Staatsgrepen in 1798 en 1801

Nadat de Oranjes in januari 1795 de Lage Landen waren ontvlucht, mochten de patriotten de Bataafse Republiek van het Franse bewind als een moderne staat inrichten. Vanaf maart 1796 kwam daartoe een Nationale Vergadering van 126 leden bijeen om tot een ‘staatsregeling’ (constututie of grondwet) te komen. Binnen de Vergadering bestonden stromingen. De zogeheten ‘unitariërs’ wilden een eenheidsstaat tot stand brengen, de ‘federalisten’ zagen meer in een verband waarbij de zelfstandige gewesten redelijk intact bleven. De derde stroming, de ‘moderaten’, zocht het in een mengvorm.

Eerste Nationale Vergadering

De leden van de Vergadering hadden ervaring noch kennis van zaken. Daarbij kwam dat de afgevaardigden van de gewesten vooral hun belangen verdedigden. Zij frusteerden het streven van de unitariërs door eindeloze debatten te voeren. Eind mei 1797 lag er dan een eerste tekst voor een staatsregeling op tafel waarover het Bataafse volk mocht stemmen. Daarbij golden enkele voorwaarden. Zo was het stemrecht voorbehouden aan mannen, ouder dan twintig jaar, met voldoende vermogen en verklaarde tegenstanders van het stadhouderschap. Een ruime meerderheid van de stemgerechtigden was tegen (augustus 1797) en in september moest een Tweede Nationale Vergadering een nieuwe poging ondernemen.

Tweede Nationale Vergadering

De Tweede Vergadering vorderde even moeizaam als de Eerste. De verhoudinging tussen de stromingen - ook wel ‘radicalen’, ‘conservatieven’ en ‘gematigden’ genoemd - verslechterde na de verloren zeeslag tegen de Engelsen bij Kamperduin (oktober 1797). De Republiek leed, als ‘bondgenoot’ van Frankrijk in oorlog met Engeland, onder een blokkade door de vijandelijke vloot. Hoewel bekend was dat de Republiek tegen die opponent weinig kans maakte, besloot het militaire opperbevel om daadkracht te tonen en de Staatse vloot erop uit te sturen. Die stuitte al snel op een superieure Engelse eenheid. De nederlaag leidde tot veel debatten, en de Vergadering bleek eens te meer een onmachtig gezelschap.
Het Franse bewind bezag dit alles met lede ogen. Om de zaak te bespoedigen benoemde het in Den Haag een nieuwe gezant, Charles Delacroix. Hij kreeg als opdracht zonodig een resultaat te forceren. De unitariërs en de ‘radicalen’ binnen de Vergadering beraamden, met steun van Delacroix en de bevelhebber van de Armée du Nord, generaal Barthélemy Joubert, een staatsgreep om de ‘conservatieve’ factie uit te schakelen.

Staatsgreep januari 1798

Die vond plaats in Den Haag op 22 januari 1798. De nacht ervoor hadden het plaatselijke garnizoen en de politie de stad afgesloten en waren al enkele conservatieve opponenten opgepakt. Die ochtend kwam de ‘radicale’ Johannes Midderigh - sinds enkele dagen voorzitter van de Nationale Vergadering - met soldaten onder bevel van Herman Daendels naar het Binnenhof. Daar kregen de gematigde leden van de Nationale Vergadering geen toegang tot de vergaderzaal. Vervolgens werden de overige personen die niet wilden instemmen met een drastische ingreep, vooral federalisten, weggestuurd. Het overgebleven gezelschap verklaarde zich als ‘Constituerende Vergadering’ bevoegd voor het ‘één en ondeelbaar Bataafse volk’ beslissingen te nemen. Vijf leden van hen vormden een Uitvoerend Bewind. Op het eind van de dag vaardigde dat een verklaring uit met de toezegging op korte termijn een ‘constitutie’ op te stellen. Een aantal uit de Vergadering verwijderde personen werd later op Huis ten Bosch gevangengezet.

Een staatsregeling

Een commissie van zeven afgevaardigden stelde de constitutie op, gebaseerd op een door Delacroix aangeleverde blauwdruk, die de ‘Bataven’ tot een eigen tekst hadden gemaakt. Half maart kon de Vergadering dit stuk al aannemen. Ruim een maand later werd de constitutie ter stemming voorgelegd aan het Bataafse volk en met ruime meerderheid aangenomen.
Dit document wordt beschouwd als de eerste stap naar een democratische regeringsvorm in Nederland. Een deel van het volk had stemrecht gekregen en daardoor invloed op de politieke besluitvorming. Dat was voorheen een zaak geweest van vorsten en regenten. Daarnaast zou het bestuur in de Republiek gecentraliseerd worden, dus minder in handen blijven van de gewesten.

Tweede staatsgreep juni 1798

Het Uitvoerend Bewind, bestaande uit ‘radicalen’, begon op veel plaatsen politieke vriendjes te benoemen en kreeg het verwijt dictatoriaal op te treden, terwijl het weinig tot stand bracht. Met Franse steun beraamden enkele politieke kopstukken een nieuwe coup, uit te voeren door de evenzeer verontruste generaals Joubert en Daendels. Op 12 juni 1798 kwam Daendels met ‘drie Compagnieën Infanterie’ in Den Haag de leden van het Uitvoerend Bewind arresteren. Een ‘minder radicaal’ Intermediair Uitvoerend Bewind trad nu aan en de Staatsregeling van 1798 kon in werking treden.

Buitenlandse bemoeienis

In de praktijk bleek de regeling veel onduidelijkheden te bevatten en dat vroeg om een aanpassing. Daartoe werden commissies aangezocht om met een nieuw voorstel te komen. Dat leidde weer tot discussies, terwijl ook het buitenland zich met de Republiek bemoeide.
Een Brits-Russische invasie in Noord-Holland (met als een van de aanvoerders de erfprins Willem Frederik) van augustus tot oktober in 1799 was een poging een anti-Franse opstand in gang te zetten. De invasie mislukte en Oranje verdween in de Republiek voorlopig uit beeld.
Vervolgens was in november 1799 Napoleon aan de macht gekomen en daardoor veranderde de houding van Frankrijk ten opzicht van de Republiek. Napoleon beschouwde de Republiek simpel als een wingewest, dat te weinig geld leverde voor zijn oorlogen. Een krachtiger bewind aldaar moest dat verbeteren door een effectief belastingstelsel te implementeren.

Derde staatsgreep september 1801

In september 1801 ontving het Uitvoerend Bewind het nieuwe voorstel, bracht een aantal veranderingen aan en legde het op 18 september voor aan vertegenwoordigende vergaderingen. Die wezen het voorstel af. Er ontstond een nieuwe crisis aan het Binnenhof en twee Bewindslieden stapten op. De drie overige leden van het Uitvoerend Bewind lieten ‘de Vergaderplaatsen en verdere Vertrekken der beide Kamers sluiten en verzegelen’ en door militairen bewaken. Ze rondden de procedure ‘formeel’ af en pleegden in feite een (derde) staatsgreep. Weer kregen de coupplegers steun van Franse zijde, ditmaal van generaal Pierre Augereau. De dag daarop probeerden de twee opgestapte Bewindslieden terug te keren en het beraad voort te zetten. Maar na enig duw- en trekwerk gaven deze het op en de coupplegers dreven hun zin door.
Kort daarop verscheen een ‘Ontwerp van staatsregeling voor het Bataafsche Volk’ in de couranten. De Bataven mochten erover stemmen. Een zesde van de stemgerechtigden kwam opdagen en een grote meerderheid stemde tegen. Maar het Bewind besloot dat de thuisblijvers impliciet vóór hadden gestemd, dus hun ontwerp was gewoon aangenomen.
En zo kende de Bataafse Republiek drie, overigens geweldloze, staatsgrepen in vier jaar.

De opening van de Nationale Vergadering in 1796 door Pieter Paulus - schilderij van J.H. Egenberger

De opening van de Nationale Vergadering in 1796 door Pieter Paulus - schilderij van J.H. Egenberger

Nauwkeurige afbeelding van de Nationale Vergadering in Den Haag, door G. Kockers, 1797

Nauwkeurige afbeelding van de Nationale Vergadering in Den Haag - G. Kockers, 1797

De slag bij Kamperduin - schilderij van Richard Dodd uit 1797

De slag bij Kamperduin - schilderij van Richard Dodd uit 1797

De staatsgreep van 22 Jan. 1798 - tekening van C. van Cuylenburgh

De staatsgreep van 22 Jan. 1798 - tekening van C. van Cuylenburgh

De staatsgreep van Daendels, juni 1798

De staatsgreep van Daendels, juni 1798

De staatsgreep van 12 juni 1798 - tekening van C. van Cuylenburgh

De staatsgreep van 12 juni 1798 - tekening van C. van Cuylenburgh