WO I: Schaarste in Nederland 1917

Na het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog kwam de Nederlandse scheepvaart in moeilijkheden. Die ondervond hinder van een Britse zeeblokkade, terwijl Duitse onderzeeërs ook Nederlandse koopvaardijschepen torpedeerden. Daardoor ontstonden tekorten aan voedingsmiddelen en brandstoffen, met ingrijpende gevolgen voor de bevolking. De kranten uit Delpher stonden er vol mee.

Koopvaardij in de problemen

Toen Duitsland in februari 1917 overging tot een onbeperkte duikbotenoorlog verslechterde de situatie in Nederland. Ook schepen van neutrale mogendheden konden zonder waarschuwing worden getorpedeerd.

Daar kwam bij dat de Verenigde Staten zich in april 1917 aansloot bij de geallieerden. Nederland verloor een neutrale ‘lotgenoot’ die bovendien als oorlogvoerend land Nederlandse schepen in Amerikaanse havens vasthield. De aanvoer naar Nederland werd minder.

Meer problemen en maatregelen

Omdat vanaf het begin van de oorlog landbouw- en veeteeltproducten van eigen bodem met flinke winst naar Duitsland werden geëxporteerd of gesmokkeld, werd de situatie in Nederland zorgwekkend (zie ook: WO I: Smokkelen: lucratief en riskant). Het leidde tot gemor onder de bevolking. De regering nam maatregelen om deze problemen het hoofd te bieden, bijvoorbeeld door levensmiddelen via distributie beschikbaar te stellen (1916). De gemeenten kregen tot taak die maatregelen uit te voeren. Wanneer bepaalde artikelen echt schaars werden probeerde men alternatieven te vinden.

Eenheidsworst

Een andere regeringsmaatregel was de introductie van de ‘eenheidsworst’. Na drie jaar oorlog werd de vleesvoorziening een probleem. De Nederlandse varkensstapel was danig geslonken, terwijl schapen- en paardenvlees minder in de smaak vielen bij het publiek. Minister Posthuma diende in januari 1918 een voorstel in voor de productie van eenheidsworst. Die bestond voor 90% uit rund- en voor 10% uit varkensvlees. Door het vlees te vermalen en met kruiden en suiker te vermengen leverde 85 kg vlees zo’n 100 kg worst op. Volgens P.H. Ritter smaakte de worst ‘werkelijk niet kwaad’, maar hij ging na dagen achtereen consumeren wel vervelen (Uit: De donkere poort, deel 2, 1931).

Eenheidsworst

Uit: Nederland in den oorlogstijd, 1920

Meer volkstuintjes

De regering riep de bevolking op zelf gewassen te verbouwen om zoveel mogelijk zelfvoorzienend te zijn. De minister spoorde de burgers aan op grote schaal aardappelen en peulvruchten te zaaien. Alle beschikbare volkstuintjes, stadsparken, voetbalvelden en fabrieksterreinen kwamen daarvoor in aanmerking, zelfs de bermen langs de wegen. Het boekje Iedereen Tuinier in Oorlogstijd (1917) door B. Boon gaf praktische tips voor het telen van groenten en aardappelen.

Men besefte wel dat deze maatregel op de korte termijn niet veel soelaas zou brengen.

Nederlandse grondstoffen

Nederland ging zoveel mogelijk de eigen bodemschatten exploiteren. De mijnbouw in Limburg werd gestimuleerd, en men pakte waar mogelijk het ontginnen van bruinkoolvelden en het turfsteken op. Voedingsmiddelen zoals mosselen en toch ook schapenvlees werden als goede alternatieven aangeprezen. Er kwamen Nederlandse varianten van buitenlandse producten op de markt, zoals de Groningse wijn ‘Cultura’. De productiviteit steeg, maar Nederland slaagde er niet in om zelfvoorzienend te worden.

Oplichterij

Niet alle imitatieproducten bleken even betrouwbaar. In Venlo onderschepte de douane een aantal cacaobussen die gevuld bleken te zijn met zand (De Telegraaf, 14 maart 1917). Een Leeuwarder handelaar in koloniale producten kreeg een koffiesurrogaat aangeboden, maar was zo slim het eerst zelf te proberen. Deze ‘koffie’ was gemaakt van ‘gebrande en geroosterde aardappelschillen’ (Leeuwarder Courant, 4 oktober 1917).

Vaak kwam het bedrog pas later aan het licht. Jellema’s winkels lieten in de Leeuwarder Courant (7 mei 1918) weten dat ‘na scheikundig onderzoek is gebleken, dat het in mijn winkels op vrijdag 3 mei verkochte zeeppoeder-surrogaat geheel waardeloos is.’ Gedupeerde kopers konden het neppoeder weer bij hem inleveren.

Crisiskookboeken

Graag zal men de huisvrouw loven,
Die in dezen kwaden tijd
Elken dag met opgewektheid
Voor ’t gezin het maal bereidt

Een fragment uit Al zijn de tijden nog zoo kwaad, De huisvrouw vindt toch altijd raad in het kookboekje van de Nijmeegsche Huishoudschool uit 1918. Dit soort kookboekjes en brochures informeerden huisvrouwen hoe ze hun gezin verantwoord en afwisselend konden voeden met de nog beschikbare artikelen. ‘Koningin van de kookboeken’ Martine Wittop Koning drong erop aan vaker nieuwe producten te proberen:

Af en toe helpt het wel, als men zich voorstelt op reis te zijn in een geheel vreemd land, waar men gedwongen is zich aan de eetgewoonten aan te passen, als men geen honger lijden wil.

Energie besparen

Door de schaarste ging steenkolen ‘op de bon’, en werd de straatverlichting tot een minimum beperkt. Auto's mochten minder benzine verbruiken, scholen gingen op zaterdag dicht en er reden minder treinen. In 1916 kreeg Nederland voor het eerst te maken met de zomertijd. De burger moest zuinig aan doen met brandstof. Martine Wittop Koning bracht in september 1917 een boekje uit getiteld: Warmte bewaren: besparing van gas en brandstof bij spijsbereiding. Daarin stonden tips over het bewaren van lichaamswarmte en het zo efficiënt mogelijk bereiden van voedsel.

Voedsel bereiden in de hooikist

Daarvoor kon men gebruikmaken van de hooikist. Dat was, zoals de naam doet vermoeden, een houten kist waarin een dikke laag hooi tegen de wanden was aangedrukt. Daaroverheen zat een voering om stuiven van het hooi te voorkomen. Zo hoefde een pan met aardappelen maar 5 à 10 minuten te koken, waarna de pan anderhalf uur in de hooikist op temperatuur bleef. De aardappelen werden op die manier gaar zonder dat er brandstof nodig was. Om geld te besparen en bij gebrek aan hout werden hooikisten gemaakt van tonnen, emmers, manden en kartonnen dozen. In plaats van hooi konden opgerolde kranten dienen als isolatiemateriaal.

Heeft Nederland echt honger geleden?

Levensmiddelen waaraan een tekort ontstond probeerde men in Nederland te vervangen door alternatieven of surrogaten. Hoewel er zeker honger en koude geleden is, werd Nederland toch niet zo hard getroffen als de oorlogvoerende landen. In Duitsland zouden uiteindelijk honderdduizenden burgers overlijden aan de gevolgen van ondervoeding. De jarenlange geallieerde handelsblokkade putte Duitsland economisch uit en maakte de bevolking oorlogsmoe. Landen als Frankrijk en Groot-Brittannië waren trouwens evenzeer uitgeput en hard toe aan een wapenstilstand.

De Nederlandse bevolking was aan het eind van 1918 wel zo verzwakt dat men vatbaar was voor de Spaanse griep, die wereldwijd veel slachtoffers heeft gemaakt.

Meer lezen over Nederland tijdens de Eerste Wereldoorlog