Slijtagesporen en spiegelbeelden: overeenkomsten en verschillen in de titelgravures

Bijna alle uitgaven van Het rechte gebruyck van des Heeren H. avondtmael hebben een titelgravure, en bijna altijd zien we min of meer dezelfde voorstelling: de bediening van het avondmaal in een gereformeerde kerk, met kansel, kerkramen en een stenen vloer waarin, vooral in de vroegere uitgaven, grafstenen te onderscheiden zijn. Van boven af wordt een blik geworpen op een lange tafel met aan weerszijden de avondmaalsgangers - "'s hemels bruylofts-gasten". Afgebeeld zijn alleen mannen, maar de reden daarvoor zal zijn dat vrouwen en mannen gescheiden aanzaten. De mannen zitten op lange banken en hebben hun hoed afgenomen.

Aan één kant, in het midden en staande voor zijn stoel de voorganger die de wijnbekers uitreikt: "Gods held in 't midden (als een steen in 't goud)". Vóór hem op tafel zien we een schotel met "Gods broot", en achter hem een tafeltje met een karaf. Aan beide uiteinden van de tafel staan twee borden. Rondom de tafel zijn diverse andere kerkgangers afgebeeld, zowel zittend (veelal met een opengeslagen boek op schoot) als staand. Onder hen ongetwijfeld ook diegenen die niet aan het avondmaal deel mochten nemen: niet-belijdende leden en belijdende leden die in zonde leefden. Aan de voet van de tafel, iets terzijde zitten drie of vier vrouwen; de voorste van hen met duidelijk zichtbaar een geopend boek in de hand: een psalmenbundel ("bequaem om in de sack te konnen dragen"), of wellicht een avondmaalsboekje. Helemaal achterin staat een groep mannen die op hun beurt lijkt te wachten, of net binnenkomt.

Wie de gegraveerde titelplaten van de afzonderlijke edities bekijkt, ziet in eerste instantie vooral veel overeenkomsten. Maar wie verder kijkt en de afbeeldingen naast elkaar legt bespeurt steeds meer - opvallende en minder opvallende - verschillen. Drukplaten werden niet zelden hergebruikt, soms zelfs vele jaren later en dikwijls zijn de slijtagesporen zichtbaar: gelaatstrekken en andere lijnen zijn vervaagd, details verdwenen. De titelgravure uit 1693 die gemaakt was voor een uitgave van de weduwe Gijsbert de Groot duikt in 1731 opnieuw op in een uitgave van haar erven, maar van enkele vage achtergrondfiguren is dan geen spoor meer te bekennen.

Versleten drukplaten konden worden bijgewerkt voor nieuw gebruik, maar ook werden regelmatig nieuwe platen vervaardigd. Als hiervoor eenvoudigweg een bestaand voorbeeld werd nagetekend, was een afbeelding in spiegelbeeld het gevolg: de variant waar de dominee aan de rechterzijde van de tafel staat komt het vaakst voor, maar er zijn ook tientallen edities met een omgekeerde afbeelding. Overigens is aan het bijwerken en kopiëren van drukplaten de ene keer duidelijk meer tijd en vakmanschap besteed dan de andere. De gravure in een uitgave uit 1698 bijvoorbeeld is tamelijk primitief en schetsmatig, en het aantal afgebeelde figuren lijkt tot een minimum beperkt.

Ruwweg kunnen twee typen onderscheiden worden. Bij het eerste zien we een officieel ogende man op een hoge stoel aan het hoofd van de tafel, waarschijnlijk een ouderling of collega-predikant die toeziet op een correcte gang van zaken. Naast hem zijn enkele vrouwen gezeten op een bank. Bij type twee ontbreken deze man en de vrouwen en zien we achteraan een zevental mannen zitten; bovendien is er (achter het tafeltje met de karaf) een hekwerk verschenen, en dragen de meeste kerkgangers pruiken.

Nu en dan springen verschillen meer in het oog, of is rigoureus afgeweken van de vaste patronen. Zo toont een titelgravure uit de pruikentijd een grotere kerk dan gebruikelijk, vol fraai uitgedoste en bepruikte kerkgangers. De compositie is aangepast, en prominent op de voorgrond zien we drie figuren die in andere gravures niet voorkomen: links in de schaduw, schuin afgewend van de avondmaalsscène een man op een stoel, met voor hem een lessenaar; in het midden, staande aan de voet van de tafel en op de rug gezien, een tweede man; rechts naast hem een zittende vrouw, in vol en feestelijk ornaat en met een boek in de hand. Onduidelijk is wie deze figuren zijn, en waarom ze zo nadrukkelijk aanwezig zijn. Zeker is dat we deze opvallende interpretatie verder niet tegenkomen - mogelijk werd zo veel uiterlijk vertoon in de verbeelding van een zeer plechtig moment achteraf wat te werelds bevonden.

Opmerkelijk is, dat ook enkele keren is teruggekeerd naar de bron - de Bijbel: Het rechte gebruyck opende met een voorstelling van het laatste avondmaal van Jezus, om de lezer te herinneren aan de heilige oorsprong van het sacrament. In een editie uit 1675 (Leiden en Amsterdam, de Gaasbeecken) is een titelprent opgenomen van graveur Coenraet Decker, en twee latere uitgaven (Amsterdam, Gijsbert de Groot Keur, 1744 en 1757) brengen een gravure die afkomstig is uit Barend Hakvoords Het heilige avondmaal, van onzen Heer en Zaligmaker Jesus Christus (Amsterdam, Gijsbert de Groot, 1691); Hakvoords auteursnaam die in 1706 door de weduwe Gijsbert de Groot aan de titelgravure was toegevoegd, werd door De Groot Keur voor Het rechte gebruyck uiteraard weggelaten.

Overigens moet de vraag wie de graveurs van de verschillende varianten waren grotendeels onbeantwoord blijven. Slechts twee namen zijn met zekerheid bekend: de hierboven genoemde Coenraet Decker (ca. 1650-1685, bekend als graveur van historieprenten en topografische kaarten) maakte de gravures voor een uitgave uit 1675 (Leiden en Amsterdam, de Gaasbeecken) en Hendrik Causé (1648-1699, tevens graveur van: De koninglycke hovenier, Amsterdam, Marcus Doornick, 1676) tekende voor de illustraties in een andere uitgave uit 1675 (Amsterdam, Jacob van Royen). Het zal niet verrassen dat Van Royens volgende editie met dezelfde gravures is verrijkt, maar ruim een halve eeuw later komen we ze wederom tegen: de Amsterdamse drukker Gerrit Bos hergebruikte Causé's illustraties in 1735; "Iacob van Royen" heeft hij daarbij vervangen door zijn eigen naam.

Vermoedelijk kunnen we ook een derde graveur benoemen. De plaatsnijder Jacob de Latere ging in 1696 een overeenkomst aan met de Amsterdamse drukker Pieter Mortier. De Latere maakte een proeve van kunnen - "titelplaatje van Drelincourt" - en in 1697 publiceerden zowel Mortier als stadsgenoten Pieter Hulck en Andries van Damme inderdaad, en éénmalig, Het rechte gebruyck van des Heeren H. avondtmael. De titelgravures in deze beide edities komen weliswaar overeen met die uit een uitgave van 1694, maar het is goed denkbaar dat De Latere de gravure die gemaakt was voor Blom twee jaar later presenteerde als proeve van kunnen.

Wilco van den Brink