Dagboek van een veldtocht 1794

De uitzonderlijk strenge winter van 1794-1795 heeft een blijvende plaats in de vaderlandse geschiedenisboeken veroverd. Door de vorst bevroor de onneembaar geachte Hollandse waterlinie en kon generaal Pichegru, aan het hoofd van de Franse troepen, de Republiek zonder al te veel problemen innemen. Die werd verdedigd door de Engelsen en de Pruisen. Hoe groot de Franse overmacht op de Engelse en Pruisische troepen was, valt goed af te lezen uit het dagboek van de Engelse luitenant Colman. In juni 1794 nam hij als vrijwilliger dienst in het 14de Britse regiment dat toen in Deurne gelegerd was. Tien maanden later werd het door verliezen uitgedunde regiment bij Bremen ingescheept voor de terugreis naar Engeland.

Colmans verhaal is dat van een lange terugtocht onder vaak erbarmelijke omstandigheden. Zo noteert hij op 20 januari: ‘De nood was hoog tijdens deze geforceerde mars waarbij meer dan 50 mijl werden afgelegd in twee dagen. De gevolgen voor onze troepen waren fataal. De dragonders die de achterhoede vormden vonden talloze dode mannen, vrouwen, kinderen en paarden langs de route van de terugtocht.’

Ondanks de ontberingen was er zo nu en dan toch ook enig vermaak, zoals bijvoorbeeld bij het kamp in de buurt van Lienden: ‘We hadden veel pret met schieten en met het schaatsen langs de vele kanalen die zo kenmerkend zijn voor dit land. Zo konden we snel van de ene post naar de andere schaatsen en ook makkelijk het Britse hoofdkwartier in Arnhem bezoeken.’