Brief van M.A. de Ruyter

‘Een held tegen wil en dank’ zou men Michiel de Ruyter kunnen noemen, want het heeft bij diverse gelegenheden heel wat overredingskracht gekost om hem in de jaren vijftig van de zeventiende eeuw bij de leiding over de vloot van de Republiek der Zeven Verenigde Provinciën te betrekken. De onwil van De Ruyter is begrijpelijk. Niet alleen had de bijna vijftigjarige bevelhebber al zoveel achter de rug dat de tijd voor een rustig leven aan wal leek aangebroken, ook had hij bezwaren tegen de staat waarin de oorlogsvloot verkeerde.

Het is aan de raadspensionaris Johan de Witt te danken geweest dat De Ruyter in 1654 terugkeerde bij de vloot. Daarmee begon een carrière waarvan de hoogtepunten behoren tot de historische canon, zoals de tocht naar Chatham in juni 1667. De hier getoonde brief dateert uit een betrekkelijk rustige periode. Er was vrede met Engeland en ook de Noordse oorlogen, tussen Zweden, Denemarken, Polen en Rusland waren ten einde. De Republiek speelde daarin een sleutelrol. De Ruyter had door de verovering van het strategisch belangrijke eiland Funen in de Sont een belangrijke rol vervuld in de strijd tussen Zweden en Denemarken.

Die vrede bood de Staten-Generaal de mogelijkheid om De Ruyter uit te zenden voor een expeditie tegen de Algerijnse en Turkse piraten in de Middellandse zee die de handel veel schade berokkenden. Op 26 mei 1661 koos de vice-admiraal met tien schepen zee. De eerste opdracht was te kruisen tussen de Doggersbank, Texel en het Vlie om een paar handelsschepen op te wachten en zonodig te beschermen. De vloot werd gehinderd door een zware mist waardoor men elkaar soms met tromgeroffel, trompetten, kanonschoten en musketvuur voor aanvaringen moest behoeden. In deze brief gelast De Ruyter de kapiteins goed op te letten en uit elkaars vaarwater te blijven. Wie dat niet doet wacht een verblijf in het Rasphuis.

Zie ook: