WO I: Steun en hulp in moeilijke dagen

Nederland bleef neutraal tijdens de Eerste Wereldoorlog, maar dat wil niet zeggen dat de oorlog geen grote gevolgen had voor Nederland. Veel bedrijven moesten sluiten en van een soldatenloon kon een gezin niet rondkomen.

Werkgelegenheid na de mobilisatie van 1914

Op 10 augustus 1914 schreef de redactie van de Rotterdamsche Courant dat ‘velen moeielijke dagen doorleven, moge blijken uit de berichten die wij ontvingen omtrent sluiting van zaken en bedanken van werkvolk.’ Op dat moment deed het vreemd aan dat er personeel ontslagen werd: door de mobilisatie van het Nederlandse leger op 1 augustus was juist een groot deel van de beroepsbevolking opgetrommeld naar de kazernes om de neutraliteit te bewaken.

Maar er was een complexe situatie ontstaan. Door de oorlog stagneerde de handel. Bedrijven moesten (tijdelijk) sluiten omdat de aanvoer van grondstoffen stilviel en de regering had uitvoerverboden van een aantal essentiële goederen uitgevaardigd. Daardoor waren veel mannen die niet gemobiliseerd waren werkloos geraakt. Geen werk betekende geen inkomen. Particulieren, de overheid en de gemeenten improviseerden in de eerste paar weken om zowel werkgevers als arbeiders en hun gezinnen te ondersteunen.

Het Volk, 1 augustus 1914

Uit: Het Volk, 1 augustus 1914

Nieuwe Rotterdamsche Courant, 4 augustus 1914

Uit de: Nieuwe Rotterdamsche Courant, 4 augustus 1914

Tekort aan personeel

Door de mobilisatie ontstond een groot tekort aan arbeidskrachten bij instellingen en bedrijven. Ongeveer 200.000 mannen moesten van de één op de andere dag hun werkzaamheden neerleggen. Anno 2014 lijkt dit weinig, maar Nederland had in 1914 net meer dan zes miljoen inwoners. Het wegvallen van zo’n groot deel van de beroepsbevolking was direct merkbaar. In de eerste week van augustus stonden de kranten vol met mededelingen over oplopende leveringstijden, onuitvoerbare orders of zelfs gehele sluiting van bedrijven als gevolg van de mobilisatie van het personeel.

Toename werkloosheid

De oorlog gooide de economie behoorlijk overhoop. De aard van de problemen verschilde per bedrijfstak. De bouwsector ondervond moeilijkheden door het gebrek aan materialen en opdrachten. Bij de scheepvaart- en havenbedrijven waren door de afname van import en export minder werknemers nodig. De tuinbouwsector kreeg grote problemen, omdat de grens met het belangrijkste exportland Duitsland was gesloten. De handel en de bedrijvigheid kwamen tijdens de oorlog wel weer op gang, maar altijd waren er ontwrichtingen door oorlogsgeweld of moeizame onderhandelingen met de oorlogvoerende landen. Dan raakten mensen weer hun werk kwijt.

De Telegraaf, 10 oktober 1914

Uit: De Telegraaf, 10 oktober 1914

Sluiting tapperijen en bierhuizen

Gemeenten zagen de bui al hangen: de werkloosheid zou tot drankmisbruik kunnen leiden. De Blauwe Vaan, het tijdschrift van de Nederlandse Vereniging tot Afschaffing van Alcoholhoudende Dranken, spoorde de regering en gemeentebesturen in augustus aan tot een verbod van drankverkoop om ‘bij allen helderheid en nuchterheid te bevorderen’. Een aantal gemeenten stemden in met dit voorstel. De burgemeester van Oude-Pekela deelde de gemeenteraad op 6 augustus mee de verkoop van sterke drank en bier geheel te verbieden. In sommige delen van Groningen en Drenthe trad dit verbod vanaf half augustus in werking.

Inzet van vrouwen

De Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht zond een brief naar verschillende kranten, waarin zij vrouwen opriep de leeggekomen arbeidsplaatsen in te vullen ‘opdat zoo weinig mogelijk storing in den gang van zaken en verlies van welvaart plaats vinde.’ De Vereeniging stelde voor dat vrouwen aan slag konden bij administratieve diensten, bij de gemeente, als conductrice of in de huishouding of verpleging. Door het hele land werden comités opgericht en bijeenkomsten gehouden. In Den Haag was de belangstelling zo groot dat de zaal in de Oranje-sociëteit veel te klein bleek, met als gevolg dat veel vrouwen niet naar binnen konden. Ook op andere manieren zetten vrouwen zich in. In Zeist werd bijvoorbeeld een commissie opgericht van vrouwen die sokken en ondergoed maakten voor de militairen; in veel gevallen bleek dat hard nodig.

Padvinders aan het werk!

Luitenant Viehoff deed in Het nieuws van den dag een oproep aan padvinders en padvindersverenigingen: ‘Padvinders aan het werk! Ge kunt in deze ernstige tijden uw vacantie nuttig besteden!’ Hij moedigde de ‘leiders en jongens’ aan om kleine diensten aan militairen te bewijzen, zoals hun de weg te wijzen, drinkwater te geven en boodschappen voor ze te doen. Daarnaast riep hij de jongeren op serieuzer arbeid te verrichten, zoals het binnenhalen van de oogst. Al snel werd de hulp breed gereguleerd. In Den Haag werd een comité gevormd waar jongens en meisjes zich konden aanmelden om te helpen. Al op de eerste dag hadden zich 200 jonge vrijwilligers aangemeld. De jongens waren beschikbaar als kantoor- en winkelbedienden, de meisjes als oppas bij gezinnen waar de vrouw een baan buitenshuis had.

Verbod op zwaar werk

Er kwam echter protest tegen het in loondienst nemen van vrouwen en jongeren, voornamelijk vanwege de vele werkloze mannen. De oogst mocht niet langer door vrouwen en jongeren binnengehaald worden, want de minister van Landbouw vond dit werk te zwaar of te gevaarlijk voor hen. Toen in de loop van de oorlog de economische situatie in Nederland verslechterde, werden vrouwen toch voor zwaarder werk ingezet.

Arbeidsbeurzen

De werkgelegenheid en de vraag naar arbeidskrachten verschilde sterk per bedrijfstak en regio. Daarom richtten sommige gemeenten arbeidsbeurzen op om het evenwicht tussen vraag en aanbod te herstellen. Bedrijven hadden werkkrachten nodig omdat hun personeel was gemobiliseerd of vanwege drukte. Daarnaast werden mensen ontslagen omdat bedrijven moesten sluiten. En dan waren er de vrouwen en jongeren die te hulp wilden komen. Er was dus genoeg te bemiddelen voor een arbeidsbeurs. In Amsterdam kwamen op een gegeven moment zoveel werkzoekenden naar de Arbeidsbeurs, dat er politie nodig was om de orde te handhaven. De Amsterdamsche Arbeidsbeurs plaatste in Het Centrum de geruststellende mededeling dat er nog honderden arbeidskrachten nodig waren op het platteland.

Steun aan arbeidersgezinnen

In de lange, eentonige straten, waar de arbeidersklasse woont en haar moeielijke leven slijt, kwamen vrouwen uit de huizen om opgewonden met elkaar te bespreken het nieuwe noodlot dat over hen gekomen was. Van tallooze gezinnen zou morgen de vader en kostwinner wegtrekken, de hemel weet welke toekomst tegemoet. De vrouwen en kinderen zouden achterblijven in hulpbehoevenden toestand.

Dit berichtte de socialistische krant Het Volk op 1 augustus, de dag dat Nederland mobiliseerde. De achtergebleven gezinnen kwamen zonder kostwinner te zitten. De soldij was minimaal: een soldaat ontving slechts veertien cent per dag, terwijl een arbeider gemiddeld ongeveer een gulden per dag verdiende.[1] De weekhuur voor een gemiddelde gezinswoning was vaak al ƒ2,50.[2] Met dat karige bedrag kon een soldaat zijn gezin nauwelijks onderhouden.

Vergoeding kostwinnerschap

Al snel kondigden gemeenten aan dat de lonen van dienstplichtigen doorbetaald zouden worden aan hun gezinnen, met aftrek van het bedrag van hun soldij. Niet alleen officiële instanties probeerden de achtergebleven gezinnen te ondersteunen. Veel bedrijven verstrekten gezinnen een vergoeding, die gemiddeld rond de gulden per dag lag. Zo keerde de cacaofabriek Kwatta haar gemobiliseerde personeel elke week vijf gulden uit ten behoeve van hun gezinnen. Ook de Koninklijke Nederlandse fabriek van Muziekinstrumenten M.J.H. Kessels te Tilburg keerde een bedrag uit aan de gemobiliseerde mannen, gefinancierd uit het ondersteunings- en ziekenfonds van de fabriek. De bedrijven en vakbonden bekostigden de toelagen verder door het organiseren van inzamelingsacties, de halvering van lonen of in de vorm van een lening. Voor de gezinnen was het met de stijgende huren en prijzen al met al geen vetpot.

Solidariteit

Om het geld bij elkaar te sprokkelen werd veelal een beroep gedaan op de medewerking van collega’s of werkgevers. Er werden niet alleen inzamelingsacties gehouden. In het Rotterdamsch Nieuwsblad van 10 augustus deed het bakkerslooncomité een verzoek aan werkgevers om naast het verschaffen van een vergoeding, ook arbeiders te ondersteunen die doordat er minder werk was ontslagen zouden kunnen worden. Ze prezen het initiatief van een bedrijf dat in plaats van haar werknemers te ontslaan, de lonen tijdelijk halveerde. Later zouden zij het misgelopen geld weer uitbetaald krijgen. Als er minder werk beschikbaar was lieten bedrijven twee werknemers het werk van één doen of minder uren draaien om werknemers in dienst te houden. De ondernemers verwachtten net als de meeste Nederlanders dat de oorlog snel voorbij zou zijn en dat de werknemers weer spoedig aan het werk konden.

Rotterdamsch Nieuwsblad, 10 augustus 1914

Uit: Rotterdamsch Nieuwsblad, 10 augustus 1914

Het Koninklijk Nationaal Steuncomité

Koningin Wilhelmina maakte zich zorgen om ongelijke behandeling door de verschillende lokale organisaties. Op haar initiatief riep minister Treub op 10 augustus 1914 het Koninklijk Nationaal Steuncomité in leven. Dit comité vormde een landelijk orgaan voor de lokale initiatieven. Gemeenten die nog geen comité hadden gevormd, werden aangemoedigd dit te doen.
Het was opgericht om mensen die door oorlogsomstandigheden werkloos waren geworden ondersteuning te bieden in de vorm van uitkeringen, voedsel of kleding. De vergoeding voor kostwinnerschap werd nog uitgekeerd door de gemeenten, maar het comité stelde de hoogte ervan vast en de andere voorwaarden. Koningin Wilhelmina was erevoorzitter, minister Treub fungeerde als voorzitter, verder maakten vertegenwoordigers van verschillende vakbonden en raden zoals de Werkloosheidsraad en Nederlandse Tuinbouwraad deel uit van het comité. Het Koninklijk Nationaal Steuncomité werd pas in 1919 opgeheven.

Financiering van het Steuncomité

Het Nationaal Steuncomité ontving na de officiële oprichting een groot aantal giften. Er werden hoge bedragen gedoneerd door Koningin Wilhelmina en grote bedrijven. Ook uit het buitenland kwamen giften. Zoals een bijdrage van de Nederlandsche Gereformeerde Gemeenten in Noord-Amerika, wat volgens De Telegraaf liet zien dat ‘onze stamgenooten in verre landen in deze benarde tijden meeleven met hun moederland’. Naarmate de oorlog voortduurde begon het aantal binnen- en buitenlandse giften af te nemen, waardoor de rol van de overheid als financier van het Steuncomité belangrijker werd. Een andere kwestie was dat de plaatselijke comités hun controlerende taak niet goed uitvoerden. Zonder te bekijken of er een arbeidsplaats voorhanden was, werd de uitkering al aan een werkloze verstrekt.

Andere ontwikkelingen

Door het uitbreken van de oorlog kregen veel bedrijven in Nederland een grote klap. De oorlog gooide de economie en de arbeidsmarkt behoorlijk overhoop. In 1916 leefde de economie weer in redelijk mate op, waardoor er meer banen kwamen. In dat jaar werden zelfs arbeidsbeurzen voor vrouwen opgericht.
Toen de handel en voedselvoorziening echt een probleem werd in 1917 ontstonden in Nederland noodgedwongen nieuwe industrieën om in de behoefte te kunnen voorzien. Zo kwam er een surrogaatindustrie tot stand, omdat bijvoorbeeld de import van koloniale waren wegviel. Surrogaatthee en –koffie kwamen op tafel. Ook werd de mijnbouw in Limburg nieuw leven ingeblazen. Voor die tijd werden er vooral buitenlandse kolen gebruikt, meestal uit Duitsland. Het zou nog jaren duren voordat de arbeidsmarkt stabiliseerde.

Voetnoten

[1] Buiten Schot / P. Moeyes. - Amsterdam, 2014, pag. 135
[2] Moeyes, pag. 176