Het avondmaal in beeld en woord

De avondmaalsboekjes bevatten, naast de verschillende teksten, in totaal zes afbeeldingen, elk met een bijbehorend gebedje op rijm. De boekjes bevatten eveneens zes tekstsecties, maar het is niet zo dat bij elke tekstuele eenheid een afbeelding geplaatst is. De eerste afbeelding in Het rechte gebruyck van des Heeren H. avontmael is de gegraveerde titelpagina, die helemaal voorin het werk is geplaatst. De gegraveerde titelpagina is niet verbonden aan één specifieke tekstsectie, maar sluit aan bij het thema van het gehele boek. De vijf overige afbeeldingen hebben wel betrekking op een specifiek tekstgedeelte.

Uit de inhoudsopgaven van enkele van de vroegste drukken (Doornick 1670, Rijckhals 1671) blijkt dat de boekjes aanvankelijk ingedeeld waren in drie delen: de voorbereidingen op het avondmaal, gebeden voor het avondmaal en gebeden na het avondmaal. De overige teksten waren al wel aanwezig, maar werden nog niet beschouwd als zelfstandige delen binnen het boek. Niettemin bevatten vanaf het begin niet alleen de drie genoemde secties, maar ook de teksten van Simonides en Udemans een frontispice. Al heel snel, vanaf Doornick 1671, verandert de indeling in de inhoudsopgave in zes tekstsecties. Aan de zesde sectie, waarin zich een geloofsbelijdenis en de bij het Avondmaal gezongen Psalmen bevinden, wordt echter geen frontispice toegevoegd. Is deze sectie misschien te zien als de sectie waarin het avondmaal gevierd wordt, en moeten we de gegraveerde titelpagina hierbij denken? Gezien het feit dat de gegraveerde titelpagina evident afwijkt van de overige - het is als enige geen bijbelse voorstelling - lijkt dit niet waarschijnlijk. Mogelijk vond men de titelplaat inhoudelijk al zo goed aansluiten dat het maken van een extra plaat voor deze sectie overbodig werd geacht.

In de editiegeschiedenis van Het rechte gebruyck komen drie edities voor waarvan de afbeeldingen afwijken. Allereerst de editie van De Gaasbeecken uit 1675. Voor deze druk zijn nieuwe afbeeldingen gemaakt met een geheel andere voorstelling. Ook de 'gewone' gebeden zijn hierin niet terug te vinden. In plaats daarvan zijn gebeden toegevoegd van Jan Zachariasz. Baron. De andere twee afwijkende edities zijn beide verschenen bij Gijsbert de Groot Keur. Voor deze uitgaven zijn geen nieuwe platen gemaakt, maar is gebruik gemaakt van al bestaande platen uit B. Hakvoords Het heilige avondmaal, van onzen Heer en Zaligmaker Jesus Christus.

De combinaties van tekst en beeld in de overige edities zijn in twee groepen te verdelen: een avondmaalsgang en contemplaties over het avondmaal. De voorstellingen zijn, op de gegraveerde titelpagina na, allemaal bijbelse voorstellingen. Soms is er slechts één moment te zien, soms zijn er van een verhaal meerdere scènes getoond. Tussen de afbeeldingen, de bijbehorende gebeden en de tekstsecties waarbij ze geplaatst zijn bestaat een inhoudelijke samenhang. Deze is voor de moderne, minder ingewijde, lezer misschien niet altijd even evident, maar de contemporaine gebruiker zal zich de hele context en het verloop van het afgebeelde verhaal en de bijbehorende gebeurtenissen bij de avondmaalsgang voor de geest hebben gehaald, en zal dus sneller dan wij nu de samenhang met de gebeden hebben begrepen.

In de eerste groep, de chronologische avondmaalsgang, wordt in de gebeden meerdere malen gebruik gemaakt van huwelijkssymboliek. Zo staat in het gebedje "Op de tijtel-plaet":

Hier eten 's hemels bruylofts- gasten
In overvloet, al schoon zy vasten.

En in het gebedje "De voorbereydende disgenoot":

Ik hoor de boet-trompet
My nodigen, ô smet,
Ick heb mijn bruylofs-rocken
Noch, Heer, niet aengetrocken.

De avondmaalsganger is een gast die aanzit bij een hemelse bruiloft, waarbij Jezus de bruidegom is. Hierbij sluit de illustratie van de Bruiloft te Kana, die op sommige typografische titelpagina's voorkomt, goed aan. De bruiloftsvergelijking werd ook vaak getrokken bij de belijdenis. Het afleggen van de belijdenis werd gezien als een huwelijk met God. De boekjes werden dan waarschijnlijk ook gebruikt als belijdeniscadeau, aangezien de avondmaalsganger pas nadat hij of zij belijdenis had gedaan aan het avondmaal mocht deelnemen.

De frontispices uit de avondmaalsgang kunnen in de chronologische volgorde: "de voorbereydende disgenoot", "de biddende disgenoot", "op de tijtel-plaet" en "de danckende disgenoot" worden gezet. Het eerste frontispice toont verschillende scènes uit de parabel van de verloren zoon (Luk. 11:15-34), met de nadruk op het moment dat de zoon tot inkeer komt en teruggaat naar zijn vader. Net als hij realiseert de avondmaalsganger zich in het gebed dat hij niet de goede weg bewandelt en komt hij tot het inzicht dat hij van richting moet veranderen en zich moet gaan voorbereiden op het avondmaal, de weg naar God.

De voorbereydende disgenoot
Ik hoor de boet-trompet
My nodigen, ô smet,
Ick heb mijn bruylofs-rocken
Noch, Heer, niet aengetrocken.
Een ander is gereed,
Ik ben noch ongekleed;
Heer! Wil my voor-bereyden,
En op u wegen leyden.
Ach! Neemt my by der hand!
Verligt mijn blind verstand!
Mijn oogen noch mijn ooren,
Die kunnen sien nog hooren,
Een ballast van misdaen,
En sonden stout begaen,
Die doen mijn neder sincken,
Maer laet uw sonne blincken,
Op dat door hare glans,
Mijn koude ziele thans
Mag opgekoestert werden,
Soo sal ick Heer volherden,
In alle deugd en eer,
En u bedancken Heer.
"

De tweede afbeelding beeldt Maria Magdalena uit, die met haar tranen en haren Jezus' voeten wast (Luk. 7:36-50). Jezus maant zijn discipelen om haar niet te bespotten en te verachten. Zij ziet de grootsheid van God en is bereid zich voor hem te vernederen. Op het moment dat de avondmaalsganger dit moment bereikt en bereid is God te smeken tot toelating tot het avondmaal mag hem de toegang niet meer ontzegd worden.

De biddende disgenoot
Nu kniel ick neder voor uw troon,
O Jesu, wascht mijn ziele schoon,
Mijn ziele, die van top tot tene
Onreynder is dan Magdalene;
Melaatser dan Gehasi was;
Ach doop my in die purper plas!
Die plas, die uyt uw zy quam vloeyen,
Elisa wilt my daer mee sproeyen;
Dan wert ick witter als een sneeu,
Dan wert ick stercker, om dien leeuw
(Uyt 't hol des afgronds voort gesprongen)
Aen twee te morslen, met sijn jongen.
Sie daar mijn Godt, den dis gereet,
En ick ben laas nog nauw gekleet!
Mijn wonden noch van etter droppen,
Ach laat my doch niet langer kloppen!
Wat toeft ghy bruygom met een soen?
Of moet ick u, als Mose doen?
En dwingen u? Hebt mededoogen,
Aenchouw de tranen in mijn oogen.
Heer, laat my eeten, geef my broodt
En wijn, de vruchten van u doodt.

De derde voorstelling in de chronologische avondmaalsgang is de viering van het avondmaal zelf, de enige voorstelling in het werk die betrekking heeft op het hele werk in plaats van op een specifieke tekstsectie. De afbeelding wijkt dan ook af van de overige. Allereerst is hij niet van bijbelse aard, maar wordt een contemporaine avondmaalsviering getoond. Ook het gebed wijkt iets af. Weliswaar sluit het aan bij de overige uit deze groep in het gebruik van de huwelijkssymboliek, maar de toon is veel minder persoonlijk.

Op de tijtel-plaet
De tijtel-plaet, die wijst ons aen
In't kort, begrip van dese blaen,
Daer zoo veel leeringen in steken,
Die (schoon zy stom zijn) heylzaem spreken,
En leeren ons 't gunt past gedaen,
Eer dat wy aen de tafel gaen.
Hier eten 's hemels bruylofts-gasten
In overvloet, al schoon zy vasten,
Sy prijcken langs de tafel heen,
Gods held in 't midden (als een steen
In 't goud) deelt uyt Godts leckernyen,
Die meer verstercken, meer verblyen,
Dan al de rijckdom en de schat,
Die 's werelts grooten kring bevat.
O saligh zulk een ziel die veyligh
Gods wet betrachten gaet, en (heyligh
Hier levende) zoo eet Gods broot,
Dat hy blijft vry van hongers noot.

Het vierde en laatste frontispice in deze categorie beeldt een psalmzingende David af met op de achtergrond een avondmaalsviering (Psalm 103). In deels dezelfde bewoordingen lofprijst de avondmaalsganger de Heer en wijst hij zichzelf er tegelijkertijd op dat hij de nu gevonden weg moet volhouden en zich naar Gods wil moet blijven richten.

De danckende disgenoot
Myn ziele looft den Heer,
Nu gy vernoegsaem weer-
Gekeert zijt door d'onthaling;
Mijn vreugd' heeft nau bepaling!
Wie ben ick, wat's mijn stam,
Dat gy, Heer, tot my quam?
En sterckt my met uw spijse,
En laeft my, reys op reyse,
Op Thabors vreughde-top,
Uyt uwe bron, vol-op,
By Gods geliefde soonen,
Bedenckt dit ziel. Wilt tonen,
Hoe ghy nu zijt verlicht,
En aen Godts heyl verplicht,
Om voor sijn rijck te strijden:
Hoe hy voor u moest lijden.
(Dit moedigen heeft klem)
Geeft u nu weer aen hem:
Nu moet ghy hemels leven,
't Verbont is u gegeven,
In d'hemel reets geset:
Volbrengt sijn wil en wet.

De twee contemplatieve combinaties hangen samen met het voorgaande, maar zijn theoretischer van aard. De eerste voorstelling beeldt de ontmoeting uit bij een waterput tussen Jezus en de Samaritaanse vrouw (Joh. 4:1-42). Het drinkende hert op de achtergrond is een verwijzing naar Psalm 42. Diegene die gewoon water blijft drinken zal altijd weer dorst krijgen, maar de avondmaalsganger die het water (woord) van God drinkt, zal geen dorst meer krijgen. En dit water is toegankelijk voor iedereen die de weg ziet, of hij voorheen nu zondaar of heilige was. Deze voorstelling sluit aan bij de laatste zinnen van het gebed bij de titelplaat:

"O saligh zulk een ziel die veyligh
Gods wet betrachten gaet, en (heyligh
Hier levende) zoo eet Gods broot,
Dat hy blijft vry van hongers noot".

De swaermoedige disgenoot gesterckt.
Geslingert, als een schip,
Gedreven aen een klip,
Door storm en stoute baren,
Word ick, door 't evenaren
Gepraemt in mijn gemoet,
Door sondens overvloet,
Die in my overwegen!
Vertwijffeling komt my tegen
Met Moses. 'k Sie wel 't landt,
Maer ick moet, laes! van kant,
En als een balling sterven.
Sacht ziel. 't is so. 'k Moet swerven.
Neen. Ja: het is gedaen.
Bedaer: neem reden aen.
Soeckt in Gods heyl'ge blaren,
Wat sondaers is ervaren:
Hoe hy geen heylig volck,
Maer sulcke, uyt de kolck
Opbeurt, met sterke zeelen.
Door 't slaen wil hy u heelen.
En krijght met Moses dan
Noch 't hemels Kanaan.

Het tweede en tevens laatste gebed in deze groep geeft een kanttekening bij het voorgaande. Weliswaar is het aardse avondmaal voor iedereen toegankelijk, bij de hemelse tafel wordt gewogen en wie op aarde niet "uyt ware sucht tot Godt" deelnam wordt te licht bevonden. De afbeelding hierbij stelt de onderrichting van Jezus in de synagoge voor, waarbij hij de schriftgeleerden onderwijst over de voorwaarden voor de toetreding tot het hemels koninkrijk (Joh. 6:52-71).

De overdenckende disgenoot.
Is 't al nootsakelick,
Dat elck sich hier toe schick?
En houdt die plechgtigheden,
Meer uyt gewoonlickheden,
Als wel uyt ware sucht
Tot God, en sondens-tucht?
Gelijck men siet geschieden,
Wat hulp wil Godt die bieden?
Men doet so wel sijn sin,
daer buyten, als daer in.
Neen ziel. De kerck staet open
Voor vele, om in te lopen,
Maer niet den hemel, daer
Stelt God een evenaer.
Iudas so wel komt treden,
Als Petrus en Iohannes deden,
Ter dis, als bontgenoot.
Tweelingen in een schoot,
En nochtans een verlooren.
Het kaf wast onder 't koren.
Heer! Geef my 't innig merk,
Tot dit nootsaeckelick werck.

Zo wordt de reeks dus afgesloten met een waarschuwing. Het avondmaal op aarde is niet de laatste halte. Om ook in het na-wereldse leven aan Gods bruiloftstafel te mogen aanschikken moet men leven naar Gods woord en dit is niet makkelijk. De laatste zin is dan ook een smeekbede om hulp bij deze zware taak:

Heer! Geef my 't innig merk,
Tot dit nootsaeckelick werck.

Anneleid Schepers