WO I: Betogingen tegen schaarste in 1917 en 1918

In de zomer van 1917 zorgde het zogeheten ‘aardappeloproer’ voor rellen in Amsterdam. De oorzaak hiervan was de ontevredenheid bij de burgers over de schaarste en distributie. De Amsterdammers kregen naar hun zin veel te weinig aardappelen, die toentertijd niet mochten ontbreken in het dagelijks menu.
Hongeroptocht Braakensiek, 1917

Cartoon van Johan Braakensiek; een betoging van vrouwen uit de stad tegen de schaarste. Uit: De Amsterdammer, 14 juni 1917

Veel levensmiddelen waren sinds 1916 op rantsoen. Door de voortdurende oorlog was het er voor Nederland alleen maar moeilijker op geworden. De schaarste nam toe, de rantsoenen werden kleiner, met knorrende magen tot gevolg. In de laatste twee oorlogsjaren kwamen daarom betogingen vaker voor. Die gingen dikwijls gepaard met geweld en plundering, waartegen de politie hard optrad. Was het gebrek aan levensmiddelen de enige reden dat men de straat op ging of was er meer aan de hand?

Schaarste en distributie

Nederland ons heerlijk landje,
Ja, dat land van overvloed,
Daar is het gewoon een schande
dat men hongerlijden moet.
Rijst met rijst, en duffe boonen,
Een half ons vet nog bovendien.
Voor alles moet je een bonnetje toonen,
Maar geen pieper is te zien.
- Anoniem gedicht, uit: ’t Beleid van Minister Posthuma, in: Het monster van de oorlog, 2004.

Nijpende situatie

In de laatste twee oorlogsjaren was de situatie nijpend geworden. De deelname van de Verenigde Staten aan de oorlog (1917) betekende dat het voor Nederland nog moeilijker werd om goederen te importeren. Veel Nederlandse schepen werden door de Amerikaanse en Britse autoriteiten in gebruik genomen of vastgehouden, Duitse duikboten bedreigden de overgebleven schepen. De overzeese aanvoer van levensmiddelen viel daardoor grotendeels stil, waardoor Nederland in sterke mate aangewezen was op de niet toereikende eigen voedselproductie. Bovendien verliep de distributie van levensmiddelen niet altijd even soepel. Leveringen lieten soms lang op zich wachten, kwamen bedorven aan of de voedingswaren bleven veel te lang in opslagplaatsen liggen. Vooral in de steden was de schaarste een dagelijkse zorg.

Eerdere betogingen

In 1916 kwamen al protesten voor door de prijsstijgingen van levensmiddelen, maar in 1917 begon de distributie op grote schaal tot uitingen van ongenoegen te leiden. Het bovengenoemde ‘aardappeloproer’ was daar een voorbeeld van. Door het hele land vonden dat jaar betogingen plaats. De burgers wilden meer voedsel en brandstof, en er was veel ontevredenheid over de distributie. Hun klachten en wensen kwamen bij het lokale bestuur terecht. Helaas konden plaatselijke autoriteiten meestal weinig doen, omdat de voedseldistributie landelijk geregeld werd.

Organiseren van betogingen

De betogingen hadden grotendeels eenzelfde verloop. Een menigte verzamelde zich op een van tevoren afgesproken plaats, om daarna door de stad of het dorp te trekken. Op de verzamelplaats werden de betogers dan toegesproken. Bij de start stonden er voornamelijk vrouwen, maar tijdens de tocht sloten meer mensen zich aan. De stoet trok dan naar het gemeentehuis, waar de betogers de burgemeester of een wethouder te spreken vroegen. Meestal mocht een klein groepje dan naar binnen; daar kreeg de burgemeester of een wethouder de klachten en wensen van de betogers voorgelegd.

Grote Amsterdamse betoging

Een voorbeeld van een grote, echt georganiseerde betoging was die in Amsterdam op 4 maart 1918. Het Nederlandsch Verbond van Vakvereenigingen, het Nationaal Arbeiderssecretariaat en de SDAP hadden die van tevoren aangekondigd. De Amsterdamse gemeenteraad besloot gemeentewerklieden, voor zover mogelijk, vrij te geven voor deze demonstratie. Diezelfde dag waren er demonstraties in Rotterdam, Den Haag, Arnhem, Groningen, Utrecht, Leiden, Haarlem en verschillende kleinere plaatsen.

Demonstratie 4 maart 1918, Amsterdam

De betogers werden toegesproken in het stadion te Amsterdam, voordat zij hun omgang door de stad zouden maken, 4 maart 1918. Uit: Geheugen van Nederland

Rantsoenvermindering

De hoeveelheid levensmiddelen die op de bon verkrijgbaar was, werd in de loop van de oorlog steeds kleiner. Daarnaast waren de prijzen voor producten buiten het distributiestelsel te hoog voor de meeste mensen. Dit betekende echter niet dat Nederlanders geen enkel begrip hadden voor de benarde situatie. Dagbladen maakten er melding van dat plunderaars vaak geld achterlieten voor de ‘gestolen’ artikelen, of dat een bakker of slager zijn waren liever zonder bon verkocht aan het publiek, om te voorkomen dat zijn winkel geplunderd werd.

Ingrijpen bij ordeverstoringen

De plunderende menigte werd door de politie, en in sommige gevallen door te hulp geroepen militairen, hardhandig aangepakt. De politie ging met gummistokken en sabels op de plunderaars en relschoppers in en een aantal keer werd er zelfs geschoten. De relschoppers gooiden met stenen en hadden soms ook vuurwapens bij zich.

Omdat de betogingen en rellen ook veel toeschouwers trokken, vielen regelmatig onschuldige slachtoffers. Dit signaleerde het Rotterdamsch Nieuwsblad tijdens een uit de hand gelopen betoging in Rotterdam.

Ongenoegen

Die betogingen en plunderingen lieten de onvrede en wanhoop van het Nederlandse volk zien. Die werden niet alleen veroorzaakt door de schaarste. De werkloosheid steeg aanzienlijk tijdens de oorlog, doordat de bedrijvigheid in de havens was verminderd en veel fabrieken door gebrek aan grondstoffen moesten sluiten. De kloof tussen arm en rijk groeide. Achtergehouden voorraden werden tegen hoge prijzen verkocht. De meer vermogenden konden hun rantsoen aanvullen, terwijl de armen het moesten doen met wat de distributie hen verschafte. Er was veel ongenoegen over deze ongelijkheid, die naarmate de oorlog voortduurde alleen maar groter werd. Dit ongenoegen werd ook in de Tweede Kamer gedeeld, waar Kamerlid Koster het volgende zei: 'Onbillijk is het, dat velen die goed betalen kunnen, niets van gebrek aan voedingsmiddelen bemerken, terwijl de minder gegoeden een tekort krijgen.'

Regeringsbeleid soms onbegrijpelijk

Andere redenen voor ongenoegen onder de bevolking waren de keuzes van de regering. Vaak kon de burger de afwegingen die de regering maakte niet begrijpen. Terwijl men in Nederland honger leed, werd er bijvoorbeeld toch etenswaar geëxporteerd naar bijvoorbeeld Duitsland. In ruil daarvoor ontving Nederland dan wel steenkolen, die het ook goed kon gebruiken. De burger zag dus aardappelen die in eigen land nodig waren naar Duitsland verdwijnen. Tijdens een vergadering van de Eerste Kamer zei Kamerlid Vliegen daarover: 'Bij de menschen vormt zich nu de idee: wij hebben aan tal van dingen gebrek, terwijl groote hoeveelheden van dezelfde dingen worden uitgevoerd.' De armoede groeide en mensen leden honger, terwijl er in de krant berichten stonden over export van levensmiddelen en grote voorraden die lagen te bederven. Dat laatste werd volgens veel Nederlanders veroorzaakt door het chaotische distributiebeleid van de regering.

Geen einde in zicht

Schaarste was dus niet de enige reden dat men de straat opging. Werkloosheid, ongelijkheid en ontevredenheid over het regeringsbeleid droegen bij aan het ongenoegen van de burger. Zolang de oorlog aanhield, zouden de Nederlandse magen blijven knorren. In het voorjaar van 1918 was het einde nog niet in zicht. De oorlogvoerende landen maakten plannen voor nieuwe offensieven in 1919. Het Nederlandse volk voorzag dat de situatie niet snel zou veranderen. Die uitzichtloosheid, de honger en de ontevredenheid maakten dat men op straat ging demonstreren.

De toenemende binnenlandse onrust was een groot probleem voor de Nederlandse regering, die maar over heel beperkte middelen beschikte om het voedselprobleem op te lossen. Bovendien had de regering toch al de handen vol aan het buitenlands beleid. Zij moest voortdurend op eieren lopen om de oorlogvoerende landen niet voor het hoofd te stoten. Want ook in die landen, die uitgeput raakten door de jarenlange oorlogsinspanning, stond het water velen aan de lippen. Daar waren ook voedseltekorten en in Duitsland heerste zelfs regelrechte hongersnood. Zij voerden een strijd op leven en dood en waren steeds minder geneigd rekening te houden met het neutrale Nederland.

Zie ook:

Voedseldistributie en volksoproer

Schaarste in Nederland