Het Avondmaal in het Tamil: de protestantse zending in Oost-Indië

Vanaf het moment dat de eerste Europeanen voet op Zuid-Aziatische bodem zetten, zijn er pogingen geweest het christelijke geloof te verspreiden onder de lokale bevolking. De eerste pogingen werden gedaan door de katholieke Portugezen, maar waren niet erg succesvol. Het merendeel van de bekeerlingen was slaaf, van wie het twijfelachtig is of de bekering vrijwillig was. De zending begon op gang te komen toen de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) in de tweede helft van de zeventiende eeuw voet aan de grond kreeg in het gebied (door hen Ceylon genoemd) en de katholieke mis verving door een protestantse eredienst. Ook deze zendingsgolf was geen groot succes. Niettemin werden in deze periode de wortels gelegd voor de protestantse Tamilcultuur.

De eerste (ons bekende) Europeanen die met zendingsmotieven naar de Oost trokken, waren de Duitsers Ziegenbalg en Plütschau in 1713. Zij waren naar de Oost gestuurd om de protestantse boodschap te verspreiden en te onderwijzen aan de lokale bevolking. Direct bij het aan land komen in Sri Lanka liepen zij tegen de taalbarrière aan: de lokale bevolking sprak Tamil, Sinhalees en soms Portugees, maar zelden Nederlands of Duits of een andere West-Europese taal. Dit taalprobleem zou eerst overwonnen moeten worden. Daarna kon men gaan werken aan de tweede grote barrière: de confrontatie met de lokale religie en het kastesysteem.

Ziegenbalg en Plütschau verdiepten zich in de inheemse cultuur en talen, met name het Tamil, en richtten scholen op om de lokale bevolking te onderwijzen. Het doel was niet alleen om de Tamils Europese talen te leren, maar vooral ook om de protestantse leer in het Tamil toegankelijk te maken. Het sprak voor Ziegenbalg en Plütschau vanzelf dat de Tamils uiteindelijk zouden inzien dat het christendom te verkiezen viel boven hun eigen 'heidense' geloof. De Tamils zelf waren hier minder van overtuigd. Zij zagen immers de inconsequenties tussen de leer en het (wereldse) gedrag van de westerlingen.

Het initiatief van Ziegenbalg en Plütschau om de taalbarrière tussen Tamils en Europeanen te doorbreken kreeg veel navolging, wat leidde tot een groeiende doelgroep en een grote stroom publicaties. Er verscheen een uitgebreid arsenaal aan woordenboeken en grammatica's. Daarnaast ontstond er een stroom van vertalingen van allerlei theologische geschriften. In 1737 zette de VOC in Colombo een drukkerij op, speciaal gericht op het publiceren van christelijke (protestantse) literatuur in het Tamil en Sinhalees. Colombo ontwikkelde zich dientengevolge tot het centrum van de religieuze boekproductie in Nederlands Oost-Indië; overheidspublicaties verschenen voornamelijk bij de drukkerij in Batavia.

Tussen 1765 en 1790 werd de drukkerij geleid door Johann Fredrik Christoph Dornheim. Uit die periode zijn 21 werken bekend met zijn naam in het impressum. Vijf hiervan zijn in het Nederlands, waarvan drie gelegenheidsgedichten zijn ter ere van gouverneur Falck en twee bijbeledities. Net als de Latijnse Colloquia van Joachim Langius uit 1770 waren deze publicaties vooral bedoeld voor de (Nederlandse) kolonisten op het eiland.

De overige 16 publicaties van Dornheim waren gericht op de inheemse bevolking. Zeven van deze werken zijn in het Tamil, acht in het Sinhalees en één in het Portugees. Het gaat uitsluitend om religieuze werken, voornamelijk bijbeledities, (kinder)catechismi en psalmboeken. Het rechte gebruyck van des Heeren H. avondtmael uit 1775 is een vreemde eend in de bijt. Slechts één keer eerder kwam er een avondmaalswerk van de pers uit Colombo op de markt onder Dornheims voorganger Johann Bernhardt Arnhardt in 1754.

Het werk bevat inhoudelijk slechts een deel van de tekst van de Nederlandse edities van Het rechte gebruyck. Alleen de secties: "Voorbereiding op het heilig avondmaal", "gebeden voor het heilig avondmaal" en "gebeden na het heilig avondmaal" zijn aanwezig. Alle elementen van deze drie secties zijn aanwezig. Opvallend is wel dat er, behalve op de titelpagina, nergens auteursnamen vermeld zijn. De titelpagina en het voorwoord zijn zowel in het Nederlands als het Tamil aanwezig. De rest van de tekst is geheel in het Tamil.

Het voorwoord is van de hand van de vertaler van het werk, Jan Franciscus. Hij stelt hierin dat hij het van belang vond om het werk in zijn moedertaal te vertalen. Blijkbaar was hij dus van Tamil-afkomst. De niet inheems aandoende naam Jan Franciscus kan hij bij zijn bekering naar het Christendom hebben aangenomen. Zeker is dat hij zowel het Nederlands als het Tamil kon lezen en schrijven, en dus behoorlijk geschoold moet zijn geweest. Het feit dat de vertaler van Tamil-oorsprong was is opvallend. Verreweg de meeste literatuur werd vertaald door westerse dominees. Was Jan Franciscus misschien het kind van een Nederlandse vader en een Tamil-moeder? Jammer genoeg valt hier niets over te zeggen. Verdere bronnen zoals archivalia of andere vertaalde werken zijn helaas niet bekend.

Anneleid Schepers (met dank aan Simon Schmidt en Priya Douma)