Knippen en plakken: de plaats van de plaatjes

Vijf van de zes tekstgroepen in Het rechte gebruyck van des Heeren H. avondtmael worden voorafgegaan door een frontispice met een bijbehorend gebed op rijm. Vanaf de eerste druk vormen deze illustraties een vast element binnen het boek. De technische kant van het invoegen van de frontispices was echter een verhaal op zich.

We vinden de frontispices en gebeden op twee manieren: als onderdeel van de katernen en als apart ingevoegde bladen. De laatste variant komt verreweg het meeste voor, slechts in zes edities zijn de frontispices onderdeel van de katernen. Dit is onder andere het geval bij de edities uit 1676 van Marcus Doornick en diens voorbeeld Jacob van Royen. Voor een drukker had het voordelen om de frontispices op losse bladen in te voegen. Het was eenvoudiger om alle afbeeldingen en bijbehorende gebeden apart op één vel te drukken, dan om ze in een tekstkatern te verwerken. De belangrijkste reden was dat diepdruk (de afbeelding) en hoogdruk (de tekst) niet in één drukgang gecombineerd konden worden en dat er dus twee drukgangen nodig waren. Bijkomend bezwaar was dat het vereiste pas- en meetwerk bij het zetten van de tekst lastiger was, aangezien rekening moest worden gehouden met de tweede drukgang voor de platen.

Het grootste deel van de edities bevat frontispices die samen met het bijbehorende gebedje op één blad gedrukt zijn. Waarschijnlijk gaat het hier om één vel dat na het drukken versneden werd en in het werk ingevoegd. De drukker bedrukte het vel dan aan de ene kant met de afbeeldingen, om vervolgens de andere zijde zo te bedrukken dat het juiste gebedje op de achterzijde van elke afbeelding kwam. Dit ging regelmatig mis. Meerdere keren komt het voor dat een of meerdere combinaties van frontispices en gebeden niet kloppen. Soms zijn slechts twee combinaties verwisseld, maar een enkele keer komt het ook voor dat vrijwel niet één gebed op de achterzijde van het bijbehorende frontispice is geplaatst, bijvoorbeeld bij de editie Amsterdam, Joannes Kannewet, 1736. Wanneer de combinatie tussen de afbeelding en het gebed niet juist is, is bij de keuze voor de plaats waar het blad gebonden werd uitgegaan van het frontispice. Een enkele keer werden de vellen niet versneden en werd er een (deel van een) katern bestaande uit frontispices en gebeden ingevoegd. Dit is bijvoorbeeld het geval in een exemplaar van de Utrechtse editie van Jacobus van Poolsum uit 1708.

Een ander punt waar het vaak mis ging was bij de paginering van de frontispices. Bij het pagineren van het werk werd er in enkele gevallen rekening gehouden met het feit dat de frontispices nog ingevoegd zouden worden. In de paginering werd dan ruimte overgelaten: de tekstsectie "Meditatien of voor-bereydinge tot het H. avondtmael des Heeren" loopt bijvoorbeeld tot pagina 62. De hierop volgende tekstsectie "Gebeden voor het heylige avondtmael des Heeren" begint op 65. Pagina 63 en 64 zijn dus opengelaten en konden worden gevuld door het blad met het frontispice en het gebed. Hierbij zijn verschillende fouten gemaakt. Soms is een blad op de verkeerde plaats ingevoegd, waardoor een gat in de paginering ontstond. Soms is de paginering op het blad omgedraaid, waarbij het frontispice paginanummer 64 en het gebed paginanummer 63 kreeg er dus sprake was van een breuk in de paginering. Dit is bijvoorbeeld het geval bij de editie Amsterdam, Jacobus Bouman, 1684.

Een ander veel voorkomend verschijnsel bij de nummering is dat een plaat een helemaal niet aansluitend nummer bevat, of zelfs meerdere nummers. Dit heeft te maken met het hergebruik van de platen.

Soms werden de platen en de gebeden apart van elkaar gedrukt. In de editie uit 1675 van Marcus Doornick en die uit 1679 van Michiel de Groot zijn de gebeden op 2 bladen binnen katernen gedrukt, waardoor ze niet konden worden versneden om ingevoegd te worden.

In enkele gevallen zijn de gebeden en frontispices op aparte vellen gedrukt en allebei versneden in de collatie ingevoegd. Dit is het geval bij de twee Amsterdamse edities van Gijsbert de Groot Keur uit 1744 en 1757. Opvallend is dat juist in deze edities niet de illustraties zijn gebruikt die eigenlijk bij Het rechte gebruyck van des Heeren H. avondtmael behoren, maar de door Jan Luyken gemaakte platen van B. Hakvoords Het heilige avondmaal, van onzen Heer en Zaligmaker Jesus Christus uit de editie 1706 van de weduwe Gijsbert de Groot. Binnen de familie De Groot rouleerden enkele sets van zeer afgesleten platen voor Het rechte gebruyck (zie onder andere de edities Amsterdam, weduwe Gijsbert de Groot 1714 en 1736). Mogelijk wilde De Groot Keur hier niet op teruggrijpen en gebruikte hij daarom de platen uit de avondmaalspublicatie van Hakvoord, die eveneens meerdere malen bij de familie De Groot werd gedrukt.

De platen die Doornick introduceerde in zijn eerste uitgave uit 1670 en die hij in zijn edities uit 1671, 1675 en 1676 hergebruikte, zijn te beschouwen als het model voor alle latere platen. De graveur van de platen uit 1670 is niet bekend, maar alle nieuwe platen zijn, direct of indirect, op deze platen gebaseerd. Soms zijn het letterlijke kopieën, soms zijn ze spiegelbeeldig of zijn er kleine wijzigingen doorgevoerd, maar het origineel van de editio princeps is er altijd in herkenbaar. Van de meeste sets platen is de maker niet bekend. Slechts een paar platen zijn gesigneerd, door C. Decker en H. Causé.

Niet alle uitgevers hadden de financiële mogelijkheden of de wil om nieuwe platen te laten maken of graveurs van naam in te schakelen. Bij de Deventer edities (1734 en 1739) leidde dit tot de keuze voor een minder kostbare set houtsneden. In de meeste gevallen werd het financiële probleem echter opgelost door een set bestaande platen te hergebruiken. Vaak werden kleine wijzigingen in de plaat aangebracht, bijvoorbeeld door het verwijderen van de oude paginering en het aanbrengen van een nieuwe. Dit gebeurde niet altijd even zorgvuldig, zoals te zien is in de editie Amsterdam, Jan Spanseerder, 1724. Hier is in de linkerbovenhoek nog duidelijk een eerdere paginering zichtbaar. De aanwezigheid van meerdere paginanummers leidde bij het binden nog wel eens tot een verkeerde plaatsing van het frontispice. Regelmatig werd dit ondervangen door onjuiste gegraveerde paginanummers van de plaatzijde te corrigeren op de nieuw gezette tekstzijde.

Bij de Amsterdamse editie uit 1756 van Otto van Grafhorst die de platen uit de Rotterdamse editie van Philip Losel uit 1742 gebruikte, werden de afbeeldingen zonder enige bewerking overgenomen. De platen werden dus niet altijd gewijzigd.

Anneleid Schepers en Erik Geleijns