’t Eerste [-sevende] deel van de teeken-konst
Jaar:
1800

Abraham Bloemaert, ’t Eerste [-sevende] deel van de teeken-konst, Amsterdam: Frederik de Wit.

Dat Abraham Bloemaerts tekenboek veel herdrukken heeft gekend was in de literatuur al bekend, maar tot kort geleden was dit gegeven nog niet zichtbaar in het STCN-bestand. Hierin werden ‘slechts’ drie edities van dit voorbeeldboek voor kunstenaars beschreven. Na de afronding van de STCN-werkzaamheden in het Rijksmuseum is hier verandering in gekomen. Er werden vijf nog niet eerder ingevoerde titeluitgaven van het tekenboek toegevoegd aan het bestand, waaronder een ongedateerde, zevendelige uitgave uit het fonds van Frederik de Wit en een editie die in 1723 bij Hendrik Bosch verscheen in Amsterdam.

Het tekenboek werd tussen 1650 en 1656 voor het eerst gepubliceerd onder de titel* Artis Apellae liber* en omvatte meer dan 100 platen met uiteenlopende ontwerpen – gezichten, handen, naakten, kinderen, dieren, groepen, historische sculpturen – die in koper waren gesneden door Frederick Bloemaert. Frederick werkte naar tekeningen van zijn vader Abraham Bloemaert, een veelzijdig kunstenaar die gedurende zijn leven een groot aantal ontwerpen voor prentmakers had gemaakt, die overigens ook als zelfstandige kunstwerken werden verkocht. Pas na Abrahams dood werden diverse ontwerptekeningen uit zijn atelier gebundeld tot een voorbeeldboek dat in gedrukte vorm een grotere reikwijdte had en zodoende bijdroeg aan de vorming van veel kunstenaars.

Als verzameling prenten zonder inleiding – zoals het tekenboek meestal verscheen – is niet meteen duidelijk hoe dit boek gebruikt werd door kunstenaars. Vanzelfsprekend werden de ontwerpen nagetekend, maar een nu minder voor de hand liggende manier van navolging was om de voorbeeldprenten langs de contouren van de afbeeldingen in te prikken met een naald. Vervolgens werd de voorstelling overgebracht op een vel papier door gekleurd poeder door de prikmarkeringen te wrijven.

Dat het tekenboek van Abraham Bloemaert in het (academische) kunstonderwijs van de vroegmoderne periode een belangrijke rol heeft ingenomen blijkt uit een aantal, specifiek tot dit publiek gerichtte, heruitgaven. In de late achttiende eeuw verscheen bij Jan Steven van Esveldt Holtrop Beelden en costumes, ten gebruike van teekenaaren, schilders en beeldhouwers – te koop voor één gulden – waarin prenten uit het tekenboek van Bloemaert werden gecombineerd met ontwerpen van de hand van de Franse kunstenaar Jacques Callot. De fondslijst die op de bedrukte omslag van deze uitgave bewaard is gebleven laat zien dat Van Esveldt Holtrop meer tekenboeken op de markt bracht met ontwerpen van bijvoorbeeld Annibale Carracci en Herman Saftleven, maar ook meer algemene naslagwerken zoals Gerard de Lairesse’s Groot schilderboeck. In 1800 zag een heruitgave van Bloemaerts tekenboek het licht bij Willem Holtrop: een quartouitgave met 24 platen die specifiek was bedoeld ‘ten gebruike van akademiën en schoolen.’ In de inleiding hiervan wordt de tekenkunst geprezen om haar nut, aangenaamheid en noodzakelijkheid in een beschaafde opvoeding en concludeert:

‘wat hier deswege is aangestipt, diene om dit onderwijs-boek te nuttiger en te aangenaamer te maaken voor ieder, die de bloemen uit deezen lusthof, naar de rangschikking van den grooten Bloemaert, verlangt te kennen en te kweeken.’ (DW)

Literatuur:
J. Bolten, Method and practice. Dutch and Flemish drawing books, 1600-1750, Stuttgart 1985.

Links naar de genoemde boeken in de STCN-database:
De teekenkunde, in 24 plaaten