Hetzelfde maar dan anders: samenwerking en differentiatie

De platen voor de gegraveerde titelpagina's bij het Het rechte gebruyck van des Heeren H. avondtmael lijken, los van het zetsel van de tekst, te rouleren en gebruikt te worden. Drie korte casussen schetsen dit fenomeen.

t'Amsterdam 1705, 1715 en 1723

De 18de-eeuwse Amsterdamse boekverkoper Jan Spanseerder had zijn zaak gevestigd aan de St. Luciensteeg, gelegen bij het voormalige Burgerweeshuis en het Amsterdamse Begijnhof. Op de titelpagina van drie UB VU-exemplaren van het Het rechte gebruyck staat zijn naam. Deze drie zijn ongedateerd, maar twee hiervan hebben een jaartal in het impressum van de gegraveerde titelpagina: 1705 (alleen het exemplaar van de UB VU heeft deze titelplaat) en 1723. Hoewel Spanseerders naam op de titelpagina staat, kan 1705 niet op hem van toepassing zijn. De vroegst bekende datum die van Spanseerder bekend is, is zijn lidmaatschap van de Bijbelcompagnie in 1715.

De door Spanseerder gebruikte titelplaat met het jaar 1705 wordt ook gebruikt in uitgaven van Het rechte gebruyck door Bastiaen van Beaumont in 1705; driemaal door Joannes van Heekeren (1705, 1709 en 1713) en door Pieter van Rijschooten in 1709. Voor het zetsel, ook van de typografische titelpagina, werkt Van Rijschooten in 1709 samen met Van Heekeren en Antony Hasebroeck. De laatste gebruikt echter een andere titelplaat, net als de weduwe Gijsbert de Groot in datzelfde jaar. In 1716 gebruikt Van Beaumont de plaat nogmaals, zij het met een aangepast impressum; een deel van de nul is weggehaald, zodat er nu 1715 staat. Daarnaast (of hierdoor?) is het onderste liggende streepje van de "E" in "Amsterdam" licht beschadigd. Ook de afbeelding zelf is ruw bewerkt; de achterwand van de kerk heeft horizontale arcering gekregen. Was de oorspronkelijke verticale arcering, net als het ruitmotief in de kerkvensters, aan slijtage onderhevig?

Hierna wordt de plaat opnieuw bewerkt. Het jaartal wordt vervangen door 1723, waarschijnlijk door het uitzagen van het oude jaartal en het inlassen van een nieuw stukje plaat. Dit nieuwe jaartal geeft op het papier een donkerder afdruk dan de rest van de plaat. Is dit een correctie met hoogdruk geweest, waarbij het stukje met het jaar hoger op de plaat gelegen was dan de rest? Heeft dit te maken met de inktopname van dit ingelaste stukje plaat, waarbij zowel het verschil in gebruiksfrequentie als legering een rol kan spelen? Of is er sprake van verdieping, waarbij het nieuwe jaar dieper in de plaat is geëtst en zodoende meer inkt opnam en afgaf?

De afbeelding wordt eveneens opnieuw bewerkt; het ruitmotief van de kerkvensters wordt duidelijker aangebracht, de achterwand van de kerk krijgt weer een verticale arcering en, vernieuwend, bij de dame uiterst rechts is het mutsje geheel over haar hoofd getrokken. Dat het ondanks deze ingrepen om dezelfde plaat moet gaan, blijkt uit de verdergaande slijtage bij de "E" van "Amsterdam".

Deze door Spanseerder gebruikte titelplaat met het jaar 1723 wordt ook gebruikt door Joannes van Heekeren en Hendrik Burgers. Bij geen van deze drie uitgaven staat een jaartal op de typografische titelpagina. De uitgaven zijn misschien pas in 1724 uitgekomen, voordat Van Heekeren in april van dat jaar overleed. Het daadwerkelijke verschijningsjaar komt dus waarschijnlijk niet overeen met het gegraveerde jaar. Het toegepaste procédé is niet met zekerheid vast te stellen.

Tot slot ondergaat de titelplaat nog een laatste en rigoureuze verandering. Hendrik Burgers laat het impressum op de plaat vervangen door by Burgers, 1733. Dat deze datering niet voldoende is om de daadwerkelijke drukgang van de uitgave vast te stellen, zal blijken uit de laatste casus.

Nieuwe kopere platen?

De Amsterdamse boekverkopers Andries van Damme, Pieter Mortier, Jacobus van Hardenberg en de Amsterdammer Pieter Hulck - die zich Boekvergulder noemt - gebruiken van 1697 tot 1706 de titelplaat die voor het eerst in 1694 bij de Amsterdamse boekverkopers Joannes Blom en Albert Visscher opduikt. Aan het impressum van deze titelplaat wordt gedurende deze periode van 13 jaar niets veranderd. Dit is ook niet nodig; het impressum laat jaar en drukker onvermeld en luidt simpelweg: t'Amsterdam Gedruckt. Na Gedruckt lijkt een komma te staan, wat wellicht een indicatie is dat de mogelijkheid openstond een drukkersnaam of jaar toe te voegen.

De typografische titelpagina's bij de uitgaven waarin deze titelplaat opduikt, vermelden alle de drukker en - op Mortier na - het jaar van uitgave. Van Damme, Hulck en Mortier nemen niet alleen de plaat over van Blom en Visscher, ook hun typografische titelpagina wordt als basis gebruikt voor hun eigen uitgave. De titelpagina uit 1694 wordt in 1697 regel-voor-regel overgezet. Er is één uitzondering; waar Blom en Visscher nieuwe Kopere Platen zeggen te hebben gebruikt, delen hun navolgers mee dat dit schoone kopere Platen zijn (waarschijnlijk: schone, opgewerkte platen en dus schone afdrukken).

De titelpagina's van Van Damme, Hulck en Mortier zijn - met uitzondering van het impressum - van hetzelfde zetsel. Om tot zo'n "precies-dezelfde-maar-dan-van-iemand-anders" titelpagina te komen, werd de hele titelpagina, inclusief één van de impressa, gedrukt. Op een bepaald moment werd de drukpers stopgezet, het zetsel van het impressum werd vervangen door het zetsel van een ander impressum, om vervolgens het drukproces te continueren. In dit geval moet deze onderbreking twee keer hebben plaatsgevonden. In het impressum geven de titelpagina's van Hulck en Van Damme het jaar 1697. Aangezien de titelpagina van de uitgave van Mortier in dezelfde drukgang gedrukt is, moet deze uitgave gedateerd worden in hetzelfde jaar.

Zeven uitgevers

Van alle door Pieter Verschueren uitgegeven werken, zijn de uitgaven van Het rechte gebruyck (éénmaal ongedateerd en één uit 1742) de enige twee die zijn werkadres bevatten. Sterker nog, het impressum van zijn ongedateerde uitgave bevat zelfs twee adressen; de Nieuwe Zijds Agterburgwal is op een zgn. slip-cancel geplakt over de Oude Zijds Agterburgwal. Ergens heeft er wellicht een vergissing in het drukproces plaatsgevonden, die hersteld werd door een strookje met het juiste adres over het foutieve adres te plakken. Of is Verschueren verhuisd na het drukken van zijn uitgave en is de correctie pas later aangebracht? De Amsterdammer Verschueren moet voor zijn uitgave hebben samengewerkt met Philip Losel uit Rotterdam. Zowel de titelpagina als de titelplaat van deze uitgave van Verschueren zijn, met uitzondering van de impressa, identiek met de ongedateerde uitgave van Losel. De gegraveerde titelpagina's hebben ieder hun eigen impressum, dat bij beiden het jaar 1734 geeft.

De Amsterdamse boekverkopers Hendrik Burgers en de weduwe Gerrit Bouwman waren eveneens betrokken bij de samenwerking tussen Verschueren en Losel. Hun ongedateerde uitgaven, waarvan die van Burgers in de eerste casus besproken is, hebben dezelfde typografische titelpagina. Beiden gebruiken de gegraveerde titelplaat die in de eerste casus besproken is, bij Burgers gedateerd 1733. Aangezien de weduwe Bouwman pas werkzaam was tussen 1739 en 1746, is hiermee de datering van het drukproces in deze jaren te plaatsen. Waarschijnlijk is deze groep edities voor de gedateerde issuegroep van 1742 met wederom de weduwe Bouman verschenen.

Tenslotte moet Cornelis Oterlijk genoemd worden, die wel dezelfde typografische titelpagina heeft, maar een andere gegraveerde plaat gebruikt dan de clusters Verschueren-Losel en Burgers-weduwe Bouwman. Oterlijk gebruikt een plaat die voor het eerst opduikt bij Gijsbert de Groot in 1686. Gezien de overeenkomsten in de titelpagina's moet ook hier de drukpers zijn stopgezet, het zetsel van het ene impressum vervangen door het zetsel van een ander impressum, om vervolgens het drukproces te continueren. Is er in dit geval, met vijf verschillende uitgevers, zo'n chaos geweest dat er een storende en kostbare adresseringsfout plaatsvond?

In 1742 werken Verschueren, Losel en de weduwe Bouwman weer samen. Er volgt een editie, waarvan de uitgave door Verschueren zonder gegraveerde titelpagina is overgeleverd: het enige exemplaar van deze uitgave mist de gegraveerde titelpagina. De weduwe Bouwman gebruikt weer een andere plaat, die ook niet met haar voorgaande plaat overeenstemt. De plaat voor de gegraveerde titelpagina van Losel is dezelfde als die Losel en Verschueren in 1734 hebben gebruikt. Aan het impressum is duidelijk te zien dat het jaar op de plaat veranderd is, zonder een nieuw stukje in de plaat te lassen. De typografische titelpagina's zijn ook ditmaal aan elkaar gelijk.

Otto van Grafhorst gebruikt de plaat als laatste, in 1756. Hij heeft, net als Losel voor hem, de plaat laten bewerken; het impressum is eraf gehaald. De typografische titelpagina kent opmerkelijke overeenkomsten met de uitgaven van Verschueren en Losel uit 1742. Van Grafhorst werkt voor deze typografische titelpagina samen met Hendrik Brandt, die een andere plaat gebruikt dan Grafhorst. Hoewel in hun uitgave dezelfde woorden in precies dezelfde spelling gebruikt zijn en de afbeelding op de gegraveerde titelpagina dezelfde is, is er ditmaal geen sprake van een regel-voor-regel overzetting van de typografie.

Kortom

De ingewikkelde overlevering bevestigt dat de platen voor de gegraveerde titelpagina's los van het zetsel hebben gerouleerd.

Sanne de Vries