WO I: Voedseldistributie en volksoproer

Na twee jaar oorlog ontstond in Nederland voedselschaarste. Door de zeeblokkade van de Britten en de aanvallen van Duitse duikboten op Nederlandse schepen, daalde de import van belangrijke levensmiddelen aanzienlijk. Hoe ging de Nederlandse regering hiermee om? En wat was de reactie van de bevolking? De kranten uit Delpher vertellen het verhaal.

1914: stormloop op levensmiddelen

Meteen na het uitbreken van de oorlog ontstonden problemen met de voedselvoorziening. In de eerste weken van augustus sloeg de paniek onder de bevolking toe en men begon massaal levensmiddelen in te slaan. Om te voorkomen dat die op zouden raken en de winkeliers de prijzen gingen opdrijven, werd in augustus 1914 de Levensmiddelenwet van kracht. In deze wet kregen burgemeesters de bevoegdheid om beslag te leggen op goederen en die tegen maximumprijzen ter beschikking te stellen aan de bevolking:

Gemeenten maakten gebruik van deze bevoegdheden door grote voorraden rogge en tarwe in beslag te nemen. Veel gemeenten besloten om het bakken van witbrood te verbieden, omdat daar meer tarwe voor nodig was dan voor bruinbrood. Dat besluit viel bij veel burgers verkeerd. Naast de aardappel was witbrood een belangrijk onderdeel van het traditionele Nederlandse volksdieet. Na een aantal weken keerde de rust terug en begonnen de prijzen van de levensmiddelen te dalen; de wet had effect gehad.

‘Wie Nederland afsluit van de zee, ontneemt het zijn levens- en liefdesbron’

De Levensmiddelenwet had in 1914 tijdelijk orde op zaken gesteld, maar in de loop van de oorlog ontstonden opnieuw problemen met de voedselvoorziening. De aanvoer over zee werd steeds minder. Nederland importeerde onder meer 90% van zijn graan uit de Verenigde Staten en de enige mogelijkheid om dat graan hierheen te transporteren was per schip. De Britten hadden al in het begin van de oorlog een zeeblokkade ingesteld om de scheepvaart en de aanvoer van levensmiddelen naar Duitsland te beperken. Deze maatregelen raakten ook Nederland: ‘Wie Nederland afsluit van de zee, ontneemt het zijn levens- en liefdesbron’, schreef de Nederlandse journalist en letterkundige P.H. Ritter in zijn verslag over de oorlog De Donkere Poort (1931, p. 358).

Nederlandse schepen aan de ketting

De Britten hadden in 1914 een lijst opgesteld van goederen die zij als contrabande aanmerkten, omdat ze gebruikt konden worden voor de Duitse oorlogsmachine. In 1916 verscherpten zij de maatregelen en kwamen allerlei levensmiddelen op de lijst van verboden producten. Schepen die deze goederen vervoerden, werden aangehouden of in beslag genomen. In juli 1916 hielden de Britten 15 Nederlandse graanschepen vast. Op 23 augustus berichtte het Algemeen Handelsblad over 32 Nederlandse graanschepen die aan de ketting lagen in Britse havens.

1915: op zee van twee kanten bedreigd

Begin februari 1915 was Duitsland een duikbotenoorlog begonnen tegen schepen die onder vijandige vlag voeren. Ook neutrale schepen liepen gevaar. Die duikbotenoorlog was het antwoord op de Britse blokkade met oorlogsschepen en uitgestrekte mijnenvelden. In de loop van 1916 werden twaalf Nederlandse koopvaardijschepen door Duitse duikboten de grond in geboord: ’Het scheen wel, of de oorlog niet tegen Engeland, maar tegen ons was gericht’, aldus P.H. Ritter (De Donkere Poort, p. 405).

Nederland door Engeland en Duitschland

Nederland door Engeland en Duitschland van het wereldverkeer afgesloten, tekening van Johan Braakensiek uit: Het geheugen van Nederland

Nu werden de Nederlandse schepen van twee kanten bedreigd. Het in- en uitgaande scheepverkeer nam sterk af en daarmee de import van levensmiddelen.

Van wit- naar bruinbrood

De situatie in Nederland werd steeds nijpender. Een ingezonden brief van 20 juni 2016 uit het Rotterdamsch Nieuwsblad illustreerde dat: ‘Men kan heden ten dage geen courant of schrift ter hand nemen of men leest van deze of gene schaarschte’. Het voedsel werd schaarser, de prijzen stegen snel en de clandestiene handel nam toe. Vooral de tarwe- en meelvoorraden werden snel minder. Daarom besloot Folkert Posthuma, de Minister van Landbouw, Handel en Nijverheid in het voorjaar van 1916 om witbrood door bruinbrood te vervangen, zoals eerder al in veel Nederlandse gemeentes was gebeurd. En wederom werd dit niet met gejuich ontvangen:

Geen wittebrood

Geen wittebrood, tekening van Johan Braakensiek uit: Het geheugen van Nederland

Nederlanders hielden niet van bruinbrood; het smaakte niet, zou voor gezondheidsproblemen zorgen en van slechte kwaliteit zijn. Vanuit socialistische hoek kwam er veel kritiek. Het communistische weekblad de Tribune schreef dat voor het zware werk dat arbeiders moesten verrichten ‘dat beroerde bruinbrood’ ontoereikend was:

De regering trekt de teugels strakker aan

Begin juni zwichtte Posthuma voor de kritiek en hij trok de bruinbroodmaatregel in. De bevolking had haar zin gekregen, maar nieuwe maatregelen lieten niet lang op zich wachten. Op 15 mei sprak de Middelburgsche Courant al over ‘dreigende schaarste’ en ‘sombere vooruitzichten’. In de zomer van 1916 werd de situatie met de voedselvoorraden zo kritiek dat Posthuma een nieuw wetsontwerp indiende: de Distributiewet van augustus 1916:

De Distributiewet: nieuwe taakverdeling

Voorheen regelden gemeenten en plaatselijke comités de voedseldistributie, maar doordat een wirwar van organisaties zich er mee bezighield was het een chaos geworden. Door de Distributiewet kreeg minister Posthuma meer bevoegdheden om de verdeling van levensmiddelen centraal te regelen. Voortaan bepaalde de minister welke goederen en levensmiddelen voor distributie werden aangemerkt. En hij stelde de prijzen vast. De verschillen tussen de markt- en de maximumprijs werden voor negentig procent door de overheid vergoed. Gemeenten hielden een een belangrijke taak. Zij moesten doorgeven hoeveel goederen, brandstoffen en levensmiddelen er nodig waren en distribueerden die onder de inwoners.

Politiek gesteggel rond de Distributiewet

De Distributiewet kwam niet zonder slag of stoot tot stand. Toen Posthuma zijn wetsontwerp voorlegde aan de Tweede Kamer barstte een storm van kritiek los. Kamerleden zetten hun vraagtekens bij het budget van twintig miljoen dat Posthuma voor de distributie ter beschikking stelde. Zou dat wel genoeg zijn? Hoe lang zou de oorlog nog duren? Ook werd er scherpe kritiek geuit op de verregaande bevoegdheden van minister Posthuma. Liberaal Kamerlid H.P. Marchant vroeg zich af of dat dit een eerste stap was naar een ‘communistisch ingerichte maatschappij’, waarbij de minister bepaalde wat er verbouwd werd en tegen welke prijs het werd verkocht (Uit: Staten-Generaal Digitaal). Een ander punt van kritiek was dat het distributiesysteem veel eerder had moeten zijn ingevoerd., omdat de problemen al langer speelden. Uiteindelijk werd de wet aangenomen en op 19 augustus 1916 ingevoerd.

Bevolking ontevreden over de distributie

De bevolking ondervond meteen de gevolgen van de Distributiewet: veel levensmiddelen gingen op de bon, rantsoenen werden teruggeschroefd en de kwaliteit van het voedsel ging achteruit. Er ontstond een groot tekort aan aardappelen in Nederland. Vreemd genoeg werden er tegelijkertijd aardappelen geëxporteerd naar Duitsland. Dat was nodig om uit Duitsland brandstof te kunnen importeren, want Nederland kampte met een ernstig tekort aan brandstoffen. De regering stond voor een dilemma: aardappelen of brandstof? Uiteindelijk achtte zij het beschikken over voldoende brandstof belangrijker. Het was voor veel Nederlanders moeilijk te verteren dat er genoeg aardappelen verbouwd werden, maar dat deze vrijwel allemaal werden uitgevoerd in ruil voor Duitse kolen.

1917: de bom barst

In de zomer van 1917 was de maat vol. Wie aan Nederlands heilige aardappel komt, jaagt de bevolking tegen zich in het harnas. Volgens De Tijd (4 juli 1917) leek het erop of ‘alle kwade hartstochten in Amsterdam zijn opgewekt en tot uitbarsting komen’. Eind juni 1917 probeerden een aantal Amsterdamse huisvrouwen aardappels te stelen die voor militairen bestemd waren. In de dagen daarna bleef het onrustig in de hoofdstad en braken er verschillende relletjes uit. Het leger moest eraan te pas komen om de orde te herstellen. Uiteindelijk vielen er negen doden en 114 gewonden.

Aardappeloproer in Amsterdam

Aardappeloproer in Amsterdam, uit: Het geheugen van Nederland.

De onvrede over de voedseldistributie richtte zich met name op minister Posthuma, die verantwoordelijk was voor de maatregel.

Spotprent op Posthuma

Uit: Nederland in de oorlogstijd, 1920

Problemen met de uitvoering

Niet alleen de bevolking, ook de gemeenten hadden problemen met de Distributiewet. Hoewel de gemeente maar 10 procent van het verschil tussen de markt- en de maximumprijs van de levensmiddelen voor haar rekening hoefde te nemen, vormde dit een kostenpost die sommige gemeenten niet konden opbrengen. Er heerste ook veel verwarring over de uitvoering, doordat verschillende maatregelen van de minister in strijd met elkaar waren. De Telegraaf sprak op 8 oktober 1916 over ‘chaos’ en stelde dat de burgemeesters voor een vrijwel onmogelijke taak stonden om de wet uit te voeren:

Het einde van de problemen?

Posthuma’s Distributiewet zorgde ervoor dat de voedselvoorziening enigszins op peil bleef en dat ook de allerarmsten te eten hadden. Toch was het volk niet tevreden: steeds meer levensmiddelen gingen op de bon, de kwaliteit van het voedsel was meestal slecht en de rantsoenen werden verder teruggeschroefd.

De zich voortslepende oorlog bracht telkens nieuwe problemen: Engelands zeeblokkade werd strenger en de Duitse duikbotenoorlog feller. Daardoor begonnen naast de aardappel ook andere belangrijke voedingsmiddelen in een rap tempo schaarser te worden, zoals koffie, thee en brood. En de uitvoering van de Distributiewet verliep allesbehalve soepel. De kosten bleken hoog en er was gebrekkige communicatie tussen de minister en gemeenten.

Zonder de Distributiewet zou de voedselvoorziening ongetwijfeld rampzaliger zijn verlopen, maar door de voortdurende oorlog en de problemen met de uitvoering van de wet stond de regering telkens voor nieuwe moeilijkheden. Posthuma en de Distributiewet werden daardoor de kop van Jut voor een lijdende bevolking.

Meer lezen over de Eerste Wereldoorlog

Zie de indexpagina van onze artikelenreeks Nederland en de Eerste Wereldoorlog.