Een heldendicht op prins Maurits

Jaar:
1789
Auteur:
J. Nomsz.
Uitgeverij:
I.B. Elwe

De Amsterdamse dichter Johannes Nomsz (1738-1803) heeft het slechts korte tijd in zijn leven gemakkelijk gehad. Dat was nadat hij getrouwd was met de weduwe van een rijke suikerfabrikant in 1769. Vóór zijn huwelijk had hij vijf toneelstukken gepubliceerd en in de eerste jaren van zijn trouwen vertaalde hij nog vijf toneelstukken uit het Frans, maar daarna koesterde hij zich meer in de weelde die de suikerfabriek opleverde. Of ook tot hem was doorgedrongen dat zijn talenten middelmatig waren, is onbekend maar waarschijnlijk.

Na de dood van zijn vrouw in 1783 en door de achteruitgang van de fabriek, zag hij zich genoodzaakt steeds meer te publiceren om in zijn onderhoud te voorzien. Hij werd een broodschrijver die uiteindelijk 16 toneelstukken heeft gepubliceerd en dubbel zoveel heeft vertaald. Zijn grote voorbeeld was Voltaire, wiens ideeën over de toneelwetten hij publiceerde zonder diens naam te noemen. Voltaires Henriade *(1728), een uitvoerig lofdicht op de Franse koning Hendrik IV, inspireerde Nomsz tot twee vergelijkbare werken op helden uit de Nederlandse geschiedenis, zijn *Willem I (of de grondlegging der Nederlandsche Vrijheid), in 24 zangen (met platen, 1779) en Maurits van Nassau in 6 zangen (met historische aanteekeningen, 1789). De scherpzinnige criticus Jeronimo de Vries veroordeelde deze werken in 1810: 'welke alle blijken dragen van bij poozen op gezette tijden in een gemakkelijken leuningstoel met het geschiedverhaal ter zijde liggende, gemaakt te zijn'.

Doorluchtig opperhoofd

Het gedicht op Maurits verscheen na het herstel van Willem V in zijn stadhouderlijke waardigheid. Het woord vooraf toont een afbeelding waarop een Oranjeboom staat afgebeeld met het prinselijke wapen en omgeven met de wapens van de zeven gewesten van de Republiek, alles versierd met een banderolle 'volmaakt ver-eend'. Het boek is opgedragen 'aan alle voorstanders der door onze voorvaderen gevestigde constitutie; en aan hun doorluchtig opperhoofd, den beschermer der Nederlandsche vryheid'. Met de eerste helft zijn kennelijk de leden van de Staten-Generaal bedoeld, of bij uitbreiding alle orangistische regenten? De eerste zang memoreert alle steden die Maurits wist te veroveren op de Spaanse landvoogd Alexander Farnese, prins van Parma. Daarbij behoorde natuurlijk ook Breda, ingenomen door soldaten in een turfschip de stad binnen te smokkelen:

*Held Maurits yzren vuist had Axel ingenomen,
Was Bergen op den Zoom met roem te hulp gekomen,
En toonde by Breda, in 't winnen van die stad,
Dat hy Farneze in list geenszins te wyken had,
... *

Steenbergen! Zutphen! Hulst! Uw sterk bewaarde wallen:
Zyn ylings, met Delfziel, in Maurits hand gevallen

De latere zangen zijn is gewijd aan de overwinning van Maurits in de Slag bij Nieuwpoort. Daarmee houdt de lofzang op. Het conflict met Oldenbarnevelt komt zijdelings ter sprake en de schrijver rechtvaardigt Maurits door een beroep op de gestrengheid die vorsten nu eenmaal noodzakelijkerwijs soms moeten tonen. Na het gedicht volgt een historische toelichting bij afzonderlijke passages. Die grijpt de schrijver aan om zijn hedendaagse politieke inzichten te verwoorden, bijvoorbeeld met de woorden: 'geen der prinsen uit het huis van Oranje is onwaardiger mishandeld, dan de tegenwoordige stadhouder Willem De Vyfde'.

Anton van der Lem

STCN-beschrijving

J. Nomsz. *, Maurits van Nassau, Prins van Oranje. : In zes zangen. Met historische aanteekeningen.*
By I.B. Elwe te Amsteldam, 1789. - [2], XII, 238, [2] p. ; in-4, UBL: 1206 B 18
Meer details over dit boek...