Nederland en Japan - 400 jaar handel

Op 24 augustus 1609 verleende de Japanse shogun Tokugawa Ieyasu de Nederlanders een handelspas, waarmee Nederlandse schepen vrije toegang kregen tot Japanse havens. Hiermee begon een periode van 250 jaar exclusief Nederlands handelsbetrekkingen met Japan. De Nederlanders stichtten een handelspost in Hirado, op het meest zuidelijke eiland van Japan, Kyûshû. In 1624 kwam daar nog een handels- en distributiecentrum op Formosa bij en vanaf 1641 behoorde het kunstmatige eilandje Deshima tot het terrein van de Nederlanders.

Wel handel, geen zending

Ieyasu gaf de handelspas uit op verzoek van Prins Maurits. Maurits had Ieyasu een brief geschreven waarin hij zich voor het gemak ‘koning van Holland’ noemde. Die brief werd door de VOC-ambtenaren overhandigd. In de jaren ervoor had Melchior van Santvoort al flink geïnvesteerd in de goede betrekkingen met de shogun. Van Santvoort was in 1600 in Japan aangekomen als opvarende van ‘De Liefde’, het eerste Nederlandse schip dat Japan aandeed. Ook toen al vielen de Nederlanders bij Ieyasu in de smaak. Niet alleen was hun kennis van scheepsbouw, navigatie en cartografie indrukwekkend, maar ook was het ontbreken van zendingsdrang bij hen een pre. In tegenstelling tot de Portugezen kwamen de Nederlanders louter voor de handel en niet ook om het christendom te verspreiden.

Sakoku en Deshima

De Japanse argwaan ten opzichte van het westerse geloof leidde al in 1614 tot een verbod op de verspreiding van het christendom. De Nederlanders hadden daar geen enkel probleem mee. Sterker nog, zij waren vlot bereid om in Hirado een net afgebouwd pakhuis met daarop het christelijke opschrift ‘Anno Christi 1640’ meteen weer af te breken.
In datzelfde jaar werd de sakoku, de afsluitingspolitiek, een feit. Alle westerlingen moesten Japan verlaten, op de Nederlanders na. Ook hun vrijheid werd vanaf 1641 danig ingeperkt. De Nederlanders moesten zich terugtrekken op het eilandje Deshima, dat zo groot was als de Dam in Amsterdam. Deshima was gedurende twee eeuwen het enige doorgeefluik tussen Japan en het Westen.

Hofreizen

Het kleine groepje Nederlanders op Deshima had een zeer beperkte bewegingsvrijheid. Het hoogtepunt van het jaar bestond uit de hofreis die een delegatie naar de shogun mocht maken. Die stelde vooraf een gedetailleerde en geïllustreerde lijst op van geschenken die hij van de Nederlanders verlangde. Die varieerden van stoffen tot telescopen en van boeken tot olifanten. Tegengiften waren kostbare kimono’s en Japans lakwerk. Behalve voor het uitwisselen van geschenken was het bezoek ook bedoeld om de *shogun *op de hoogte te brengen van nieuws uit de westerse wereld.

Wetenschappelijke belangstelling over en weer

In de achttiende eeuw begonnen de Japanners veel belangstelling te tonen voor de westerse wetenschap. Zogenaamde ‘Hollandologen’ (Rangakusha) hielden zich bezig met het lezen en vertalen van Nederlandse wetenschappelijke literatuur. Andersom waren het voornamelijk de artsen en opperhoofden van Deshima die al vanaf de zeventiende eeuw gretig de Japanse cultuur en natuur in zich opnamen en daarover publiceerden. De hofreizen boden daarvoor genoeg stof. De KB bezit een aantal van deze publicaties, zoals die van Engelbert Kaempfer, Isaac Titsingh, Hendrik Doeff en Philipp Franz Von Siebold. De laatste is ongetwijfeld de bekendste. Deze Deshima-arts deed van 1823 tot 1830 wetenschappelijk onderzoek naar de Japanse taal, land -en volkenkunde en flora en fauna.

Openstelling

Aan de ruim 200 jaar afsluitingspolitiek kwam in 1854 een einde onder sterke druk van de Amerikanen. Een jaar eerder was het indrukwekkende Amerikaanse eskader oorlogsfregatten onder bevel van commodore Matthew Perry voor de Japanse kust verschenen, op schootsafstand van het paleis van de shogun. Daarvoor was er al verschillende keren druk uitgeoefend op de Japanners om het land open te stellen. In 1844 had bijvoorbeeld koning Willem II in een brief aan de *shogun *zijn bezorgdheid geuit over de internationale ontwikkelingen en aangedrongen op openstelling. Aanvankelijk zagen de Japanners de noodzaak daarvan niet in. In 1854 konden zij echter niet anders dan een vriendschapsverdrag sluiten met de Verenigde Staten, waarna verdragen met andere landen spoedig volgden. In 1856 tekenden de Nederlanders hun verdrag en kwam er een einde aan de bijzondere positie van de Nederlanders in Japan.

Literatuur

Links

Kaart van de haven van Nagasaki uit De beschryving van Japan door E. Kaempfer, 1729

Kaart van de haven van Nagasaki uit 'De beschryving van Japan' door E. Kaempfer, 1729

Bijzonderheden over Japan door Isaac Titsingh, 1825

Bijzonderheden over Japan door Isaac Titsingh, 1825

Plattegrond van Deshima uit Bijzonderheden over Japan  

Plattegrond van Deshima uit 'Bijzonderhedenover Japan'

Een verre hofreis : Nederlanders op weg naar de Shogun van Japan / Willem van Gulik, 2000

Een verre hofreis : Nederlanders op weg naar de Shogun van Japan / Willem van Gulik, 2000

Afbeelding uit: Fauna Japonica, sive Descriptio animalium / Ph. von Siebold, 1833-1850

Afbeelding uit: Fauna Japonica, sive Descriptio animalium / Ph. von Siebold, 1833-1850