Curieuze combinaties : edities en exemplaren

Het rechte gebruyck van des Heeren H. avondtmael stelt de STCN-beschrijver vaak voor raadselen. Tussen exemplaren bestaan allerlei verschillen. De STCN beschrijft de ideal copy. Dit is het 'exemplaar' van een editie dat beantwoordt aan het geheel van de oorspronkelijke intenties van de uitgever. Niet elk fysiek exemplaar is dus een ideal copy. Soms kan de ideal copy afgeleid worden uit verschillende defecte exemplaren. In een populaire uitgave zoals Het rechte gebruyck vertonen exemplaren van een editie regelmatig kleine afwijkingen in zetsel. Deze worden ook wel staatverschillen genoemd. Ze kunnen voorkomen in exemplaren die omstreeks dezelfde tijd van (grotendeels) hetzelfde zetsel zijn gedrukt. Verschijnselen als staatverschillen, correcties op de pers, zetfouten bij nadruk, menging van vellen van verschillende drukken bij verkoop, of vervanging van katernen en losse bladen door latere eigenaren leveren problemen op bij het onderscheiden van drukken. Aan de hand van enkele voorbeelden worden de dilemma's geschetst waarvoor de bibliograaf gesteld wordt.

In de 17de- en 18de-eeuwse boekhandel lagen boeken ongebonden in de winkel. De losse vergaarde vellen lagen op elkaar gestapeld en werden pas later tot katernen gevouwen en ingebonden. Boeken werden dan ook zowel gebonden als ongebonden verkocht. Zowel de boekhandelaar als de koper kon bepalen welke katernen in een band gebonden werden. Van Het rechte gebruyck verschenen tientallen edities. Menig uitgever bracht het avondmaalsboekje meer dan eens uit, soms zelfs meerdere malen in een jaar.

Omdat boekhandels populaire, vaak gedrukte werken soms in verschillende zetsels op voorraad hadden, kon het gebeuren, dat exemplaren samengesteld werden uit katernen van verschillende drukgangen. Dit zou het geval kunnen zijn bij een exemplaar van de editie van Cornelis Oterlijk rond 1740. Het is, op katern O na, een titeluitgave van de edities van de weduwe Gerrit Bouman, Hendrik Burgers, Philippus Losel en Pieter Verschueren. De vingerafdruk van katern O in de editie van Oterlijk is 'O me' en 'O7 ,$', terwijl de andere edities 'O g' en 'O7 .$W' hebben. Omdat vier van de vijf titeluitgaven katern O van hetzelfde zetsel hebben is het waarschijnlijk dat het bij deze vier om de ideal copy gaat.

Een vergelijkbaar geval doet zich voor in de editie van Jacob van Poolsum uit 1693. De exemplaren hebben M-katernen van verschillend zetsel. Het VU-exemplaar heeft vingerafdruk 'M en$' en 'M6 l$mij'; het Leidse exemplaar heeft 'M $' en 'M6 ijn$'. Voor beide varianten van katern M geldt dat de afwijkende katernen niet in al bekende edities voorkomen.

Er zijn verschillende verklaringen voor deze verschillen denkbaar. Vaak zijn varianten in zetsel terug te voeren op correcties nog tijdens het drukproces. Hierdoor kunnen exemplaren voorkomen uit alle fasen van de drukgang, zonder en met aanpassingen. Het is ook mogelijk dat de katernen op het moment van aanschaf niet meer in de winkel voorradig waren en de koper genoegen moest nemen met katernen uit een andere druk. Een andere verklaring is dat de koper zelf in een latere fase besloot zijn boek te vernieuwen met onderdelen uit een latere druk, omdat een exemplaar gedeeltelijk versleten was, of omdat er behoefte was aan een andere versie van het werk. Er zijn namelijk twee versies van Het rechte gebruyck te onderscheiden, een versie zonder en een versie met de bijdragen van Pierre Du Moulin le fils. Op deze manieren kunnen samengestelde, ofwel made-up copies zijn ontstaan.

Binnen de STCN wordt van een made-up copy gesproken als een gedeelte van de bladen afkomstig is van een andere druk. Dit is in niet alle gevallen even gemakkelijk vast te stellen. Verschillen in dikte of snijmaat van het papier en de aansluiting van watermerkdelen kunnen aanwijzingen zijn. Soms zijn er ook nog lijmresten midden in katernen te zien. Dit geeft aan dat deze katernen versneden zijn en delen van andere drukken kunnen bevatten.

Een duidelijk voorbeeld is het exemplaar uit de particuliere collectie van H.J. Postema. De katernen A-I en de bladen K1-10 zijn gedrukt in Utrecht door Jacob van Poolsum in 1708, de bladen K11-12 en katern L in Amsterdam door Gijsbert de Groot in 1686. De katernen A-I en bladen K1-10 zijn dus uit de editie van De Groot losgesneden. Waarschijnlijk is dit gebeurd op initiatief van de eigenaar die vond dat zijn exemplaar toe was aan vernieuwing. Misschien was het gedeeltelijk versleten en liet hij het betreffende gedeelte vervangen door katernen en bladen uit een nieuwe editie. Deze vernieuwing is duidelijk te zien. K1 is in de rug verlijmd met K12, waarvan de lijmresten nog tussen K11 en K12 zichtbaar zijn. Verder zijn de pagina's van de editie De Groot korter afgesneden dan die van de editie Van Poolsum. Op basis van dit exemplaar kan een volledige editie van Van Poolsum uit 1708 verondersteld worden. Deze veronderstelling wordt kracht bijgezet door de vermelding van een Utrechtse editie uit 1708 in de auctiecatalogus Van der Groe (Bibliotheca exquisitissima sive Catalogus librorum [...] quos collegit [...] Theodorus van der Groe, Leiden 1785) onder nummer 492 van de Libri theologici & philologici sacri in octavo: "C. Drelincourt, du Moulin enz over't H. Avondmaal, Utr. 1708 [...]".

Varianten tussen exemplaren kunnen ook een andere achtergrond hebben. In een aantal edities heeft één van de onderdelen, De reyse na Beth-El, een eigen typografische titelpagina. In sommige gevallen wijkt het jaartal op de typografische titelpagina van De reyse na Beth-El meer dan een jaar af van het jaartal op de typografische titelpagina van Het rechte gebruyck. Omdat het drukken van een editie normaliter ten hoogste over één jaargrens heen gaat, is één van de mogelijke verklaringen dat deze exemplaren samenstellingen van vellen van verschillende drukken zijn.

Een exemplaar van de Deventer editie van Lucas Peel uit 1734 bevat op blad K5 een titelpagina van De reyse na Beth-El met een eigen impressum van de weduwe Enoch de Vries uit hetzelfde jaar. De bladen K3 en K10 en K4 en K9 zijn echter gewoon conjunct en er zijn tussen K4 en titelpagina K5 geen lijmresten te zien. Dit zou kunnen betekenen dat een onbepaald aantal katernen uit de reeks B-I ook door of voor de weduwe De Vries zou zijn gedrukt. Er zijn nog geen afzonderlijke edities van Peel of de weduwe De Vries uit 1734 bekend. Aangezien het in dit geval om hetzelfde jaar en dezelfde plaats van uitgave gaat, is het waarschijnlijk dat deze Deventer drukkers samenwerkten en een gedeelde oplage produceerden.

De bibliotheek van de Vrije Universiteit Amsterdam bezit een samenstelling van drukken uit verder uiteenliggende jaren, namelijk 1716 en 1720. Het rechte gebruyck is gedrukt in Amsterdam door de weduwe Gijsbert de Groot in 1716 en De reyse na Beth-El drie jaar na haar dood door haar erven in samenwerking met Anthony van Dam in 1720 (Nynke-Ruler). Opmerkelijk is dat katern K niet opgedeeld is, alhoewel De reyse na Beth-El op blad K11 begint. Blad K1 is echter gewoon conjunct met K12 en blad K2 met K11. Er is geen sprake van uitgesneden en vervangen vellen. Hieruit kan geconcludeerd worden dat een onbepaald aantal katernen van dit exemplaar, uit de reeks B-I, in 1720 gedrukt is. Aangezien de familie De Groot bij beide edities betrokken was ligt het voor de hand te veronderstellen dat dit exemplaar door de drukker, in zijn functie van uitgever-boekhandelaar, werd samengesteld uit twee exemplaren. Omdat er tussen 1716 en 1720 geen edities van de familie bekend zijn, is het denkbaar dat ze in 1720 een exemplaar van een vorige editie 1716 hebben gebruikt om tot een compleet exemplaar voor verkoop te komen. Er was al wel een andere editie van de weduwe De Groot bekend uit 1716. Dit zou kunnen betekenen dat de familie De Groot in een jaar tijd twee edities drukte. De weduwe De Groot gaf Het rechte gebruyck met grote regelmaat uit. In 1716 kan ze uit commercieel oogpunt besloten hebben beide versies (met en zonder Du Moulin le fils) van het werk te drukken, net als in 1714. Omdat er geen volledige exemplaren bekend zijn van de tweede editie 1716 is niet met zekerheid vast te stellen of het om een made-up copy gaat.

Nieuwe drukken werden vaak regel voor regel nagedrukt naar het voorbeeld van een reeds bestaande druk, zeker binnen uitgeversfamilies. De typografische titelpagina van Het rechte gebruyck zou dus even goed fouten in jaartal en naam kunnen bevatten. Tussen 1717 en 1724 verschenen er ruim vijfenzestig uitgaven bij de erven van de weduwe De Groot, onder leiding van bedrijfsleider Anthony van Dam. Vijf van deze uitgaven, waaronder twee edities van Het rechte gebruyck, werden uitgegeven onder de naam van de weduwe De Groot. Het lijkt er op dat de erven het impressum van de weduwe per ongeluk hebben overgenomen. In dat geval zou het geheel in 1720 gedrukt zijn.

Een vergelijkbaar geval is in bezit van de National Library of Wales. Dit exemplaar van Het rechte gebruyck is mogelijk samengesteld uit edities van 1724 en 1727. Opmerkelijk is dat de typografische titelpagina van Het rechte gebruyck het impressum van de weduwe Gijsbert de Groot bevat, terwijl ze in 1717 overleden was. Misschien hebben haar erfgenamen haar titelpagina nagedrukt met handhaving van haar naam. Op blad K11 begint namelijk De reyse na Beth-El met op de titelpagina het impressum "t' Amsterdam, by d'erve van de wed: Gijsbert de Groot, boeckverkooper op de Nieuwendijck in de Groote Bybel, 1727". Het zou kunnen dat de erven weer hun moeders naam en het jaartal op de typografische titelpagina van Het rechte gebruyck vergaten te corrigeren.

Een andere mogelijkheid is dat de erfgenamen van de weduwe G. de Groot geen katernen meer op voorraad hadden van hun 1727 editie en daarom een vroegere familiedruk gebruikten om tot een compleet exemplaar te komen. Het is logisch dat ze hiervoor niet de voorgaande editie uit 1725 gebruikten, omdat in deze druk de bijdrage van Du Moulin le fils ontbreekt. De edities van 1724 en 1727 hebben zijn bijdrage wel.

In geen van beide gevallen is te bewijzen dat er twee edities zijn geweest, aangezien we niet meer exemplaren van de edities uit de betrokken jaren kennen. Van de edities van Het rechte gebruyck is van bijna de helft slechts één exemplaar bekend. Bovendien is daarvan de helft dusdanig incompleet of defect, dat de bibliografische feiten niet volledig zijn.

Bovenstaande voorbeelden laten zien dat harde conclusies zelden te trekken zijn. Soms zijn de druktechnische feiten evident, zoals bij conjuncte bladen. Een minder strak gebonden exemplaar laat eerder lijmsporen zien dan een gerestaureerd exemplaar. Vaak is slechts een enkel exemplaar overgeleverd met bepaalde verschijnselen. Veelal zijn bovendien geen andere exemplaren bekend zonder problematische verschillen in drukjaren, met andere woorden geen exemplaren met het ene dan wel het andere jaartal op alle titelpagina's. Dan valt bij gebrek aan vergelijkingsmateriaal in overgeleverde exemplaren niet te achterhalen in hoeverre er sprake is van editieverschijnselen of van curieuze combinaties op exemplaarniveau.

Linda Hurkmans en Mathieu Knops