’t Vermaak der jonkheid, bestaande in honderd twee-en-negentig afbeeldingen
Jaar:
1697

’t Vermaak der jonkheid, bestaande in honderd twee-en-negentig afbeeldingen van allerhande figuren, als menschen, beesten, vogelen en visschen, enz. Zeer bekwaam voor de jeugd, om na te leeren tekenen, schilderen, afzetten, en tot plaizer te gebruiken, Amsterdam: Steven en Willem Koene, 1697?

Met de publicatie van Pierre Boaistuau's Histoires prodigieuses in 1560 werd de standaard gezet voor een genre van ‘livres de merveilles’ waarin natuurverschijnselen werden behandeld in woord en vaak ook beeld. Zoals de rariteitenkabinetten en Wunderkammern die rond dezelfde periode populariteit genoten, werd in deze wonderboeken een wereld in het klein (microkosmos) vormgegeven met als doel het be- en verwonderen van Gods schepping.

Zo verscheen in 1672 bij de Amsterdamse uitgever Marcus Willemsz. Doornick Het schouw-toneel der aertsche schepselen, afbeeldende allerhande menschen, beesten, vogelen, visschen, etc. van auteur Petrus Nylandt: een wonderboek met 160 houtsneden van uiteenlopende volken en dieren die de diversiteit van Gods schepselen op aarde illustreren. De houtblokken werden gesneden door A. Streip, een kunstenaar waar we niet veel over weten, die zowel naar historische als eigentijdse voorbeelden werkte. Zijn beeltenis van het stekelvarken en de neushoorn zijn bijvoorbeeld geïnspireerd op houtsneden uit de Historia Animalium (1551-1558) van de Zwitserde arts en natuuronderzoeker Conrad Gessner die op zijn beurt gebruik maakte van ontwerpen van Albrecht Dürer.

De prenten uit Nylandts Schouw-toneel werden opnieuw uitgegeven in* ‘t Vermaak der jonkheid* door het duo Steven en Willem Koene die de houtblokken die aan de illustraties ten grondslag lagen in handen hadden gekregen. Hoewel het jaartal op de titelpagina van Koene’s publicatie 1697 is, lijkt het onwaarschijnlijk dat de houtblokken al in de zeventiende eeuw werden herdrukt: Steven en Willem runden hun winkel en drukkerij aan de Amsterdamse Lindegracht pas in de tweede helft van de achttiende eeuw.

Koene’s publicatie hanteert niet de systematiek en religieuze insteek van Nylandts oorspronkelijke wonderboek – de houtsneden dienden in eerste instantie tot vermaak en voorbeeld voor de jonge creatieveling. De titel van het werkje verduidelijkt: ‘afbeeldingen van allerhande figuren […] zeer bekwaam voor de jeugd, om na te leeren tekenen, schilderen, afzetten, en tot plaizer te gebruiken.’ De illustraties gaan gepaard met educatieve en soms ook moraliserende dichtregels die afgeleid zijn van Nylandts beschrijvingen. Over de eerdergenoemde neushoorn is te lezen en leren: ‘De rijnoseros is wonderlijk, gekleed, met sterke wreede schilden gelyk gy weet, man zeid dat hy wel honderd jaer lang leeft, en nog draegt hy zyn eerste kleed.’

Het is wel te begrijpen waarom er nu nog maar één exemplaar van dit ‘doe-boekje’ bekend is. Andere exemplaren zijn waarschijnlijk zo intensief gebruikt dat ze de tand des tijds niet hebben doorstaan, vergelijkbaar met de knutsel-, puzzel- en kleurboekjes van nu, die na gebruik maar zelden worden bewaard. De houtblokken waren echter een langer leven beschoren en werden zelfs in de negentiende eeuw nog opnieuw gebruikt in prentenboeken voor kinderen, gedrukt door de nazaten van Steven en Willem Koene. In 1823 gaf Barent Koene junior bijvoorbeeld het Groot prentenboek of het vermaak der jonkheid uit met dezelfde illustraties en nieuwe dichtregels om de jeugd ‘op te leiden tot lezen, teekenen, schilderen, of wat haare zinnelykheid meer mogt vereischen.’ (DW)

Literatuur:
E. Jorink,* Het Boeck der natuere. Nederlandse geleerden en de wonderen van Gods schepping 1575-1715*, Leiden 2006.

P. Augustin, Kinderen lazen, kinderen lezen, Amsterdam 1958

N. Boerma, A. Borms, A. Thijs, J. Thijssen, Kinderprenten, volksprenten, centsprenten, schoolprenten. Populaire grafiek in de Nederlanden 1650-1950, Nijmegen 2014

Links naar de genoemde boeken in de STCN-database:
't Vermaak der jonkheid, bestaande in honderd twee-en-negentig afbeeldingen