WO I: Vrouwen aan het werk

In veel Europese landen namen vrouwen tijdens de oorlog het werk over van de miljoenen mannen die onder de wapenen waren geroepen. In het neutrale Nederland gingen tussen 1914 en 1918 ook meer vrouwen aan de slag met traditioneel ‘mannenwerk’. Hoe beïnvloedde dat de vrouwenemancipatie in Nederland?

Voorgeschiedenis

Al voor de Eerste Wereldoorlog was het normaal dat vrouwen meewerkten op het land of in een bedrijf. Ongehuwden werden dienstmeid, strijkster of naaister. Veel vrouwen uit de arbeidersklasse werkten in fabrieken. Dat fabriekswerk was in veel gevallen teruggebracht tot het verrichten van simpele handelingen. Daardoor konden nauwelijks of ongeschoolde werknemers - onder wie vrouwen - machines bedienen. Wanneer een vrouw trouwde stopte ze normaal gesproken met werken om voor haar gezin te zorgen.

Vrouwen en liefdadigheid

Toen in de zomer van 1914 de Eerste Wereldoorlog uitbrak, werden vrouwen uit de midden- en hogere klasse geacht zich bezig te houden met het welzijn van de soldaten. Ze gingen kleding breien voor de gemobiliseerde mannen, armlastigen helpen, entertainment voor soldaten verzorgen en eventuele gewonden verplegen. Dat was niet heel anders dan wat ze voor de oorlog deden. Ze richtten zich alleen nu op de gemobiliseerden en degenen die vanwege de oorlog naar Nederland waren gekomen, zoals vluchtelingen of geïnterneerde dan wel gedeserteerde soldaten.

Vrouwen in de fabrieken

In de oorlogvoerende landen gingen duizenden vrouwen aan de slag in de wapenindustrie. De oorlog duurde langer dan verwacht en eiste veel slachtoffers. Daardoor raakten meer mannen bij het oorlogsbedrijf betrokken. De vraag naar wapens en munitie bleef groot. Bij het Duitse staal- en wapenconcern Krupp werkten aan het eind van 1914 ongeveer duizend arbeidsters (De socialistische gids, 1 juni 1916). Op 1 april 1916 waren dit er dertienduizend. Er werkten zelfs meer vrouwen dan mannen. In Engeland zouden op een gegeven moment één miljoen meer vrouwen in fabrieken werken dan voor de oorlog.

Mannenwerk door vrouwen

Vrouwen doken steeds vaker op in functies die voorheen alleen door mannen werden vervuld. Ze werkten bij de spoorwegen (Nieuwe Tilburgsche Courant, 14 juli 1916) bij de brandweer, in kolenmijnen, in de landbouw of als bestuurders van bussen, trams en vrachtwagens. Geschoolde burgervrouwen vervingen mannen op kantoor als typiste of secretaresse of werkten als verpleegster bij het Rode Kruis. Ze werkten achter het front als verpleegster, chauffeur, kokkin, tuinier op de kerkhoven of bij de communicatiediensten. In Rusland verscheen zelfs een vrouwenkorps in de loopgraven, het zogeheten ‘bataljon des doods’.

Telegraaf, 15 juni 1915

Alleen stevig gebouwde vrouwen kwamen voor de functie van ‘deurensluiter’ in aanmerking. Uit: De Telegraaf, 15 juni 1915

Tijdelijke dienstverbanden

Er rezen bezwaren tegen die betaalde vrouwenarbeid. In Groot-Brittannië protesteerden vooral de vakbondsmannen. Zij vreesden dat vrouwen de banen van mannen zouden innemen of dat werkgevers liever vrouwen zouden aannemen, omdat die goedkoper waren. Na lang onderhandelen kwam men tot overeenstemming welke taken vrouwen tijdelijk mochten vervullen. Daarbij werd afgesproken dat vrouwen na de oorlog weer makkelijk ontslagen konden worden.

Positieve reacties

De Nieuwe Tilburgsche Courant (2 februari 1916) plaatste een bericht over vrouwen in Londen die werkten in wapenfabrieken. Werkgevers daar waren zeer positief over hun inzet, want ze werkten goed samen met mannen en bleken ‘zeer bedreven in het fijnere werk’. Hierdoor steeg de productie in sommige gevallen vijfvoudig:

De meest optimistische verwachtingen zijn nog overtroffen. (…) De opvatting neemt dan ook in technische kringen toe, dat het gewenscht is op grooter schaal van vrouwenarbeid gebruik te maken.

Ook uit Duitsland kwamen positieve berichten. Vrouwen bleken goed om te kunnen gaan met explosieven en voerden snel kwaliteitscontroles uit (Het volk, 30 oktober 1916).

'Vrouwen missen mannelijk gezag'

Niet iedereen zag vrouwen als geschikte werknemers. In de Sumatrapost (14 juli 1916) stond een ingezonden brief van een correspondent uit Berlijn, die klaagde over vrouwen die als conductrice fungeerden. Zij misten het mannelijke gezag, waren onvriendelijk tegen vrouwelijke passagiers en schenen vaak te vergeten waarmee ze bezig waren als het druk werd. De vrouw was volgens de schrijver ‘veel afhankelijker dan haar mannelijke collega van de eerlijkheid van het publiek, zij mist zijn tegenwoordigheid van geest, raakt nog al te gemakkelijk overstelpt.’ Deze criticaster geloofde niet dat vrouwen na de oorlog in dienst zouden blijven.

Reacties in Nederland

In Nederland werd vol verbazing geschreven over de werkende vrouwen in het buitenland. In het populaire tijdschrift Panorama (26 juli 1915) stond een artikel over vrouwelijke werkkrachten in de Engelse tuinbouw. De redactie was zeer enthousiast en verrast dat de vrouw ‘niks van haar natuurlijke bekoorlijkheid’ was verloren.

Nietwaar, wij gunden de vrouw thans ook wel een 'baantje'. Zij moest toch, als zij ongetrouwd bleef, in haar eigen onderhoud kunnen voorzien, maar dat zij thans nu letterlijk den man in alle opzichten vervangt, dat… dat hadden zelfs de verwoedste voorvechters der emancipatie niet durven dróómen. (…) Hoe hadden wij zooiets met ons mannen-geweten en onze mannen-eer in overeenstemming kunnen brengen! En thans? Wel, men is ze eenvoudig dankbaar dat zij bereid zijn de taak der mannen over te nemen. En na den oorlog? Ach, wie weet.

Vrouwen in Nederland

In het WO I-artikel ‘WO I: Steun en hulp in moeilijke dagen’ kwamen de gevolgen van de Nederlandse mobilisatie van 200.000 mannen voor de werkgelegenheid aan de orde. Een aantal vrouwen had vrijwillig aangeboden om het werk van de mannen over te nemen en zo de economie draaiende te houden, andere gingen noodgedwongen aan de slag door het vertrek van de kostwinner van het gezin.

Vrouwen in Nederlandse fabrieken

De Britse en Duitse economische oorlogvoering belemmerde ook de Nederlandse handel (zie ook: WO I: Voedseldistributie en volksoproer. Daardoor werden levensmiddelen duurder en moesten vervangende producten (surrogaten) gefabriceerd worden. In mei 1916 werkten volgens een onderzoek van het Centraal Bureau voor de Statistiek 3209 meisjes en 5051 vrouwen meer in de Nederlandse fabrieken dan twee jaar daarvoor.

Omdat in de oorlogvoerende landen vrouwen massaal in de oorlogsindustrie aan het werk gingen, nam daar het aantal in de textielsector werkzame vrouwen verhoudingsgewijs af. In Nederland steeg het aantal werkneemsters in de ‘vrouwelijke’ bedrijven, te weten de confectie-, gloeilampen- en textielfabrieken.

De 'urgentieraden' organiseren cursussen

Op 13 april 1916 besloot de Nederlandse Nationale Vrouwenraad om plaatselijke urgentieraden in te stellen (Algemeen Handelsblad, 29 juni 1916). Zo’n urgentieraad hielp vrouwen ‘die zich voor arbeid tijdens de mobilisatie ter tijdelijke vervanging van in dienst zijnde mannen willen beschikbaar stel[l]en.’ De urgentieraden gingen cursussen organiseren die opleidden voor verpleegster bij het Rode Kruis of secretaresse. Daardoor steeg de arbeidsparticipatie van vrouwen en het opleidingsniveau. Mede dankzij de urgentieraden kregen burgervrouwen in Nederland dezelfde functies als veel vrouwen in de oorlogslanden. Zij werkten op kantoor als typiste, secretaresse of ‘(hulp)brievenbestelster’. In Alkmaar, Den Haag en Utrecht gingen vrouwen aan het werk als tramconductrice (Leeuwarder Courant, 27 februari 1917).

Tilburgsche Courant, 6 mei 1917

De Urgentieraad leidde tramconductrices op; uit: Tilburgsche Courant, 6 mei 1917

1917 en 1918: vermindering van werkneemsters in fabrieken

In de loop van 1917 nam door de geïntensiveerde Duitse duikbotenoorlog het scheepverkeer over zee af. Bedrijven moesten sluiten door schaarste aan grondstoffen. Als gevolg daarvan verminderde het aantal werkneemsters in de fabrieken weer. Na de wapenstilstand van november 1918 werd gespeculeerd hoe het vrouwen zou vergaan. Velen gingen ervan uit dat vrouwen na de oorlog hun nieuw verworven positie zouden opgeven en hun traditionele taak zouden oppakken: voor het huisgezin zorgen. Veel vrouwen stopten inderdaad met werken om plaats te maken voor de gedemobiliseerde mannen. Toch was er iets veranderd: vrouwen hadden aangetoond tot meer in staat te zijn dan algemeen werd gedacht.

Steun voor het vrouwenkiesrecht

Als werkende vrouwen volwaardig bijdragen aan de samenleving, moeten ze ook kunnen meebeslissen over het landsbestuur. Lang voor en tijdens de oorlog vond deze opvatting weerklank onder een steeds grotere groep Nederlanders. Door voor zichzelf te zorgen, zonder hulp van anderen, waren vrouwen volgens voorvechters van de emancipatie ‘materieel en moreel vrij’ geworden. ‘En met dit feit zullen in de toekomst onze zeden en wetten rekening moeten houden,’ aldus de secretaresse van het Franse Conseil National des Femmes in De Telegraaf (17 januari 1917). Ook de Economische Bond, waarvan minister Treub voorzitter was, sprak zich uit voor het algemeen vrouwenkiesrecht.

Middelburgsche Courant, 17 juni 1918

Kennisgeving van de Economische Bond, uit: Middelburgsche Courant, 17 juni 1918

Passief vrouwenkiesrecht: de grondwetswijziging van 1917

In 1919 werd in Nederland het vrouwenkiesrecht ingevoerd. In 1915 was hiertoe een motie ingediend in de Tweede Kamer. Het vrouwenkiesrecht kreeg steun van vrouwenverenigingen en socialisten, maar de confessionele partijen hadden ernstige bezwaren. Hun grootste bezwaar was dat vrouwen ‘weggelokt’ zouden worden van hun ‘zedelijke taak’: de zorg voor het gezin. Het kabinet Cort van der Linden wilde deze kwestie oplossen door eerst passief kiesrecht voor vrouwen in te voeren en tegelijkertijd de financiële gelijkstelling van het bijzonder onderwijs aan het openbaar onderwijs te regelen. Dat laatste was een langgekoesterde wens van de confessionele partijen. Uiteindelijk konden zij zich verenigen met een passief vrouwenkiesrecht. De grondwetswijziging hiertoe werd op 12 december 1917 goedgekeurd.

Verder lezen