Duitse deserteurs in Nederland, 1914-1917

Oorlogvoeren is van alle tijden, net als deserteren of ‘drossen’. Dat laatste betekent dat een militair de krijgsdienst ontvlucht en zijn wettelijke plicht verzaakt. Tijdens de Eerste Wereldoorlog deserteerden bij de Geallieerden en de Centralen talloze militairen. Duizenden van hen - vooral Duitsers - meldden zich aan de Nederlandse grens. De kranten in Delpher bevatten hun verhalen.

Geen pardon voor deserteurs

Vanaf 4 augustus 1914 begon de Duitse opmars door België naar Frankrijk, onder meer langs de grens bij Zuid-Limburg. Een speciale eenheid van het Duitse leger lag daar gestationeerd om eventuele ‘Duitsche deserteurs neer te schieten’ (De Grondwet, 6 augustus 1914). Desertie kwam blijkbaar vanaf het begin voor. De Duitse legerleiding zette daar een overbiddelijke straf op, zoals ook Nederlanders merkten.

Deserteurs in burger

Zeeuws-Vlaanderen, zo’n zestig kilometer verwijderd van het front, kreeg te maken met deserterende Duitse soldaten - Fahnenflüchtigen - die in burgerkleding probeerden te ontkomen. In Gent werden in najaar 1914 ‘talrijke Duitsche soldaten’ gearresteerd die ongeoorloofd in burgerkleding liepen, wellicht met het voornemen te deserteren. Berichten daarover verschenen ook in Nederlandse dagbladen (Tilburgsche Courant, 30 oktober).

De Telegraaf over deserteurs

Nederlandse kranten bleven in principe neutraal in hun berichtgeving. De Telegraaf stelde zich tijdens de oorlog anti-Duits op en nam verhalen op van Duitse deserteurs. Een van hen vertelde in Sluis: ‘ik ben het moe, naar de pijpen te dansen van trotsche, jonge officieren’. Deze soldaat had na alle ellende besloten er vandoor te gaan (De Telegraaf, 30 december 1914).

Ervaringen aan het front

Verhalen over wat zich afspeelde aan het front vulden soms enkele kolommen. Zo vertelde Duitse deserteur dat zijn eenheid aan de IJzer door ‘een onafzienbare watervlakte’ moest trekken, ‘tot aan de heupen’ en tot ‘onder oksels in het ijzig koude water’, terwijl de kogels hun om de oren vlogen. Getroffen soldaten verdwenen onder water. Bij de terugtocht bleven sommigen vastzitten in de drassige bodem en konden niet meer wegkomen. Zulke ervaringen brachten de troepen in een ‘psychologische gesteldheid’ waardoor zij het niet meer konden uithouden (Nieuwe Tilburgsche Courant, 22 januari 1915).

Maatregelen tegen desertie

De Duitse legerleiding in België probeerde desertie te voorkomen en liet het weg- en treinverkeer controleren. Daarnaast verrees vanaf het voorjaar van 1915 de beruchte elektrische ‘dodendraad’ langs de Nederlands-Belgische grens. Die versperring - op de draad stond 2000 volt - moest smokkel verhinderen, deserteurs tegenhouden en voorkomen dat Belgen via Nederland Engeland konden bereiken en zich bij het Belgische leger aansloten.

Praktijk van het oorlogsbedrijf

In april 1915 vertelde een gedroste soldaat in Rotterdam over de Duitse opmars door België vanaf augustus 1914. De soldaten werd voorgehouden dat Duitsland noodgedwongen het neutrale België had moeten binnenvallen. Aan de rand van een stadje vlakbij Namen belandde zijn nog onervaren legereenheid ’s nachts in een vuurgevecht. Die ‘straatgevechten zijn de ellendigste’, aldus de man. In de duisternis en de paniek verwondden de militairen elkaar met bajonetten. De volgende ochtend doorzochten de Duitse troepen het stadje. Als wraakactie werden 250 personen, onder wie vier pastoors en enkele vrouwen, zonder pardon doodgeschoten. In de bewuste straat gingen huizen in vlammen op.

De opmars ging verder tot Reims, waar de eenheid weer in gevechten verwikkeld raakte. De deserteur constateerde dat van zijn compagnie van 260 man ‘er toen nog maar 30 over waren’. Tijdens een volgende gevechtsactie besloot hij met twee anderen de wijk te nemen. Ze konden zich schuilhouden ‘midden tusschen de Duitsche en Fransche linies in’. Na vier dagen vertrokken ze met gestolen fietsen en zogenaamd als wielrijderspatrouille naar België. Vanaf Lille ging het te voet verder, via Charleroi naar Nederland. Met een groepje smokkelaars passeerden ze de grens en ten slotte was het drietal in Rotterdam aangekomen (Rotterdamsch Nieuwsblad, 6 april 1915).

Reacties in Nederland

Verhalen van deserteurs leidden in Nederland tot gemengde reacties. Een onderofficier noemde in een ingezonden brief degeen die zijn vaderland verraadt ‘een Judas’. Het redactionele antwoord stelde dat eerst ‘kennisname van de beweegredenen’ en verder de ethische en de rechtsfilosofische kant van de zaak bij een oordeel een rol speelden. Hier bleek de neutrale houding die de pers aannam (Nieuwe Apeldoornsche Courant, 8 mei 1915).

Toch langs de 'dodendraad'?

Voortdurend probeerden allerlei mensen de elektrische versperring langs de Belgische grens te passeren. Dat lukte soms, zoals ‘vier Duitsche grenswachten’ die vlakbij Rosendaal over de grens kwamen (het Volk, 29 juli 1915). Anderen slaagden daar niet in. Aan de grens bij Zuid-Limburg verloor ‘een achttal Duitsche deserteurs’ het leven, ‘slachtoffers van de electrische draadversperring’ (Nieuwe Tilburgsche Courant, 22 oktober 1915).

Deserteurs naar Duitsland gelokt

Vanuit Duitsland probeerde men deserteurs uit Nederland terug te halen. Een Duitser die in de Limburgse mijnen werkte, kreeg van een landgenoot een aantrekkelijk aanbod om in Rotterdam te gaan werken. Ze besloten de overstap met enkele borrels te vieren en op de trein te stappen. Dat bleek de trein naar Duitsland te zijn, waar de voormalige mijnwerker zou merken ‘hoe men deserteurs in oorlogstijd behandelt’ (Nieuwsblad van Friesland, 23 november 1915).

Juridische status van deserteurs

Het internationale oorlogsrecht bepaalde dat een neutraal land militairen van een oorlogvoerend land op zijn grondgebied moest interneren. Toch ontstond er discussie in Nederland of alle deserteurs in een interneringskamp moesten terechtkomen. Velen van hen ‘begeeren naar den oorlog niet terug’ en zijn ‘te goeder trouw’ deserteur. Zij waren feitelijk militair-af en dienden als ‘particulieren [te] worden behandeld’. Anderzijds was het mogelijk dat militairen waren uitgeweken naar Nederland, om zich daarna weer bij hun krijgsmacht te voegen. Wellicht zouden deze militairen zelfs overlopen naar de vijand. Een neutraal land mocht hieraan geen medewerking verlenen. Nederland moest met allerlei varianten rekening houden (Leeuwarder Courant, 25 april 1916).

Problemen in Duitsland

De geallieerde blokkade van de Duitse havens sinds eind 1914 bezorgde Duitsland steeds meer problemen, vooral in de steden. Er ‘heerscht bij onze naburen gebrek, gebrek aan zoowat alles’ en in elke bevolkingslaag. Veel Duitsers hielden niettemin de moed erin, anderzijds ‘willen ze gaarne bekennen, dat ook zij naar vrede snakken’. Typisch waren de gevallen, waarin soldaten die tijdens een verlof wilden deserteren al wisten bij wie ze in Nederland ‘om werk [konden] aankloppen’. Blijkbaar bestonden er circuits voor militairen die er genoeg van hadden (Twentsch Dagblad Tubantia, 22 juli 1916).

Duitsche deserteurs welkom?

Sommige Nederlanders hadden bedenkingen: ‘Of die scharen Duitsche deserteurs ons nu juist zo welkom moeten zijn’ was de vraag. Veel levensmiddelen werden geëxporteerd en veel etenswaar verdween door grootschalige smokkel naar Duitsland. Daarvoor kwam ‘een toenemende invoer van hongerige Duitschers terug’. En ‘al die ongenoode gasten moeten maar op kosten van ’t rijk en de bevolking gevoed worden’. Omdat onder de deserteurs en ontsnapte krijgsgevangenen nogal eens onhandelbare types zaten, werd menige gemeente met problemen opgezadeld (Provinciale Drentsche en Asser Courant, 29 juli 1916).

Deserteurs, uit Oorlogsgasten, Evelyn de Roodt, 2000

Zeldzame foto van Duitse deserteurs; die lieten zich liever niet fotograferen. Uit: Oorlogsgasten, Evelyn de Roodt, 2000, aanvragen in de catalogus

Opvang van deserteurs

Anderen vroegen zich af: ‘moeten wij niet iets voor de Duitsche deserteurs doen?’ Het ging om soldaten die uit de ‘verstikkenden rook van dezen wereldbrand geen anderen uitweg meer zagen’. Velen hadden een innerlijke strijd gevoerd en waren toch maar de grens overgegaan. Zij beseften dat zij hun vaderland achterlieten en hun familie tot schande waren. De auteur (R. Feenstra) kwam met het idee Fahnenflüchtigen ‘geregeld sociaal werk’ aan te bieden, zodat zij zich konden bedruipen. Nederlanders die hiertegen protesteerden, betichtte de auteur van ‘veil egoïsme’ (De Telegraaf, 13 september 1916).

Deserteurs gevaarlijk voor Nederland

Begin 1917 zouden zich zo’n vierhonderd uitgeweken Duitsers in Amsterdam bevinden en driehonderd in Rotterdam. Dat zaten ‘min gunstige elementen’ tussen, die ‘tot de vermeerdering van de criminaliteit’ konden bijdragen. Men vreesde dat deze zich met smokkel gingen bezighouden of met spionage. Dat criminele gedrag raakte de Nederlandse burger direct, het spioneren kon het land internationaal schaden (Nieuwsblad van Friesland, 27 maart 1917).

Om hoeveel deserteurs ging het?

In maart 1917 verbleven er volgens officiële cijfers zo’n drieduizend Duitse deserteurs in Nederland. Dan zouden er sinds eind 1914 gemiddeld honderd deserteurs per maand ‘over de grens’ zijn gekomen. Volgens latere schattingen kwamen uiteindelijk zo’n tienduizend deserteurs hier terecht. Vele slaagden erin redelijk ‘buiten beeld’ te blijven, andere bezorgden de regering en de gemeenten hoofdbrekens. Hun totaal verschillende motieven en gedrag maakten het lastig beleid hierop te ontwikkelen.

In de pers verschenen weinig reacties op deze ‘ongenode gasten’, soms redactionele commentaren of ingezonden stukken. Wellicht kon de Nederlander zich moeilijk voorstellen wat een deserteur had meegemaakt. Voor veel deserteurs gold dat hun maandenlange verblijf aan het front ondraaglijk was geworden door het krijgsgeweld, de slechte voeding en de arrogantie van officieren. Bovendien werd de oorlogvoering mechanischer door bombardementen van grote afstand, mitrailleurs, tanks en gifgas. Wat voor kans had een soldaat nog?

Duitsland heeft van 1914 tot 1918 zo’n 13,5 miljoen manschappen onder de wapenen gehad. Daarvan is ongeveer één procent gedeserteerd; het valt moeilijk te achterhalen, hoeveel militairen eigenlijk de benen hadden willen nemen. Het leeuwendeel bleef evenwel de krijgsmacht trouw.

Meer lezen