WO I: Nederlandsche Anti-Oorlog Raad (1914/1915)

Hoe verging het de vredesbeweging in Nederland tijdens de Eerste Wereldoorlog? Kranten uit Delpher vertellen het verhaal:

Toen begin augustus 1914 de Eerste Wereldoorlog was uitgebroken, moest het neutrale Nederland zijn rol aan de zijlijn bepalen. Voor militairen betekende dat mobilisatie. De regering stond voor de vraag hoe de neutraliteit behouden kon worden. Voor menige burger was het een kwestie van overleven in deze economisch onzekere periode. En pacifisten vroegen zich af wat zij met deze oorlog aan moesten.

Opkomst van de vredesbeweging

Sinds het begin van de negentiende eeuw hadden ideeën over pacifisme terrein gewonnen. Dat kwam onder meer door vijftien jaar Napoleontische oorlogen en door het feit dat er nationale krijgsmachten waren opgericht, die dichter bij de burger kwamen dan de oude huurlegers. Er ontstonden ideeën om geschillen tussen staten zonder geweld te beslechten. En velen gingen anders over de ‘oorlogsgruwel’ denken. Gelijkgestemden in de VS en Europa vonden elkaar en richtten vredesorganisaties op. In Nederland verschenen onder meer de Nederlandsche Vrouwenbond ter Internationale Ontwapening en de Algemeene Nederlandsche Bond Vrede door Recht op het toneel. Sinds 1913 stond het Vredespaleis - het internationaal gerechtshof in Den Haag - symbool voor het oplossen van conflicten door bemiddeling.

Nederlandsche Anti-Oorlog Raad (NAOR)

De Nederlandsche Anti-Oorlog Raad, opgericht in oktober 1914, was een nieuw initiatief. In het Nieuws van den Dag (13 oktober 1914) verscheen een oproep waarin de Raad zijn plannen ontvouwde en steun vroeg. Een flinke lijst met ondertekenaars, onder wie politici, hoogleraren, juristen en dominees (allen op persoonlijke titel), zette dit initiatief kracht bij. Dagblad Het volk nam diezelfde dag de oproep grotendeels over. De dagen erna verscheen het nieuws over de oprichting in meer kranten. In Het volk stond twee dagen later dat leden van de SDAP die zich bij de NAOR hadden aangesloten daarom ernstig werden bekritiseerd. Zich inlaten met zo’n burgerlijk initiatief, dat ging Het volk te ver. Die discussie sleepte zich enige tijd voort.

Commentaar op de Anti-Oorlog Raad

De Leeuwarder Courant van 19 oktober 1914 reageerde op de oprichting van de NAOR. De Courant zag twee mogelijkheden: aan de oorlog deelnemen of een organisatie als de NAOR oprichten. Dat laatste in het besef, dat ‘Nederland geen invloed hoegenaamd bezit’. De Raad bood burgers de kans om op ongevaarlijke wijze iets te doen. De NAOR beoogde uiteindelijk de internationale verhoudingen zo te hervormen dat oorlog voorgoed uit de wereld verdween. Dat zou niet snel gebeuren, meende de Leeuwarder Courant, en de courant maakte een vergelijking met de ‘snelvarende trekschuiten van de veertig jaren van de vorige eeuw’. Het volk (28 oktober 1914) berichtte dat de NAOR zich niet tot discussiëren wilde beperken, maar bereid was eventueel tussen de strijdende partijen te bemiddelen.

Initiatief van de NAOR

De Telegraaf (7 november 1914) berichtte over een brief die de NAOR had gestuurd aan medestanders in Europa. De NOAR gaf aan dat die gelijkgestemden tot dan toe niet genoeg hadden samengewerkt om de oorlog te voorkomen en riep op die samenwerking te verbeteren. Uiteindelijk wilde de Raad komen tot ‘één eendrachtige, geconcentreerde, internationale actie’. De Nieuwe Rotterdamsche Courant (23 november 1914) lichtte dat toe: de Raad streefde ernaar de publieke opinie in de Europese landen te beïnvloeden en zo de vrede te bereiken. Op dat moment telde de NAOR zo’n 3.500 sympathisanten. De kaderleden van de NAOR hielden door heel het land voordrachten om hun programmapunten toe te lichten en steun te verwerven. Twee weken later stond in de Leeuwarder Courant in een notendop samengevat wat de NAOR wilde.

Leeuwarder Courant, 8 december 1914

Uit: Leeuwarder Courant, 8 december 1914; Nederlandsche Anti-Oorlog Raad

Spreekbeurten tegen oorlog

De publiciteit rond en de spreekbeurten door de NAOR hadden resultaat. Op 1 januari 1915 hadden achtduizend sympathisanten zich achter de Raad geschaard. De Raad wist zich gesteund door zo’n driehonderd kerkelijke en politieke verenigingen en vakorganisaties. Verder hadden onder meer verenigingen voor vrouwenkiesrecht en maatschappelijke organisaties hun steun betuigd (Algemeen Handelsblad, 4 januari 1915).

'De komende vrede'

Aldus luidde de titel van een brochure van de NAOR. De Middelburgsche Courant (7 januari 1915) besprak deze publicatie waarin de Raad kort zijn stappenplan uiteenzette. De NAOR besefte terdege het einde van de oorlog niet te kunnen afdwingen, maar hoopte daar op enig moment toe bij te dragen. Immers: Nederland is ‘een klein, neutraal land, dat bescheidenheid past’. Niettemin had de Raad ook in de oorlogvoerende landen geprobeerd gehoor te krijgen voor zijn idealen. Vooral, schreef de Middelburgsche Courant, moeten de ‘onderdanen’, Duitsers, Fransen, Engelsen, Belgen enz., zich achter de doelstelling van de Raad scharen. Tenslotte hebben de burgers van oorlog het meest te lijden. De Courant noemde tevens het recentelijk verschenen boek The war and a way out door G. Lowes Dickenson, een Engelse vredesactivist, dat nauw aansloot bij het gedachtegoed van de Raad.

The war and a way out / G. Lowes Dickinson, 1915

The war and a way out door G. Lowes Dickinson, 1915

Kritische kanttekeningen bij de NAOR

In het Nieuwsblad van het Noorden (28 januari 1915) verscheen een redactioneel artikel dat de bijeenkomsten en oproepen van de NAOR van een kritische noot voorzag. Ten eerste, meende het Nieuwsblad, mocht men aannemen dat de meeste Nederlanders de oorlog graag snel zagen eindigen. Dat hoefde de Raad niemand duidelijk te maken. Daarnaast kwamen uit Duitsland, Frankrijk en Engeland slechts berichten dat die landen de strijd wilden voortzetten. Een vredesoproep van de NAOR kon in die landen verkeerd vallen, aldus het Nieuwsblad, dat opriep tot voorzichtigheid.

Telegraaf, 8 augustus 1915

Uit: De Telegraaf, 8 augustus 1915; tekening door Louis Raemaekers

Een permanente vredesconferentie?

Het artikel ‘Vredesdroomerijen’ in De Graafschap-bode (17 augustus 1915) beschreef de stemming in de oorlogvoerende landen. Na een jaar strijd heerste daar eendracht en een ‘onwankelbaar volhouden’ als het om de oorlog ging. Het artikel besloot met de suggestie dat de Nederlandse regering zou meewerken aan een plan van de NAOR om een ‘permanente vredesconferentie uit vertegenwoordigers der onzijdige landen’ te realiseren. Deze conferentie zou de strijdende partijen op enig moment tot elkaar kunnen brengen.

'De toekomstige vrede'

In december 1915 was het plaatselijk comité van de NAOR in Doetinchem nog druk bezig (De Graafschapbode, 10 december 1915). Men had besloten de tweemaandelijkse NAOR-uitgave De toekomstige vrede te promoten. Aan medestanders in de regio werd om een geldelijke bijdrage gevraagd; daarnaast had het comité plannen om in januari 1916 een informatieve bijeenkomst te beleggen. Misschien dat in de laatste alinea’s van een artikel in De Graafschapbode (10 december 1915) de situatie voor de NAOR goed stond samengevat:

De Graafschapbode, 10 december 1915

Uit: De Graafschapbode, 10 december 1915

De Gooi- en Eemlander, 29 december 1915

Uit: De Gooi- en Eemlander, 29 december 1915

Vredesgroeperingen tussen droom en daad

Voorlopig bleek de oorlogsmachine niet te stoppen, maar dat hoefde niemand te verbazen. In 1899 en in 1907 waren in Den Haag vredesconferenties gehouden, maar ‘de partijen kwamen [in 1907] met nog meer tegenzin dan acht jaar tevoren en de verbroedering wilde maar niet lukken’ (uit: Buiten schot / Paul Moeyes, 2014). De NAOR, hoe actief en gemotiveerd ook, opereerde ‘tussen droom en daad’.

Meer over de NAOR in: Een vergeten hoofdstuk. De Nederlandsche anti-oorlog raad en het Nederlands pacifisme tijdens de Eerste Wereldoorlog door M. J. Riemens uit 1995.

Lees meer artikelen over de Eerste Wereldoorlog, hier is het overzicht van alle WOI-artikelen.