WO I: Zeevisserij aan het begin van de Eerste Wereldoorlog

Toen begin augustus 1914 de Eerste Wereldoorlog was uitgebroken en op het Europese vasteland de enorme legers ten strijde trokken, begon ook de oorlog ter zee. Nederland had zich uitdrukkelijk neutraal verklaard en de oorlogvoerende landen hadden toegezegd die neutraliteit te respecteren. Toch keerde het overgrote deel van de Nederlandse vissersvloot snel terug naar veilige havens toen de berichten over de oorlogsdreiging binnenkwamen. Het zou enkele weken duren voordat het verantwoord leek het er weer op te wagen.

De Nederlandse zeevisserij

Tegen het eind van de negentiende eeuw hadden nieuwe methoden en betere schepen de resultaten van de visvangst flink doen toenemen. Door die modernisering was de visserij een bloeiende bedrijfstak geworden, waarin op zee en aan de wal zo’n 15.000 mensen werk hadden. Ca. achthonderd vissersschepen maakten de Nederlandse vissersvloot uit. IJmuiden gold als de belangrijkste vissershaven, naast visserssteden als Vlaardingen, Scheveningen, Maassluis en Katwijk.

De internationale situatie

Door allerlei internationale verdragen had het zeerecht vorm gekregen in de loop van de negentiende eeuw. Nog in 1908 was in Londen een Zeerechtconferentie gehouden. Een van de uitkomsten daarvan was dat bij oorlog de scheepvaart van neutrale landen gevrijwaard zou zijn van agressie door de oorlogvoerende landen. Kort samengevat ‘vrij schip, vrij goed’. De theorie was eenvoudig genoeg, maar de praktijk bleek toch heel anders. Nederland, vanouds een handelsnatie, dreef veel handel met Duitsland en met Engeland, die vanaf augustus 1914 met elkaar in oorlog waren. Nederland kreeg met hun economische oorlogvoering te maken.

De praktijk van de oorlog

Die oorlogvoering strekte zich uit tot het blokkeren of letterlijk torpederen van elkaars invoer, vooral van goederen die van belang waren voor de oorlogvoering. Dat betrof staal, andere grondstoffen voor de wapenindustrie, textiel (voor uniformen) en uiteraard voedingsmiddelen. Nederland raakte in de problemen, want Engeland wilde voorkomen dat via Nederland zulke handelswaar - en ook vis - in Duitsland terechtkwam. Duitsland wilde juist vanuit het neutrale Nederland kunnen importeren. Het leidde tot jarenlang diplomatiek onderhandelen, conflicten uitvechten en weer overeenkomsten sluiten, maar ook tot het aanhouden, vastleggen en zelfs tot zinken brengen van Nederlandse schepen. Ook de Nederlandse vissers kregen ermee te maken.

Augustus en september 1914

Begin augustus viel, zoals al vermeld, het visserijbedrijf al nagenoeg stil. In Vlaardingen bijvoorbeeld was de voor de stad zo belangrijke haringhandel ‘door den dreigenden oorlogstoestand van zo goed als geen beteekenis meer’ schreef het Rotterdamsch Nieuwsblad op 3 augustus. De aanvoer en het vervoer van haring werd problematisch in deze dagen van mobilisatie. In verschillende andere plaatsen konden schepen niet uitvaren, omdat bemanningsleden waren gemobiliseerd. Het dagelijks leven in het neutrale Nederland begon ontregeld te raken, terwijl de echte strijd nog moest losbarsten. De ‘Europeesche crisis’ was in wording.
Vier dagen later meldde De Tijd dat een Nederlands politieschip vissers had aangespoord ‘naar eene haven terug te keeren met het oog op het gevaar van de oorlogstoestand’. Bijna de hele Nederlandse vissersvloot bleef een aantal dagen binnengaats.

Het Nieuws van den Dag, 8 augustus 1914

Er kwamen volop geruchten in de kranten, zoals hierboven in Het Nieuws van den Dag, 8 augustus 1914

Weer op zee

Ruim een week daarna kon de Urker vissersvloot - de Afsluitdijk bestond nog niet - naar de Noordzee ‘waar het visschen langs de kust van IJmuiden tot den Hoek van Holland mogelijk geacht wordt’. (De Tijd, 18 augustus 1914) Het Engelse ministerie van Landbouw en Visserij waarschuwde evenwel de eigen vissersvloot om niet ’s nachts op de Noordzee te blijven, omdat vijandelijke marineschepen een gevaar vormden.
Het bleef riskant om uit te varen, zo meende men begin september. Scheveningse vissers stonden niet te springen om erop uit te gaan. Zij vroegen om extra toelagen vanwege dat verhoogde risico, maar daar wilden de reders niet aan. Nu was alleen wel het voor de visvangst gunstige seizoen begonnen, dus niet uitvaren betekende financieel verlies. De zaak kwam onder druk te staan, omdat het Steuncomité 1914 geen uitkering verstrekte aan onwillige bemanningen. Niet werken betekende eenvoudig ook geen loon. Men verwachtte dat de vissers binnen enkele dagen tot inzicht zouden komen. (Algemeen Handelsblad, 2 september 1914)

De Tijd, 1 september 1914

‘Wenken voor onze haringvisschers’ in De Tijd van 1 september 1914

Troonrede 1914

Uiteraard stond koningin Wilhelmina in de troonrede van 1914 uitgebreid stil bij de oorlog. ‘Het economisch leven ondervindt in al zijn vertakkingen de drukkende gevolgen van den toestand waarin Europa verkeert. Het handelsverkeer met het buitenland is tot zeer beperkte afmetingen teruggebracht’. Verder noemde zij de ‘ongekende moeilijkheden en gevaren’ waarmee de scheepvaart gepaard ging. ‘Voor de zeevisscherij geldt dit in niet mindere mate’ aldus Wilhelmina. In de daarop volgende maanden hernam de zeevisserij toch min of meer haar gewone gang. Maar naarmate de oorlog voortduurde, en zeker vanaf begin 1917, toen Duitsland een onbeperkte duikbotenoorlog afkondigde, kreeg de Nederlandse vissersvloot het zwaar te verduren. (De Gooi- en Eemlander, 16 september 1914)