Hoe de vogels aan een koning kwamen

Theo van Hoytema (1863-1917) is bekend om de prentenboeken en kalenders die hij in art nouveau-stijl illustreerde met bloemen, insecten, vogels en dieren. Zijn eerste prentenboek verscheen in 1892: Hoe de vogels aan een koning kwamen. Hiervan werden ook exemplaren door hem zelf ingekleurd. Een van deze proefexemplaren (ook wel de 'prachtuitgave' genoemd) is hier als bladerboek beschikbaar.

Theo van Hoytema en zijn eerste prentenboek

Theo van Hoytema is bekend geworden vanwege zijn in kleur gedrukte lithografieën. Vanaf 1889 tekende hij ze direct op de lithosteen, in spiegelbeeld. Vooral vanaf de eerste kleurenlitho’s voor Het leelijke jonge eendje is te zien hoe meesterlijk hij de techniek toepaste. Hij tekende met krijt, penseel en pen, waarbij hij bovendien krassen aanbracht om reliëf in de afbeelding te krijgen. Ook schaafde en krabde hij delen weg om effecten te verzachten. De natuurlijke vormen van planten zijn steeds herkenbaar en niet zo zwaar gestileerd als dat bij andere art nouveau-kunstenaars het geval was. Van Hoytema ontwierp kalenderbladen, prentenboeken, ex-libris, menukaarten, spotprenten, boekillustraties, nieuwjaarskaarten, affiches, omslagen voor tijdschriften en catalogi en naast het gelegenheidsdrukwerk maakte hij ook grafiek als vrij werk.

Korte biografie

Omslag van Hoe de vogels aan een koning kwamen (1892)

Omslag van Hoe de vogels aan een koning kwamen (1892)

Eerste prentenboek: Hoe de vogels aan een koning kwamen (1892)

Volgens een aantekening op het omslag-ontwerp kwamen de eerste tekeningen voor het prentenboek tot stand in mei 1891. Ook de datering van enkele voorstudies wijst daarop. Hoe de vogels aan een koning kwamen zou echter pas verschijnen in december 1892. Op 15 juni 1892 begon Theo van Hoytema aan het overtekenen van zijn eerste schetsen. Veel van de prenten zijn van een monogram en de datering voorzien: ‘TvH 92’.

Dat hij vooral dieren tekende ging niet alleen terug op zijn liefde voor dieren (hij verzamelde bijvoorbeeld in zijn jeugd al de eieren van de wielewaal, het winterkoninkje en de spotvogel), maar ook op de wetenschappelijk verantwoorde dierstudies die hij in Leiden voor het museum maakte. Bij uitgeverij Brill verschenen die illustraties in druk, zoals afbeeldingen van een vleermus (plaat X en XI, ondertekend met ‘Th. Van Hoytema ad nat. del. et lith.’) in het eerste deel van Zoologische Ergebnisse einer Reise in Niederländisch Ost-Indien (bezorgd door Max Weber) in 1890-1907.

Litho door Theo van Hoytema in Max Weber, Zoologische Ergebnisse einer Reise in Niederländisch Ost-Indien (1890-1907)

Litho door Theo van Hoytema in Max Weber,Zoologische Ergebnisse einer Reise in Niederländisch Ost-Indien(1890-1907)

Litho door Theo van Hoytema in Max Weber, Zoologische Ergebnisse einer Reise in Niederländisch Ost-Indien (1890-1907)

Litho door Theo van Hoytema in Max Weber,Zoologische Ergebnisse einer Reise in Niederländisch Ost-Indien(1890-1907)

Het verhaal van Hoe de vogels aan een koning kwamen

Voor het verhaal gebruikte Van Hoytema een oude legende – de ondertitel luidde: ‘gevolgd naar een oude legende’ – waarin de vogels besluiten, naar menselijk voorbeeld, een koning te kiezen. De vogel die het hoogste kan vliegen zal de winnaar zijn. Dat bleek de arend te zijn. Maar op zijn rug was een kleine vogel meegevlogen die nu beweerde dat hij de koning was. De andere vogels joegen achter hem aan en toen deze kleine vogel een hol was ingekropen werd de uil op wacht gezet. Maar de uil viel in slaap, de kleine vogel ontsnapte en de andere vogels lieten het er maar bij zitten. Nog steeds roept de kleine vogel dat hij de koning aller vogels is en daarom noemen de andere vogels hem de ‘winterkoning’.

In de kunsthistorische beschouwingen over Van Hoytema wordt niet ingegaan op de tekst, maar die is wel degelijk interessant. Van Hoytema was namelijk een onderhoudend verteller, die op creatieve en humoristische wijze het oude verhaal naar zijn hand zette. Een dubbeltalent dus. Dit is een van de twee prentenboeken waarvoor Van Hoytema zelf de tekst schreef; het andere is Twee hanen. De overige drie teksten waren van Hans Christian Andersen en Tine van Hoytema.

De legende van de winterkoning: uit een oud schoolboekje

De legende was afkomstig uit een bloemlezing voor het onderwijs, Mosroosjes, uitgegeven door J.B. Wolters in Groningen (eerste druk 1866). Daarin is een kort verhaal opgenomen als nummer ‘8’: ‘Het winterkoninkje’. In de inhoudsopgave is daarbij de naam ‘Jubitz’ vermeld, maar welke auteur daarmee wordt bedoeld is onbekend. Knuttel beweerde dat Van Hoytema ‘als kind gewend was op school [dit sprookje] op te zeggen’. Een etiket met een verwijzing naar Mosroosjes werd geplakt aan de binnenzijde van het omslag van de proef-exemplaren. De tekst werd ook gedrukt op de achterzijde van de gewone handelsexemplaren.

Titelpagina van Mosroosjes (1866)

Titelpagina van Mosroosjes (1866)

Inhoudsopgave van Mosroosjes (1866)

Inhoudsopgave van Mosroosjes (1866)

Het verhaal uit Mosroosjes begint pas bij prent vier. De eerste drie teksten over de taal van de vogels zijn geheel bedacht door Van Hoytema. De legende begon met de regel: ‘De vogels wilden eens een’ koning kiezen.’ Van Hoytema maakte het concreter: ‘De koekoek kwam eensklaps op de gedachte, dat de vogels evenals de menschen een koning moesten hebben’. Ook de volgende bladen zijn weer een uitbreiding van de oorspronkelijke tekst. Dat er een vliegwedstrijd komt, stond (korter) in de legende, maar die sprak over een adelaar, terwijl Van Hoytema het synoniem ‘arend’ gebruikte.

Geestige bewerking door Van Hoytema

In de legende werd de clou meteen weggegeven: ‘Niemand twijfelde er aan, of de adelaar zou overwinnaar zijn; maar het winterkoninkje trachtte hem en al zijn’ kameraden op een’ listige manier te foppen. Wat deed hij? – Hij verschool zich tusschen de pooten van den adelaar, zonder dat deze van het kleine dier iets merkte.’ Dat vond Theo van Hoytema waarschijnlijk niet erg realistisch en hij liet het vogeltje zich verbergen tussen de veren op de rug van de arend. Ook noemde hij de naam van de kleine vogel pas helemaal aan het slot van het verhaal en in de reeks tekeningen over de hoge vlucht van de adelaar beeldde hij de adelaar af met een klein vogeltje op zijn rug, zodat het aan de lezer zelf is deze verstekeling op te merken. Het verhaal is er niet alleen visueel op vooruit gegaan, maar het is ook veel subtieler dan het origineel.

Een moderne moraal

De moraal is eveneens veranderd. In de legende hebben de andere vogels geen eerbied voor hun koning, omdat ‘hij zoo onnoozel klein was’. Ze verjagen hem en de winterkoning zoekt zijn toevlucht in heggen, struiken en dor hout – en de legende eindigt met een ornithologische verklaring: ‘En daar woont en nestelt en zingt hij tot op den huidigen dag’. Van Hoytema legde de nadruk anders: hier roepen de andere vogels dat de kleine vogel geen koning kan zijn omdat hij ‘door list en bedrog’ gewonnen heeft. Van Hoytema blijft hem ‘de vogel zonder naam’ noemen, die vooral ’s winters actief is en maar blijft roepen dat hij de koning is. De andere vogels noemen hem daarom ‘minachtend’ de ‘winterkoning’. In plaats van het natuurlijke gedrag in de legende is er nu een educatief verhaal waarin list en bedrog worden afgekeurd.

Prenten

Voor de uitgave tekende Theo van Hoytema 31 prenten op de steen. De tekst werd door hem in spiegelbeeld in de tekening aangebracht. Soms loopt de illustratie door de tekst heen, meestal staat de tekst op open gelaten plaatsen in de prent, af en toe staat de tekst buiten het kader dat de tekening omlijnt. In enkele gevallen is er geen tekst. Aan het slot is een pagina met de ‘Inhoud’, maar die geeft geen inhoudsopgave – die bij zo’n kort verhaal ook helemaal niet nodig is – maar een inventaris van de optredende vogelsoorten.

Deel van het titelblad van Hoe de vogels aan een koning kwamen (1892)

Deel van het titelblad van Hoe de vogels aan een koning kwamen (1892)

Belettering door de illustratie in Hoe de vogels aan een koning kwamen (1892)

Belettering door de illustratie in Hoe de vogels aan een koning kwamen (1892)

Illustraties in open gelaten plaatsen in de belettering in Hoe de vogels aan een koning kwamen (1892)

Illustraties in open gelaten plaatsen in de belettering in Hoe de vogels aan een koning kwamen (1892)

De lithografie en de Nieuwe Kunst

De litho werd in deze periode van de Nieuwe Kunst vaak gebruikt door kunstenaars, omdat tekst en illustratie in één drukgang konden worden vermenigvuldigd en de illustraties niet op ander papier hoefden te worden gedrukt (zoals bijvoorbeeld met etsen). Daardoor was het boek meer een eenheid. Ook had de kunstenaar hierdoor volledig het beeld in eigen hand. Het handschrift van Van Hoytema is in alle prenten duidelijk herkenbaar, maar de letters zijn nog een beetje ongeoefend geschreven met veel onderlinge verschillen.

Het plezier van Van Hoytema

Zijn medeschilder Louis Lacomblé (1862-1928) herinnerde zich later hoe hij en Hoytema rond 1890 in een tuinmanhuisje bij De Binckhorst aan de rand van Den Haag hadden gewoond en dat Hoytema daar aan zijn eerste prentenboek werkte. ‘Hij had zo’n lol in dat boek, toen hij er mee bezig was. Wanneer hij er ’s avonds aan zat te tekenen, dan kon ik, boven in mijn kamer, hem beneden horen grinniken, terwijl hij zich bij het tekenen verkneuterde.’

Een van die grappige (een beetje verstopte) details betreft de vogelverschrikker, die op de achtergrond te zien als de vogels zich verzamelen voor hun wedstrijd. Hij lijkt dan een beetje op een schaatser die eenzaam op de vlakte slaat. Als de groep vogels is opgevlogen en in de hoogte verdwijnt, blijft hij dubbelgeknakt achter.

De uitgave

Over de ontstaansgeschiedenis van het boek schreef, een half jaar na de uitgave, het Nieuwsblad voor den boekhandel. Dat gebeurde in een recensie over de bekende kinderboekententoonstelling die A.C. Loffelt organiseerde in Pulchri Studio in Den Haag: ‘Hoytema, zegt men, hoorde dat eerlang vanwege het Museum voor natuurlijke historie te Leiden eene ornithographie zou worden uitgegeven. Doch, een bekwaam teekenaar, om den tekst te illustreeren, was nog niet gevonden. Daarom begaf Hoytema zich naar de oude academiestad en maakte er in het museum strenge studies van allerlei pluimgedierte, wel een jaar lang. Toen heeft hij zijn schetsen om een sprook gegroepeerd, een boek eruit samengesteld. Wie het drukken, publiceeren wilde? A. niet en B. niet – wordt verteld. Eindelijk toch ontfermde de heer Van Gogh, wien veel schilders reeds voor zijn kunst-uitgaven dank schuldig zijn, zich over ’t werk, dat, schoon niet volmaakt, in hooge mate oorspronkelijk is een [lees: en] duidelijk de bedoeling van den schilder toont. De teekening der vogels getuigt van de ernst der studie in ’t museum; de tintelende humor van den Engelschman ontbreekt eraan. Maar ook in [Walter] Crane’s eerste proeve van illustratie, nu dertig jaar geleden, was humor geheel absent.’ (16 mei 1893, p. 372). Hoezeer de anekdote op waarheid berust is onbekend. Aanvankelijk wilde Van Hoytema de tekst kennelijk zelf uitgeven (dat maken we op uit een recensie van Jan Veth), maar Vincent van Gogh, destijds eigenaar van de boek- en kunsthandel C.M. van Gogh, zou dit eind 1892 doen.

Drukkerij Lankhout & Co

De litho’s werden gedrukt bij de firma S. Lankhout & Co in Den Haag. De lithografische drukkerij van Samuel Lankhout (1826-1894) drukte voor belangrijke uitgevers, zoals Hugo Suringar in Leeuwarden en de Erven F. Bohn in Haarlem. De firma was klein begonnen aan het Oranjeplein, maar was in 1866 verhuisd naar Laan nummer 17 (tussen Westeinde en Prinsegracht), waar een snelpers voor steendruk in gebruik werd genomen (een type pers dat sinds 1851 werd vervaardigd). Vanaf 1870 was ook de door stoomkracht aangedreven pers verkrijgbaar; het bedrijf beschikte in 1889 over zo'n pers. In 1904 verhuisde het bedrijf naar de Noorderbeekdwarsstraat. Het doel van de firma was 'de uitoefening der Steen- en Boekdrukkerij, de uitgifte van druk- en plaatwerken' en wat daarmee in verband stond.

In de periode dat Theo van Hoytema er zijn eerste boek liet drukken, werkten er een dertigtal mensen. Van twintig ambachtslieden kennen we de namen. Het Gemeentearchief Den Haag bevat een klein archiefje over het pensioenfonds en enkele orderboeken, waaruit blijkt dat er in 1892 drie lithografen werkten, negen drukkers, drie steendrukkers, twee slijpers, één letterzetter en twee binders. Sommigen van hen kwamen uit Duitsland. Lithograaf F.A.A. Engel kwam oorspronkelijk uit Halle (in Westfalen) en steendrukker O.G. Nagel uit Magdeburg. De meeste waren in Den Haag geboren en bleven hun leven lang bij de firma in dienst. De lijst van namen, geboortejaren en functies geeft deze werklieden weliswaar geen gezicht, maar toch een identiteit, terwijl we doorgaans weinig weten over drukkerijpersoneel. Interessant is bovendien dat er binders in dienst waren, wat betekent dat de portefeuille voor de proef-exemplaren van de Van Hoytema-uitgave hoogstwaarschijnlijk daar gemaakt is.

Proef-exemplaren

Voordat de handelsuitgave werd verspreid, stelde Van Hoytema in eigen beheer een aantal proef-exemplaren samen. De met de litho’s eenzijdig bedrukte grijze papieren vellen (22,3 x 28 cm) werden op wit kartonnen bladen gelijmd (30,7 x 40 cm); de losse bladen zijn gevoegd in een portefeuille met sluitlinten (31,3 x 52,2 cm). Zowel het eenzijdig drukken als het formaat maken deze proef-exemplaren anders dan de handelsuitgave. Maar er is nog een verschil.

Een van die exemplaren voorzag hij van een geschreven opdracht en datering: ‘Aan mijn Vrouwtje December 1892’ (Gemeentemuseum Den Haag). Andere proef-exemplaren bevinden zich in Museum Meermanno (Den Haag), de Koninklijke Bibliotheek (Den Haag), het Rijksprentenkabinet (Amsterdam) en de Wolfsonian-FIU (Miami Beach, Florida). Deze vijf exemplaren zijn door Van Hoytema met de hand in waterverf ingekleurd. Dat maakt deze proef-exemplaren aantrekkelijker dan de wat grijzige exemplaren van de handelsuitgave.

Omslag voor de handelsuitgave van Hoe de vogels aan een koning kwamen (1892) [Bron: Geheugen van Nederland, exemplaar in de Gemeentelijke Bibliotheek Rotterdam]

Omslag voor de handelsuitgave van Hoe de vogels aan een koning kwamen (1892) [Bron: Geheugen van Nederland, exemplaar in de Gemeentelijke Bibliotheek Rotterdam]

Ingekleurde inhoudsopgave in de prachtuitgave van Hoe de vogels aan een koning kwamen (1892)

Ingekleurde inhoudsopgave in de prachtuitgave van Hoe de vogels aan een koning kwamen (1892)

Een vroege recensie van Jan Veth

Die proef-exemplaren moeten gereed zijn geweest voor 30 oktober 1892, want op die dag recenseerde Jan Veth de uitgave in zijn rubriek ‘Aanteekeningen schilderkunst’ (De Amsterdammer, Weekblad voor Nederland, p. 4). Hij besteedde bijna een halve kolom aan het boek ‘dat eenige speciale aandacht verdient’. Hij schreef: ‘… het [is] zeker te hopen, dat de auteur niet bij zijn plan blijft, het boekje zelf uit te geven, - want daar rust zelden zegen op – en dat ter verspreiding een uitgever zich alsnog er van meester make. Een kleine correctie zou deze dan wel doen voor te slaan. Het ons toegezonden proefexemplaar namelijk, der dertig saamtevoegen bladen, is gedrukt op een koud, leiachtig grijs, dat, als de oplaag nog niet gedaan is, gemakkelijk door een smakelijker getint papier kon worden vervangen, zeer ten profijte van het gansche voorkomen van het nog wat schamel uitziende boekje.’ Die tweede raad volgde Theo van Hoytema niet op; waarschijnlijk was de handelsuitgave inmiddels al gedrukt. Het eerste advies werd wel overgenomen en in de firma C.M. van Gogh vond hij een willige uitgever.

De handelsuitgave

Voor de handelseditie tekende Theo van Hoytema een speciale bestelkaart, gedrukt in lithografie (10,4 x 14,8 cm). Op 13 november kondigde Veth nog eens de verschijning aan van de handelsuitgave (waarschijnlijk gebaseerd op deze bestelkaart/aankondiging) en op 9 december 1892 werd het boek vermeld in het Nieuwsblad voor den boekhandel (p. [843]): het formaat was octavo en de prijs bedroeg f 2,50. Intussen had ook op 2 december al een recensie in Het Vaderland gestaan.

Van Hoytema zelf beschikte al iets eerder over zijn presentexemplaren. Op 13 november 1892 stuurde hij als 'klein bewijs van mijn appreciatie' aan zijn vroegere leraar 'en tegenwoordigen vriend' W.G.C. Byvanck (1848-1925) een exemplaar van de 'geïllustreerde legende, die ik onlangs op steen bracht en eerstdaags bij de Firma van Gogh in Amsterdam wordt uitgegeven' (Universiteitsbibliotheek Leiden, BPL 2246).

In de handelseditie zijn de prenten aan weerszijden van het grijze papier gedrukt. Het formaat is kleiner (20,1 x 26,3 cm); de bladen zijn krapper afgesneden. Op het achterplat is de mededeling over de oorsprong van het verhaal gedrukt; op het voorplat is een kleurenplaat afgedrukt met de vermelding: ‘Gedrukt bij de firma S. Lankhout & Co.’

Prachtuitgave

In sommige exemplaren is hierover later een etiket geplakt: ‘Uitgave van C.M. van Gogh – Amsterdam’. In het door de KB gedigitaliseerde proef-exemplaar is dit ook gebeurd: hier is een deel van het etiket later verdwenen, waardoor het onderliggende ‘& Co’ van de drukkersnaam weer zichtbaar is geworden. Dat betekent dat dit eigenlijk geen proef-exemplaar is en dat kan ook voor de andere exemplaren hebben gegolden. Hoewel het Nieuwsblad voor den boekhandel maar één uitvoering van het boek vermeldde (een gebrocheerde uitgave in oktavo), vermeldde Brinkman's catalogus der boek-, plaat- en kaartwerken die sedert 1891 tot en met 1900 in Nederland zijn uitgegeven of herdrukt [...] (1901) nog een tweede uitvoering: 'prachtuitg. op groot papier m. gekl. pltn. in portef. f 5,-'. Een prachtuitgave op groot papier met gekleurde platen in portefeuille dus.

Deze prachtuitgave zal hebben bestaan uit de niet eerder verkochte proef-exemplaren, die door Van Gogh als nog in de handel zijn gebracht. Het is achteraf waarschijnlijk niet mogelijk vast te stellen welke exemplaren tot de echte proef-exemplaren of tot de prachtuitgave behoren, met andere woorden welke exemplaren door Van Hoytema zelf en welke door Van Gogh zijn gedistribueerd. Maar een aanwijzing is er wel: de exemplaren met het overgeplakte naametiket (Van Gogh in plaats van Lankhorst) zijn door Van Gogh later verkocht. Inhoudelijk zijn er verder geen verschillen te noteren. Dat deze prachtuitgave ook door Van Gogh werd verhandeld, en dat de prijs daarvoor vijf gulden bedroeg, is overigens niet eerder vastgesteld. Van de andere prentenboeken van Van Hoytema zijn zulke luxe uitvoeringen niet verschenen.

Het succes

De vroege recensie van Jan Veth, een sleutelfiguur in het debat rond de ‘boek-kunst’ in deze periode van de Nieuwe Kunst, had het boek aangegrepen als een baken van vernieuwing, al was het boek niet perfect. Het ontbeerde bijvoorbeeld ‘de blijde mousseerende kracht, waardoor zulk werk tot zooiets eigenaardig genottelijks zou moeten worden’. Maar er kleefde geen ‘burgerlijke miezerigheid’ aan. Kennelijk had Veth wel het boek ontvangen, maar de kunstenaar zelf niet ontmoet, want hij sprak over hem als ‘de, naar ik aanneem jeugdige, maker’ (De Amsterdammer, Weekblad voor Nederland, 30 October 1892, p. 4). Theo van Hoytema was op dat moment 28 jaar. Veth prees zijn ‘vindingskracht, studie van stof, vermogen van zorgvuldig volhouden, en zelfs, in zekeren zin, oorspronkelijkheid’. Hij verwachtte ‘voor de toekomst iets van hem’ en hij zou daarin niet beschaamd worden.

Recensies in december 1892

Een met 1 december ondertekende recensie van Fr. van Weerde werd gepubliceerd in De Portefeuille (p. 340-341). Ook Van Weerde begroette ‘deze uitgave als ’n ware gebeurtenis in Onze Hollandsche kunst, want al is er heel veel middelmatigs en nu en dan zelfs wat leelijks in dit boek, ’t staat nog zóó hemelhoog boven de misselijk-banale en ellendig knoeierige prentenboeken, die tot nu toe ons land overstroomden, dat ’t algemeene toejuiching verdient, ’t pogen, eindelijk eens iets goeds en artistieks te geven op dit gebied.’ Maar hij gaf ook het kritische advies eens goed te kijken naar de Japanse kunst en de tekeningen van G.W. Dijsselhof en Jan van Oort. Hij prees zijn ‘héél typig-en-goed-gedane ganzen-, kraaien- en ooievaarfiguren’.

Op 2 december 1892 schreef ‘T’.’ in Het Vaderland een recensie. Ook deze recensent was onder de indruk en besteedde ruime aandacht aan ‘het keurig uitgevoerde werk’, dat door de kunstenaar zelf ‘op steen gegrift en kwistig geïllustreerd’ was.: ‘Wie het met mij eens is, dat iets te voelen voor echte serieuse kunst een ding is, dat niet te vroeg in onze kinderen kan worden opgewekt, die zal Van Hoijtema dankbaar zijn’. Aan originele tekenaars, zei ‘T.’, was tenslotte een groot gebrek. ‘Zie blad voor blad aan en stem het me toe, dat ernstige studie noodig geweest is, om zóo het sprookje telkens als op het woord te betrappen.’ Hij hoopte dat het boek ‘druk’ verkocht zou worden.

Op 12 december 1892 verscheen een kort bericht in Het Nieuws van den Dag (vierde blad, onder het kopje ‘Gemengd nieuws’): ‘De Heer C.M. van Gogh, te Amsterdam, heeft een nieuw prentenboek in het licht gegeven., dat om zijn eigenaardigen en oorspronkelijken vorm zeer de aandacht verdient.’ Hoytema werd ‘een jong kunstenaar van grooten aanleg’ genoemd. ‘Het wemelt van vogels in dit boek, maar ze zijn alle goed te onderscheiden, zoodat het werkje, naast een artistieken waarde, ook leerzaam is voor de kinderen, die wellicht liever een kleurig prentenboek hebben’. Dit ‘eenvoudig naïeve kinderboek’ viel daarom zeer op.

De reactie van A.C. Loffelt

Ook in de jaren daarna zou het boek als eersteling zowel lof als kritiek oogsten. In 1896 schreef de criticus A.C. Loffelt (Het Nieuws van de Dag, 1 december 1896): ‘Dat eerste prentenboek was zeker nog niet wat het wezen kon en mocht niet op éen lijn gesteld worden met wat Engelsche teekenaars ten opzichte van dieren en planten geleverd hebben, hetzij in naturalistischen of decoratieven specimina, die van innig en wetenschappelijk zien getuigden. De compositie echter was nog zeer verwaaid en lang niet geserreerd genoeg’, maar dat zou Van Hoytema met zijn latere prentenboeken ruimschoots ten goede veranderen.

Loffelt zelf had overigens het boek meteen opgenomen in zijn tentoonstelling over kinderboeken in Pulchri Studio. Die vond plaats in mei 1893. Tekst en illustratie als een geheel

Aty Brunt sloot zich later aan bij het koor van kritische bewonderaars. Zij vond het een fout in dit eerste prentenboek dat de tekst op enkele platen door de illustratie heen liep; een klacht overigens die ook andere kunstenaars nog lang te horen kregen, maar die nu verstomd is. Enkele jaren later bijvoorbeeld werden de litho’s van Pierre Bonnard bij de gedichten van Paul Verlaine (uitgave Vollard, 1900) ook van zulke heiligschennis beschuldigd. Nu wordt het beschouwd als een revolutionair kunstenaarsboek. Jan Jaap Heij zei daarom over Hoe de vogels aan een koning kwamen dat tekst en verhaal één geheel vormen en dat het daardoor ‘een echt beeldverhaal’ geworden was.

De humor van de prenten werd soms speciaal gememoreerd, onder andere door Louis Lacomblé die schreef dat het boek ‘nog wat onervaren’ en ‘onrijp’ was, maar ‘vol van guitige invallen’.

G. Knuttel was in zijn na-oorlogse kritiek (1953) op de eerste uitgave van Van Hoytema gedetailleerd: ‘In zwart is het gedrukt op een doods grijs papier. De tekeningen zijn snaaks en kernachtig, maar nog wat schraal. De kunstenaar heeft dit ongetwijfeld zelf beseft, want in een aantal exemplaren verlevendigde Van Hoytema de litho’s door deze met de hand “op te flikken” met vegen waterverf. Een werkwijze die hij ook voor zijn kerstkaartjes had toegepast.’ Het is daarom een dergelijk speciaal exemplaar dat de KB nu heeft gedigitaliseerd. Herdrukken van Van Hoytema's werk

Alle prentenboeken van Van Hoytema werden vertaald in het Engels en Duits. Ook verschenen er moderne uitgaven van. Drie maal werd Het leelijke jonge eendje herdrukt, twee maal gebeurde dat met Twee hanen, maar ook de drie andere prentenboeken werden fotomechanisch gereproduceerd. In 1971 gaf uitgeverij Schoonderbeek in Laren een herdruk uit van Hoe de vogels aan een koning kwamen. De prentenboeken hebben niet alleen een breed publiek bekoord, ze hebben de kinderboeken van andere kunstenaars diep beïnvloed: de vormgeving ervan vinden we terug bij Rie Cramer, Ella Riemersma en Tjeerd Bottema.

Paul van Capelleveen, 22 november 2013
(herzien: 5 januari 2015)

Literatuur

Ermst Braches, Nieuwe Kunst, toegepaste grafiek. Documentatie. Amsterdam, De Buitenkant, 2006
I.M. de Groot,De grafiek van Theo van Hoytema, 1863-1917. Amsterdam, Rijksprentenkabinet, Rijksmuseum Amsterdam, 1977
Jan Jaap Heij, Theo van Hoytema, 186301917. Amersfoort, Brugge, Bekking & Blitz Uitgevers, 2011
Nini Jonker, ‘De prentenboeken’, in: Theo van Hoytema 1863-1917. Zwolle, Waanders; Den Haag, Gemeentemuseum; Assen, Drents Museum, 1999, p. 64-79
G. Knuttel, Theo van Hoytema. Den Haag, W.P. van Stockum & Zoon, 1953]