn opgegroeid? Met deze vragen houdt Ton Lemaire zich bezig. Als cultuurfilosoof én antropoloog formuleert hij een model om cultuurkritiek toe te passen en schetst een beeld van een ideale cultuur.

Cultuurrelativisme

Het was in de jaren zestig en zeventig dat Ton Lemaire zijn cultuurtheorie schreef. Zijn boek Over de waarde van kulturen werd duidelijk beïnvloed door debatten uit die tijd. De jaren vijftig en zestig werden gekenmerkt door verzet en de roep om vernieuwing. Extra luid klonken de stemmen uit de linkerhoek van het politieke spectrum. Kritiek op het kapitalistische systeem kwam van marxisten die protesteerden tegen kolonialisme, imperialisme en conservatieve krachten. Ze gedroegen zich anti-autoritair en eisten meer tolerantie. Door de dekolonisatie wankelde het beeld van de dominante westerse cultuur.

Gasplatform in Seattle

Gasplatform in Seattle (Bron: Wikimedia)

De nieuwe invulling van het cultuurbegrip leidde uiteindelijk tot het cultuurrelativisme: het idee dat alle culturen gelijkwaardig zijn en er geen maatstaven bestaan om ze te beoordelen. Lemaire vindt dit gevaarlijk: cultuurkritiek moet op de één of andere manier wel mogelijk zijn. Zijn cultuurfilosofie geeft een niet-eurocentrisch model van ‘de ideale cultuur’; aan de hand daarvan zouden culturen beoordeeld kunnen worden.

De ideale cultuur: grenzen aan productie

De westerse cultuur scoort slecht op de criteria die in Lemaire’s model aangereikt worden. Dat ligt vooral aan de centrale plaats van de economie in de westerse cultuur.

De eerste maatstaf die Lemaire suggereert, is de productiviteit van een samenleving: hoeveel en wat wordt er geproduceerd? Al snel blijkt echter dat productiviteit niet het belangrijkste kan zijn. Teveel productie zou leiden tot vernietiging van het ecologische evenwicht en tot uitbuiting van de mensen. Die zouden alleen nog in dienst staan van de productie. Belangrijker dan productiviteit zijn het ecologische evenwicht en ontplooiing van het individu. Dat worden de tweede en derde maatstaf.

Ecologisch evenwicht betekent in feite ‘duurzaamheid’, en vormt de tweede maatstaf. De productiviteit van een samenleving moet volgens Lemaire de natuur niet overbelasten. Dat vereist onder andere dat er grenzen worden gesteld aan de winning van grondstoffen, maar dat de uitstoot van (bijvoorbeeld) broeikasgassen beperkt blijft. Dat dat misschien minder goed is voor de economie, is van minder belang.

Het gevaar van groei

Een gevaar van het vooruitgangsdenken is de nadruk op groei. Het vooruitgangsgeloof richt zich op meer ontwikkeling en meer beheersing. Binnen het westerse systeem wordt dat gecombineerd met het kapitalisme. Het kapitalisme is gericht op een zo groot mogelijke accumulatie van goederen; het is mateloos. De economie vraagt continu om meer, maar overvraagt daarbij de planeet. Voorbeelden zijn ontbossing voor meer plantages, voedselschaarste, megasteden met krottenwijken en strijd om schaarse ertsen of olie. Lemaire vreest dat dit zal leiden tot gewapende conflicten, economische crises en natuurrampen.

Vandaar dat Lemaire de economische groei vergelijkt met kanker: ook dat is een vorm van destructieve ongebreidelde groei die niet ondersteund wordt door het organisme waar het deel van uitmaakt. Lemaire koppelt de enorme toename van het aantal kankerpatiëntenaan de vervuiling door de technologische en industriële maatschappij. De vooruitgang zal een desillusie blijken, zegt Lemaire.

De prioriteit van de economie

De op hol geslagen groei is deels te wijten aan de prioriteit van de economie in de moderne westerse samenleving. De economie voegt zich niet meer naar de sociale, politieke of religieuze context. De economie is ‘verzelfstandigd’ en de cultuur is economisch geworden. Tegenwoordig beheerst de economie juist de cultuur: mensen worden eerst en vooral begrepen als arbeidskrachten en als consumenten, de wereld om ons heen als consumptiegoed. Zo wordt er met projecten ‘Marktonwikkeling’ onderzocht wat de ‘consument’ wil van de natuur. Een ander voorbeeld is de politiek, waarin de burger vaak benaderd wordt als consument: zo doen gemeenten aan klanttevredenheidsonderzoek.

Per saldo wordt de mens steeds minder als mens van vlees en bloed gezien. In plaats daarvan wordt hij als een ideaaltype voorgesteld: de homo economicus, die zo ‘economisch’ en ‘rationeel’ mogelijk zijn behoeften probeert te bevredigen. Economen werken met modellen die op deze mensopvatting zijn gebaseerd. Deze mensopvatting is echter ook deel van een ideologie, namelijk die van het kapitalisme. Deze ideologie beïnvloedt zo ons zelfbeeld. Op dit moment is de economie onbeheersbaar geworden: crises zijn komen vaak voor geworden en economen zijn het oneens over de juiste aanpak ervan. Volgens Lemaire kan de economie alleen beheerst worden, als ze wordt ingebed in de cultuur en begrensd door ethische en sociale principes.

Tomaten in de kas

Tomaten in de kas (Bron: Wikimedia)

Economie en ecologie

De gevaren van het vooruitgangsgeloof en de irrationaliteit van de westerse samenleving komen in feite voort uit het contrast tussen economie en ecologie. Economie en haar producten worden boven de natuur geplaatst. De natuur is alleen maar een bron van grondstoffen. Dat wordt gezien als iets positiefs: die producten maken ons immers afhankelijk van de natuur. Wie slecht ziet, krijgt een bril; we kunnen grote afstanden overbruggen en het hele jaar tomaten eten, in plaats van alleen ’s zomers. Toch is deze onafhankelijkheid niet alleen maar positief, zegt Lemaire. De mens wordt almaar afhankelijker van de productie.

Daarnaast is de natuur verwaarloosd. Het is maar de vraag of - en hoe lang - deze industriële samenleving leefbaar blijft. Lemaire ziet het milieuprobleem als een verzet van de natuur tegen de te grote belasting door de economie. In Over de waarde van kulturen spreekt hij van ‘een revolte van de natuur tegen haar uitbuiting’ (Lemaire, 1976, p. 230). Hij vindt dat de ecologische crisis ons dwingt onder ogen te zien dat het kapitalisme onhoudbaar is. Lemaire denkt dat de moderne technologie zo schadelijk is voor het ecosysteem van de aarde dat het de menselijke cultuur zou kunnen vernietigen.

Het belang van de ecologie

De vraag is of hoe we dit probleem moeten oplossen. Lemaire haakt op dit punt aan bij de ecologie. Daar zijn twee stromingen te onderscheiden. De eerste, meer ‘oppervlakkige’ ecologie ziet de milieucrisis als een oplosbaar probleem. De economie moet misschien hervormd worden, maar groei en technologische vooruitgang, consumptie en productie kunnen behouden blijven. Daar staat de tweede stroming, een radicalere ‘diepe ecologie’ tegenover. Prominente denkers van deze stroming zijn bijvoorbeeld Arne Næss en Thomas Berry. De ‘diepe ecologie’ ziet maar één oplossing voor de milieucrisis: een volledige culturele transformatie.

Lemaire is verwant met de diepe ecologie, maar heeft wel kritiek op veel van haar vertegenwoordigers. Zij hebben namelijk de neiging de natuur boven alles te plaatsen, en de mens volledig ondergeschikt te maken. Lemaire vindt dat ook taal, cultuur en ethiek op waarde moet worden geschat. Hij wil daarom een middenweg bewandelen die de mens in de natuur plaatst. Hij neemt een term over van de milieufilosoof Wim Zweers, en stelt voor dat de mens idealiter een ‘participant’ of deelnemer is, maar altijd ook een bepaalde kritische afstand houdt.

Een nieuwe cultuur: economie aan banden

De culturele transformatie die volgens Lemaire nodig is om de milieucrisis op te lossen, zou behoorlijk ingrijpend zijn. Het zou een leven in eenvoud betekenen, in plaats van de materiële overvloed waarin we nu leven. De maatschappij zou toe moeten naar minder (economische) groei. Dat betekent bijvoorbeeld dat er minder geld in omloop is. Geld zou weer een ruilmiddel worden, in plaats van een doel op zich. Dat zou de wil doen afnemen om er grote hoeveelheden van te bezitten.