Mare Liberum van Hugo de Groot

Hugo de Groot (Grotius), bekend om zijn ontsnapping in een boekenkist uit slot Loevestein in 1621, publiceerde in september 1609 Mare Liberum (‘De vrije zee’). Dit dunne boekje had grote invloed op het internationale maritieme recht.

Op deze pagina vindt u een algemene inleiding bij Mare Liberum. Wilt u direct naar het gedigitaliseerde boek met Nederlandse vertaling? Klik dan op de link in dit plaatje:

Kaping van de ‘Santa Catharina’

De geschiedenis van de Mare Liberum begon in 1603, toen admiraal Jacob van Heemskerck in de Indische wateren het Portugese vrachtschip de ‘Santa Catharina’ kaapte. Deze actie leverde De VOC een enorme buit op: ruim drie miljoen gulden. In de loop van 1604 kreeg de Haagse advocaat Hugo de Groot de opdracht een rechtvaardiging van deze kaping te formuleren. De Groot was toen vermoedelijk lid van de Amsterdamse kamer van de VOC,

'De iure praedae commentarius'

De Groot schreef een uitvoerige uiteenzetting over de rechtsverhoudingen in de Indische wateren, De rebus Indicis, ook bekend als De iure praedae commentarius (‘Een verhandeling over het recht op buit’). Hierin betoogt hij onder meer dat kaping tijdens een rechtvaardige oorlog, dus ook de kaping door Van Heemskerck, als juist, eerbaar en voordelig moet worden beschouwd. Dat wettigde de agressieve handelspolitiek in de Oost. De VOC had het recht de handel in Indië desnoods met geweld te beschermen tegen de exclusieve aanspraken van de concurrenten Spanje en Portugal. Deze aanspraken vloeiden voort uit de pauselijke Verdeling van de Indien door het Verdrag van Tordesillas uit 1494. Dit verdrag bepaalde de invloedssferen van Spanje en Portugal; de Republiek moest tussen die grootmachten een plaats zien te krijgen.

Het Twaalfjarig Bestand

Sinds 1568 was de Nederlandse Republiek verwikkeld in een strijd met Spanje. Op 9 april 1609 werd na moeizame onderhandelingen het Twaalfjarig Bestand gesloten. Over de handel met Indië bereikten Spanje en de Republiek een schimmig compromis. De Nederlandse handelsvaart op Indië was afhankelijk van de goedkeuring van de Spaanse koning, maar in het verdrag werd een geheim artikel opgenomen dat die handel toch uitdrukkelijk toestond. Dit betekende in de praktijk dat de oorlogshandelingen beneden de evenaar voortduurden. De VOC kon haar agressieve handelspolitiek op dezelfde voet voortzetten.

'Mare liberum' ('De vrije zee')

Aangespoord door de Zeeuwse kamer van de VOC zette De Groot de volgende stap in zijn dienstbetoon aan de VOC. Het twaalfde hoofdstuk van De iure praedae commentarius bewerkte hij tot een zelfstandig betoog. Hij publiceerde Mare libervm sive de ivre qvod Batavis competit ad Indicana commercia dissertatio (‘Vrije zeevaart of uiteenzetting over het recht van de Nederlanders om in Indië handel te drijven’). Hierin benadrukte hij dat, in tegenstelling tot binnenwateren en havens, de zee met zijn oevers een gemeenschappelijk gebruiksgoed was dat niemand als zijn eigendom kon beschouwen. Eigendomsrecht uitoefenen op zeeën en oevers zou afbreuk doen aan de vrije uitwisseling van goederen die voor een menswaardig bestaan noodzakelijk waren.

Jure Praedae (1868)

Jure Praedae (1868)

The free sea (2004)

The free sea (2004)

The freedom of the seas (1916)

The freedom of the seas (1916)

Hugo de Groot in de Koninklijke Bibliotheek (1983)

Borstbeeld van Hugo de Groot in de Koninklijke Bibliotheek (1983)

De Groots omvangrijke studie

De publicatie van Mare Liberum vond plaats tijdens de onderhandelingen voor het Twaalfjarig Bestand. De Groot studeerde al enkele jaren op de vrije handelsvaart en op het maritieme recht. Zijn tekst over ‘de vrije zee’ was onderdeel van een groter werk: De iure praedae commentarius. Dit werk werd in de tijd van De Groot nooit in druk uitgegeven. Pas in de negentiende eeuw werd het bestaan van dit meeromvattende werk bekend uit een tot dan toe onbekend handschrift. Tijdgenoten van Hugo de Groot wisten natuurlijk wel dat hij met deze studie bezig was. Toen het ernaar uitzag dat er een bestand met Spanje gesloten zou gaan worden, kreeg De Groot van de VOC het verzoek zijn boek te publiceren. Hij koos er één hoofdstuk eruit – Mare Liberum.

Mare Liberum in druk verschenen

Uit de briefwisseling tussen De Groot en de Leidse hoogleraar Daniel Heinsius is de drukgeschiedenis van Mare Liberum grotendeels af te leiden. Helaas zijn niet alle brieven bewaard gebleven en zijn die ook niet allemaal gedateerd. Daarom is niet vast te stellen op welke datum het werk verscheen. Wel is bekend dat de publicatie uitgesteld moest worden om de bestandsonderhandelingen niet in gevaar te brengen. Op 7 maart 1609 nog had Van Oldenbarnevelt laten weten dat het boek niet mocht verschijnen. Het was toen echter al gedrukt en ondershands werd het wel degelijk verspreid, ook naar de voorjaarsboekenmarkten in Frankfurt en Leipzig en in de vriendenkring van De Groot. Maar het heeft de onderhandelingen niet beïnvloed. Op 9 april 1609 kwamen Spanje en De Republiek overeen de krijgshandelingen voor twaalf jaar te onderbreken.

Herdrukken van Mare Liberum

Mare Liberum werd een van De Groots meest gelezen boeken en beleefde vele herdrukken. In 1609 was er al een roofdruk en tot aan 1800 werd het alleen al in Nederland twaalf keer op de pers gelegd. Ook later verschenen er vele herdrukken, en niet alleen in Nederland. In 2007 werd het boek bijvoorbeeld in Italië uitgegeven met een Italiaanse vertaling naast de Latijnse tekst.

De meest recente vertaling naar de eerste Latijnse druk is van de classicus dr. Arthur Eyffinger; hij heeft die geheel belangeloos beschikbaar gesteld voor het digitaal topstuk op deze website. De Latijnse tekst en vertaling, uitgebreid met een uitvoerige toelichting en samenvatting is in 2009 als boek verschenen bij Jongbloed Juridische Boekhandel te Den Haag.

Reacties op Mare Liberum

Vooral uit het buitenland kwam veel kritiek op De Groots centrale stellingname. De belangrijkste bestrijder van Grotius was de Engelse jurist John Selden. Hij schreef in 1619 een weerwoord met de onheilspellende titel Mare clausum (‘De gesloten zee’).
Terwijl de zeevaarders de zee steeds intensiever gingen verkennen en exploiteren, twistten geleerden en politici aan de wal over het recht van vrije vaart, handel en visserij. Aan het eind van de achttiende eeuw was het idee van ‘de vrije zee’ een algemeen aanvaarde doctrine. Die draagt bij aan de reputatie van Hugo de Groot, misschien wel de grootste Nederlandse geleerde uit de zeventiende eeuw.