WO I: Studenten tijdens de Eerste Wereldoorlog

Hoe beleefden universiteiten en studenten de Eerste Wereldoorlog? Hadden ze last van de mobilisatie? Of gingen ze gewoon door met hun ‘losbandig leven’? En waren ze maatschappelijk betrokken als het ging om vluchtelingen? In Delpher vinden we een aantal antwoorden op deze vragen.

De geschiedenis leert integendeel hoe in dagen van nood, als de ure des gevaars gekomen is, het vaderland op zijn studenten rekenen kan; voor de handhaving van Holland’s eer is studentenbloed gestort.

Dit zijn woorden van P.A. Diepenhorst (1879-1953), destijds hoogleraar aan de juridische faculteit van de Vrije Universiteit te Amsterdam. In 1915 publiceerde hij het boekje Elke student soldaat – ook de theoloog. Hij beschrijft hoe studenten in het hoger onderwijs zich vanaf de negentiende eeuw tot en met 1915 inzetten voor de verdediging van Nederland. Hoewel het citaat de (positieve) indruk wekt dat studenten altijd klaar stonden, was Diepenhorst ook kritisch. Hij schrijft dat de losbandige studenten, voor wie dag en nacht vaak omgekeerd was, regelmatig botsten met de gedisciplineerde militairen. De persoonlijke dienstplicht (zie ook: WOI: De Nederlandse krijgsmacht vóór 1914) zorgde ervoor dat tijdens de Eerste Wereldoorlog veel studenten gemobiliseerd werden. Hoe gingen studenten en universiteiten om met de mobilisatie en andere gevolgen van de oorlog?

Toen en nu: studeren in cijfers

Aan het begin van de twintigste eeuw had Nederland zeven hogeronderwijsinstellingen. Die telden rond 1914 tussen de 4500 en de 5000 studenten. Dit was nog geen procent van de destijds ruim 6 miljoen inwoners van Nederland. Volgens het Statistisch jaarboek 2014 van het Centraal Bureau voor de Statistiek staan er tegenwoordig zo’n 700.000 studenten ingeschreven bij een hogeschool of universiteit. Dit is ruim vier procent van de Nederlandse bevolking. Verder volgen tegenwoordig meer vrouwen dan mannen hoger onderwijs. Heel anders dan in de tijd van de Eerste Wereldoorlog, toen studeren vooral voor de mannelijke elite was weggelegd.

Studenten in Nederland 1914

Studenten vormden een kleine groep in de Nederlandse samenleving in de eerste decennia van de twintigste eeuw. Waar bevonden ze zich? Het grootste aantal studeerde in Amsterdam. De Universiteit van Amsterdam en de Vrije Universiteit van Abraham Kuyper hadden in het studiejaar 1914/1915 samen ongeveer 1500 ingeschrevenen.

Op een gedeelde tweede plek stonden de Rijksuniversiteiten van Leiden en Utrecht met ieder ruim 1100 studenten. De Technische Hogeschool in Delft telde in 1914/1915 zo’n 1000 studenten. Hierbij moet de kanttekening worden geplaatst dat er volgens Het Centrum het jaar daarvoor meer dan 1500 inschrijvingen waren. In januari 1916 blikte het bestuur van de hogeschool terug en constateerde volgens Het Centrum (8 januari 1916) dat de Delftse Hogeschool ernstig getroffen was door de mobilisatie.

Studentenverenigingen en de oorlog

De oorlog beïnvloedde de gang van zaken bij de studentenverenigingen. In 1915 stond in de almanak van de ‘Delftschen Studentenbond’ dat ‘Bijna veertig leden, dus een derde van het totaal’ gemobiliseerd waren ‘om Neêrland’s neutraliteit te helpen verzekeren’. Hierdoor moest de begroting worden aangepast en gingen plannen om de bibliotheek en de kroeg uit te breiden in de vriezer.

Festiviteiten leden ook onder de oorlog. Het Algemeen Handelsblad (27 januari 1915) meldde dat de ‘Vereen. van Vrouwelijke Studenten te Leiden’ haar derde lustrum zonder ‘uiterlijk vertoon’ vierde. De viering van het 57e lustrum van de Universiteit van Amsterdam door het ‘Amsterdamsch Studenten Corps’ was volgens De Tijd van mei 1917 minder uitbundig dan anders.

Verder hadden de besturen van alle Corpsverenigingen al in augustus 1914 besloten dat de introductieperiode voor nieuwe studenten aan te passen. Omdat ‘een gewone groentijd met uiterlijke kenteekenen en normalen duur, niet zou rijmen met de tijdsomstandigheden’. Het Groningse Vindicat besloot om de groentijd te verkorten tot een week en het een ‘verplichte kennismaking op voet van ongelijkheid’ te noemen. Kortom, het verenigingsleven werd wel door de oorlog beïnvloed, maar kwam niet stil te liggen.

Opvang van Belgische studenten

Naast mobilisatie van leden, meer ingetogen feesten en andere overkomelijke ongemakken, kregen de Nederlandse studenten met oorlogsvluchtelingen te maken. Honderdduizenden Belgen staken na de Duitse inval de Nederlandse grens over (zie ook: WOI: Belgische vluchtelingen overspoelen onze grensgebieden). Onder hen bevond zich een handjevol studenten en hoogleraren.

De Utrechtse ‘Studenten-Afdeeling’ van het ‘Algemeen Nederlandsch Verbond’, een literair samenwerkingsverband tussen Nederland en Vlaanderen, probeerde de belangen van deze specifieke groep vluchtelingen te behartigen. In het Jaarverslag 1914-1915 van deze afdeling stonden de twee voornaamste doelen van het verbond opgenomen: ten eerste moesten de Belgische (zowel Vlaamse als Waalse) studenten kosteloos toegang tot het hoger onderwijs krijgen, zodat ze hun studie konden voortzetten. Ten tweede moest voor hen huisvesting geregeld worden.

Belgische Universiteitje te Amersfoort

De 'Belgische Universiteit' te Amersfoort, uit: Tilburgsche Courant, 20 juni 1915

Op 22 december 1915 gaf premier Cort van der Linden toestemming aan de Belgische studenten om kosteloos colleges te volgen. Wat de huisvesting betreft was de oplossing minder eenvoudig. Men probeerde de studenten onder te brengen in gastgezinnen. Een aantal Leuvense studenten werd opgevangen in Rooms-Katholieke gestichten. Anderen bleven echter aangewezen op een verblijf in vluchtelingenkampen.

Voor de geïnterneerde studenten die Nederland als militair waren binnengekomen bracht het Verbond een bibliotheek met wetenschappelijke werken bijeen. Hier was geen geld voor, dus was het afhankelijk van giften van onderwijsinstellingen, uitgeverijen en particulieren. Via de kranten probeerde het verbond deze potentiële schenkers te bereiken. Zo stond er in november 1914 een oproep in het Algemeen Handelsblad.

De hulp aan vluchtelingstudenten leek vlot op gang te komen. Al in de eerste oorlogsmaanden waren er veel initiatieven om hen te voorzien van studieplekken en -materiaal. In Utrecht deden de studentenverenigingen Veritas en Unitas S.R. hun best om de Belgen van dienst te zijn met lezingen en bijeenkomsten. Een kritische noot van het verbond was gericht aan het adres van de Nederlandse Corpsverenigingen, waarvan de leden op verschillende momenten desinteresse toonden in de Belgische studenten.

Ook theologiestudenten dienstplichtig?

Veeleer leert de geschiedenis hoe in fel bewogen tijden, die ook het studenten-kamp beroeren, de theologen vooraanstaan en de leiding oefenen; voor de zaak des vaderlands hebben zij juist veelvuldig het zwaard aangegord.

De theologische faculteiten hadden een belangrijke functie in het verzuilde Nederland van de vroege twintigste eeuw. Daar werden jongemannen onderwezen in de godgeleerdheid en opgeleid tot predikant. Met het uitbreken van de oorlog kwam de discussie op gang of (aanstaande) theologen wel of niet dienstplichtig waren.

Uit de kranten bleek dat de meningen hierover zeer verdeeld waren. Groningse theologiestudenten waren fel gekant tegen de dienstplicht voor theologen. De Telegraaf (12 juli 1915) schreef dat zij ‘Christendom en oorlog als een volstrekt onverzoenlike tegenstelling’ zagen.

Studenten in de oorlogsjaren

Voor studenten waren de oorlogsjaren een roerige tijd. Op allerlei manieren kregen ze te maken met de gevolgen van de Eerste Wereldoorlog. Dit leidde tot steun aan vluchtelingstudenten, meer ingetogen feesten, (on)vrijwillige mobilisatie en (theologische) discussies over de betekenis van de oorlog. Toch waren al deze gebeurtenissen overkomelijk en op die manier werden ze ook beschreven in verschillende jaarverslagen. In januari 1916 werd in de almanak van het ‘Amsterdamsch Studenten Corps’ de mobilisatie van leden kort beschreven als een ‘oorlogs-symptoom’ dat ‘door een gezond egoïsme een volgend jaar […] mogen verdwenen zijn!’. De echte moeilijkheden voor het studentenleven kwamen pas in de jaren 1917 en 1918, toen de kassen van de verenigingen leegraakten en de prijzen in Nederland stegen.

Verder lezen