WO I: Duits offensief voorjaar 1918

In maart 1918 ontketende Duitsland, en eigenlijk 'de Centralen', een groot offensief aan het westelijk front. Het leek erop dat er nu een beslissende fase in de oorlog was aangebroken. In Delpher is te volgen wat de kranten daarover meldden.

Einde oorlog aan het Oostfront

Tegen het eind van 1917 was de strijd aan het Oostfront stilgevallen; Duitse en Russische onderhandelaars bespraken vredesvoorwaarden. Veel Duitse troepen konden nu worden overgebracht naar het westen, dat besefte de Geallieerde legertop terdege. De Franse generaal Foch sprak geruststellende woorden: ‘De geest der Fransche troepen is beter dan ooit!’ Er was voldoende munitie, de artillerie was superieur, men wachtte af wat komen ging. Maar wat zou een intensivering van de strijd in het westen voor Nederland betekenen?

Geruchten over vrede en oorlog

Terwijl het sombere vooruitzicht van vreselijke slachtpartijen zich aandiende, klonk er een ander geluid. Een Nederlandse journalist had een vooraanstaande Zwitser gesproken, die voor de beide kleine, neutrale landen een bemiddelende rol weggelegd zag. Hoeveel invloed had deze Zwitser?

Voor het overige was er ‘een jachtende wedstrijd tusschen Duitschland en Amerika, wie het eerst en het meest zijn aanvullingstroepen naar het Westfront kan vervoeren’. Tezelfdertijd deden geruchten over vredesvoorstellen de ronde in West-Europa, waarvan al eerder sprake was geweest. Volgens een ander gerucht wilden de Geallieerden via Nederland (Vlissingen) een inval achter de Duitse linies doen. Nederland had iedere medewerking geweigerd. Het bleven onzekere tijden.

Het offensief is losgekomen

Op 21 maart kwamen dan de berichten over het grote Duitse offensief in het westen. Dat zou plaatsvinden bij Verdun en wellicht in Vlaanderen, de aanvalsplannen bleven uiteraard geheim. Tegelijkertijd sprak een Duitse oorlogscorrespondent over een ‘aanstaand Engelsch offensief’.

De eerste signalen dat Duitse troepen de Britse stellingen overmeesterden kwamen snel. Hield dat in, dat de situatie voor de Geallieerden nu ‘hoogst ongunstig’ was? Een correspondent van de Daily Chronicle schreef:

Duitse overmacht

Door het numerieke overwicht kon het Duitse leger op één van de sectoren aan het front 17 divisies in de strijd brengen tegen 5 Britse. Nederlandse journalisten merkten op dat het Duitse leger andere strijdmethoden gebruikte, die een langduriger offensief inhielden. Daarnaast wierp het een nieuw kanon in de strijd, dat een bereik had van meer dan 100 km. Dat kon doelen ‘van militaire beteekenis’ ver achter het front en zelfs Parijs treffen. Binnen een week zou het Duitse leger evenveel terrein hebben veroverd, als het Britse leger na vijf maanden strijd aan de Somme, aldus de Tilburgsche Courant (27 maart 1918).

Opmars na tien dagen

De Duitse troepen hadden vorderingen gemaakt, maar het tempo van de eerste drie dagen konden de troepen niet volhouden. De Geallieerden waren aanvankelijk overdonderd, maar hadden zich hersteld. Na drie jaar taaie stellingenoorlog zag men nu een bewegingsoorlog. Op een kaartje dat het Algemeen Handelsblad publiceerde, bleek dat Duitse troepen ten noorden van de Oise zo’n 50 km in zuid-westelijke richting waren opgerukt.

Leerzaam voor het Nederlandse leger

Nederlandse militaire waarnemers volgden de Duitse opmars nauwlettend. Eén van hen constateerde na twee weken, dat het terrein waar het offensief plaatsvond sterk vergelijkbaar was met de geografische omstandigheden bij de Hollandse Waterlinie. De Geallieerde troepen hadden zich moeten terugtrekken, maar slaagden erin het de aanvallende partij flink lastig te maken. Deze waarnemer vond dat geruststellend; indien de krijgsmacht paraat was, zag het er ‘voor de verdediging van Nederland tegen een overmacht niet ongunstig’ uit (Rotterdamsch Nieuwsblad, 8 april 1918).

Britse stelling aan het westfront

Britse stelling aan het westfront, uit: De oorlog in beeld, mei 1918

Is Nederland gereed?

Twee maanden later liet een andere journalist zich minder optimistisch uit: ‘van een paraat leger [kon] geen sprake zijn’. Militairen die ‘voortdurend lanterfanten’, de krijgsmacht beschikte ‘niet over voldoende veld artillerie, mitrailleurs, en ander krijgstuig’, terwijl daar in voorgaande jaren herhaaldelijk op was gewezen. Ook Nederland zou zich moeten toeleggen op een stelsel van tijdelijke loopgravenstellingen; in de oorlog was gebleken dat dat effectief was. Het Nederlandse leger was nog sterk gericht op het voeren van een bewegingsoorlog. Toch hoefde men niet te pessimistisch te zijn. ’Nederland is uitstekend te verdedigen’, ‘ons volk, onze soldaten, onderofficieren en officieren zijn … zeer goed’, maar aan de nationale oorlogsvoorbereiding moest ‘nog heel wat veranderd en verbeterd’ worden (Eindhovensch Dagblad, 12 juni 1918).

Duitse tour de force

Het Duitse leger dreef de Geallieerden geducht achteruit. Een correspondent van De Telegraaf ving in Duitsland op, dat de legertop zich hard moest inspannen om dat overwicht in stand te houden. Duizenden arbeiders uit munitiefabrieken moesten alsnog naar het front. Hun plaatsen werden ingenomen door vrouwen, kinderen en krijgsgevangenen. Er waren bataljons samengesteld met ‘ex-tuchthuisboeven’ en langs de Nederlandse grens liepen nauwelijks nog Duitse grenswachten. Allen opgetrommeld voor dit ‘lente-offensief’, dat met zware verliezen gepaard ging (Eindhovensch Dagblad, 17 mei 1918). Duitsland haalde kennelijk alles uit de kast om een beslissing te forceren.

Veroverde Engelsche positie voor Armentières

Veroverde Engelsche positie voor Armentières, door Duits geschut in elkaar geschoten; uit: Oorlogs kroniek, mei 1918

Duits thuisfront

Parijzenaars zaten in een lastig parket, veel Nederlanders hadden het moeilijk door de schaarste in eigen land, de successen van hun krijgsmacht brachten voor Duitse burgers niet direct veel verbetering. Een via Keulen naar Nederland uitgeweken Duitse familie getuigde daarvan. Aan hun vooroorlogse redelijk luxe bestaan was een eind gekomen. Veel Duitsers leden honger, in plaats van tabak rookte men gedroogde kersenbladeren, de koffie werd gemaakt met gebrande gerst en smaakte ‘vrij goed’. Rijst, gort en thee ontbraken geheel in het huishouden. Vrouwen en kinderen vergaarden brandnetels als veevoer, want alle hooi ging naar het leger. Het straatbeeld in Keulen stemde triest, door mannen ‘wien in den oorlog de beenen afgeschoten zijn’, door zenuwzieken, dieven die overdag toesloegen en grote aantallen soldaten die op doorreis waren, maar op straat moesten slapen (Nieuwsblad van Friesland, 11 juni 1918).

Nederland en de oorlog

De Duitse pers sprak de verwachting uit, dat ‘Nederland zijn neutraliteit op dezelfde wijze als tot dusverre zal handhaven’ en geen partij zou kiezen voor de Geallieerden. Evenmin viel er voor de Centralen veel voordeel te verwachten, indien Nederland zich zou aansluiten ‘bij de middelrijken’. Duitse schepen, die in Nederlandse havens overzee lagen, zouden onmiddellijk een prooi voor de Geallieerden worden. Daarnaast zou het toch al noodlijdende Duitsland de Nederlandse buur economisch moeten ondersteunen. Derhalve had Duitsland ‘belang bij het handhaven van de tegenwoordige betrekkingen’ (Het Centrum, 19 april 1918). Dat was voor Nederland een geruststellende boodschap, voor wat die waard was, uiteraard.

Visie Troelstra op Nederlands positie

De sociaal-democratische voorman Troelstra had begin juni een kranteninterview gegeven. Was hij halverwege 1917 nog optimistisch geweest over de kans op vrede in Europa, thans was hij somberder. Nu de strijd aan het oostfront was beëindigd, hadden de Centrale mogendheden een ‘enorme versterking van hunne positie gekregen’. Troelstra voorzag dat een Duitse overwinning voor Nederland ongunstig zou uitpakken. Wanneer de Geallieerden zouden zegevieren, kon dat evenzeer tot een internationaal onevenwichtige situatie leiden, met eveneens een voor de kleine neutrale landen onzekere uitkomst.

De Nederlandse regering had het land vooralsnog buiten de oorlog weten te houden, maar sommige uitlatingen van de pers en van burgers hadden een ‘gebrek aan wezenlijke neutraliteit’ gekend. Dat kon ‘noodlottig voor ons worden’. Troelstra hoopte dat na de oorlog een volkerenbond tot stand kon komen, die onder meer internationale ontwapening zou nastreven (Nieuwe Rotterdamsche Courant, 4 juni 1918).

Halverwege 1918

Zo volgde Nederland de oorlog in het westen. De strijd speelde zich op enige afstand af, maar het verloop en de uitkomst ervan waren zeer ongewis en het eind was niet in zicht. Nederland kon niet anders doen dan afwachten en alert blijven.