WO I: De Nederlandse krijgsmacht vóór 1914

Hoe bereidde het Nederlandse leger zich voor op de dreiging in Europa in 1914? De laatste mobilisatie in 1870 was chaotisch verlopen. Dat mocht niet weer gebeuren. De Nederlandse Regering nam in de aanloop naar 1914 maatregelen om een herhaling van 1870 te voorkomen. Niet zonder succes, zoals we kunnen lezen in de krantenartikelen uit Delpher.

De Duitse dreiging na 1870

De moeizaam verlopen mobilisatie van 1870-1871 deed de politiek beseffen dat de landsverdediging verbeterd moest worden. De Frans-Duitse oorlog was na enkele maanden met een klinkende Duitse overwinning beëindigd. De kersverse Europese grootmacht Duitsland vormde een nieuwe bedreiging aan de Nederlandse oostgrens. Gezien de mogelijkheid van een Duitse verrassingsaanval moest de Nederlandse krijgsmacht in staat worden gesteld binnen enkele dagen een geloofwaardige verdediging op poten te zetten. Dat daarvoor nieuwe wapens en uitrusting nodig waren stond buiten kijf. De defensiebudgetten gingen vanaf 1870 dan ook aanzienlijk omhoog.

Twee grote vraagstukken

Er waren echter twee grote vraagstukken die niet alleen financiële maar ook politieke, maatschappelijke en militair-strategische componenten hadden. Ten eerste: hoe kon men een effectief, maar betaalbaar systeem van permanente vestingwerken inrichten? En ten tweede: Hoe diende de levende krijgsmacht samengesteld en georganiseerd te worden?

De Vestingwetten

Met het eerste vraagstuk gingen regering en krijgsmacht voortvarend aan de slag. Al in 1874 kreeg de Tweede Kamer een nieuwe Vestingwet voorgelegd. Veel vestingen in het oosten en het zuiden van het land werden afgestoten en ontmanteld. De resterende vestingen werden gemoderniseerd. Het zwaartepunt van de verdediging zou in de westelijke delen van het land komen te liggen. Regering en legerleiding meenden dat het langdurig verdedigen van de oostelijke en zuidelijke delen van het land militair onhaalbaar was.

Tijdens de jaren zeventig en tachtig van de negentiende eeuw werd ijverig gebouwd aan de nieuwe Hollandse Waterlinie, die liep van Muiden via Utrecht naar Gorinchem. De bestaande forten, vestingwerken en waterwerken werden gemoderniseerd. Rond de stad Utrecht werd volgens de laatste inzichten een extra ring van hypermoderne forten gebouwd.

In de jaren tachtig begon de aanleg van de Stelling van Amsterdam, die kort voor het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog gereedkwam. De forten in de nieuwe stelling werden gebouwd met het moderne bouwmateriaal beton en uitgerust met stalen hefkoepels voor de kanonnen. Die schoven uit hun betonnen bedding omhoog om te schieten en zakten daarna weer veilig in hun betonnen omhulsel terug.

De Minister van Oorlog en de Vestingwet

Uit: Nieuws van den Dag, 17 december 1874

De realiteit van 1914

Toen in 1914 de oorlog uitbrak en Nederland mobiliseerde, leken de vestingwerken te voldoen aan de normen van de tijd. Maar de Duitse beschietingen van de Belgische forten rondom Luik en Namen met 42 cm geschut toonden aan dat de 19de-eeuwse fortenarchitectuur niet bestand was tegen de nieuwste artillerietechniek en de moderne springstoffen. Als gevolg daarvan werd er gedurende de mobilisatie 1914-1918 hard verder gewerkt om de forten en verdedigingslinies zoveel mogelijk te versterken volgens de laatste inzichten. Men ging over tot het aanleggen van loopgraven en het bouwen van kleine bunkers van gewapend beton.

De legerwetten

Zo voortvarend als de Nederlandse overheid en krijgsmacht aan de slag gingen met de vestingbouw, zo moeizaam kwamen de nieuwe legerwetten tot stand. De vraag was daarbij vooral hoe een krijgsmacht van voldoende omvang en geoefendheid gerealiseerd kon worden binnen een redelijk budget. De Vestingwet was vooral een technische kwestie en werd snel door de Kamer geloodst. Iedereen voelde de urgentie. De Legerwetten waren van een andere orde, waarbij politieke, maatschappelijke en levensbeschouwelijke overtuigingen een rol speelden. Het debat hierover werd pas met de goedkeuring van de Legerwetten van 1912-1913 afgerond. Daaraan ging nog heel wat vooraf.

De persoonlijke dienstplicht

Nederland kende een algemene dienstplicht vanaf de Napoleontische tijd. Echt ‘algemeen’ was deze dienstplicht niet, want slechts een klein aantal dienstplichtigen werd opgeroepen om te dienen in de militie. Bovendien kon iedereen tegen betaling iemand anders zijn dienstplicht laten vervullen (het zogeheten remplaçantenstelsel). Het gevolg was dat de militie vooral bestond uit arme en kansloze jongemannen, want dienstplichtigen met geld en een opleiding kochten zich vrijwel altijd uit. Dat remplaçantenstelsel was niet goed voor de kwaliteit of het aanzien van de krijgsmacht. Het was al lange tijd een doorn in het oog van het militaire establishment.

Afschaffing van het 'remplaçantenstelsel'

De afschaffing van het remplaçantenstelsel was geen eenvoudige zaak. De rooms-katholieke kerk verzette zich er sterk tegen omdat zij meende dat jonge katholieke mannen in het leger weleens met zondige invloeden in aanraking konden komen. Ook onder de gegoede burgerij was verzet, omdat hun zonen dan moesten dienen in de krijgsmacht – die in laag aanzien stond. De socialisten waren zonder meer tegen de dienstplicht. Zij zagen het leger als een instrument van het kapitaal om de arbeidersklasse onder de duim te houden.

In 1898 lukte het eindelijk om op grond van militaire en maatschappelijke argumenten het remplaçantenstelsel af te schaffen en de persoonlijke dienstplicht in te voeren. Wie werd ingeloot moest nu zelf zijn dienstplicht vervullen. Een beoogd gevolg van deze maatregel was dat het gemiddelde opleidingsniveau van de dienstplichtigen steeg en daarmee de kwaliteit van de krijgsmacht. Het was een eerste stap om de samenstelling van de krijgsmacht te verbeteren, maar nog lang niet de laatste.

Een leger voor Nederland

Vanaf de eeuwwisseling woedde binnen het militaire establishment, in de politiek en in de media een intensief debat over de inrichting en samenstelling van de krijgsmacht. Hoe moest Nederland een krijgsmacht opbouwen die groot genoeg, voldoende geoefend en bewapend was om het grondgebied te verdedigen? In bepaalde militaire kringen bestond er een voorkeur voor een variant met een groot, goed getraind en modern bewapend veldleger. Dat veldleger moest snel en flexibel kunnen manoeuvreren en in het gebied vóór de vestinglinies opereren. En dan vooral in Gelderland en Noord-Brabant, waar het landschap zich leende voor mobiele oorlogvoering. Een veldleger zou dicht bij de grens een vijandelijk leger kunnen aanvallen en verjagen.

Militair gezien was dit het neusje van de zalm. Een veldleger beantwoordde aan het ideaal van de mobiele oorlogvoering, waarbij het eigen leger het initiatief neemt en zijn kracht concentreert op de zwakke plekken van de vijand. Het idee was gebaseerd op de modernste militaire inzichten, en was onder andere geïnspireerd door de succesvolle Duitse campagne in de Frans-Duitse oorlog.

Rotterdamsch Nieuwsblad, 25 september 1913

Uit: Rotterdamsch Nieuwsblad, 25 september 1913; De groote manoeuvres in Overijssel

Liever geen veldleger

Tegen dit idee kwamen veel bezwaren. Zo’n krachtig veldleger vereiste goed geoefende militairen. Dat vroeg om beroepssoldaten of een extreem lange diensttijd. Dat was niet alleen heel kostbaar, maar een lange diensttijd was ook maatschappelijk ongewenst, want zou ertoe leiden dat een kleinere groep jonge mannen veel langer in dienst zou moeten. Dat zou de ongelijkheid weer doen toenemen die door de afschaffing van het remplacantenstelsel juist kleiner geworden was.

Uit militaire kring klonk bovendien het tegengeluid dat Nederland voor dat manoeuvreren met een veldleger van enige omvang eigenlijk te klein was. Dat leger zou direct vastlopen bij de grote rivieren of bij de grenzen van de buurlanden. Misschien zou het machteloos boven de IJssel gedrongen kunnen worden. Kort en goed was een dergelijk veldleger politiek niet haalbaar en militair niet functioneel.

Een volksleger?

Voor een ‘volksleger’ zou iedere man in de weerbare leeftijd militair geoefend worden, zodat in tijd van oorlog de hele mannelijke bevolking militair ingezet kon worden. Voorbeeld van zo’n leger was (en is) het Zwitserse leger.

In Nederland bestonden er diverse opvattingen over. Vooral de liberale burgerij voelde wel voor een volksleger, want zo’n leger zou de band tussen krijgsmacht en samenleving versterken. Er zou geen aparte wetgeving en rechtspraak voor militairen moeten bestaan. De omgangsvormen in het leger, waaronder de handhaving van de discipline, zouden overeen moeten komen met die in de burgersamenleving. Officieren zouden een vaderlijke rol moeten spelen ten opzichte van ondergeschikten en hen niet kleineren, intimideren en schofferen.

Anderen meenden dat door de regelmatige militaire oefening van alle jonge mannen een fitte en gezonde bevolking zou ontstaan: de dienstplicht als middel om de volksgezondheid te verbeteren. De invoering van gymnastiek als verplicht vak in het onderwijs rond deze tijd hing nauw samen met de gedachte van het volksleger: gymnastiekles zou de jeugd goed voorbereiden op de militaire dienst.

Socialistische visie op het leger

Ook sommige socialisten konden zich vinden in het idee van een volksleger. Onder andere Henriëtte Roland Holst mengde zich als gematigd voorstander op socialistische ideologische gronden in het debat. Traditioneel stelden de socialisten zich pacifistisch op en stemden zij in het parlement uit principe tegen elke defensiebegroting. Zij beschouwden de krijgsmacht als een apparaat om de arbeiders te onderdrukken en de klassenmaatschappij in stand te houden. Een volksleger was voor een aantal socialisten een aanvaardbaar compromis. Als het leger zo in de samenleving werd ingebed, redeneerden zij, zou het nooit de eigen bevolking willen knechten.

Wat de Staat ons geeft in de plaats van eten!

Uit: Geheugen van Nederland, Wat de Staat ons geeft in de plaats van eten!; tekening van Albert Hahn

Bezwaren tegen een volksleger

De voorkeur voor een volksleger was bij de liberalen en bij de socialisten gestoeld op politieke motieven en argumenten, en niet op krijgskundige afwegingen. In militaire kringen kon het volksleger dan ook op weinig steun rekenen. Vooral de beperkte oefentijd van de militairen was hen een doorn in het oog. Een volksleger mocht dan misschien wel veel mobilisabele militairen opleveren, zij waren onvoldoende geoefend, waardoor complexe manoeuvres nauwelijks mogelijk waren.

Het kader-militieleger

Het jarenlange debat leidde uiteindelijk tot een haalbare, gematigde en voor de meeste belanghebbenden acceptabele oplossing: het kader-militieleger. Dit was een verbeterde voortzetting van de bestaande praktijk. Bij een kader-militieleger bestaat het kader, de officieren en onderofficieren, uit beroepsmilitairen, die door hun lange diensttijd kennis en ervaring konden opbouwen. Dit goed opgeleide kader voerde het commando over de dienstplichtigen in de lagere rangen.

De twee belangrijkste vraagstukken bij het verbeteren van het kader-militiemodel waren de grootte van de jaarlijkse lichtingen die werden opgeroepen en de lengte van de diensttijd. Deze twee variabelen hadden natuurlijk invloed op de omvang en de mate van geoefendheid van het leger in tijd van oorlog, maar hadden ook direct gevolgen voor de schatkist.

De Landweerwet van 1901

De eerste poging om de nieuwe organisatie van de krijgsmacht vorm te geven resulteerde in de Militiewet en de Landweerwet van 1901. Ten eerste werden de oude plaatselijke schutterijen afgeschaft. Deze waren alleen lokaal inzetbaar en hun geoefendheid was gering. Zij werden vervangen door de Landweer. Deze Landweer diende als reserve voor het leger. Miliciens werden na afloop van hun diensttijd nog enige jaren ingedeeld bij de Landweer. Zij moesten af en toe op herhalingsoefening komen en waren oproepbaar in geval van oorlog.

De totale mobiliseerbare sterkte van de Nederlandse landstrijdkrachten kwam daarmee op 200.000 man. Toch riep de Militiewet van 1901 nog maar een klein contingent van de jonge mannen onder de wapenen. Hoewel het remplacantenstelsel was afgeschaft, bleef de ongelijkheid groot en werd lang niet al het potentieel benut. En dat in een periode waarin de oorlogsdreiging in Europa sterk toenam.

Duitschland en Engeland

Uit: Rotterdamsch Nieuwsblad, 1 maart 1912, Duitschland en Engeland

De Landstormwet van 1914

Door de oplopende spanningen in Europa bleef voor Nederland de dreiging van annexatie door het machtige buurland Duitsland bestaan. Daarbij kwam de vrees dat bij een groot Europees conflict tussen Engeland, Frankrijk en Duitsland het Nederlandse territorium geschonden kon worden. Een strategische verassingsaanval kon over land en over zee komen, en in de moderne oorlogvoering onverwacht en snel uitgevoerd worden. Dat was een van de lessen van de Russisch-Japanse oorlog van 1905. Nederland moest daarom zijn leger in enkele dagen in staat van paraatheid kunnen brengen, wilde het zijn neutraliteit geloofwaardig kunnen verdedigen.

Deze ontwikkelingen leidden eerst tot felle polemieken, maar spoedig toch tot politieke besluitvorming. Minister van Oorlog Hendrik Colijn voerde in 1913 en 1914 een nieuwe Militiewet en een Landstormwet in. Die Militiewet leidde ertoe dat jaarlijks een groter contingent dienstplichtigen werd opgeroepen. De Landstormwet creëerde naast de Landweer nog de Landstorm, waarin vrijwilligers tot veertig jaar en alle voormalige leden van de militie en de landweer konden dienen.

Dat alles leverde Nederland in tijd van oorlog een leger op van 367.000 man: een aanzienlijke krijgsmacht voor een land met ruim zes miljoen inwoners. Daarnaast schafte het leger nieuwe wapensystemen aan, waaronder modern snelvuurgeschut, en werd de militaire luchtvaartafdeling opgericht.

Het staande (!?) leger en de nieuwe Militiewet

Uit: De Telegraaf, 25 april 1911; Het staande (!?) leger en de nieuwe Militiewet

Voorbereiding op de Eerste Wereldoorlog

Was de Nederlandse krijgsmacht nu goed voorbereid op de Eerste Wereldoorlog? Het was niet in staat zich op eigen kracht tegen een inval van Duitsland, Frankrijk of Engeland te verdedigen. Dat was ook niet het doel. Wel zou het leger geruime tijd stand moeten kunnen houden achter de Waterlinie. Hopelijk lang genoeg om de nieuwe bondgenoten, die Nederland zou krijgen in geval van een oorlog, de kans te geven om te hulp te schieten.

Kon het Nederlandse leger zo lang standhouden? Dat blijft speculeren. Hoewel er nog veel te wensen overbleef was het Nederlandse leger numeriek en materieel in 1914 redelijk op orde. De mobilisatie verliep vrijwel volgens plan.

Inmiddels weten we dat de Duitsers, de Fransen en de Britten niet bijzonder onder de indruk waren van de Nederlandse krijgsmacht. Dat Nederland neutraal kon blijven, was dan ook meer te danken aan de belangenafweging van de oorlogvoerende partijen dan aan de afschrikkende werking van de Waterlinie en het veldleger. Dat neemt niet weg dat de politiek van de gewapende neutraliteit tijdens de Eerste Wereldoorlog, in tegenstelling tot 1940, een succesvolle uitkomst had.

Nederland's neutraliteit

Uit: Rotterdamsch Nieuwsblad, 24 augustus 1914; Nederland's neutraliteit

Meer informatie

Zie ook deze andere artikelen uit de reeks Nederland tijdens de Eerste Wereldoorlog: