Kerkgoed in het kielzog van de Statenbijbel: de Nederlandsche Bijbelcompagnie

Wanneer in 1637, bijna twintig jaar na de sy/node/ van Dordrecht, de eerste editie van de Statenbijbel eindelijk van de Leidse persen van Paulus Aertsz van Ravesteyn komt, ontstaat al snel ongenoegen onder de Amsterdamse bijbeldrukkers. Van Ravesteyn, een Amsterdammer die speciaal voor het drukken van de nieuwe Statenvertaling naar Leiden is gehaald, werkt immers samen met de Haagse Statendrukker, de weduwe Hillebrant Jacobsz van Wouw en het heeft er alle schijn van dat deze laatste het alleenrecht voor het drukken van de nieuwe bijbel naar zich toe heeft getrokken. De Staten van Holland weigeren in het belang van de verontruste Amsterdammers de nieuwe vertaling in te voeren. Men vindt het ongeoorloofd dat één drukker het monopolie en dus de naar verwachting hoge baten op een zilveren schaaltje, dat wil zeggen met privilege van de Staten Generaal, krijgt aangereikt. Ampele discussies en bijeenkomsten bieden geen uitweg uit de impasse en ten langen leste breken de Amsterdamse burgemeesters, op de voet gevolgd door hun Haarlemse en Goudse collega's, het monopolie van de Statendrukker door eigenhandig consent te verlenen voor het drukken van de nieuwe bijbel en testamenten.

Het hek blijkt van de dam, zeker wanneer in 1652 het privilege van Van Wouw afloopt en niet wordt verlengd. Er wacht een enorme bijbelmarkt en vele bijbelverkopers en -drukkers voorzien gouden tijden. In Amsterdam, waar voorheen ook al de meeste bijbeldrukkers werkzaam waren, vragen en krijgen diverse drukkers toestemming bijbels op te leggen. Om het boek der boeken te produceren is echter een fikse investering in lood en vooral papier noodzakelijk. Wanneer rond 1670 de invoer van Frans papier wordt stopgezet en dientengevolge de prijs van het papier in de hoogte schiet, ontstaat dan ook de noodzaak samen te werken. Drukkers slaan de handen ineen en vragen gezamenlijk consent aan. Zo ontstaat in 1675 een 'grote' compagnie van bijbeldrukkers, bestaande uit Joannes van Someren, Michiel de Groot, Abraham Wolfgang en de broers Hendrick en Dirk Boom. Ze verenigen zich met het doel bijbels, testamenten, psalmboeken en ander kerkgoed te drukken, te bewaren, uit te geven en uiteraard te verkopen. Maar niet iedereen is even gelukkig met de kwaliteit van het compagniedrukwerk en in 1680 waagt een gezelschap van kleine, merendeels gereformeerde boekverkopers, boekbinders en boekvergulders de grote stap. Jan Appelaer, Joannes Schot, Jan Castricum, Jacob Looman, Abraham van der Putte, Meyndert Bout, Antony Hasebroeck, Pieter van Rijschooten, Jan Spruyt en Jacobus Bouman grijpen hun kans en gaan in compagnie de concurrentiestrijd aan met hun collega's. Beide compagnieën brengen bijbels, testamenten en psalmboekjes op de markt, maar ook avondmaalsboekjes.

In diezelfde jaren '70 van de 17de eeuw zien de eerste Amsterdamse edities van Het rechte gebruyck van des Heeren H. avondtmael het licht bij Marcus Doornick. Doornick is niet betrokken bij één van de verbanden - hoewel ook hij later, in compagnie met de Dordtse Pieter Keur, bijbeldrukker zal worden. In 1677 draagt hij een aantal privileges over aan Michiel de Groot (van de 'grote' compagnie) en doet tevens, zo blijkt, afstand van Het rechte gebruyck: in 1679 brengt De Groot een eigen editie geheel gedrukt naar het voorbeeld van de laatste Doornick-editie en met voorin de gegraveerde titelpagina van Doornick. Spoorslags volgen de concurrenten: in 1680 presenteren Appelaer en Bouman (van de 'kleine' compagnie) hun editie. Een jaar later staakt Bouman eenzijdig de samenwerking en brengt op eigen houtje enige nieuwe drukken op de markt. Uiteindelijk trekt hij echter zijn handen af van het avondmaalsboekje. Joannes Schot intussen, houdt de 'kleine'compagnie in de strijd met zijn editie van 1683.

In 1686 legt de oudste compagnie het hoofd te rusten en brengt de volledige compagnievoorraad onder de hamer. Bijbels in vier formaten en testamenten en psalmboeken in groot en klein formaat veranderen van eigenaar. Als belangrijkste koper werpt zich Gijsbert de Groot op, in de compagnie de opvolger van zijn intussen overleden oom Michiel. De jonge De Groot neemt in zijn eentje de fakkel over van de ter ziele gegane compagnie en brengt nog in hetzelfde jaar een editie van het Het rechte gebruyck op de markt, een jaar later gevolgd door een nieuwe druk van de Statenbijbel. Weer een jaar later echter, in 1688, treedt hij toe tot het verbond van kleine boekbinders en -vergulders en versterkt daarmee de 'kleine' bijbelcompagnie aanzienlijk. Daarnaast treden ook Bruno Spanseerder, de schoonvader van Antony Hasebroeck, en Joannes van Heekeren toe.

De volgende decennia drukt en verspreidt de bijbelcompagnie een keur aan bijbels, testamenten en psalmboeken, alles voornamelijk in kleine formaten. De compagnons staat het vrij een eigen fonds op te bouwen, met uitzondering van kerkgoed. Wie een kerkboek wil (laten) drukken is verplicht eerst 'aen de geheele compagnie' voor te stellen 'om sulks gesamentlijk te drucken.' Dit betekent niet dat alle compagnons verplicht zijn aan alle uitgaven deel te nemen. Ze drukken in de eerste plaats gereformeerd kerkgoed, maar geven ook blijk van een gezonde handelsgeest door tevens Luthers kerkgoed op te leggen.

De 'kleine' compagnie vaart er wel bij en floreert gedurende de ganse achttiende eeuw. Bij het overlijden van één van de compagnons wordt de lege plek indien mogelijk door erfopvolging gevuld. Abraham van der Putte wordt opgevolgd door neef Isaak, Pieter van Rijschooten door zoon Karel en na diens overlijden door zwager Cornelis Oterlijk. De Lutherse Nicolaas Burgers treedt in de voetsporen van oom Jacob Looman, en wordt op zijn beurt opgevolgd door zoon Hendrik, die te zijner tijd de fakkel weer overdraagt aan zijn bediende Hendrik Brandt). Bovendien ontwikkelt de van oorsprong Amsterdamse compagnie een Rotterdamse poot.

Rond 1700 namelijk treedt de boekvergulder Bastiaen van Beaumont toe. Van Beaumont is een geboren en getogen Amsterdammer die sinds zijn huwelijk in Rotterdam woont. Hij wordt daar opgevolgd door schoonzoon Philippus Losel, die vervolgens zijn aangetrouwde neef Pieter Verschueren en diens Amsterdamse zwager, de loodgieter Otto van Grafhorst, bij de compagnie introduceert. Stuk voor stuk 'uitgevers' - de beroepsaanduidingen zijn nog niet geijkt zoals dat vandaag het geval is - van één of meer edities van Drelincourts avondmaalsboekje.

De compagnie geeft, zoals gezegd, 'kerkgoed' uit. De kern van het compagniefonds, de bijbel en de testamenten, wordt in diverse kleine formaten en met zekere regelmaat in oplagen van enige duizenden gedrukt en zowel ongebonden als gebonden verhandeld. In het kielzog van de hoofdwerken, waarvoor consent of privilege verkregen dient te worden, wordt echter ook plaats ingeruimd voor kleiner 'kerkgoed', zoals psalmboeken of het avondmaalsboekje van Drelincourt, een werkje dat door elke drukker gedrukt, door elke uitgever uitgegeven en door elke boekverkoper verkocht mag worden. Toch toont de lijst met avondmaalsedities dat in de achttiende eeuw, een enkele editie van Joannes Kannewet, Gerrit Bos of de weduwe Jacobus van Egmont daargelaten, de bijbelcompagnie het feitelijke monopolie bezit op deze uitgave, zeker onder Amsterdamse en Rotterdamse gildenbroeders. Een vaststelling die op tweeërlei wijze geïnterpreteerd kan worden: avondmaalsboekjes hebben, zij het onderaan de hiërarchische ladder als het sluitstuk, een vaste plaats verworven als verplicht goed voor de gereformeerde gelovige - elke beginselvast huisgezin hoort een bijbel, bij voorkeur de beide testamenten, een psalmberijming en een avondmaalsboekje in huis te hebben. Of: de nazaten van een groep kleine binders en drukkers hebben zich op de kerkgoedmarkt ontwikkeld tot spelers van formaat - de Nederlandsche Bijbelcompagnie, zoals de compagnie vanaf 1822 wordt genoemd, heeft zowat het monopolie op al het kerkgoed in klein formaat. Het ware antwoord ligt wellicht, zoals wel vaker, ergens in het midden.

Steven Claeyssens