WO I: De Nederlandse kerken en de oorlog

Hoe reageerden de Nederlandse kerken op het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog? Nederland was in die tijd 'verzuild', katholieken en protestanten hadden ieder hun eigen werelden. In de kranten vinden we daar de sporen van.

Terwijl in Nederland de mobilisatie was voltooid en de militairen op hun post zaten, viel op 4 augustus 1914 het Duitse leger met een grote overmacht België binnen. Zou dat Nederland bespaard blijven? Het werd druk in de kerken, waar de mensen geruststellende woorden wilden horen. Het Rotterdamsch Nieuwsblad (4 augustus 1914) meldde dat de kerkgebouwen in die stad overvol waren. In hun diensten gebruikten predikanten toepasselijke bijbelteksten die bij de ‘nood dezer tijden’ aansloten. Zij riepen de gelovigen op veel te bidden en ‘hun hoop te stellen op Hem, zonder Wiens wil geen haar op ons hoofd gekrenkt zal worden.’

Geloven in Nederland anno 1914

In het verzuilde Nederland van 1914 waren geloven en kerkbezoek voor velen wekelijkse of zelfs dagelijkse praktijk, zeker buiten de steden. Het rooms-katholieke volksdeel (ca. 35 %) vormde nog min of meer een eenheid, protestants Nederland (ca. 58 %) was sterk versplinterd. Hervormden, gereformeerden, vrijgemaakten, doopsgezinden, vrijzinnigen enz. hadden allen hun ‘eigen kerk’. Daarnaast bestonden er aparte stromingen als theosofie, Christian Science, Christen-anarchisten en vele andere.
Voor de kerken vormde de oorlog een ingewikkeld probleem. Enerzijds druiste oorlog in tegen de christelijke beginselen zoals naastenliefde. Maar voor streng gelovigen voltrok het wereldgebeuren zich volledig volgens Gods wil, dus ook de oorlog. Daarbij kwam dat de Nederlandse regering erop aandrong, dat bij alle publieke uitlatingen, dus ook vanaf de kansel, een strikte neutraliteit in acht werd genomen. Wat konden de kerken over de oorlog zeggen? Krantenartikelen uit het najaar van 1914 geven een indruk hoe ‘de kerk’ op de oorlog reageerde.

Ongerustheid

Op 1 augustus 1914 plaatste De Tijd een brief van een lezer, waarin deze de katholieken opriep zich bij de vredesbeweging aan te sluiten en ‘om te strijden tegen den oorlog!’. Deze lezer vreesde het ergste: ‘de gevolgen, indien een oorlog werkelijk uitbreekt, zijn in één woord verschrikkelijk’.
De Nieuwe Rotterdamsch Courant (10 augustus 1914) berichtte over ‘Buitengewone godsdienstoefeningen’ waarin gebeden werd voor ‘Vorstenhuis, Regeering, land en volk en spoedige verbetering van den buitenlandschen toestand.’
Er was niet alleen bezorgdheid. Er heerste ‘Limburgsche kalmte’ volgens De Tijd (19 augustus 1914) in Roermond, dichtbij de Duitse en Belgische grens. Men had er angstige uren beleefd, maar de ingekwartierde gemobiliseerde militairen gedroegen zich voorbeeldig. Volgens het dagblad is in Roermond iets veranderd, men ‘vindt er rust en kalmte in het gebed’. Kerkdiensten waren door een ontzagwekkende menigte bijgewoond.

De Tijd, 19 augustus 1914

Uit: De Tijd, 19 augustus 1914

De oorlog een straf van God

‘Zegeningen van den Oorlog’ was een kop op de voorpagina van de Tilburgsche Courant (13 augustus). ‘De oorlog moge een ontzettende geesel zijn voor de volken - er komt ook goed uit voort’. Bijvoorbeeld dat mensen weer in groten getale kerkdiensten bezochten, zich minder richtten op het materiële gewin en God mochten danken, dat Hij hen voor hun bestwil kastijdde.

Tilburgsche Courant, 13 augustus 1914

Uit: Tilburgsche Courant, 13 augustus 1914

De Telegraaf (20 augustus) vatte reacties op de oorlog uit verschillende kerkelijke bladen samen. De teneur was dat men in de kerken ’den oorlog als zoodanig verfoeit, maar ook in dien oorlog een geesel Gods ziet’. ‘Zijn almachtige hand grijpt in het wereldleven in’.
Het socialistische dagblad Het Volk (25 augustus) noteerde ook dat de Roomse geestelijkheid van de kansel verkondigde: ‘deze oorlog is een straf van God’, onder andere voor de Franse zedeloosheid. Ook de Gereformeerde Kerk sprak van een uitbarsting van Gods toorn. Het Volk meende ook dat ‘menigeen door dezen oorlog in zijn geloof geschokt zal worden.’

Godsdienstige standpunten

Al na enkele weken bleek dat de oorlogsdreiging wel ‘onderlinge eenheid’ in verzuild Nederland had gebracht, maar dat ‘geenszins het onderscheid in geloofsovertuiging’ was opgeheven. De verzuiling zat diep geworteld; de religieuze stromingen bezagen de oorlog vanuit hun eigen optiek. De Nieuwe Rotterdamsche Courant (6 september 1914) bespeurde bij katholieke geestelijken een pro-Duitse houding: het Duitse leger voerde een strafexpeditie in Frankrijk uit. In orthodox protestantse kringen zag men hoe de christelijke mens van de rechte leer was afgedwaald, dat verklaarde Gods ingrijpen. Dat vroeg om verootmoediging, de gelovige diende zijn onderworpenheid aan de Heer te beseffen en ernaar te leven.
Twee dagen later stond overigens in dezelfde krant een artikel, waarin van katholieke zijde werd bestreden dat de roomsen partij voor Duitsland kozen. Ook de ‘Roomsche pers’ werkte ‘krachtig mede aan de handhaving van Neerlands onzijdigheid’.

Geestelijke verzorging van militairen

De kerken begrepen dat bij de 200.000 gemobiliseerde militairen behoefte kon bestaan aan geestelijke bijstand. Die militairen waren plots van huis weg door ‘langdurige bivaks en postenbezetting, aan inkwartiering en legering in forten en schansen’. Het was toentertijd lang niet zo normaal om een tijd van huis te zijn als een eeuw later. De gemobiliseerde soldaat was blootgesteld aan geestelijke gevaren ‘in vreemde streken en in een vreemde omgeving’. Daarom deden de kerken een beroep op de regering om voor de troepen te velde geestelijke verzorging te organiseren. (De Tijd, 5 augustus 1914)
In Amersfoort pakte men dat als volgt aan. Het Classicaal bestuur aldaar riep op tot georganiseerde barmhartigheid, om voor de in die regio gelegerde militairen tijdelijke Tehuizen te openen. ‘Vergoedt hun het gemis van huiselijke omgeving: spoort aan tot gastvrijheid voor militie en landweer. Kloeke mannen en vrouwen zullen u hierbij gaarne terwille zijn’. (Rotterdamsch Nieuwsblad, 12 augustus 1914)

Veldpredikers

De Algemene Synode der Nederlandsch Hervormde Kerk verzocht begin augustus predikanten zich te melden als veldprediker. ‘De geestelijke belangen van de vele duizenden mannen en jongens .. die zich in den krijgsdienst bevinden … moesten met den grootsten ernst worden behartigd.’ (De Telegraaf, 7 augustus 1914) De Synode spoorde tevens de kerkgemeenten aan gemobiliseerde militairen in hun diensten toe te laten.
De Nederlandse regering besloot voor de gemobiliseerde ‘4 divisiën 8 veldpredikers aan te stellen’. Het ging om vier orthodoxe en vier vrijzinnige predikanten van zoveel mogelijk verschillende stromingen, om de religieuze diversiteit van de gemobiliseerden recht te doen. Voor de katholieke militairen waren in Noord-Brabant en Limburg kennelijk voldoende geestelijke verzorgers aanwezig. (Uit: Het Nieuws van den Dag, 13 augustus 1914) Kort daarna zijn die dienaren des woords inderdaad benoemd.

Het Nieuws van den Dag, 13 augustus 1914

Uit: Het Nieuws van den Dag, 13 augustus 1914

Niet alle richtingen vertegenwoordigd

Op die benoemingen kwam evenwel ook kritiek. Er klonken stemmen ‘dat men het aantal veel te gering en de verschillende richtingen onvoldoende vertegenwoordigd vindt’. Het betekende dat een aantal militairen het zonder eigen geestelijk verzorger moest stellen. Concreet: ‘[er waren] minstens 20.000 man, behoorende tot de Geref. Kerken … waarvan een groot contingent in Brabant ligt … [die] van alle gemeenschap met hun kerk verstoken zijn’. In kerkelijke bladen verschenen klachten hierover. Maar dat die problemen zich voordeden, schreef De Telegraaf (24 september 1914), was zo vreemd niet ‘daar ons leger zich, evenals velen uit de tegenwoordigen tijd helaas, van de kerk heeft afgewend’. Dat was eigenlijk al gebeurd halverwege de negentiende eeuw, toen bij de Nederlandse krijgsmacht niet langer veld- en vlootpredikers werden aangesteld.

'Een machtig wapen tegen den oorlog'

Moesten de kerken zich alleen maar afzijdig houden, terwijl de oorlog in Europa woedde? In het Nieuws van den dag van 26 augustus deed de hervormde predikant C. Boerendonk een oproep aan gelovigen van alle gezindten om de kerken te maken tot ‘een machtig wapen tegen den oorlog.’ Zij konden opstaan tegen de wereldlijke machthebbers die zo in de fout waren gegaan. Boerendonk vestigde zijn hoop tevens op de paus, wiens uitspraak voor staatshoofden zou zijn als een ‘woord Gods, waarvoor zij zich met eerbied buigen’.
De maand daarna citeerde Het Volk (15 september 1914) het weekblad De Blijde Wereld, een Christen-socialistisch periodiek. Onder de kop ‘De kerk en de oorlog’ stelde het tijdschrift dat ‘de kerk ... de groote zaken-wereld kalm haar eigen gang [heeft] laten gaan’ en passief bleef. ’Een droevig bewijs van de totale onmacht van de kerken tegenover de wereld?’

Een vermanend woord van de Paus?

Twee maanden later stonden vergelijkbare woorden in De Telegraaf (21 november 1914). ‘Wat doen nu de kerken? … [hebben zij] de stem luid en krachtig tegen de oorlog verheven?’ Paus Benedictus XV had een encykliek doen uitgaan, waarin hij zijn droefheid over de oorlog uitsprak en had gebeden voor het beëindigen ervan. Maar, schreef De Telegraaf, zouden bijvoorbeeld de katholieke Oostenrijkse vorsten echt niet gehoorzamen, ‘indien de Paus hen eens gebood den krijg te staken?’

De Telegraaf, 21 november 1914

Uit: De Telegraaf, 21 november 1914

De standpunten van de kerken

De Nederlandse kerken hadden moeite hun houding tegenover de oorlog te bepalen. Hoe moest de kerk omgaan met alle verschrikkingen? Kon of mocht de kerk zich uitspreken, en dan voor of tegen wie?
Gereformeerden sympathiseerden wel met het Duitse Rijk, dat zoals gezegd het katholieke Frankrijk strafte. Het Britse optreden tegen hun geloofsgenoten tijdens de Boerenoorlog (1899-1902) stemde gereformeerden te meer anti-Engels. In katholieke kringen bestond er sympathie voor het getroffen en bezette voornamelijk roomse België. Daar was de houding overwegend pro-geallieerd. Het bleef niettemin zaak deze sympathieën niet nadrukkelijk uit te spreken.
In het versplinterde hervormde volksdeel bracht de oorlog om praktische redenen enige toenadering teweeg, onder meer omdat de geestelijke verzorging van de gemobiliseerden tot samenwerking noopte. Bij de troepen te velde merkte men in de dagelijkse omgang dat onder andersdenkenden toch ook geschikte lui waren. Niettemin zou Nederland nog een halve eeuw flink verzuild blijven; pas in de jaren zestig kwam daarin verandering.