WO I: Amusement in Nederland 1914-1915

Hoe was het in Nederland gesteld met het amusement in het begin van de Eerste Wereldoorlog? Aanvankelijk had de amusementsbranche flink te lijden onder alle onzekerheden, maar toen duidelijk werd dat Nederlands neutraliteit werd gerespecteerd, kwam het uitgaansleven weer op gang. Met bekende namen als Koos Speenhoff en Louis Davids.

Entertainment is al heel lang onderdeel van de samenleving, de amfitheaters uit Griekenland zijn er een vroeg voorbeeld van. In Nederland bestonden er sinds de zeventiende eeuw theaters en schouwburgen die zich vooral op de burgerij richtten. Het ‘grote publiek’ of het volk vond zijn vermaak op kermissen of jaarmarkten met muziek, zang en toneel.

In de negentiende eeuw veranderde de aard van het vermaak. Door toenemende verstedelijking woonden er grotere aantallen mensen in één plaats. Daaronder waren meer of minder bemiddelde burgers. Zij bezochten de restaurants, warenhuizen, theaters en bioscopen. Zo ontstonden mogelijkheden voor theatermensen om zogeheten ‘openbare vermakelijkheden’ op de bühne te brengen. Het amusementsbedrijf nam in omvang toe. Grote namen in Nederland rond 1914 waren: Willem Royaards, Louis Davids, Jean-Louis Pisuisse, Eduard Verkade en Koos Speenhoff. Van radio, televisie of internet was nog geen sprake, dus voor amusement moest men sowieso de deur uit.

Schoolplaat van het Rembrandtplein anno 1914

Straatbeeld in Amsterdam, schoolplaat van het Rembrandtplein anno 1914, met onder meer het Rembrandt Theater

Het theater en de oorlog

De Eerste Wereldoorlog verstoorde de gang van zaken bij de openbare vermakelijkheden. Half augustus signaleerde de Nieuwe Rotterdamsche Courant (20 augustus 1914) ‘welke gevolgen de oorlog reeds heeft gehad en nog zal hebben’ voor ieder die met theater en schouwburgen te maken had. De theaters trokken die maand minder bezoekers. De burger ging voorzichtig om met zijn geld en de stemming was er niet naar. Wellicht dat mede daarom in Amsterdam een ‘Comité voor Ontspanning’ werd gevormd. Dat bestond uit enkele tientallen ‘kunstenaars op vocaal en instrumentaal gebied’ die wilden meewerken ‘tot ontspanning van het volk en de [gemobiliseerde] militairen’. Door contacten buiten Amsterdam kon het Comité ook uitvoeringen elders verzorgen. (Algemeen Handelsblad, 11 september 1914)

Steuncomité voor werkloze theatermakers

Het Nieuws van den Dag (26 augustus 1914) benoemde ook de problemen die de oorlog meebracht voor de toneelbranche. Acteurs, administrateurs, kleedsters en anderen dreigden ‘bij sluiting der theaters broodeloos te worden’. Voor alle aanverwante bedrijfstakken als restaurants, decorateurs en kostuummakers viel eveneens werk weg. Een gezamenlijke inspanning van theaterdirecties, werknemers en overheden was nodig om de nood te lenigen.

Al eerder had Het Nieuws van den Dag (24 augustus 1914) over de zorgwekkende situatie gesproken. Het berichtte dat de Nederlandsche Toneelkunstenaarsvereeniging een steuncomité had opgericht voor leden en niet-leden. De eerste bedragen waren al toegezegd. Eén van de initiatieven om meer inkomsten te verkrijgen was het afternoon-teacabaret dat op vrijdag 4 september van start ging. (Algemeen Handelsblad, 1 september 1914) Er zouden nog veel van zulke voorstellingen volgen, bijvoorbeeld op zaterdagmiddag 28 november in het Amsterdamse Flora-theater met onder andere Koos Speenhoff (Algemeen Handelsblad, 25 november 1914). De donderdagmiddag daarvoor waren er in hetzelfde theater bioscoopvoorstellingen voor werklozen geweest. Meer dan 2.600 werklozen hadden ervan genoten, aldus De Telegraaf (27 november 1914).

Staat van beleg in de grensstreek

Gold het bovenstaande vooral voor de grote steden, in grensgemeenten in Zeeland, Noord-Brabant en Zuid-Limburg werd de staat van beleg afgekondigd. Dat hield in dat het militair gezag in die regio’s allerlei bevoegdheden kreeg, waaronder het kunnen sluiten van koffiehuizen, sociëteiten en schouwburgen. Dat bracht nog meer onzekerheid mee voor het amusementsbedrijf (Middelburgsche Courant, 31 augustus 1914). Het toneelgezelschap van Willem Royaards kreeg veel afzeggingen uit de provincie en moest daarom vooral in de steden optreden.

Uit: Het volk, 18 maart 1915

Uit: Het volk, 18 maart 1915

Cabaret

De Nieuwe Rotterdamsche Courant (20 december 1914) wijdde een artikel aan ‘iets, dat wij nog steeds met het vreemde woord cabaret aanduiden’ over een voorstelling in gebouw De Roos aan het Amsterdamse Rokin. Cabaret als genre was overgewaaid uit onder meer het Parijse Montmartre. De voorstelling behelsde een schimmenspel en verschillende zangnummers, waaronder één door Pisuisse. Mede dankzij de uitstekende pianist was de avond een succes. De opbrengst kwam mede het Steuncomité voor beeldende kunstenaars ten goede.

De Eerste Wereldoorlog in de Nederlandse bioscoop

In Theater Pathé te Amsterdam kon men een oorlogsjournaal volgen waarbij met ‘waarlijk schokkende natuurgetrouwheid de verschrikkingen van den oorlog’ op het doek kwamen (De Telegraaf, 24 oktober 1914). In die bioscoop hing ook een grote kaart van België en Frankrijk waarop wekelijks de bewegingen aan het front werden bijgehouden. Het Algemeen Handelsblad (30 oktober 1914) stelde dat die filmbeelden boeiend en aangrijpend waren, zoals die van de terugtocht van het Belgische leger na de val van Antwerpen op 10 oktober. Het publiek besefte terdege: ‘de tegenstelling tusschen de verschrikkingen van den strijd en de gemakkelijke zitplaats in het theater [is] al te scherp’.

Terugblik op het theaterseizoen 1914-1915

Eind mei 1915 vergaderde het Nederlandsch Toneelverbond over het voorbije seizoen. In augustus en september 1914 had minder publiek het theater bezocht. Toen duidelijk werd dat Nederland gespaard bleef voor het oorlogsgeweld was het bezoek weer toegenomen. Zelfs zozeer, dat veel toneelgezelschappen een boven verwachting goed jaar hadden beleefd. Het was mede aan het goede voorbeeld van koningin Wilhelmina te danken, dat er zoveel gelden bij steuncomité’s binnenkwamen. Zij subsidieerde onder meer de Nederlandse toneelvereniging en de toneelschool. Deze bijdragen hielpen om de ensembles overeind te houden. Lovende woorden waren er voor Willem Royaards en Eduard Verkade, ‘beiden beheerschen op dit ogenblik als theater-leiders ons tooneel’ (Algemeen Handelsblad, 28 mei 1915). Verkade had ook als acteur een grote reputatie opgebouwd. Hij had aanvankelijk samengewerkt met Willem Royaards en hij leidde in 1914 en 1915 een eigen gezelschap ‘De Hagespelers’, met uiteraard Den Haag als thuisbasis.

Zie ook: