Sonnet van burgerdeugd, E. du Perron en Carel Willink

Uitgever A.A.M. Stols zette in 1927 een serie rijmprenten op, en de combinatie van de vrienden auteur Du Perron (1899-1940) en schilder Carel Willink (1900-1983) leek hem daarvoor zeer geschikt. Stols had Du Perron ontmoet in een Brussels antiquariaat in november 1925. Niet alleen gaf Stols vervolgens een groot aantal van diens werken uit, ook adviseerde Du Perron hem over mogelijke teksten voor zijn semi-bibliofiele uitgeverij.

Du Perron en Willink kenden elkaar sinds maart 1924. Beiden worstelden met de eisen die je aan het modernisme moest stellen. In de jaren rond het ontstaan van deze rijmprent ontwikkelde Willink zich van een schilder die experimenteerde met kubisme en futurisme tot een neoclassisist, en uiteindelijk tot een magisch-realist. Het was Du Perron die hem het realisme had aangeraden. Hij wees er op dat ‘de dingen die je ziet’ al gek genoeg zijn. Beiden verwijderden zich daarmee van de naar abstractie strevende Belgische modernisten, toen zij samenwerkten voor het Antwerpse maandschrift De driehoek (1925-1926). Daarin gingen literatuur en kunst zij aan zij. Ook internationaal gezien waren samenwerkingen tussen auteurs en kunstenaars een must. De serie van Stols was geen incident. Voor de rijmprent lag een houtsnede voor de hand. Na het verzoek van Stols schreef Du Perron in december 1927 aan Willink dat hij maar vast met snijden moest beginnen: ‘mijn gedicht pas ik dan wel aan’.

Maar het ging andersom. Tijdens een verkoudheid schreef Du Perron zijn Sonnet van burgerdeugd, dat hij op 23 december aan Willink stuurde. Die moest vooral de in-en-in burgerlijke thee niet vergeten te illustreren. Het octaaf luidt:

De trammen tuimlen door de lange straten;
Al ’t leven buiten, en de ramen dicht;
Wat thee voor ons en de avond te verpraten.
De lamp streelt rustig ons voornaam gezicht.

Inbrekers, wurgers, rovers en piraten,
En de eerste Zondvloed en het laatst Gericht -
Elke onrust heeft ons deugdzaam hart verlaten.
O thee! o vriendschap! o kalmerend licht!

De thee kreeg een ereplaats: twee heren, de een met een boek, de ander met een krant, tronen achter de theetafel, terwijl een lamp hun ‘voornaam gezicht’ belicht. Willink voltooide het blok voor de houtsnede in maart 1928 en vroeg er 40 gulden voor, die Stols niet had en Du Perron vervolgens kon fourneren. Aanvankelijk zou de houtsnede in kleur worden gedrukt (‘beide mannetjes maar in hetzelfde groen’), maar uiteindelijk is dat niet gebeurd.

Zie ook: